duivels hebben mij nog niet. Kom, maakt voort!”
Om alle verdere redewisseling af te snijden, gaf de mesties de paarden
een fermen slag met zijn chicote, en de edele dieren snelden voort in
galop, zoodat zij spoedig uit zijn oog verdwenen waren.
„Hum!” prevelde hij bedrukt, „voor ditmaal vrees ik toch dat het met
mij wel gedaan zal zijn; maar om het even, canarios! ik zal vechten tot
mijn laatsten ademtogt en als de heidenen mij krijgen zal het hun duur
te staan komen.”
Na dit krachtige besluit te hebben genomen, dat hem al zijn moed scheen
terug te geven, steeg de brave mesties te paard en hield zich gereed om
te handelen.
De Apachen kwamen aanstormen met het klaterend gedruisch van een
rollenden donder.
Reeds kon men in de verte hunne sombere gestalten zwart en onbestemd in
de duisternis onderscheiden.
Lanzi nam de teugels tusschen zijne tanden en in iedere hand een
pistool, en zoodra het gunstige oogenblik daar was, gaf hij zijn paard
fel de sporen, en rende in gestrekten galop de Roodhuiden te gemoet,
schuins op hun front af.
Toen hij hen onder zijn schot had, loste hij zijne twee pistolen
tegelijk op den troep, onder het aanheffen van een uitdagenden kreet,
terwijl hij met verdubbelde snelheid digt langs hen voorbij reed en
zijne vlugt voortzette.
Wat de mesties voorzien had, was gebeurd. Zijne schoten hadden geraakt.
Twee Apachen waren levenloos in het zand gebuiteld.
De Indianen, woedend over dezen vermetelen aanval dien zij van een
enkel man zoo niet hadden verwacht, stieten een vervaarlijken
oorlogskreet uit en stoven hem gezamelijk na.
Dit was, zooals wij reeds zeiden, juist wat Lanzi wenschte.
„Ha!” riep hij toen hij het welslagen van zijn krijgslist gezien had,
„nu heb ik hen verzameld, en nu is er voor eerst geen nood dat zij zich
zullen verspreiden; de anderen zijn gered. Wat mij betreft!... Bah! wie
weet?”
Doña Carmela en de jager waren aan de Apachen ontsnapt, maar om eenige
oogenblikken later onder de tijgers te vervallen.
Wij hebben reeds gezien hoe zij, dank zij Tranquille, ook hiervan
verlost werden.
XX.
VERTROUWELIJKE MEDEDEELINGEN.
Tranquille, die het verhaal van Carmela met gebogen hoofd en gefronste
blikken had aangehoord, zag haar, toen zij er mede gedaan had,
belangstellend aan.
„Is dat alles?” vroeg hij.
„Ja,” antwoordde zij schuchter.
„En Lanzi dan, mijn arme Lanzi,” riep hij, „hebt gij daar niets meer
van vernomen?”
„Niets,” zeide zij, „wij hebben slechts twee pistoolschoten gehoord,
kort daarna een woedenden galop van verscheidene paarden, en het
oorlogsgeschrei der Apachen, maar toen werd alles weder doodstil.”
„Wat zou er van hem geworden zijn?” mompelde de Canadees treurig.
„Hij is stoutmoedig en vlug en hij schijnt mij toe het leven der
woestijn wel te kennen,” zeide Edelhart.
„Ja,” riep Tranquille; „maar hij is alleen.”
„Dat is zoo,” zei de jager; „een tegen vijftig misschien.”
„O!” riep de Canadees, „ik zou tien jaren van mijn leven willen geven
als ik tijding van hem had.”
„Carai! compadre!” riep op eens eene vrolijke stem, „die kom ik u
brengen, zoo versch mogelijk en zonder dat gij er iets voor behoeft te
missen.”
De aanwezigen ontroerden tegen wil en dank op het geluid van deze stem,
en wendden zich schielijk naar den kant van waar zij kwam.
De struiken weken uit elkander en een man verscheen.
Die man was Lanzi.
De mesties scheen zoo kalm en bedaard alsof er niets bijzonders met hem
was gebeurd; alleen zijn gezigt, anders altijd zoo strak en ernstig,
had eene onbeschrijfelijk schalksche uitdrukking, zijne oogen tintelden
van zelfvoldoening en op zijne lippen speelde een opgeruimde glimlach.
„Pardi! beste vriend,” riep Tranquille, hem de hand toestekende, „ik
heet u duizendmaal welkom! Wij waren grootelijks ongerust over u.”
„Ik zeg u dank, compeer, maar gelukkig voor mij is het gevaar niet zoo
groot geweest als ik dacht, en heb ik mij gemakkelijk genoeg van die
verdoemde Apachen kunnen ontslaan.”
„Des te beter, vriend, ongevraagd op welke wijs het u gelukt is hun te
ontsnappen, nu gij er eenmaal ongedeerd af zijt gekomen, is alles naar
wensch, en daar wij thans allen weder vereenigd zijn, mogen zij vrij
komen zoo zij willen, wij zullen ze weten te ontvangen.”
„Zij zullen het wel laten, denk ik; bovendien hebben zij op dit
oogenblik wel iets anders te doen.”
„Zoudt gij dat denken?”
„Ik weet het zeker. Zij hebben een legerkamp ontdekt van Mexicaansche
soldaten, die een geld-konvooi eskorteren, daar willen zij zich
natuurlijk meester van maken en juist aan deze onvoorziene
omstandigheid heb ik grootendeels mijn behoud te danken.”
„Zoo! dat is gek genoeg voor de Mexicanen,” zei de Canadees onbezorgd,
„ieder voor zich; zij moeten maar zien hoe zij het schikken, dat zijn
zaken die ons niet aangaan.”
„Zoo denk ik er ook over.”
„Wij hebben nog drie uren van den nacht voor ons, laten wij ons die ten
nutte maken om een weinig te rusten en gereed te zijn met zonsopgang
naar de hacienda te vertrekken.”
„Uw raad is goed, wij moeten dien opvolgen,” zei Lanzi, terwijl hij
reeds dadelijk zijne voeten bij het vuur stak, zich in zijn mantel
wikkelde en weldra insliep.
Edelhart, die zonder twijfel van hetzelfde gevoelen was, volgde zijn
voorbeeld.
Wat Quoniam betreft, na eerst de tijgers en hunne jongen met zorg de
huid te hebben afgestroopt, lag hij reeds sedert een paar uren bij het
vuur uitgestrekt en in een diepen slaap gedompeld, met de onbekommerde
gerustheid die het zwarte ras kenmerkt.
Tranquille wendde zich thans tot Carmela. Het meisje zat eenige passen
van hem af; zij staarde peinzend in het vuur, terwijl haar nu en dan
een traan langs de wangen biggelde.
„Welnu, meisje,” zei de Canadees zacht. „Wat schort er aan? Gij zult
wel doodaf zijn van vermoeijenis, waarom zoekt gij ook niet een poosje
rust te nemen?”
„Dat zou mij niet baten,” prevelde zij treurig.
„Hoe zoo, niet baten?” vroeg de jager met drift, daar de droevige toon
van het meisje hem trof; „het zou u nieuwe krachten geven.”
„Laat mij waken, vader, ik zou niet kunnen slapen, hoe vermoeid ik ook
ben, mijne oogen zouden den slaap niet vatten.”
De Canadees keek haar een poos met innige belangstelling aan.
„Wat heeft dat te beteekenen?” zeide hij, bezorgd het hoofd schuddende.
„Och niets, vader,” antwoordde zij met een gedwongen glimlach.
„Meisje, meisje!” mompelde de Canadees, „dat is mij niet helder; ik ben
maar een arme jager, die weinig weet en van de wereldsche zaken geen
begrip heeft, maar ik heb u lief, mijn kind, en mijn hart zegt mij dat
gij lijdt.”
„Ik!” riep zij met eene ontkennende beweging, maar op eens smolt zij
weg in tranen en viel den trouwen jager om den hals, terwijl zij haar
hoofd aan zijne borst verborg en met eene gesmoorde stem uitriep: „O!
vader, vader! ik ben zoo ongelukkig.”
Tranquille door dezen uitroep van bittere smart diep getroffen, sprong
op alsof hem een adder gestoken had, zijn oog tintelde, hij keek het
meisje aan met een blik vol vaderlijke teederheid en dwong haar om hem
fiks in de oogen te zien.
„Gij ongelukkig! Carmela?” riep hij met angst; „mijn God! wat is er dan
gebeurd!”
Met groote inspanning gelukte het Carmela hare kalmte te herwinnen,
hare trekken hernamen hunne gewone bezadigdheid, zij wischte hare
tranen af en glimlachte tegen den jager, die haar met innige
bezorgdheid aanstaarde.
„Vergeef mij, vader!” zeide zij op onnoozel uitwijkenden toon, „ik ben
dwaas.”
„Neen, neen!” antwoordde hij, twee- of driemaal het hoofd schuddend,
„gij zijt niet dwaas, mijn kind, maar gij zoekt mij iets te verbergen.”
„Vader!” riep zij, een kleur krijgende en de oogen verlegen
nederslaande.
„Wees opregt en openhartig met mij, meisje, ik ben immers uw beste
vriend?”
„Dat is waar!” stotterde zij.
„Heb ik ooit geweigerd uwe geringste luimen te voldoen?”
„Nooit!”
„Hebt gij mij ooit te streng voor u gevonden?”
„O, neen!”
„Welnu! waarom zoudt gij mij dan niet ronduit zeggen wat u kwelt?”
„’t Is omdat....” begon zij aarzelend.
„Omdat?” herhaalde hij op vleijenden toon.
„Ik durf niet.”
„Is het dan zoo moeijelijk om te zeggen?”
„Ja.”
„Kom! ronduit, meisje; waar zoudt gij toegevender biechtvader vinden,
dan mij?”
„Nergens, dat weet ik.”
„Spreek dan.”
„Ik ben bang dat ik u boos zal maken.”
„Gij zult mij veel boozer maken door uw stijfhoofdig stilzwijgen.”
„Maar....”
„Hoor eens, Carmela, toen gij ons daar straks verteldet wat u heden in
de Venta gebeurd is, hebt gij zelf gezegd dat gij mij nog dezen nacht
zoeken zoudt, waar ik ook wezen mogt; is dat niet waar?”
„Ja, vader.”
„Welnu! thans hebt gij mij gevonden, en ik luister; buitendien zoo
hetgeen gij mij te zeggen hadt zoo gewigtig is als ik veronderstellen
moet, dan geloof ik dat gij wel zult doen u te haasten.”
Het meisje sidderde; zij sloeg een blik naar den hemel, waar het licht
der sterren reeds begon te verbleeken, en op eens liet zij hare
besluiteloosheid varen.
„Gij hebt gelijk, vader,” zeide zij met eene vaste stem, „ik moet u
spreken over een zaak van het grootste gewigt, ik heb er misschien
reeds te lang mede gewacht, want het geldt iemands leven of dood.”
„Gij doet mij schrikken.”
„Luister.”
„Spreek vrij, kind, spreek zonder vrees, en vertrouw dat ik u liefheb.”
„Daar vertrouw ik op, vader, ook zult gij alles weten.”
„Goed.”
Doña Carmela scheen zich een oogenblik te bedenken, toen legde zij haar
kleine mollige hand in de grove, harde hand van haar vader; hare lange
satijnen wimpers zonken als een zedige sluijer over haar heldere en
sprekende oogen en zij begon met eene bedeesde stem, die echter weldra
ferm en duidelijk werd:
„Lanzi heeft u straks gezegd, dat het ontdekken van een konvooi geld in
de nabijheid der plaats waar wij ons gelegerd hadden, hem geholpen had
om aan de Roodhuiden te ontsnappen. Nu vader, dat konvooi heeft den
vorigen nacht in de Venta doorgebragt, en de kapitein die het eskorte
kommandeerde is een der meest geachte officieren van het Mexicaansche
leger; ik heb u meermalen met grooten lof van hem hooren spreken, ik
geloof zelfs dat gij hem persoonlijk kent: hij heet don Juan Melendez
de Gongora.”
„Ja,” zeide Tranquille.
Het meisje scheen geheel onthutst en zweeg een poos.
„Ga voort,” riep de Canadees haar aanmoedigende.
Carmela keek hem zijdelings aan, en toen zij zag dat de jager
glimlachte, hervatte zij weder.
„Reeds meermalen heeft het toeval kapitein Melendez naar de Venta
gevoerd; het is een echt ridderlijk mensch, zachtzinnig, beschaafd,
eerlijk, voorkomend, wij hebben ons nooit over hem te beklagen gehad:
Lanzi kan het u verzekeren.”
„Ik ben er van overtuigd, mijn kind, kapitein Melendez is juist zoo als
gij hem beschrijft.”
„Niet waar?” riep zij levendig.
„Ja, ’t is een echt ridderlijk mensch, ’t is wel jammer dat er in het
Mexicaansche leger maar weinig zulke officieren zijn als hij.”
„Heden morgen is het konvooi vertrokken, onder geleide van den
kapitein; twee of drie kerels met gemeene gezigten en van verdacht
voorkomen waren in de Venta achtergebleven; met gluipende blikken zagen
zij de soldaten vertrekken, daarop gingen zij aan de tafel zitten
drinken, zochten een ongepast gesprek met mij aan te knoopen en
begonnen mij woorden toe te voegen, die het een fatsoenlijk meisje niet
past om aan te hooren; zelfs hebben zij mij durven bedreigen.”
„Zoo!” viel Tranquille haar in de rede, en vervolgde met een donkeren
blik: „Kent gij die kerels?”
„Neen, vader, het waren van die grensloopers zooals er in deze streek
maar al te veel rondzwerven, maar al heb ik hen meermalen gezien, hun
naam weet ik niet.”
„Dat is niets, ik zal ze wel vinden, wees daar maar gerust op.”
„O! vader, gij zoudt verkeerd doen met er u boos over te maken, doe dat
toch niet.”
„Goed, goed! dat is mijne zaak.”
„Gelukkig voor mij, kwam er juist een ruiter op den aanslag, wiens
tegenwoordigheid genoeg was om hen tot zwijgen te brengen en hen te
noodzaken tot den gepasten eerbied en wellevendheid die zij mij
schuldig waren.”
„En die ruiter, die juist van pas kwam om u te helpen,” riep de
Canadees lagchende, „was zeker een vriend van u?”
„Niets meer dan een goede kennis, vader,” zeide zij met een ligt
blosje.
„Ha! zeer goed.”
„Maar hij is een groot vriend van u, zoo veronderstel ik ten minste.”
„Ei! en weet gij dan zijn naam ook, kindje?”
„Welzeker!” riep zij levendig.
„En hoe heet hij dan? als gij er niet te veel tegen hebt om het mij te
zeggen.”
„Volstrekt niet, hij heet de Jaguar.”
„De Jaguar!” herhaalde Tranquille terwijl zijn gezigt merkbaar betrok,
„wat had die op de Venta te doen?”
„Dat weet ik niet, vader; maar hij fluisterde een paar woorden tegen de
mannen daar ik u van sprak, waarop zij onmiddellijk van de tafel
opstonden, hunne paarden bestegen en in galop wegreden zonder de minste
aanmerking te maken.”
„Dat is zonderling,” mompelde de Canadees.
Er volgde een vrij lange poos stilte; Tranquille verzonk in diep
nadenken; blijkbaar zocht hij vruchteloos naar de oplossing van een
raadsel dat hij niet kon ontcijferen.
Eindelijk hief hij het hoofd op.
„Hebt gij mij niets meer te zeggen dan dat?” vroeg hij; „tot dus ver
zie ik nog niets in al wat gij mij verteld hebt.”
„Wacht,” riep zij.
„Goed, het is dus nog niet uit?”
„Nog niet.”
„Zeer goed, ga voort.”
„Ofschoon de Jaguar zacht met die kerels gesproken had, heb ik er toch
onwillekeurig een paar woorden van verstaan, zonder opzet, vader, dat
zweer ik u....”
„Daar ben ik van overtuigd, maar wat hebt gij uit die woorden
opgemaakt?”
„Wat ik gemeend heb daaruit te moeten opmaken, bedoelt gij.”
„Dat komt op hetzelfde neer, zeg op.”
„Ik meende te verstaan, dat zij van het konvooi spraken.”
„En vrij waarschijnlijk ook van kapitein Melendez, niet waar?”
„Ik weet althans zeker dat ik zijn naam heb hooren noemen.”
„Ah zoo! dat is het. Toen hebt gij gedacht dat de Jaguar voornemens was
om het konvooi aan te vallen en misschien den kapitein te dooden, niet
waar?”
„Ik wil het niet zeker zeggen, vader,” stotterde het meisje meer en
meer bedremmeld.
„Neen, maar gij vreest het.”
„Lieve God! vader,” hervatte zij op een toon van tegenstribbeling, „het
is immers niet meer dan natuurlijk dat ik belang stel in het lot van
een braaf officier, die....”
„Niets is natuurlijker dan dat, mijn kind, ik neem het u volstrekt niet
kwalijk; wat meer zegt, ik geloof dat uwe vermoedens zeer nabij de
waarheid komen, belg u dus maar niet.”
„Zoudt gij dat denken, vader,” riep zij angstig de handen vouwende.
„Het is zeer waarschijnlijk,” antwoordde de Canadees kalm; „maar stel u
gerust, mijn kind,” vervolgde hij goedhartig, „al hebt gij er mij een
weinig laat over gesproken, geloof ik toch dat ik in staat zal zijn om
het gevaar af te wenden van den man in wiens lot gij zooveel belang
stelt.”
„O! doe dat vader, ik bid er u om.”
„Ik zal het ten minste beproeven, kind, ziedaar alles wat ik u voor het
oogenblik beloven kan; maar gij, wat gaat gij doen?”
„Ik?”
„Ja, terwijl mijne kameraden en ik den kapitein zullen zien te redden?”
„Ik ga met u, vader, als gij het mij vergunt.”
„Dat zij zoo, te meer daar ik geloof dat het wel het voorzigtigst zijn
zal; maar gij moet dien kapitein wel zeer genegen zijn, dat gij zoo
vurig wenscht hem te redden.”
„Ik, vader?” antwoordde zij met volkomen vrijmoedigheid; „in het minst
niet, het komt mij alleen voor dat het verschrikkelijk zou zijn, om een
braaf officier te laten vermoorden, als men hem redden kan.”
„Gij haat dus zonder twijfel den Jaguar?”
„In geenen deele, vader; ondanks zijn overdreven karakter geloof ik dat
hij een edel hart heeft, bovendien acht gij zelf hem hoog, hetgeen voor
mij de sterkste reden is; maar het doet mij innig leed, twee mannen
tegen elkander te zien opstaan, die ik weet, dat, als zij elkander
kenden, weldra de beste vrienden zouden zijn; het is daarom mijn
vurigste wensch dat er tusschen hen geen bloed vergoten worde.”
Deze woorden werden door het jonge meisje met zooveel natuurlijke
vrijmoedigheid uitgesproken, dat de Canadees een geruime poos verbaasd
zat te kijken.
Het weinigje licht dat hij zoo even in de zaak meende te erlangen, was
hem weder geheel ontsnapt zonder dat hij wist hoe; hij begreep thans
niets meer van het gedrag van Carmela, noch van de drijfveeren die haar
deden handelen, te minder daar hij geen reden had om aan de
geloofwaardigheid te twijfelen van al wat zij gezegd had.
Na het meisje eenige oogenblikken met aandacht te hebben aangestaard,
schudde hij twee- of driemaal het hoofd als iemand die het spoor geheel
mis was, en zonder een woord te spreken stond hij op om zijne
medegezellen te wekken.
Tranquille was een der meest ervarene woudloopers van Noord-Amerika, al
de geheimen der woestijn waren hem bekend; maar hij kende geen jota van
die groote verborgenheid, die men het vrouwenhart noemt,—eene
verborgenheid, des te moeijelijker te doorgronden, daar de vrouwen
zelven haar bijna niet kennen, omdat zij gewoonlijk handelen onder den
indruk van het oogenblik, of onder den drang des harten en zonder eenig
voorbehoud of nadenken.
Met weinige woorden bragt de Canadees zijne kameraden op de hoogte van
zijn ontwerp; dezen, gelijk hij verwachtte, hadden er niets op aan te
merken en maakten zich terstond gereed hem te volgen.
Tien minuten later stegen zij te paard en verlieten het kamp,
voorafgegaan door Lanzi, die hun tot gids diende.
Op het oogenblik toen zij in het geboomte verdwenen, verhief de
nachtuil zijn morgengeroep als aankondiger van het opgaan der zon.
„Mijn God!” prevelde Carmela diep bezorgd, „als wij eens te laat
kwamen!”
XXI.
DE JAGUAR.
In de uiterste opgewondenheid had de Jaguar de Venta del Potrero
verlaten; de woorden van het schoone jonge meisje klonken in zijn oor
als bijtende ironie; de laatste blik dien zij hem toewierp vervolgde
hem als een verwijt; de jongman beschuldigde zich zelven dat hij het
gesprek met Carmela zoo schielijk had afgebroken, de wijs waarop hij
hare verzoeken beantwoord had mishaagde hem, kortom, hij was in een van
die gevaarlijke toestanden, waarin iemand als hij, het meest in staat
is om al de wreedheden te begaan die zijn heftig karakter hem zoo
dikwijls had doen plegen en die op zijn naam zulk een onteerenden blaam
hadden geworpen,—wreedheden, die hij beging in onbedachtzaamheid en
altijd bitter betreurde, als het te laat was.
Zijn paard den vollen teugel vierende en het ten bloede toe de sporen
gevende, zoodat het edele dier steigerde en brieschte van smart, reed
hij in gestrekten galop de prairie in, met een gesmoorden vloek op de
lippen en de blikken woest om zich heen werpende, als een verscheurend
dier dat zijn prooi zoekt.
Een oogenblik echter dacht hij er in ernst aan, om terug te keeren naar
de Venta, en zich aan de voeten van het meisje te werpen, in een woord,
om den misslag te herstellen dien zijn sombere hartstogt hem deed
begaan, en alle jaloezij voortaan af te zweren, om zich geheel ter
beschikking van doña Carmela te stellen en alles te doen wat zij goed
vond hem te bevelen.
Maar zooals de meeste zijner goede voornemens, duurde dit ook niet
langer dan een bliksemstraal. De Jaguar dacht na over zijn besluit; met
de overweging keerden zijne wankelmoedigheid en jaloezij terug en als
natuurlijk gevolg, met vernieuwde woede, ja dwazer en dolzinniger dan
ooit.
Zoo galoppeerde de jongman langen tijd voort, schijnbaar zonder eene
bepaalde rigting te volgen; maar toch bij geruime tusschenpoozen hield
hij stil, rigtte zich op in de stijgbeugels, overzag met arendsblikken
de vlakte en rende dan weder voort met lossen teugel.
Omstreeks drie ure in den namiddag bereikte hij het konvooi, maar
naauwelijks had hij het in de verte gezien, of het viel hem niet
moeijelijk het te ontwijken door eenigzins regtsaf te zwenken en zich
in een digt bosch van Peruboomen te begeven, dat hem lang genoeg
onzigtbaar zou maken om niet door de afzonderlijke ruiters van het
eskorte, die voor- of achteraan reden, te worden opgemerkt.
Eindelijk, omtrent een uur voor zonsondergang, slaakte de jongman, toen
hij misschien voor de honderdste maal stil hield om het terrein te
verkennen, een gesmoorden kreet van verrassing; hij had eindelijk de
bende bereikt, die hij zoo lang met hijgend ongeduld had gezocht.
Op vijf honderd passen van de plaats waar de Jaguar op dit oogenblik
stil stond, volgde een troep van dertig of vijfendertig ruiters in
goede orde het breede bijna onzigtbare pad, dat hier onder den naam van
de „groote postweg” door de prairie liep.
De geheele bende bestond uit blanken, zooals zich reeds dadelijk uit
hun kostuum liet opmaken; en scheen in haar marsch zekere militaire
houding te willen aannemen; overigens waren al deze ruiters ruim van
allerlei wapenen voorzien.
In den aanvang van ons verhaal hebben wij reeds van een troep ruiters
gewag gemaakt, die op zeker punt zich in de verte verwijderden, dit
waren dezelfde die de Jaguar hier ontmoette.
De jongman zette de twee opene handen aan zijn mond in den vorm van een
roeper, en gaf tot tweemaal toe een scherpen, doordringenden, lang
aangehouden schreeuw.
De troep, ofschoon op dit oogenblik nog ver genoeg verwijderd maakte op
dit signaal plotseling halt, alsof de hoeven der paarden eensklaps aan
den grond waren genageld.
De Jaguar boog thans diep over den zadel, deed zijn paard over eenige
struiken springen, en bevond zich in weinige minuten bij de ruiters,
die op zijn geroep waren blijven staan.
De Jaguar werd met vreugdekreten ontvangen en al de aanwezigen drongen
zich met de meeste belangstelling om hem heen.
„Ik dank u, mijne vrienden,” zeide hij, „ik dank u voor de bewijzen
uwer toegenegenheid; maar wat ik u verzoeken mag, hoort mij een
oogenblik met alle aandacht, want de tijd dringt ons.”
Als op een tooverslag werd alles doodstil, maar de fonkelende blikken
waarmede zij den jongman aanstaarden bewezen duidelijk genoeg dat, al
zwegen zij stil, hunne belangstellende nieuwsgierigheid er niet minder
levendig om was.
„Gij hebt u niet bedrogen, master John,” vervolgde de Jaguar, zich tot
een der ruiters wendende die het digtst bij hem stond, „de conducta
komt achter ons aan; wij zijn haar slechts drie of vier uren vooruit.
Zooals gij mij hadt laten weten, is zij onder militair geleide, en, ten
bewijze dat men groot belang in hare veiligheid stelt, wordt het
eskorte gekommandeerd door kapitein Melendez.”
Op dit berigt gaven de aanwezigen eenige blijken van teleurstelling.
„Niet te voorbarig,” hernam de Jaguar met een schertsenden lach, „waar
de krachten niet toereikende zijn, kunnen wij ons altijd nog van list
bedienen: kapitein Melendez is dapper en heeft ondervinding, dat stem
ik toe; maar wij, zijn wij dan ook geen dappere mannen? Is de zaak waar
wij voor strijden niet schoon genoeg om ons te bemoedigen en onze
onderneming tot iederen prijs door te zetten?”
„Ja, ja! hoerah! hoerah!” riepen al de aanwezigen, vol geestdrift hunne
wapens zwaaijende.
„Master John, gij hebt reeds betrekkingen met den kapitein aangeknoopt;
hij kent u. Gij moet hier blijven, met nog een van onze vrienden.
Beiden laat gij u gevangen nemen. Ik steun op uwe trouw en op uw beleid
om den argwaan te verdrijven, die misschien bij den kapitein zou kunnen
opkomen.”
„Wees daar gerust op, ik zal er voor zorgen of het voor mij zelven
was.”
„Zeer goed; maar pas op, en speel fijn met hem, gij hebt met een
scherpen tegenspeler te doen.”
„Ei! zoudt gij dat denken?”
„Ja, gij weet wel wien hij bij zich heeft?”
„Neen, voorwaar.”
„El padre Antonio.”
„Duivels! wat zegt gij daar, gij doet waarachtig wel dat gij mij
waarschuwt.”
„Niet waar?”
„Wel! wel! zou die verwenschte monnik misschien ons wild zoeken te
jagen?”
„Daar vrees ik voor. Zoo als gij weet, staat hij in gemeenschap met al
de vagebonden, onverschillig van welke kleur, die in de wildernis
zwerven; hij gaat zelfs voor een hunner aanvoerders door, en hij kan
zeer ligt op de gedachte zijn gekomen om zich de conducta toe te
eigenen.”
„Drommels! daar zal ik op passen; laat dat gerust aan mij over, ik ken
hem zoo goed en zoo lang, dat hij geen lust zal gevoelen om mij tegen
te werken, en als hij het dorst te doen, zou ik hem weten onschadelijk
te maken.”
„Dat is zeer goed; en nu, zoodra gij al de berigten hebt ingewonnen die
wij noodig hebben om te handelen, verliest gij geen oogenblik om weder
bij ons te komen, hoor; want terwijl wij op u wachten tellen wij iedere
minuut.”
„Dat is afgesproken: altijd aan de Barranca del Gigante.”