„Nog een woord.”
„Gaauw dan.”
„En de Blaauwe-Vos?”
„Drommels! goed dat gij aan hem denkt, ik had hem waarlijk vergeten.”
„Moet ik op hem wachten?”
„Wel zeker.”
„Zal ik mij met hem in verbond stellen? Zoo als gij weet, is er op het
woord der Apachen weinig te vertrouwen.”
„Dat is waar,” antwoordde de jongman met een nadenkenden blik; „maar
onze positie is in deze oogenblikken zeer moeijelijk. Wij zijn om zoo
te zeggen, aan onze eigene krachten overgelaten: onze vrienden aarzelen
of durven nog niet opentlijk onze zijde te kiezen, onze vijanden
daarentegen steken het hoofd op en maken zich gereed om ons met kracht
aan te vallen; dus, al ben ik in mijn hart van zulk een verbond
afkeerig, zie ik toch maar al te duidelijk in, dat, zoo de Apachen ons
wilden helpen, hun bijstand ons zeer van dienst zoude zijn.”
„Gij hebt gelijk; in onze tegenwoordige stelling als ballingen der
maatschappij, en overal als wilde dieren vervolgd, zou het misschien
onvoorzigtig zijn het verbond af te slaan dat de Roodhuiden ons
aanbieden.”
„In een woord, vriend, ik laat het volkomen aan u over, de
omstandigheden zullen het u ingeven hoe gij handelen moet: ik stel het
volste vertrouwen op uw doorzigt en ijver.”
„Ik zal uwe verwachting niet teleurstellen.”
„Scheiden wij thans, op hoop van welslagen.”
„Veel geluk, tot wederziens!”
„Tot wederziens, op morgen!”
Met dezen laatsten afscheidsgroet aan zijn vriend, of aan zijn
medepligtige, zooals de lezer hem liefst noemen wil, plaatste de Jaguar
zich aan het hoofd van den troep en vertrok.
De hier aanwezige John was niemand anders dan John Davis de
slavenkoopman, dien de lezer zich uit de eerste hoofdstukken van ons
verhaal zonder twijfel zal herinneren. Hoe komt het dat wij hem thans
in Texas terug vinden onder eene bende landloopers en ballingen, in
plaats van jager, op zijne beurt jagtwild geworden? Het antwoord op
deze vraag zou ons op dit oogenblik te ver afleiden, maar wij zullen er
later op terugkomen en den lezer te dier zake volkomen genoegen geven.
Master John en zijn kameraad lieten zich door de veldontdekkers van
kapitein Melendez in hechtenis nemen, zonder den minsten tegenstand te
bieden. Hoe voorzigtig zij hiermede te werk gingen en hoe zij naar het
Mexicaansche kamp werden gevoerd, hebben wij reeds in een vorig
hoofdstuk gezien. Wij zullen dus deze feiten niet herhalen, maar volgen
liever den Jaguar.
Deze jongman scheen en was inderdaad de chef van de ruiterbende aan
wier hoofd hij optrok.
Al deze ruiters behoorden tot het Angel-Saksische ras, met andere
woorden, allen waren Noord-Amerikanen.
Waar leefden zij van en wat voerden zij in hun schild? Dit is spoedig
gezegd.
Voor het oogenblik waren zij insurgenten. Meerendeels naar Texas
gekomen op een tijd toen het Mexicaansche gouvernement de Amerikaansche
landverhuizing goedkeurde en begunstigde, hadden zij zich aldaar
nedergezet, koloniën gesticht, bosschen gesloopt, landerijen ontgonnen,
kortom, er zich ingeburgerd en Texas als hun nieuw vaderland beschouwd.
Nadat echter de Mexicaansche regeering haar stelsel van belemmering en
tegenkanting had ingevoerd, daar zij later niet weder van afging,
hadden de kolonisten bijl en spade vaarwel gezegd, de Amerikaansche
buks opgenomen, zich aan ruiterbenden verzameld en de vaan des opstands
opgestoken, tegen eene onderdrukking die hen wilde verdrijven of
vernietigen.
Zoo hadden zich op verschillende punten van het Texaansche gebied van
lieverlede een aantal benden gewapende opstandelingen gevormd, die zich
bij iedere ontmoeting dapper tegen de Mexicanen te weer stelden.
Ongelukkig echter waren deze benden te veel verspreid en te weinig door
een gemeenschappelijken band verbonden, om eene geregelde of geduchte
magt uit te maken; allen stonden zij onder afzonderlijke hoofden, die
van elkander onafhankelijk, ieder voor zich wilden gebieden zonder
hunnen wil voor een hooger wil en belang te buigen, het eenige middel
nogtans waardoor zij bepaalde uitkomsten hadden kunnen verkrijgen en
die onafhankelijkheid bereiken, die naar het oordeel der meest
verlichten in den lande, tot nog toe als eene schoone maar hopelooze
utopie werd beschouwd.
De ruiters die wij thans ten tooneele hebben gebragt, hadden zich onder
de bevelen van den Jaguar gesteld, omdat hij in weerwil van zijne jeugd
reeds een naam van moed, beleid en bekwaamheid had verworven, die door
het gansche land weerklonk en zijne vrienden met blijde hoop, maar
zijne vijanden niet minder met schrik vervulde zoo vaak de oorlogskans
hen in zijne tegenwoordigheid bragt.
De voortgang van ons verhaal zal bewijzen dat de kolonisten door hem
tot hun aanvoerder te kiezen zich niet in hem bedrogen hadden.
De Jaguar was juist het opperhoofd dat zulke lieden behoefden; hij was
jong, schoon en met dat persoonlijk overwigt begaafd dat in staat is
nieuwe koningrijken te scheppen; hij sprak weinig, maar elk zijner
gezegden liet eene onuitwischbare herinnering achter.
Hij wist wat zijne volgelingen van hem verwachtten, en hij had wonderen
van dapperheid gedaan, want het ging hem gelijk alle voor groote dingen
geboren karakters, die eenmaal op de hoogte der omstandigheden geraakt,
zich gestadig met en naar gelang de ontwikkeling der gebeurtenissen
verheffen; met iedere nieuwe stelling was zijn verstand als het ware
toegenomen, zijn blik onfeilbaarder, zijn wil onverzettelijker
geworden, en hij wist zich zoo goed met iederen toestand te
vereenzelvigen, dat hij zich door geenerlei menschelijk gevoel meer
liet leiden noch beheerschen; zijn gemoed was als verstaald tegen de
smart; de geestdrift zijner volgelingen zelfs kon hem, onder zekere
omstandigheden, geen blos van verrassing noch een glimlach van
zelfvoldoening op het gelaat brengen.
De Jaguar was geen gewone eerzuchtige: hij leed diep bij het zien der
tweedragt onder de insurgenten; het was zijn vurigste wensch om eene
innige vereeniging tusschen hen daar te stellen, die voortaan onmisbaar
was geworden en aan welke hij met al zijn vermogen arbeidde; in een
woord, de jongman had geloof, hij vertrouwde op de toekomst zijner
zaak; want ondanks de tallooze fouten sedert het begin des opstands
door de Texanen begaan, gevoelde en herkende hij de levenskracht in dit
tot hiertoe zoo slecht gedreven werk der vrijheid en was ten slotte tot
het begrip gekomen, dat er in iedere maatschappelijke levensvraag een
beginsel aanwezig is, magtiger dan het geweld, dan de moed, dan het
genie zelfs, en dat dit beginsel de gedachte is, door God er in gelegd,
om te voorschijn te treden wanneer de tijd daar is en op het
klokkenwerk der wereldgeschiedenis het uur slaat. Daarop, alle
vooruitberekening ter zijde stellende, arbeidde en hoopte hij als op
eene gewisse toekomst.
Ten einde de afzondering in welke zijn troep gelaten werd, zooveel
mogelijk onschadelijk te maken, had de Jaguar eene taktiek verzonnen
die hem tot dusver wonderwel gelukt was. Wat hij noodig had was tijd te
winnen en den oorlog op den langen weg vol te houden, al was het ook
een strijd met ongelijke krachten. Daartoe moest hij zijne zwakheid in
een geheimzinnig duister verbergen, zich overal vertoonen, zich nergens
bepaald ophouden of vestigen, en zoodoende den vijand in een net van
onzigtbare zwarigheden wikkelen, hem dwingen om als met gevelde
bajonetten in het ledig te schermutselen, met het oog op al de punten
van het kompas gerigt, onophoudelijk gekweld, zonder ooit ernstig en
wezenlijk door noemenswaardige krachten te worden aangevallen. Dit was
het plan dat de Jaguar tegen de Mexicanen in het werk stelde, die hij
op deze wijs in eene koortsige spanning hield altijd het onbekende
vreezende, en tegen het onzekere zich wapenende, de ergste kwaal die
een gouvernement, zelfs het sterkste, te duchten heeft.
De vijftig of zestig ruiters die de Jaguar onder zijne bevelen had,
werden dan ook door de Mexicaansche regering meer gevreesd dan een der
overige in opstand zijnde benden. De schrik aan zijn persoon verbonden
was zoo groot, dat alom waar dit opperhoofd met zijne ruiters
verscheen, het gerucht zijner aannadering hem reeds vooruit liep en
genoeg was om de troepen die men tegen hem afzond te ontmoedigen en in
verwarring te brengen.
De Jaguar wist van deze voordeelen behendig partij te trekken om de
gevaarlijkste ondernemingen en de vermetelste aanslagen te beproeven.
Die welke hij thans beraamd had, was een der stoutmoedigsten tot dusver
ooit door hem gewaagd; hij beoogde niet minder dan het opligten der
conducta de plata, en het gevangennemen van kapitein Melendez, een
officier dien hij met regt als een zijner geduchtste vijanden
beschouwde en met wien hij om dezelfde reden van verlangen brandde zich
te meten, wel begrijpende dat, zoo hij slagen mogt hem te overwinnen,
de glorie van dit stoute wapenfeit hem een beslissenden invloed op den
gang des opstands zou verzekeren en onmiddellijk een groote schaar van
partijgangers onder zijn vaandel zou vereenigen.
Na John Davis achter zich op de vlakte gelaten te hebben, rukte de
Jaguar snel voorwaarts, naar een digt woud, dat zijne donkere schaduwen
reeds aan den horizont afteekende en in hetwelk hij dien nacht dacht te
kamperen, daar hij de Barranca del Gigante niet voor des anderen daags
tegen den middag zou kunnen bereiken. Overigens wilde hij zich niet te
zeer van de twee mannen verwijderen die hij als spionnen naar Melendez
had gezonden, ten einde des te spoediger van de uitkomst hunner
bevinding berigt te ontvangen.
Even na zonsondergang bereikten de insurgenten het woud en verdwenen
zij onmiddellijk onder het geboomte.
Op den top van een kleinen heuvel, die het omliggend terrein bestreek,
liet de Jaguar halt maken en gaf hij aan zijne manschappen bevel om af
te stijgen en een kamp aan te leggen.
Het inrigten van een legerkamp in de woestijn vordert weinig tijd.
Met behulp van eenige bijlslagen is het terrein spoedig geslecht; dan
worden van afstand tot afstand vuren ontstoken om de wilde dieren af te
schrikken, de paarden gekluisterd of aan piketten gezet, en de
schildwachts geplaatst om voor de veiligheid van allen te waken: daarop
strekt ieder zich bij het vuur uit; wikkelt zich in zijn mantel, en
alles is gezegd. Deze ruwe gestellen, met de woestijn vertrouwd en
tegen de afwisseling der jaargetijden gehard, slapen even diep en
gerust onder den blooten hemel, als de bewoners der steden in het
prachtigst en weelderigst verblijf.
Toen ieder zich ter ruste had begeven, ging de jongman de ronde doen om
zich te verzekeren dat alles in orde was; daarna vlijde ook hij zich
bij een der bivakvuren neder en verdiepte zich weldra in ernstige
gepeinzen.
De gansche nacht ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde,
maar toch, de Jaguar sliep niet, zijne oogen bleven onafgewend op de
glimmende kolen gerigt die eindelijk dreigden uit te gaan.
Welke gedachten waren het die zijn voorhoofd rimpelden en zijne
wenkbraauwen deden zamentrekken?
Niemand had het kunnen zeggen.
Misschien doolde hij rond in het land der fantasiën en droomde hij
wakende een dier schoone droomen die op twintigjarigen leeftijd vaak
zoo verrukkelijk en tevens zoo bedriegelijk zijn.
Eensklaps sidderde hij en sprong op als door eene onzigtbare veer
opgestooten.
Op dit oogenblik verscheen de zon aan de kimmen en verdreef allengs de
duisternis.
De jongman boog zich voorover en scheen naar iets te luisteren.
Op korten afstand hoorde men duidelijk het overhalen van een geweer, en
een der schildwachts, in het kreupelbosch verscholen, riep met eene
nadrukkelijke stem:
„Werda!”
„Een vriend!” klonk het antwoord onder de boomen.
De Jaguar ontroerde.
„Tranquille!” mompelde hij in zichzelven; „wat of hem beweegt om mij
hier te zoeken?”
En onmiddellijk begaf hij zich in de rigting waar hij dacht den
Tijgerdooder te zullen ontmoeten.
XXII.
DE BLAAUWE-VOS.
Wij keeren thans tot den Blaauwe-Vos en zijne twee kameraden terug, die
wij in een vorig hoofdstuk verlaten hebben, op het oogenblik dat zij
kogels langs hunne ooren hoorende fluiten, zich onwillekeurig achter
rotsblokken en boomstammen in veiligheid hadden gesteld.
Na het nemen dezer onvermijdelijke voorzorgen tegen hunne onzigtbare
aanvallers, onderzochten de drie mannen zorgvuldig hunne wapens, ten
einde in staat te zijn scherp met scherp te keeren, en wachtten toen
met den vinger aan den trekker en een waakzamen blik in alle rigtingen,
het oogenblik af dat de vijand zich zou vertoonen.
Zij bleven echter een geruimen tijd onbewegelijk op hun post, zonder
dat de stilte der prairie van nieuws werd gestoord, of het minste blijk
zich vertoonde dat de aanval zou worden hervat.
Aan de grootste ongerustheid ten prooi en niet wetende waaraan zij deze
onverwachte aanranding moesten toeschrijven, noch welke vijanden zij te
duchten hadden, zagen de drie mannen geen middel om zich met eere uit
de hagchelijke positie te redden, waarin het vreemde geval hen zoo
eensklaps geplaatst had, tot de Blaauwe-Vos eindelijk besloot om op
verkenning uit te gaan.
Evenwel, daar het opperhoofd niet zonder reden vreesde in eene
hinderlaag te zullen vallen, die men met list zou kunnen gespannen
hebben om hem en zijne kameraden onverhoeds te overrompelen, achtte hij
het alvorens zich te verwijderen noodig, de meest mogelijke voorzorgen
te nemen.
De Indianen zijn te regt vermaard wegens hunne scherpzinnigheid; door
hunne levenswijze in de woestijn van jongs af gewoon de natuurlijke
vermogens te oefenen, waarmede de Voorzienigheid hen zoo rijkelijk
bedeelde, wordt hun gehoor, reuk en vooral hun gezigt in zulk eene
hooge mate ontwikkeld en verfijnd, dat zij zich ten dezen opzigte
gerust met de wilde dieren kunnen meten. Bovendien bezitten zij,
behalve het dierlijk instinct, nog het menschelijk verstand, waardoor
zij in staat zijn om hunne gewaarwordingen met elkander in verband te
brengen en er de gevolgen van te berekenen, zoodat zij, om het zoo eens
te noemen, eene soort van kattengeleerdheid of dierlijke wetenschap
bezitten, die hen de ongelooflijkste dingen doet verrigten, dingen
welke schier de grenzen van het mogelijke te buiten gaan, en die men
moet hebben gezien om er zich een denkbeeld van te maken.
Het is inzonderheid wanneer zij een spoor volgen dat deze
scherpzinnigheid en instincts-wetenschap der Indianen zich in al haren
omvang doen kennen. Welke voorzorgen hun vijand ook neemt om zijn pad
te verbergen en zijn spoor onzigtbaar te maken, de Roodhuiden zullen
het eindelijk weten te ontdekken; voor hen heeft de woestijn geene
geheimen, voor hen is de ongerepte en grootsche natuur een geopend
boek, waar zij iedere bladzijde van kennen en dagelijks doorlezen,
zonder ooit, wij zeggen niet, zich te bedriegen, maar zelfs in ’t
onzekere rond te tasten.
De Blaauwe-Vos, ofschoon nog zeer jong, had zich wegens zijne sluwheid
en arglistigheid reeds een welverdienden naam verworven; hij zou zich
derhalve ook in de tegenwoordige omstandigheden, nu hij naar alle
waarschijnlijkheid door onzigtbare vijanden werd omgeven, niet
ongestraft in zijn schuilhoek laten beloeren of bespringen, maar maakte
zich met verdubbelde waakzaamheid gereed om hunne aanslagen te
verijdelen en hunne plannen door tegenplannen te ondermijnen.
Na met zijne twee kameraden te zijn overeengekomen omtrent het signaal
dat hij hun geven zou, in geval hij hunne hulp noodig had, zooals wel
waarschijnlijk was, ontdeed hij zich van zijn bisonsmantel, die hem in
zijne bewegingen slechts zou hebben belemmerd, legde ook de versiersels
af waarmede zijn hoofd, hals en borst beladen waren, en hield niets
anders aan dan zijne mitasse, een soort van broek uit twee deelen
bestaande, van afstand tot afstand met menschenhaar aan elkander
genaaid, die aan de heupen werd opgehouden door een riem van ongelooid
hertenleder, en tot aan de enkels reikte.
Aldus gekleed, wentelde hij zich verscheidene malen in het zand, om aan
zijn ligchaam een aschgraauwe kleur te geven; vervolgens stak hij zijn
tomahawk en zijn scalpeermes in zijn gordel, twee wapens die geen
Indiaan ooit verzuimen zal bij zich te dragen, nam zijn buks in de
regterhand, en na een laatsten groet aan zijne vrienden, die al zijn
toebereidels met aandacht gadesloegen, strekte hij zich op den grond
uit en begon als een slang door de struiken en het hooge gras te
kruipen.
Ofschoon de zon reeds eenigen tijd op was en haar verblindend licht
over de prairie uitgoot, volvoerde de Blaauwe-Vos zijn uittogt met
zooveel omzigtigheid, dat hij reeds een eind ver in de vlakte was, toen
zij meenden dat hij zich nog in hunne nabijheid bevond: geen grashalm
hadden zij zien bewegen, geen keisteen was onder zijne voeten
weggerold.
Van tijd tot tijd hield de Roodhuid stil om met zijn doordringenden
blik den omtrek te bespieden, en als hij dan zag dat alles in rust was
en dat zijne tegenwoordigheid door niemand werd opgemerkt, kroop hij
van nieuws op handen en knieën voort, steeds in de rigting van het
geboomte, waar hij niet ver meer van verwijderd was.
Eindelijk bereikte hij aan den zoom van het bosch eene plek waar het
digte kreupelhout begon, en waar het gras hier en daar min of meer
gekneusd scheen, zoodat hij vermoedde niet ver van de plaats der
hinderlaag te zijn uit welke het verraderlijk schot gedaan was.
Hier hield de Indiaan stil, om met aandacht het terrein op te nemen en
te zien of hij ook sporen ontdekte. Werkelijk zag hij een aantal
voetstappen; doch zij waren blijkbaar slechts van een enkel persoon
afkomstig, buitengewoon breed en zwaar en zonder eenige voorzorg
gemaakt, en schenen veeleer het werk van een blanke die volstrekt niet
met de gebruiken der woestijn bekend was, dan van een jager of
Roodhuid.
De struiken waren zeer beschadigd, geknakt en gebroken, alsof de
persoon die hier geloopen had, er met onstuimige drift was doorgegaan:
zonder zich de moeite te geven de takken uit een te buigen en weder op
hunne plaats te brengen; ook was het gras hier en daar geweldig plat
gedrukt.
De Blaauwe-Vos begreep niets van dit vreemde verschijnsel, dat op
geenerlei wijs geleek naar hetgeen hij gewoon was in de woestijn op te
merken.
Was het misschien eene list van zijne vijanden om hem als met open
oogen te bedriegen, en door een valsch spoor zijn blik van het ware
spoor af te leiden? of waren het werkelijk de voetstappen van een of
anderen zwaarlijvigen blanke, die in de wildernis verdwaald was en er
de gebruiken niet van kende?
De Indiaan wist niet welke van deze twee denkbeelden hij moest
vasthouden en geraakte in geen geringe verlegenheid. Aan eene zaak
twijfelde hij niet, namelijk dat de kogels die hem toen hij op het punt
was om zijn verhaal te beginnen, om de ooren hadden gefloten van deze
plaats geschoten waren; maar om welke reden zou dan de man, wie het ook
wezen mogt, die hier in hinderlaag had gelegen zulke duidelijke
bewijzen van zijn doortogt hebben achtergelaten? Hij kon immers wel
begrijpen dat zijn aanval op die wijs niet ongestraft zou blijven en
dat de lieden op welke hij geschoten had hem onmiddellijk zouden
vervolgen.
Eindelijk, na lang en te vergeefs de oplossing van dit duistere raadsel
gezocht te hebben, kwam de Roodhuid, niet wetende waaraan hij zich te
houden had, onwillekeurig op zijne eerste gedachte terug, namelijk, dat
het spoor valsch was en alleen dienen moest om het echte spoor te
verbergen en de vervolgers ven den regten weg te helpen.
Het gewone gebrek van listige lieden is, dat zij andere menschen voor
even listig houden als zij en in iedere beweging hunner vijanden niets
dan sluwheid meenen te zien; hierdoor worden zij menigmaal bedrogen, en
door de eenvoudigste middelen hunner tegenpartij zoo volkomen misleid,
dat zij vaak door eigen argwaan een reeds gewonnen spel komen te
verliezen.
De Blaauwe-Vos bemerkte weldra dat zijne veronderstelling valsch was,
dat hij zijnen vijand te veel eer bewezen en hem meer sluwheid en
verstand had toegeschreven dan deze werkelijk bezat, en dat hetgeen hij
in ’t eerst voor een streek van de fijnste soort had aangezien, niet
anders was dan de eenvoudige doortogt van een gewoon mensch.
Na lang aarzelens en overleggens, besloot hij eindelijk om voorwaarts
te rukken en het spoor te volgen zoodanig als het was, wel overtuigd
dat hij spoedig de waarheid zou ontdekken. Intusschen altijd te werk
gaande alsof hij met doortrapte belagers te doen had, ging hij niet dan
met de uiterste behoedzaamheid en voet voor voet vooruit, telkens in de
holten en struiken rondziende en zich niet verder wagende dan na
volkomen zekerheid te hebben dat hij geene overrompeling te vreezen
had.
Deze manoeuvre duurde vrij lang, en het was reeds twee uren nadat hij
zijne kameraden verlaten had, toen hij zich op eens aan den ingang
bevond van een ruim boschkamp of opene plek, van hetwelk hij alleen
door een digt kreupelboschje gescheiden werd.
De Indiaan hield stil, rigtte zich op in zijne volle lengte en boog
zachtjes de takken uit elkander, zoodat hij, zonder zelf gezien te
worden, met een enkelen blik het boschkamp kon overzien.
In de Amerikaansche wouden bestaan er vele zulke boschkampen, die
gevormd worden door gevallen boomen, hetzij door ouderdom vermolmd of
door den bliksem getroffen of door een dier vreesselijke orkanen
omvergeworpen, die zoo vaak den Mexicaanschen bodem verwoesten en
omkeeren. De opene plek van welke hier sprake is was vrij uitgestrekt;
een kleine beek doorsneed haar over de geheele lengte, en op hare
modderige klei-oevers zag men de diepe voetsporen der wilde dieren
afgedrukt, die aan dit onbekende wed kwamen drinken.
Een prachtige acajou-eik, die met zijn welige bladerkroon de gansche
vallei overschaduwde, verhief zich bijna in het midden. Aan den voet
van dezen woudreus bevonden zich twee mannen digt bij elkander.
De een, als monnik gekleed, lag met de oogen gesloten en een doodsbleek
gelaat roerloos op den grond uitgestrekt; de andere, aan zijne zijde
nedergeknield, scheen hem met de meeste zorg te willen verplegen.
Door de gunstige stelling waarin de Roodhuid zich bevond, kon hij de
trekken van laatstgenoemden persoon zeer gemakkelijk onderscheiden,
daar hij hem juist tegenover zich had.
Deze persoon was lang van gestalte, maar uiterst mager, terwijl zijn
gelaat, door langdurige blootstelling aan de invloeden van koude en
hitte, de kleur van rooden biksteen had aangenomen en met diepe rimpels
doorploegd was; een lange baard, zoo wit als sneeuw, hing tot op zijne
borst en vermengde zich met de lange even witte lokken, die ordeloos
over zijne schouders golfden. Hij droeg deels het kostuum der
Amerikaansche partijgangers, deels dat der Mexicaansche landheeren,
namelijk een hoed van vigonia wol, met gouden boordsel, een ruime
zarapé die hem tot mantel diende, en een pantalon van paarsch katoen
fluweel, naauw sluitend en in een paar slobkousen van dassenvel
gestoken die hem tot aan de knieën reikten.
Het was niet wel mogelijk zijn ouderdom te gissen. Ofschoon zijne
sombere, sterk sprekende trekken en zijne roode oogen, die als
karbonkels glinsterden en verstrooid rondblikten, hem reeds een vrij
gevorderden leeftijd toekenden, was er in zijn gansche voorkomen geen
spoor van verval op te merken; rank van gestalte en zoo regt als een
kaars van rug en lenden, scheen hij nog geen halven duimbreed in de
lengte verloren te hebben; zijne knokkige ledematen, met spieren als
kabels gedekt, teekenden buitengemeene kracht en buigzaamheid; in een
woord, hij had al het voorkomen van een geducht partijganger; wiens oog
nog zoo juist en wiens arm nog even vlug en vaardig was als van een man
die naauwelijks veertig jaren telde.
In zijn gordel staken een paar lange ruiterpistolen; een breede korte
sabel, of zoogenaamde machete, zonder schede, hing aan een ijzeren ring
op de linker heup. Twee karabijnen, waarvan de eene hem ongetwijfeld
toebehoorde, waren tegen den boomstam gezet, terwijl een prachtige
mustang, of in de wildernis geboren paard, eenige schreden verder met
een kluister aan het been ronddrentelde en naar hartelust met het jonge
loof der struiken zijn maal deed.