oogopslag; maar het schijnt dat dit tooneel, dat hij wel verre was van
te verwachten, hem alles behalve vertrouwen inboezemde, want zijne
wenkbraauwen trokken zich zamen en hij weerhield naauwelijks een
uitroep van verwondering en teleurstelling, toen hij hier deze twee
onbekende personen gewaar werd.
Onwillekeurig, bij wijze van voorzigtigheidsmaatregel, spande hij den
haan van zijn geweer, en begon weder te letten op hetgeen er in het
boschkamp voorviel en wat er verder met de twee personaadjes gebeuren
zou.
Inmiddels maakte de man in het monnikskleed eene ligte beweging, als om
zich op te rigten, en opende even de oogen, maar waarschijnlijk nog te
zwak om het zonlicht te verdragen, dat hem ofschoon door het digte loof
getemperd, juist op het gezigt viel, sloot hij ze weder.
De man intusschen die hem ondersteunde, had reeds gemerkt dat hij weder
bij kennis was gekomen, hij had hem de lippen zien bewegen als prevelde
hij iets in zich zelven.
Hij oordeelde nu dat de monnik ten minste vooreerst zijne hulp niet
meer noodig had, en rees overeind, nam zijn buks, kruiste de beide
handen op den tromp en bleef lijdelijk staan wachten, nu en dan om zich
heen glurende met een blik zoo vol haat en sombere zwartgalligheid, dat
het Indiaansche opperhoofd, die nog altijd in de struiken alles
bespiedde, er onwillekeurig van sidderde.
Thans volgden eenige minuten stilte, gedurende welke men geen ander
geluid hoorde, dan het eentoonig gemurmel der beek over de rotsige
keijen in hare bedding, en het geheimzinnig gonzen der tallooze vliegen
en insecten onder het gras verscholen.
Eindelijk maakte de man die op den grond lag eene tweede beweging,
sterker dan de eerste, en opende op nieuw de oogen.
Na een verstrooiden blik in het rond te hebben geworpen, vestigden
zijne oogen zich met zekere vreemde verbazing op den grooten grijzen
man, die altoos onbewegelijk naast hem stond, en die hem met eene
zonderlinge mengeling van spotachtig medelijden en sombere
zwaarmoedigheid aankeek.
„Ik dank u,” murmelde eindelijk de monnik met een zwakke stem.
„Ik dank u! Waarvoor?” antwoordde de onbekende barsch.
„Ik dank u, omdat gij mij het leven hebt gered, broeder,” hernam de
gewonde.
„Ik ben uw broeder niet, monnik,” hervatte de onbekende spotachtig; „ik
ben een ketter, een gringo, zoo als gij ons gelieft te noemen; kijk mij
eens goed aan, gij hebt mij nog niet naauwkeurig bezien: ik heb immers
horens op mijn hoofd, en bokspooten aan mijne beenen?”
Deze woorden klonken op zulk een sarcastischen en tevens nadrukkelijken
toon, dat de monnik er een poos van verstomde.
„Wie zijt gij dan?” vroeg hij eindelijk met heimelijke vrees.
„Wat kan het u schelen?” hernam de onbekende met een kwaadwilligen
lach, „de duivel misschien.”
De gewonde deed eene geweldige poging om zich op te rigten, en kruiste
zich bij herhaling.
„De hemel beware mij! dat ik in handen van den boozen geest zou
gevallen zijn,” stotterde hij.
„Loop, onnoozele dwaas!” hervatte de onbekende verachtelijk de
schouders ophalend, „wees maar niet bang; ik ben de duivel niet, maar
een mensch zoo goed als gij, misschien een beetje minder schijnheilig,
dat is het eenige onderscheid tusschen ons.”
„Spreekt gij de waarheid? Zijt gij werkelijk een van mijns gelijken,
gereed om mij te helpen?”
„Voor het vervolg sta ik u geen borg,” antwoordde de onbekende met een
raadselachtigen glimlach, „maar tot dusver althans hebt gij geloof ik
geen reden u over mij te beklagen.”
„O, neen! neen! dat geloof ik ook niet, ofschoon sedert mijne flaauwte
mijne gedachten geheel in de war zijn en ik mij niets meer herinner.”
„Dat kan mij weinig schelen, het raakt mij zelfs niet: ik vraag ù naar
niets; ik heb te veel aan mijne eigene zaken te doen om mij met die van
anderen te bemoeijen. Maar, zeg! gevoelt gij u beter? Zijt gij genoeg
hersteld om uw weg te vervolgen?”
„Hoedat! mijn weg te vervolgen?” vroeg de monnik angstig, „denkt gij
mij dan hier alleen te laten?”
„Waarom niet? Ik heb met u reeds te veel tijd verloren, ik moet thans
aan mijne eigen zaken denken.”
„Wat zegt gij?” riep de monnik dringend, „na al de belangstelling die
gij mij zoo welwillend getoond hebt, zoudt gij den moed hebben om mij
bijna stervende alleen te laten, zonder u te bekommeren over hetgeen
mij gebeuren kan na uw vertrek?”
„Waarom niet? Wat geef ik om u? Ik ken u niet, ik heb er volstrekt geen
belang bij om u te helpen. Toevallig over dit kamp gaande, heb ik u
daar zien liggen, levenloos en bleek als een lijk, en ik heb u de
zorgen bewezen die men in de woestijn aan niemand weigert; nu zijt gij
tot het leven teruggekeerd, ik kan u niet meer van dienst zijn en ik
vertrek; wat kan men eenvoudiger en redelijker wenschen? Vaarwel! en
laat de duivel, daar gij mij zoo even voor hebt aangezien, u verder in
zijne bescherming nemen.”
Na deze woorden, op een toon van schampere ironie te hebben
uitgesproken, wierp de onbekende zijn geweer over den schouder en deed
een paar stappen naar zijn paard.
„Blijf! in ’s hemels naam!” riep de monnik, zich schielijker oprigtende
dan zijn zwakke toestand had doen veronderstellen, daar de vrees hem de
ontbrekende krachten schonk. „Wat zal er van mij worden, alleen, in
deze wildernis?”
„Dat kan mij weinig schelen,” hernam de onbekende, hardvochtig den slip
van zijn zarape losrukkende dien de monnik gegrepen had; „de grondregel
der woestijn is immers: Ieder voor zich.”
„Hoor mij!” schreeuwde de monnik, op zijn ouden spraakzamen toon. „Mijn
naam is Fray Antonio, ik ben rijk, als gij mij wilt beschermen zal ik u
ruim beloonen.”
De onbekende glimlachte minachtend.
„Wat hebt gij te vreezen? Gij zijt jong, sterk, goed gewapend, en dus
wel in staat om u zelven te beschermen.”
„Neen, dat ben ik niet, daar ik door onverbiddelijke vijanden word
vervolgd. Dezen nacht hebben zij mij eene gruwzame en vernederende
marteling doen ondergaan; het is mij met groote moeite gelukt aan hunne
handen te ontkomen. Heden morgen vroeg, bragt het toeval mij weder in
de tegenwoordigheid van twee dezer lieden; toen ik hen zag maakte een
soort van dolle razernij zich van mij meester; het idee om mij te
wreken kwam in mij op; ik heb mijn geweer op hen aangelegd en op hen
gevuurd, en toen heb ik het op een loopen gezet, zonder te weten waar
ik ging, dronken van gramschap en schrik; tot ik hier kwam en
nederviel, geheel afgemat, overstelpt en vernietigd, deels door het
lijden dat ik dezen nacht heb doorgestaan, deels van vermoeijenis door
een verren en snellen marsch, langs afschuwelijke wegen, dwars door de
wildernis. De schelmen zitten mij zonder twijfel na. Zoo zij mij
vinden, en dat zullen zij zeker, want het zijn woudloopers die met de
wildernis in allen deele bekend zijn, zullen zij mij onbarmhartig
vermoorden; ik heb geen hoop meer dan op u; red mij, bij al wat u op
aarde dierbaar is, red mij! en mijne dankbaarheid voor u zal onbegrensd
zijn.”
De onbekende had dit lange en hartstogtelijk pleidooi aangehoord zonder
een spier op zijn gezigt te verroeren. Toen de monnik eindelijk zweeg,
waarschijnlijk uit gebrek aan adem of redeneerkracht, zette de
vreemdeling zijn geweer met de kolf op den grond.
„Alles wat gij daar zegt kan wel waar zijn,” antwoordde hij droog,
„maar ik geef er zooveel om als om een schot met los kruid; zie dat gij
u redt zoo goed als gij kunt, uwe gebeden baten niets: zoo gij wist wie
ik ben, zoudt gij u niet langer de moeite geven om mij de ooren te doen
klappen.”
De monnik keek den onbekende aan met een vervaarden blik, niet meer
wetende wat hij hem zeggen, noch waarmede hij hem het hart zou
vermurwen.
„Maar wie zijt gij dan?” vroeg hij, veeleer om toch iets te zeggen, dan
wel op hoop van eenig antwoord te bekomen.
„Wie ik ben,” herhaalde de gevreesde man, met een spotachtigen grijns,
„wilt gij dat weten? Goed, luister dan op uwe beurt, ik heb u slechts
een paar woorden te zeggen, maar zij zullen voldoende zijn om het bloed
in uwe aderen te doen verstijven: ik ben de zoogenaamde
Blanke-Scalpeur, of Zonder-Genade!”
De monnik deed eenige stappen terug, waggelend en de handen vouwende,
terwijl hij verschrikt uitriep:
„Mijn God! ik ben verloren.”
Op dit oogenblik klonk digt in de nabijheid het klagend geroep van den
nachtuil.
De Scalpeur sidderde.
„Men heeft ons beluisterd,” riep hij, en oogenblikkelijk snelde hij
naar dien kant vanwaar het signaal zich hooren liet, terwijl de monnik,
half dood van schrik, op de knieën zonk, en een gebed begon te
prevelen.
XXIII.
DE BLANKE-SCALPEUR.
Thans moeten wij den draad van ons verhaal een oogenblik laten rusten,
om den lezer eenige bijzonderheden te melden aangaande den vreemden man
dien wij in het vorige hoofdstuk ten tooneele voerden, bijzonderheden
wel is waar op zich zelf onvolledig, maar desniettemin onmisbaar tot
regt verstand der zaken die volgen zullen.
Zoo wij in plaats van eene ware geschiedenis een roman schreven, zouden
wij ons wel wachten in ons verhaal personen op te nemen gelijk aan die
waarmede wij ons in deze oogenblikken bezighouden; ongelukkig echter
zijn wij gedwongen om de rigting te volgen die ons is aangewezen, en
ons personeel te beschrijven zoo als het inderdaad bestaan heeft, en
meerendeels thans nog bestaat.
Ettelijke jaren voor het tijdstip waarop het eerste gedeelte van ons
verhaal aanvangt, verspreidde zich in de wildernissen van Texas een los
gerucht, in den beginne van weinig beteekenis, maar dat weldra zich
bevestigde en toen het algemeen bekend werd, de harten van al de
Indios-bravos, jagers en woudloopers met ontzetting en schrik vervulde.
Een man, zoo men zeide een blanke, zwierf sedert eenigen tijd door de
woestijn, om op de Roodhuiden jagt te maken, aan welke hij een
onverbiddelijken oorlog scheen te hebben verklaard; deze man, die zoo
men verzekerde steeds alleen rond zwierf, beging daden van ongehoorde
stoutmoedigheid en wreedheid; waar hij slechts Indianen ontmoette,
onverschillig hoe sterk in getal, viel hij hen aan; die hij in handen
kreeg scalpeerde hij, rukte hun het hart uit het lijf, en om te
bewijzen dat zij onder zijne slagen waren gevallen, gaf hij hun twee
groote sneden op de borst, in den vorm van een kruis. Somwijlen terwijl
hij de woestijn in al hare lengte doorliep, sloop deze onverzoenlijke
vijand van het roode geslacht in hunne dorpen, stak bij nacht wanneer
de Indianen sliepen hunne hutten in brand, en vermoordde dan alles wat
hij vond, mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zonder uitzondering of
genade.
Doch het waren niet alleen de Indianen die door dezen gevreesden
overweldiger zoo bloeddorstig werden vervolgd; ook de andere
kleurlingen, mestiezen of mulatten, de smokkelaars, roovers, kortom al
de andere grensloopers, van welke soort of naam ook, die gewoon zijn
ten koste der maatschappij te leven, hadden eene zware rekening met hem
te verantwoorden; wel is waar, deze laatste scalpeerde hij niet, maar
vergenoegde zich met hen stevig aan boomen vast te binden, waar zij van
honger moesten sterven of door de wilde dieren verslonden werden.
Gedurende de eerste jaren zijner verschijning hadden de avonturiers en
Roodhuiden uit besef van gemeenschappelijk gevaar, zich meermalen zamen
verbonden om zich van dezen woesten vijand meester te maken en de wet
der wedervergelding op hem toe te passen; maar het was als of hij door
eene onzigtbare hand werd beschermd, zoo behendig wist hij aan iederen
strik dien men hem spande te ontsnappen en telkens de hinderlagen te
raden welke men hem in den weg legde. Het was onmogelijk hem te
bereiken, zijne bewegingen waren zoo snel en onvoorzien, dat hij
menigwerf verscheen op ongelooflijke afstanden van de plaats, waar men
hem verwachtte of waar men hem kort te voren nog gezien had. Volgens
het zeggen der Indianen en grensloopers, was hij onkwetsbaar en
schampten de kogels zoowel als de pijlen, op zijne borst weerloos af.
Door het aanhoudend geluk dat al zijne aanslagen begunstigde, werd deze
man weldra de algemeene schrik der prairie, zijne vijanden, overtuigd
dat al hunne pogingen tegen hem nutteloos waren, zagen af van een
strijd dien zij als tegen meer dan aardsche magt gerigt rekenden; de
vreemdsoortigste legenden kwamen nopens hem in omloop, iedereen vreesde
hem als een boosaardig wezen, dat met den duivel in verband stond; de
Indianen noemden hem in hunne taal Kiein-Stomann, dat is de
Blanke-Scalpeur, en de woudloopers betitelden hem met den naam van den
Zonder-Genade.
Deze beide namen werden, gelijk men ziet, niet ten onregte gegeven aan
iemand voor wien moord en bloedstorting het hoogste genoegen schenen en
die niets liever deed dan zijne slagtoffers op de gruwzaamste wijze te
folteren. Tengevolge hiervan was zijn naam alleen reeds genoeg om den
dapperste van schrik te doen beven.
Maar wie was nu die man?
Van waar kwam hij?
Welke vreeselijke gebeurtenis had hem de afschuwelijke levensbaan doen
kiezen die hij betrad?
Op deze vragen wist niemand te antwoorden, en zijn ontzettend aanwezen
bleef voor ieder een raadsel zonder oplossing:
Was hij misschien een dier gedrochtelijke wanschepsels die onder
menschelijke gedaante een tijgerhart huisvesten, of was hij eene dier
verpeste zielen die zich aan den duivel hadden overgegeven, en wier
vermogens ten gevolge van een of ander ontzettend ongeluk gekrenkt,
zich in de enkele hartstogt der wraakzucht hadden opgelost?
Deze twee veronderstellingen schenen even mogelijk, misschien waren
beiden wel te zamen in hem vereenigd.
Hoe dit wezen mag, iedere muntslag heeft zijne keerzijde en zoo is ook
de mensch evenmin geheel kwaad als geheel goed: de Scalpeur had dus nu
en dan zijne heldere buijen, niet zoozeer van medelijden als van
vermoeijenis, wanneer zijne eigen bloedgierigheid hem walgde en
misschien een weinig minder wreed en minder onverbiddelijk, in een
woord, een weinig menschelijker maakte; zulke oogenblikken waren echter
zeer kort van duur en uiterst zeldzaam, en na deze zwakke buijen,
gelijk hij zelf ze noemde, kreeg zijne natuur terstond weder de
overhand en dan werd hij des te wreedaardiger naarmate hij zich meer
had laten verteederen.
Ziedaar alles wat er van hem bekend was op het oogenblik dat wij hem
zoo zonderling op ons tooneel zagen verschijnen; de hulp die hij den
monnik bewezen had was zoo geheel buiten zijn gewoon bedrijf, dat hij
toen zonder twijfel in een van zijne zwakke buijen moet geweest zijn,
anders zou hij zooveel zorg niet aan een ongelukkige hebben besteed,
veelmin zoo langen tijd hebben verspild om naar zijne klagten en
gebeden te luisteren.
Om met de noodige berigten over dezen geheimzinnigen persoon te
eindigen, moeten wij er bijvoegen, dat niemand wist of hij ergens een
vast verblijf had, dat hij geen bijzondere kameraden scheen te hebben,
dat men hem steeds alleen had gezien, en dat gedurende de tien jaren
die hij nu reeds de woestijn in alle rigtingen doorkruiste, zijn
voorkomen geen de minste verandering had ondergaan: altijd droeg hij
dezelfde kleederen, altijd scheen hij van denzelfden ouderdom en
kracht, altijd verscheen hij met denzelfden witten baard en met
hetzelfde gerimpelde gezigt.
Zooals wij straks reeds gezegd hebben, was de Scalpeur naar het
kreupelbosch gesneld om te zien wie het signaal had gegeven dat zijne
aandacht had opgewekt; zijn onderzoek hoe naauwkeurig ook, had echter
geen ander gevolg dan hem te overtuigen dat hij zich niet bedrogen had
en dat er werkelijk een spion in de struiken was geweest, die alles
gezien en gehoord had wat er in het boschkamp gebeurd of gesproken was.
De Blaauwe-Vos intusschen, na zijne kameraden het bovengemelde sein te
hebben gegeven, had zich voorzigtig teruggetrokken, wel overtuigd dat
hij, ondanks al zijn moed, verloren zou zijn, zoo hij den Scalpeur in
handen viel.
Laatstgenoemde keerde peinzend naar den monnik terug, wiens gebed nog
altijd voortduurde en zoo het scheen niet spoedig geëindigd zou zijn.
De Scalpeur beschouwde den pater een poos met een spotachtigen blik, en
gaf hem eindelijk met de kolf van zijn geweer een fermen stoot in den
rug.
„Sta op!” zeide hij barsch.
De monnik viel echter op de beide handen en bleef onbewegelijk liggen.
Daar hij niet anders dacht of de wildeman had het voornemen hem dood te
slaan, onderwierp hij zich aan zijn lot en wachtte den genadeslag, die
naar zijne meening niet lang zou uitblijven.
„Komaan, sta op! duivelsche monnik,” hervatte de Scalpeur, „hebt gij
nog al niet gedaan met paternosters lezen?”
Fray Antonio rigtte even het hoofd op; er blonk voor hem een nieuwe
straal van hoop.
„Vergeef mij, caballero,” antwoordde hij, „ik heb gedaan, ik ben thans
tot uwe orders: wat verlangt gij van mij?”
En met een sprong als een losgelaten veer stond hij op de beenen, daar
hij aan den donkeren blik van zijn zegsman wel begreep dat geen
verontschuldiging hier baten zou.
„’t Is goed, man: het schijnt mij toe dat gij even knap een geweer kunt
afschieten, als een paternoster bidden; laad dus uw karabijn; want het
oogenblik is gekomen om te vechten als een man; zoo gij niet wilt
gedood worden als een hond.”
De monnik wierp een schuwen blik om zich heen.
„Caballero,” stotterde hij aarzelend, „is het dan zoo volstrekt noodig
dat ik vecht?”
„Als gij ten minste uw huid heel wilt houden, anders kunt gij gerust uw
lot afwachten.”
„Maar misschien is er wel een ander middel?”
„Wat dan?”
„Vlugten bij voorbeeld,” riep de monnik op smeekenden toon.
„Neem er de proef van,” zei de andere meesmuilend.
Door deze halve vergunning aangemoedigd, vervolgde de monnik een weinig
stouter:
„Gij hebt een heerlijk paard.”
„Vindt gij dat?”
„Een heerlijk paard!” hervatte Fray Antonio met vuur.
„Ja, en dat zoudt gij wel gaarne willen berijden als ik het u toeliet,
om er mede te vlugten, niet waar?”
„O, neen, denk dat toch niet,” riep hij met een wenk van ontkenning.
„Genoeg met uwe praatjes,” smaalde de Scalpeur barsch; „denk om u
zelven! daar zijn uwe vijanden.”
En met een sprong zat de Scalpeur in den zadel, liet zijn paard wenden
en plaatste zich achter den verbazend dikken stam van een acajou-boom.
Fray Antonio door de aannadering des gevaars op lijfsbehoud denkende,
greep met drift naar zijn geweer en verschool zich insgelijks achter
den boom.
Op hetzelfde oogenblik deed zich een geweldig gekraak in de struiken
hooren, de takken werden uit elkander gebogen en er verscheen een troep
mannen, ten getale van ongeveer achttien of twintig; het waren
krijgslieden der Apachen: in hun midden bevonden zich de Blaauwe-Vos,
John Davis en zijn kameraad.
De Blaauwe-Vos, ofschoon hij den Blanke-Scalpeur nooit had ontmoet, en
hem dus niet persoonlijk kende, had dikwijls van hem hooren spreken,
hetzij door de Indianen of door de jagers; zoodra hij dus den naam
hoorde noemen werd hij door een vreesselijken angst bevangen en kwamen
hem terstond al de wreedheden voor den geest die zijne broeders van hem
te verduren hadden gehad; het volgende oogenblik echter kwam hij op de
gedachte een verdienstelijk werk te kunnen doen, door hem bij deze
gelegenheid te overrompelen; hij haastte zich dus om het tusschen hem
en de jagers afgesproken signaal aan te geven, en toen met de snelheid
die de Indianen kenmerkt, het kreupelhout doorloopende, begaf hij zich
naar de plaats waar hij zijne krijgslieden had achtergelaten en beval
hun hem dadelijk te volgen; hiermede gereed, keerde hij onverwijld naar
de jagers terug, die, daar zij het signaal hadden gehoord, hem reeds te
gemoet kwamen.
Met weinige woorden bragt de Blaauwe-Vos hen op de hoogte van hetgeen
er gebeurd was; maar om de waarheid te zeggen, moeten wij hier
bekennen, dat deze mededeeling de jagers zoowel als de Indianen niet
weinig in hun ijver deed verflaauwen, daar zij begrepen dat zij zich
aan een allervreesselijkst gevaar zouden moeten blootstellen, door te
gaan strijden tegen iemand die met geen wapens te treffen of te
bereiken was, en voor wien allen die hem tot hiertoe hadden durven
bevechten onverbiddelijk als slagtoffers waren gevallen.
Intusschen was het nu te laat om terug te treden, aan vlugten viel niet
te denken; de krijgslieden besloten dus tegen wil en dank om voorwaarts
te rukken.
Wat de twee jagers John Davis en zijn kameraad betreft, al deelden zij
niet ten volle in de blinde en bijgeloovige vrees der Indianen, zoo was
hun deze strijd toch alles behalve aangenaam; uit schaamte echter, om
de lieden niet in den steek te laten boven welke zij zich niet alleen
in verstand maar ook in moed verre verheven waanden, besloten zij met
hen mede te gaan.
„Caballero!” riep de monnik met eene benaauwde stem, toen hij de
Indianen zag aankomen, „gij zult mij toch niet verlaten, hoop ik!”
„Wel neen, als gij u zelven maar niet verlaat, domkop!” antwoordde de
Scalpeur.
Toen de Apachen den zoom van het bosch bereikten, verscholen zij zich,
volgens hunne gewone krijgstaktiek, ieder achter een boomstam, zoodat
er binnen den ganschen omtrek waar zulk een aantal menschen op het punt
waren een hardnekkigen strijd te beginnen, niemand te zien was.
Er volgde een poos van stilstand en aarzeling.
De Scalpeur was de eerste die het woord opvatte.
„Heila!” riep hij, „wat komt gij hier doen?”
De Blaauwe-Vos wilde antwoorden, doch John Davis belette het.
„Laat dat liever aan mij over,” zeide hij.
Nu den boomstam verlatende waarachter hij verscholen was, trad hij
stoutmoedig eenige stappen vooruit en bleef ongeveer midden in het kamp
staan.
„Waar zijt gij die daar spreekt?” riep hij met eene luide en ferme
stem; „zijt gij soms bang om u te laten zien?”
„Ik vrees voor niets,” antwoordde de Scalpeur.
„Als dat zoo is, kom dan voor den dag en laat u kennen,” riep John op
spotachtigen toon.
Aldus uitgetart, deed de Scalpeur met zijn paard eenige galopsprongen
van achter den boom en bleef op twee passen afstand voor den jager
staan.
„Hier ben ik,” zeide hij, „wat wilt gij van mij?”
Davis had het paard laten naderen zonder een duimbreed van zijne plaats
te gaan.
„Wel!” riep hij, „ik verlangde gaarne u eens te zien.”
„Is dat al wat gij mij te zeggen hebt?” riep de andere gemelijk.
„Hum! gij schijnt duivelsch veel haast te hebben,” zei Davis, „laat ons
ten minste even tijd om adem te scheppen.”
„Houd op met uwe ongepaste scherts, die u wel eens duur zou kunnen te
staan komen; zeg mij oogenblikkelijk wat gij mij komt voorstellen, ik
heb geen tijd om zotte praatjes te houden.”
„Zoo! Maar wie duivel zegt u dat ik u iets heb voor te stellen?”
„Wat zoudt gij anders hier komen doen?”
„Maar mijne voorstellen zijn u zeker reeds bekend.”
„Dat is wel mogelijk.”
„En wat antwoordt gij er dan op?”
„Niets.”
„Hoedat, niets?”
„Ik wil u liever aanvallen.”
„O, ho! daar zou voor u een zware wijs op gaan; wij zijn met ons
achttienen, weet gij dat?
„Hoevelen er zijn is mij onverschillig. Al waren er honderd zou ik u
toch aanvallen.”
„Duivelsch! al was het maar voor de aardigheid alleen, zou ik wel een
gevecht zien willen van een tegen twintig.”
„Dat zal zoo lang niet meer duren.”
Met deze woorden deed de Scalpeur zijn paard eenige passen teruggaan.
„Een oogenblik geduld, voor den duivel!” riep de jager met drift, „laat
ik u eerst een woordje zeggen.”
„Spreek.”
„Wilt gij u overgeven?”
„Wat zegt gij?”
„Ik vraag u, of gij u wilt overgeven?”
„Loop heen!” riep de Scalpeur meesmuilend, „gij zijt dwaas. Ik mij
overgeven? ik! neen, gij met u allen, zult mij weldra om genade
vragen.”
„Duivelsch! dat geloof ik niet, al zoudt gij mij moeten dooden.”
„Wij zullen zien; keer naar uw schuilplaats terug,” zei de
Blanke-Scalpeur de schouders ophalend, „ik wil u niet dooden als een
weerlooze.”
„Waarachtig, dat zal u slecht bekomen,” antwoordde John, „ik heb u
eerlijk gewaarschuwd, en ik wasch mijne handen in onschuld, zie nu hoe
gij er best afkomt.”
„Ik zeg u dank,” hernam de Scalpeur met nadruk; „maar het staat met mij
nog niet zoo slecht als gij denkt.”
John Davis vergenoegde zich met de schouders op te halen en trad zonder
te antwoorden langzaam naar zijn schuilhoek terug, onder het fluiten
van het Amerikaansche volkslied Yankee doodle.
De Scalpeur volgde geenszins zijn voorbeeld; ofschoon hij zeer goed
wist dat hij met een groot aantal vijanden te doen zou hebben, bleef
hij ferm en onbeweeglijk te midden van het boschkamp staan.