„Heila!” riep hij op spottenden toon, „gij dappere Apachen, die u als

hazen in de struiken verschuilt, moet ik u in uw leger komen overvallen

om u te noodzaken u te vertoonen? Kom op! als gij durft zoo gij niet

wilt dat ik u voor lafhartige en vreesachtige oude vrouwen houd.”

Deze beleedigende taal voerde de verontwaardiging der Apachen ten top,

en zij beantwoordden hem met een luiden en langdurigen oorlogskreet.

„Zouden mijne broeders zich nog langer door een enkel man laten

trotseren?” riep de Blaauwe-Vos; „onze lafheid alleen maakt hem zoo

stout. Laten wij met de snelheid van een orkaan instormen op dezen

geest des kwaads; hij zal den schok van zooveel beroemde krijgslieden

niet kunnen weerstaan. Voorwaarts! mijne broeders, voorwaarts! Aan ons

zij de eer verbleven dat wij den onverzoenlijken vijand van ons

geslacht verslagen hebben!”

Bij deze woorden zwaaide hij moedig de karabijn boven zijn hoofd, en

onder het aanheffen van een vervaarlijken oorlogskreet stormde de

dappere Sachem onverschrokken den Scalpeur te gemoet.

Al zijne krijgslieden volgden hem.

De Scalpeur wachtte hen af zonder een duimbreed te wijken; maar zoodra

waren zij niet onder zijn bereik, of hij gaf zijn paard de sporen en

sprong met het edele dier midden onder de Indianen. Oogenblikkelijk

greep hij zijn geweer bij den tromp, gebruikte het als een knods en

begon er mede rond te zwaaijen en links en regts zijne slagen uit te

deelen, met eene snelheid en juistheid die aan bovennatuurlijke kracht

deden denken.

Nu ontstond er eene vervaarlijke schermutseling; de Indianen drongen

met verbittering in op den wildeman, die als een bekwaam ruiter zijn

paard onverwachte sprongen deed maken, en door de vaardigheid zijner

bewegingen zijnen vijanden belette het bij den teugel te grijpen en tot

staan te brengen.

De beide jagers, John Davis en zijn kameraad, stonden met het geweer

bij den voet den uitslag van het gevecht af te wachten, daar zij het

voor onmogelijk hielden, dat een enkel man in staat zou zijn, om tegen

zoovele en zulke dappere vijanden den strijd vol te houden, en langer

dan eenige minuten weerstand te bieden. Tot hunne groote verwondering,

bemerkten zij echter weldra dat zij zich vergist hadden; reeds lagen

verscheidene Indianen met gebroken schedel of op andere wijs door de

vreesselijke buks van den Scalpeur doodelijk getroffen op den grond te

zieltogen.

De jagers begonnen dus over den afloop van den strijd anders te denken

en wilden hunne kameraden te hulp komen, maar door de snelle bewegingen

van het gevecht waren hunne geweren onbruikbaar, daar het tooneel ieder

oogenblik veranderde en hunne kogels even goed een vriend als hun

eenigen vijand konden treffen; zij wierpen derhalve hunne buksen weg en

snelden met blank geweer de Apachen ter hulp, die reeds begonnen af te

deinzen.

De Blaauwe-Vos lag gevaarlijk gekwetst, bewusteloos op den grond

uitgestrekt; de overige krijgslieden, in zoover zij nog niet buiten

gevecht waren gesteld, begonnen aan den aftogt te denken en wierpen nu

en dan reeds een bezorgden blik achterwaarts.

De Blanke-Scalpeur stond nog altijd even woest en kordaat midden in den

hoop, zijne vijanden te beschimpen en uit te dagen, terwijl zijn arm

oprees en daalde met de regelmatigheid van een stoombalans.

„Ha, ha!” riep hij zoodra hij de jagers in ’t oog kreeg, „wilt gij ook

uw aandeel hebben, kom dan maar hier!”

Laatstgenoemden lieten het zich geen tweemaal zeggen en stormden met

dolle drift op hem in.

Maar het bekwam hun bijster slecht: John Davis werd door de borst van

het paard met zooveel kracht getroffen, dat hij tien passen verder over

den grond tuimelde, waar hij stil bleef liggen; op het zelfde oogenblik

stortte zijn kameraad, dien een kolfslag de hersenpan verbrijzeld had,

ter aarde en blies den adem uit zonder een klagt te slaken.

Deze laatste wederwaardigheid was voor de Indianen zooveel als de

genadeslag, en overmand door schrik voor de onweerstaanbare kracht van

dezen buitengewonen man, namen zij in alle rigtingen de vlugt, huilende

van angst.

De Scalpeur wierp een blik van triumf en bevredigden haat over de

bloedige kampplaats en het aantal zijner slagtoffers; eensklaps dreef

hij zijn paard voorwaarts, achterhaalde een der vlugtelingen, greep hem

bij de haren, wierp hem voor zich op den zadel en verdween er mede in

het bosch onder het uiten van een daverend hoongelach.

In het boschkamp bleven niet meer dan tien of twaalf verslagenen over,

die op het gras lagen uitgestrekt; twee of drie er van leefden nog, de

overigen waren gesneuveld.

Ook voor dezen keer had de Blanke-Scalpeur weder gezegevierd en zich

een bloedigen doortogt weten te openen. Wat Fray Antonio betreft,

zoodra hij zag dat het gevecht goed aan den gang was, oordeelde hij het

onnoodig om er den uitslag van af te wachten; hij had wijsselijk van de

gelegenheid gebruik gemaakt om stilletjes weg te sluipen, van boom tot

boom en van boschje tot boschje, tot hij eindelijk zijn aftogt had

volbragt en zijn kans schoon zag om het hazenpad te kiezen.

XXIV.

NA HET GEVECHT.

Gedurende meer dan een half uur heerschte er eene doodsche stilte in

het boschkamp, dat na den in het vorige hoofdstuk door ons beschreven

strijd een akelig en treurig schouwspel opleverde.

Intusschen had John Davis, die door den geweldigen stoot van het paard

niet ernstig gewond, maar alleen bedwelmd was, de oogen geopend en

zijne blikken verwonderd rond laten weiden; de schok was echter hevig

genoeg geweest om hem eenige kneuzingen te veroorzaken en hem in eene

diepe flaauwte te dompelen; ook kon de Amerikaan, toen hij weder

bijkwam, zich niet zoo dadelijk herinneren wat er met hem gebeurd was,

en vroeg hij zich verbaasd af hoe het toch mogelijk was dat hij zich in

zulk een zonderlingen toestand bevond.

Van lieverlede nogtans begonnen zijne denkbeelden op te helderen en

keerde zijn geheugen terug, en nu herinnerde hij zich dien

vreemdsoortigen en ongelijken strijd van één man alleen tegen achttien

of twintig; een strijd waar deze als overwinnaar uitkwam, na zijne

aanvallers deels gedood, deels op de vlugt te hebben gejaagd.

„Wel, wel!” mompelde hij bij zich zelven, „wat hij ook wezen mag,

mensch of duivel, maar ik zeg voor den drommel, dat de vent meer dan

knap is!”

Met eenige moeite stond hij op, betastte zich de pijnlijke leden en na

zich verzekerd te hebben dat er niets bij hem gebroken was vervolgde

hij met blijkbare zelfvoldoening:

„Ik ben er Goddank! beter afgekomen dan ik ooit had durven verwachten,

de lompe wijze in aanmerking nemende waarop ik omver werd

geloopen.—Maar hij,” vervolgde hij met een meêwarigen blik op zijn

kameraad, die naast hem lag, „die arme Jim, is minder gelukkig geweest

dan ik, zijn loop is geëindigd! Wat heeft hij een ruwen slag op zijn

hoofd gehad! Bah! wat zal ik er aan doen?” besloot hij met de

zelfzuchtige wijsheid der wildernis, „alle menschen moeten sterven, elk

krijgt zijn beurt, vandaag hij, morgen ik, zoo gaat het in de wereld.”

Thans op zijn geweer leunende, want het loopen ging nog niet

gemakkelijk, deed hij eenige stappen door het kamp, om zijne verdoofde

leden op te wekken en zich voor goed te overtuigen dat zij in gezonden

staat waren.

Na zich een poosje met deze oefening te hebben bezig gehouden, die den

omloop van zijn bloed en de lenigheid zijner gewrichten spoedig

herstelde, zoodat hij volkomen omtrent zich zelven gerust was, kwam de

gedachte bij hem op om te zien of er onder de rondom hem verstrooid

liggende verslagenen, ook enkele waren die nog ademden.

„Het zijn wel is waar slechts Indianen,” prevelde hij, „maar in allen

geval zijn het toch menschen, en al hebben zij bijna geen redelijk

verstand, vordert de menschelijkheid dat ik hun hulp verleen, te meer

daar mijn tegenwoordige toestand niet van de aangenaamste is; en als

het mij gelukte een of ander onder hen te redden, zou hunne kennis van

de wildernis mij in deze oogenblikken zeer te stade komen.”

Deze laatste overweging inzonderheid deed hem besluiten om hulp te

bieden aan menschen die hij anders waarschijnlijk aan hun lot zou

hebben overgelaten, met andere woorden, aan de klaauwen en tanden der

verscheurende dieren, die door den reuk des bloeds aangelokt, den

volgenden nacht niet zouden verzuimd hebben er hun prooi van te maken.

Wij zijn echter verpligt om den Amerikaan in zooverre regt te laten

wedervaren, dat hij, zoodra zijn besluit eenmaal genomen was, zich met

alle naauwgezetheid en beleid kweet van de zich opgelegde taak—eene

taak die hem trouwens niet moeijelijk viel, daar de menigte ambachten

die hij gedurende den loop van zijn wisselvallig leven had uitgeoefend,

hem, onder anderen, eene geneeskundige kennis en ervaring hadden

medegedeeld, die hem volkomen in staat stelden om aan gewonden de

noodige zorg en bijstand te verleenen.

Ongelukkig hadden verreweg de meeste Indianen die hij onderzocht, zulke

zware wonden ontvangen, dat het leven hen reeds verlaten had en dus

alle hulp voor hen nutteloos was.

„Duivel! nog eens!” pruttelde de Amerikaan bij elk lijk dat hij te

vergeefs omkeerde, „die arme wilden zijn knaphandig genekt, dat moet ik

zeggen! Een ding is gelukkig voor hen, dat zij ten minste niet lang

pijn zullen hebben geleden, want met zulke wonden hebben zij bijna

oogenblikkelijk den geest moeten geven.”

Zoo voortgaande, kwam hij aan de plaats waar de Blaauwe-Vos lag; een

groote open wond met eene machete toegebragt gaapte in zijne borst.

„Ei, zie! daar ligt onze goede Sachem!” riep hij: „welk eene wond! Laat

ons zien of ook hij dood is.”

Hij bukte over het roerlooze lijk en hield zijn glimmend mes voor den

mond van den Indiaan.

„Hij verroert zich niet,” vervolgde hij op moedeloozen toon, „ik denk

niet dat ik hem ooit weder aan het loopen zal krijgen.”

Intusschen beschouwde hij na eenige minuten het lemmet van zijn mes, en

bemerkte dat het meer of min beslagen was.

„Goeden moed!” prevelde hij, „hij is ten minste nog niet geheel dood,

en zoo lang er leven is, is er hoop; laten wij zien.”

Na deze alleenspraak schepte John Davis met zijn hoed water uit de

beek, deed er een weinig brandewijn bij, en begon zorgvuldig de wond te

wasschen; deze pligt volbragt zijnde, peilde hij de wond, en zag tot

zijne voldoening, dat zij weinig diepte had, en dat alleen bloedverlies

naar alle waarschijnlijkheid de bezwijming had te weeg gebragt. Van

deze juiste beoordeeling nader overtuigd zijnde, wreef hij eenige

oregano bladeren tusschen twee steenen, maakte er een papje van, legde

het op de wond en bevestigde het met een verband van boomschors en

biezen; vervolgens met de punt van zijn mes den gewonde de tanden

ontsluitende, bragt hij hem de tuit van zijn kalabasflesch in den mond

en liet hem een goeden teug brandewijn drinken.

De aangewende poging van den Amerikaan werd bijna onmiddellijk met

gunstig gevolg bekroond, want de gewonde slaakte een diepen zucht en

opende de oogen.

„Bravo,” riep John, wel verheugd over deze schier onverhoopte goede

uitkomst. „Schep moed, hoofdman, gij zijt behouden Goddank! gij moogt

van geluk spreken, want gij waart reeds ver heen.”

De Indiaan bleef eenige minuten stompzinnig rondkijken met verwezen

blikken, zonder bewustzijn van zijn toestand noch van de voorwerpen die

hem omgaven.

John hield hem oplettend in ’t oog, gereed om hem terstond nieuwe hulp

toe te brengen wanneer dit noodig mogt zijn, maar vooreerst behoefde

hij die niet meer. De Indiaan scheen langzamerhand bij te komen. Zijne

oogen stonden weldra minder verstrooid, en eindelijk keerde hij tot

zijn volle bewustzijn terug. Hij ging overeind zitten en wischte zich

met de regterhand het klamme zweet van het voorhoofd.

„Het gevecht is dus geëindigd?” vroeg hij.

„Ja,” antwoordde John, „met onze volkomene nederlaag; een aardig idee

van ons, om dien duivel te willen overmeesteren.”

„Is hij ons dan ontsnapt?”

„Zoo mooi als er ooit een ontsnapt is, en wat meer zegt, ongewond,

nadat hij ten minste tien uwer krijgslieden had omgebragt en mijn armen

kameraad Jim bijna het hoofd van den romp had afgeslagen.”

„O!” mompelde de Indiaan binnensmonds, „hij is geen mensch, hij is de

geest des kwaads.”

„Laat hij wezen wat hij wil,” riep John met nadruk, „maar bij den

hemel! ik zal er het mijne van hebben, want ik hoop mij eenmaal op

nieuw met dien duivel te meten.”

„Dat de Wacondah mijn broeder voor die ontmoeting beware, want die

duivel zou hem zeker dooden.”

„’t Is mogelijk; en dat hij het van daag niet reeds gedaan heeft is

zijne schuld niet; maar laat hij op zijne hoede zijn, welligt staan wij

nog eens tegenover elkander met gelijke wapenen, en dan.....”

„Wat vermogen wapenen bij hem? Hebt gij dan niet gezien dat wij op zijn

lijf niets kunnen uitwerken, en dat hij onkwetsbaar is?”

„Hum, ’t is mogelijk; maar laten wij thans niet langer over hem praten,

wij hebben andere zaken te behandelen die ons nader aangaan. Hoe

bevindt gij u, zeg?”

„Beter, veel beter; het middel dat gij op mijne wond hebt aangewend

heeft mij goed gedaan, ik gevoel er onuitsprekelijk veel baat bij.”

„Dat verheugt mij; zie nu vooreerst maar dat gij twee of drie uren rust

neemt, ik zal intusschen blijven waken, en dan kunnen wij ons zamen

beraden over de middelen om uit de moeijelijkheid te geraken waarin wij

ons gebragt hebben.”

„De Blaauwe-Vos is geen oude vrouw, of een kleinzeerig kind, dat door

een weinig pijn in tanden of ooren, buiten staat wordt, zich te

bewegen.”

„Ik weet dat gij een dapper krijgsman zijt, hoofdman, maar de natuur

heeft hare grenzen, die zij niet kan overschrijden, en hoe sterk ook uw

moed of uw wil wezen mag, de hevige bloeding die uwe wond u veroorzaakt

heeft moet u zeer verzwakt hebben.”

„Ik dank u, mijn broeder, uwe woorden zijn die van een vriend; maar de

Blaauwe-Vos is een Sachem in zijn stam, de dood alleen moet hem

beletten zich te bewegen, laat mijn broeder oordeelen of het opperhoofd

zoo zwak is.”

Terwijl hij deze woorden sprak, deed de Indiaan eene uiterste poging om

zich op te rigten. Zich met al de zielskracht en lijdensverachting die

het roode menschenras eigen zijn, tegen de pijn inzettende, gelukte het

hem op te staan, en niet alleen stevig op de beenen te blijven, maar

zelfs eenige stappen te doen zonder vreemde hulp en zonder den minsten

zweem van smart op zijn gelaat te vertoonen.

De Amerikaan beschouwde hem met innige verbazing. Ofschoon hij zelf een

welverdienden roem bezat van dapperheid en geestkracht, begreep hij

niet hoe het mogelijk was dat iemand de heerschappij der morele boven

de stoffelijke kracht zoo ver kon drijven.

De Indiaan glimlachte met zekeren hoogmoed, toen hij in het oog van den

Amerikaan de bewondering las die zijne daad bij dezen verwekte.

„Denkt mijn broeder nu nog dat de Blaauwe-Vos zoo zwak is?” vroeg hij.

„Om u de waarheid te zeggen, hoofdman,” was het antwoord, „weet ik niet

meer wat ik er van denken moet; wat ik u zie doen, brengt mij in de

war; ik ben geneigd te veronderstellen dat gij in staat zijt het

onmogelijke te doen.”

„De Hoofden van mijn volk zijn beproefde krijgslieden, die lagchen om

de smart en voor wie het lijden niet bestaat,” zei de Roodhuid trotsch.

„Ik kan er niet langer aan twijfelen na hetgeen ik van u gezien heb.”

„Mijn broeder is een man; hij heeft mij begrepen. Laat ons nu zamen de

krijgslieden onderzoeken die hier om ons heen liggen, daarna zullen wij

aan ons zelven denken.”

„Wat uwe arme kameraden betreft, hoofdman, ben ik genoodzaakt u te

verklaren dat wij ons met hen niet meer behoeven bezig te houden, alle

hulp zou hier overbodig zijn; zij zijn dood.”

„Goed, zij zijn met eere gevallen in den strijd; Wacondah zal hen

ontvangen in zijn schoot, om met hen te jagen in de velden der

gelukzaligen.”

„Dat zij zoo.”

„Laten wij thans, voor alle andere dingen, de zaak afdoen die wij heden

morgen begonnen zijn, en die wij op zulk eene ongelegene wijs hebben

moeten afbreken.”

John Davis, ofschoon aan het leven der wildernis gewoon, was verslagen

over het koelbloedig gedrag van dezen man, die naauwelijks aan den dood

ontsnapt, nog lijdende aan eene vreesselijke wonde, en eerst sedert

weinige minuten tot verstandelijk bewustzijn teruggekeerd, reeds niet

meer aan het gebeurde scheen te denken, anders dan aan een voorval,

daar hij bijna het slagtoffer van was geworden, maar dat overigens in

zijn dagelijksche leven zeer natuurlijk scheen, zoodat hij, zonder de

minste belemmering van geest een gesprek, door een bloedig gevecht

gestoord, kon hervatten juist op hetzelfde punt waar hij het gelaten

had. Dat zulk een koelzinnig gedrag hem bevreemdde, was omdat de

Amerikaan, ondanks zijn veeljarig verkeer met de Roodhuiden, zich nooit

de moeite had gegeven om hun karakter ernstig te bestuderen, overtuigd,

gelijk de meeste blanken, dat deze lieden bijna geen verstandelijke

vermogens bezitten, en dat zij door hunne levenswijs schier met het

redelooze gedierte gelijk zijn; terwijl integendeel dit leven van

vrijheid en van onophoudelijk gevaar hen met ontberingen en wonden zoo

gemeenzaam maakt, dat zij die hebben leeren verachten en er niets meer

dan eene zeer betrekkelijk gewigt aan toekennen.

„’t Is goed,” zeide hij een oogenblik later, „als gij het zoo verlangt,

hoofdman, ben ik gereed om u de zending waarmede ik belast ben, mede te

deelen.”

„Laat mijn broeder dan aan mijne zijde plaats nemen.”

De Amerikaan ging naast het opperhoofd zitten, ofschoon niet zonder

vrees voor de roerlooze stilte, te midden van een slagveld bezaaid met

dooden. De Indiaan daarentegen scheen zoo kalm en bedaard dat John

Davis zich schaamde om iets van zijne ongerustheid te doen blijken, en

eene onverschilligheid aannemende die hij wel verre was van te

bezitten, vatte hij onmiddellijk het woord op.

„Ik ben tot mijn broeder gezonden door een groot krijgsman der

Bleekgezigten,” begon hij.

„Ik ken hem,” antwoordde de Blaauwe-Vos, „hij heet de Jaguar, zijn arm

is sterk en zijn oog fonkelt als die van het dier welks naam hij

draagt.”

„Goed. De Jaguar wenscht de oorlogsbijl tusschen hem en zijne Roode

broeders te begraven, opdat de vrede hen voortaan vereenige, en zij in

plaats van elkander te bestrijden, zamen den bison jagen op dezelfde

jagtgronden, en zich aan hunne gemeenschappelijke vijanden wreken. Welk

antwoord zal ik den Jaguar geven?”

De Indiaan zweeg een geruimen tijd; eindelijk hief hij het hoofd op.

„Dat mijn broeder zijne ooren opene,” zeide hij, „het is een Sachem die

spreken zal.”

„Ik luister,” antwoordde John Davis.

Het opperhoofd hervatte:

„De woorden die mijne borst uitblaast zijn opregt, het is de Wacondah

die ze mij ingeeft: De Bleekgezigten, sedert zij door den Geest des

kwaads, in hunne groote tooverkano’s naar het land mijner vaderen

werden gevoerd, zijn steeds de bitterste vijanden der Roodhuiden

geweest, hunne rijkste en vruchtbaarste jagtvelden hebben zij

ingenomen; waar zij hen ontmoetten hebben zij hen als wilde dieren

vervolgd, hunne callis (dorpen) hebben zij verbrand en het gebeente

hunner vaderen in de vier winden des hemels verstrooid. Is het niet

zoo? Is dit niet altijd het gedrag der Bleekgezigten geweest? Dat mijn

broeder antwoorde.”

„Hum! ja,” riep de Amerikaan min of meer verlegen, „ik wil niet

ontkennen, hoofdman, dat er iets waars is in hetgeen gij zegt, maar

toch, al de lieden van mijne kleur zijn niet zoo slecht gezind jegens

de Roodhuiden geweest, sommige daarentegen hebben hun goed zoeken te

doen.”

„Ooah! twee of drie ja, dat kan waar zijn, maar dat bewijst niets tegen

hetgeen ik beweer; spreken wij er intusschen niet meer van en gaan wij

liever over tot de zaak die ons thans moet bezig houden.”

„Ja, ik geloof dat dit beter zal zijn,” antwoordde de Amerikaan,

inwendig verheugd dat hij niet verpligt was een gesprek voort te zetten

daar hij vooruit van wist, dat het niet tot zijn voordeel zou afloopen.

„Mijn volk haat de Bleekgezigten,” hervatte het Opperhoofd, „de condor

maakt zijn nest niet met de mawkawis, en de graauwe beer paart zich

niet met de antilope; ik zelf draag den Bleekgezigten een aangeboren

haat toe. Nog dezen morgen zou ik dus de voorstellen van den Jaguar

zeker hebben afgeslagen; wat gaan ons de onderlinge oorlogen der

Blanken aan? wanneer de coyotes elkander verslinden, verheugen zich de

herten; het doet ons genoegen te zien dat onze wreede onderdrukkers

elkander verscheuren; thans echter, ofschoon mijn haat nog even

levendig is, moet ik die in mijn hart opsluiten. Mijn broeder heeft mij

het leven gered, hij heeft mij geholpen toen ik magteloos op den grond

lag uitgestrekt en de Engel des doods zijne vleugelen reeds over mij

uitbreidde; de ondankbaarheid is een ondeugd der Blanken, de

erkentelijkheid eene deugd der Rooden: van heden af is de bijl tusschen

den Jaguar en den Blaauwe-Vos voor de volgende manen begraven: vijf

manen lang zullen de vijanden van den Jaguar die van den Blaauwe-Vos

zijn; de beide opperhoofden zullen naast elkander strijden, als twee

broeders die elkander liefhebben; binnen drie zonnen zal de Sachem het

Blanke opperhoofd vijf honderd vermaarde krijgslieden toevoegen, wier

hielen met tallooze wolvenstaarten versierd zijn, en die tot de

uitgelezen mannen zijner natie behooren. Wat zal daarentegen de Jaguar

voor den Blaauwe-Vos en zijne krijgslieden doen?”

„De Jaguar is een grootmoedig opperhoofd; hij moge voor zijne vijanden

vreesselijk zijn, voor zijne vrienden is hij altijd toegankelijk en

vrijgevig; iedere krijgsman der Apachen ontvangt van hem een geweer,

honderd ponden buskruid en een scalpeermes. De Sachem bekomt bovendien

twee vigoniavellen met vuurwater gevuld.”

„Ooah!” riep de Blaauwe-Vos met blijkbare tevredenheid, „mijn broeder

heeft goed gesproken, de Jaguar is een grootmoedig opperhoofd. Ziedaar

mijn totem ten bewijze van ons verbond, zoowel als mijn veer van

kommando.”

Dit zeggende haalde de Sachem uit zijn weitasch of knapzak, die hij aan

een band over zijn schouder droeg, een vierkant stuk perkament te

voorschijn, waarop in ruwe trekken het totem, of zinnebeeldig

diergestalte van zijn stam geteekend was; vervolgens de adelaarsveer

uit zijn oorlogskap nemende, stelde hij die beiden aan John Davis ter

hand.

„Ik dank mijn broeder, den Sachem,” zei laatstgenoemde, „dat hij mijn

voorstel heeft aangenomen, hij zal geen reden hebben om er zich over te

beklagen.”

„Een opperhoofd gaf hem zijn woord. Maar zie, de zon verlengt de

schaduw der boomen, de mawkawis zal weldra zijn avondzang laten hooren;

het uur is gekomen om aan de doode krijgslieden de laatste eer te

bewijzen, en wij moeten vertrekken; om ons elk naar onze vrienden te

begeven.”

„Te voet, zooals wij hier zijn, dat zal bezwaarlijk gaan,” beweerde

John.

De Indiaan glimlachte.

„De krijgslieden van den Blaauwe-Vos waken altijd voor hem,” zeide hij.

Werkelijk had hij naauwlijks tweemaal een bijzonder signaal laten

hooren, of een vijftigtal Apachen-krijgslieden snelden van alle kanten

toe en schaarden zich zwijgend om hun opperhoofd.

De vlugtelingen die aan den geduchten arm van den Scalpeur ontsnapt

waren, hadden zich in der ijl naar het naastbijgelegen Indianenkamp

begeven en hunne kameraden met het noodlottig nieuws hunner nederlaag

bekend gemaakt; daarop was er onder bevel van een opperhoofd van

lageren rang een detachement ruiters afgezonden om den Sachem te

zoeken. Deze ruiters nogtans, toen zij den Blaauwe-Vos met John Davis

in gesprek zagen, waren op eenigen afstand onder het geboomte blijven

staan, geduldig wachtende tot het hem behagen zou hen tot zich te

roepen.

De Blaauwe-Vos beval hun thans de dooden te begraven, en nu begon de

ceremonie der ter aarde bestelling, eene plegtigheid die onder den

drang der omstandigheden zooveel mogelijk moest worden bekort.

De lijken werden eerst met zorg gewasschen, in nieuwe bisonsmantels

gewikkeld, en toen, in zittende houding, in de kuilen geplaatst die men

voor ieder van hen gedolven had: hunne wapens werden bij hen in het

graf gelegd, alsmede een paardenhoofdstel en eenige levensvoorraad,

opdat het hun niet aan de noodige middelen ontbreken zou, om de velden

der gelukzaligen te bereiken en zij bij hunne komst bij den Wacondah

onmiddellijk te paard konden stijgen om op de jagt te gaan.

De zwervers op de grenzen · 第 17 / 22 段