meeste omzigtigheid te werk, en zullen zij zich niet ligt bloot geven
of zonder de noodige voorzorg naderen; thans echter was het aan hunne
gansche houding te zien dat zij aan den goeden uitslag van hunne
onderneming niet twijfelden, wel wetende dat het der Venta aan
genoegzame verdedigers ontbrak.
Toen zij het huis tot op twintig ellen genaderd waren, hielden zij
stil, stegen af en schenen zich onderling te beraden.
Lanzi maakte van deze weinige minuten uitstel gebruik om al de in de
Venta voorhandene wapens in de zaal bijeen te brengen; er lagen weldra
omtrent tien of twaalf karabijnen op de tafel.
Ofschoon de deuren en vensters behoorlijk voorzien en met stevige
luiken gesloten waren, gaf het aantal hier en daar in den muur
aanwezige schietgaten gelegenheid genoeg om de bewegingen des vijands
gade te slaan.
Carmela, met een karabijn gewapend, had zich stoutmoedig aan de deur
geplaatst, terwijl de mesties met een bezorgd gezigt gedurig in- en
uitliep, om zoo het scheen uitvoering te geven aan een gewigtig en
geheimzinnig plan van verdediging; wat hij eigentlijk voorbereidde, kon
Carmela in de toenemende duisternis moeijelijk opmerken.
„Ziedaar,” zeide hij eenige oogenblikken later, „nu is alles gereed,
laat hen nu maar komen, zoo zij willen. Leg uwe karabijn maar op deze
tafel, Señorita; het is niet door geweld, maar door list dat wij die
duivels kunnen overwinnen; laat mij slechts begaan.”
„Wat is uw plan?” vroeg zij.
„Dat zult gij zien; ik heb daar buiten in de corral twee planken in de
schutting doorgezaagd; stijg gij nu te paard, en zoodra gij mij de
voordeur hoort openen, neem gij dan spoorslags de vlugt.”
„Maar wat gij dan?”
„Bekommer u niet over mij, maar stijg te paard en doe wat ik u zeg.”
„Ik wil u niet verlaten.”
„Ba, ba! geen haarklooverijen; ik ben oud, mijn leven is zooveel niet
meer waard, het uwe is kostbaar, gij moet gered worden; laat mij
begaan, zeg ik u.”
„Neen Lanzi, als gij mij niet zegt...”
„Ik zeg u niets; gij zult Tranquille vinden aan het veer del Venado;
geen woord meer!”
„Helaas! staat het zoo?” riep zij; „o neen! dan zweer ik dat ik niet
van u weg ga, wat er ook gebeure.”
„Gij doet dwaas; ik heb u immers gezegd dat ik dezen Indianen een
fijnen trek zou spelen?”
„Zult gij werkelijk.”
„Gij zult het zien. Alleen maar, daar ik vrees dat gij de een of andere
onvoorzigtigheid zoudt begaan, verlang ik u eerst te zien vertrekken,
dat is alles.”
„Zegt gij mij de waarheid?”
„Zeer zeker! Gij kunt er stellig op aan dat ik over vijf minuten weder
bij u ben.”
„Belooft gij mij dat?”
„Denkt gij dan dat ik zooveel lust zou hebben om hier te blijven?”
„Maar wat wilt gij eigentlijk doen?”
„Daar zijn de Indianen reeds! Ga de zaal uit en verzuim niet, om zoodra
gij mij de deur voor de Roodhuiden hoort openen spoorslags te
vertrekken in de rigting van het veer del Venado.”
„Maar ik reken...”
„Ga, ga toch!” viel Lanzi haar in de rede, haar naar de corral
drijvende, „en denk aan onze afspraak.”
Het meisje gehoorzaamde tegen wil en dank; doch op dit oogenblik werd
er hevig op de deur en de buitenblinden geklopt; de mesties maakte van
deze gelegenheid gebruik om de deur der corral achter Carmela te
sluiten.
„Ik heb Tranquille gezworen dat ik haar beschermen zou, wat er ook
gebeuren mogt,” prevelde hij. „En kan ik haar niet anders redden dan
door mij voor haar op te offeren, welnu! ik wil sterven, maar cuerpo de
Dios! ik zal mij een schoone begrafenis weten te verschaffen.”
Er werd weder op de blinden gebeukt, maar nu met zooveel geweld, dat
men gemakkelijk kon voorzien dat zij niet lang weerstand zouden bieden.
„Wie is daar?” vroeg de mesties met een bedaarde stem.
„Gente de paz,” antwoordde men daar buiten.
„Gente de paz!” herhaalde Lanzi, „nu, als gij goed volk zijt, hebt gij
wel eene zonderlinge manier van aan te kloppen.”
„Doe open! doe open!” riep de stem daar buiten.
„Dat wil ik met pleizier doen, maar wie verzekert mij dat gij mij geen
overlast doet?”
„Doe open! of wij breken de deur in!”
„O ho!” riep de mesties, „gij schijnt er al mooi mede bezig; geeft u
maar zooveel moeite niet, ik zal open doen.”
Het kloppen hield op.
De mesties ontgrendelde de deur en opende haar, en de Indianen stormden
naar binnen onder vervaarlijk geschreeuw en vreugdegejuich.
Lanzi had zich in tijds teruggetrokken om hen door te laten, en hoorde
op dit oogenblik tot zijn onuitsprekelijk genoegen den galop van een
paard dat zich snel verwijderde.
De Indianen gaven geen acht op dit geluid.
„Geef ons drank;” riepen zij.
„Wat wilt gij voor drank?” vroeg de mesties, dien het slechts te doen
was om tijd te winnen.
„Vuurwater!” brulden de Indianen.
Lanzi beijverde zich om hen te dienen. De zwelgpartij ving aan.
Wel wetende dat zij, nu de deur eenmaal open was, niets van de bewoners
der Venta te vreezen hadden, waren de Roodhuiden onbesuisd naar binnen
gedrongen, zonder het noodig te achten om schildwachten te plaatsen;
deze nalatigheid, op welke Lanzi wel gerekend had, gaf aan Carmela de
beste gelegenheid om ongemerkt weg te komen.
De Indianen en vooral de Apachen, zijn hartstogtelijk belust op sterken
drank en gaan er zich toomeloos aan te buiten zoo vaak zij dien krijgen
kunnen; alleen de Comanchen verdienen den lof eener beproefde matigheid
en hebben zich tot hiertoe weten te bewaren voor deze noodlottige
drankzucht, die de verdierlijking en den ondergang van al de overige
Indianen-stammen na zich sleept.
Lanzi lette met heimelijk welgevallen en spot op de uitspattingen der
Roodhuiden, die zich rondom de tafels verdrongen, en met volle teugen
de bekers mezcal en whiskey verzwolgen die hij hun voorzette; hunne
oogen begonnen reeds te schemeren en hunne aangezigten te gloeijen, zij
wisten niet meer wat zij deden of spraken, en dachten aan niets dan om
zich een vrolijken roes te drinken.
Eensklaps voelde de mesties eene hand op zijn schouder, hij keek om, en
een Indiaan stond met de armen op de borst gekruist voor hem.
„Wat wilt gij?” vroeg Lanzi.
„De Blaauwe-Vos is een opperhoofd,” antwoordde de Indiaan, „en hij
heeft het Bleekgezigt iets te zeggen.”
„Is de Blaauwe-Vos misschien niet tevreden over de wijs waarop ik hem
of zijne kameraden ontvangen heb?” vroeg Lanzi.
„Dat is het niet, de krijgslieden drinken, maar hun opperhoofd wil wat
anders.”
„Och! dat spijt mij,” zei de mesties, „want ik heb alles gegeven wat ik
had.”
„Neen,” antwoordde de Indiaan droog.
„Hoe dat neen?”
„Waar is het meisje met het gouden haar?”
„Ik begrijp u niet, hoofdman,” zei Lanzi, die hem intusschen zeer goed
begreep.
De Indiaan glimlachte.
„Laat het Bleekgezigt den Blaauwe-Vos maar eens goed in de oogen
kijken, dan zal hij wel zien dat hij een opperhoofd is en geenszins een
kind dat zich met logens laat vrolijk maken. Waar is dus het meisje met
het gouden haar gebleven, dat hier bij mijn broeder woont?”
„De vrouw daar gij van spreekt, zoo gij ten minste het jonge meisje
bedoelt aan wie dit huis toebehoort....”
„Ja! ja,” riep de Indiaan.
„Welnu, die is niet hier.”
De Blaauwe-Vos keek hem uitvorschend aan.
„Het Bleekgezigt liegt,” zeide hij.
„Zoek haar vrij.”
„Zij was hier nog, geen uur geleden.”
„Dat is wel mogelijk.”
„Waar is zij?”
„Zoek haar.”
„Het Bleekgezigt is een hond, ik zal hem scalperen.”
„Wel moge het u bekomen,” antwoordde de mesties spotachtig.
Ongelukkigerwijs had Lanzi zich bij het uitspreken van deze woorden een
triomfanten blik in de rigting der corral laten ontglippen; de Sachem
liet dit niet onopgemerkt, hij stormde naar de corral, opende de deur
en slaakte een kreet van teleurstelling, toen hij de bres in de
schutting zag; thans was hem de zaak opgehelderd.
„Hond!” brulde hij, en terstond het scalpeermes uit zijn gordel
rukkende, smeet hij het woest naar zijn vijand.
Deze echter, die hem scherp in ’t oog hield, ontweek den worp, zoodat
het mes eenige duimen bezijden zijn hoofd in het beschot bleef steken.
Lanzi herstelde zich oogenblikkelijk, en over de schenktafel
springende, vloog hij naar den Blaauwen-Vos.
De Indianen stonden in massa op; sommigen staken het huis in brand,
anderen grepen hunne wapenen en ijlden als wilde dieren den mesties
achterna.
Toen de laatstgenoemde de deur der corral bereikt had, keerde hij zich
om, en schoot zijne pistolen af onder den woesten hoop, die daardoor in
verwarring terugdeinsde; ijlings liep hij thans de corral in, sprong
oogenblikkelijk te paard, gaf het de sporen en reed door de bres der
schutting naar buiten.
Op het zelfde oogenblik had er kort achter hem eene vreeselijke
ontploffing plaats, de grond schokte geweldig, en eene verwarde massa
van steenen, pannen, planken en balken en allerlei puin stortte achter
en rondom den ruiter en zijn voorthollend paard neder.
De Venta del Potrero was in de lucht gesprongen en had de Apachen die
er zich in bevonden onder haar puin bedolven.
Dit was de trek dien Lanzi zich had voorgenomen den Indianen te spelen;
hij had eenige vaatjes buskruid, die in den kelder der Venta lagen, met
een loopend lont in verband gebragt, toen dus de Apachen het huis
poogden in brand te steken was deze geïmproviseerde mijn op het juiste
oogenblik gesprongen.
Onze lezers zullen nu begrijpen waarom hij er zoo sterk op aandrong,
dat Carmela zich ten spoedigste zou verwijderen.
De heldhaftige mesties mogt van bijzonder geluk spreken dat hij er zelf
zoo goed afkwam: zoo min hij als zijn paard waren gekwetst; het edele
dier, een mustang in de wildernis geboren, rende met dampende neusgaten
in duizelende snelheid door de prairie, alsof hem de stormwind
vleugelen had gegeven. De ongeduldige ruiter gunde het geen oogenblik
verademing en smoorde het onophoudelijk aan met stem en gebaren, vooral
daar hij weldra meende tamelijk kort achter zich den galop van een
ander paard te hooren dat hem scheen te vervolgen.
Ongelukkig was de nacht te donker om hem te doen zien wat er van was en
zich te overtuigen of hij zich hierin niet bedroog.
XIX.
DE JAGT.
Sommigen onzer lezers zullen misschien vinden, dat het middel door
Lanzi aangewend om zich van de Apachen te ontdoen al te geweldig was,
en dat hij daarvan niet dan in den uitersten nood had mogen gebruik
maken.
De verantwoording van den mesties, is echter even eenvoudig als
gemakkelijk te geven; zie hier wat er van is: de zoogenaamde Indios
bravos, wanneer zij de grenzen van Mexico overschrijden, maken zich
zonder erbarming aan allerlei moedwil schuldig en begaan de gruwzaamste
wreedheden tegen de ongelukkige blanken, wien zij een onverzoenlijken
haat toedragen.
De toestand van Lanzi, alleen en zonder hulp op eene afgelegen plaats,
onder de magt van een vijftigtal duivels zonder trouw of wet, was
allerhagchelijkst, des te meer nog, daar de Apachen door sterken drank
verhit, welks misbruik bij hen een soort van dolle razernij verwekt,
zich met al den bloeddorst die hun karakter eigen is aan de
onbeteugeldste wreedheden zouden hebben overgegeven, uit louter
genoegen om een vijand van hun ras te folteren.
De mesties had buitendat eene afdoende reden om niets te ontzien; hij
moest, onverschillig op welke wijs en het mogt kosten wat het wilde,
voor het behoud van Carmela zorgen, die hij aan Tranquille plegtig
bezworen had te zullen verdedigen, zelfs met gevaar en met opoffering
van zijn eigen leven.
In het tegenwoordig geval wist hij dat zijn leven of dood alleen van de
willekeur der Indianen afhing, hij behoefde dus niets te ontzien.
Lanzi was een koelbloedig, streng en planmatig te werk gaand man, die
nooit handelde zonder vooraf de waarschijnlijke kansen van al of niet
slagen rijpelijk te hebben overwogen. In de tegenwoordige
omstandigheden waagde de mesties eindelijk niets, daar hij vooruit wist
dat de Indianen hem den dood hadden gezworen; zoo zijn plan gelukte zou
hij misschien nog kunnen ontsnappen, zoo niet, dan zou hij als een
dappere grensbewoner sterven, en gelijktijdig een aanzienlijk getal
zijner onverzoenlijke vijanden met zich in het graf slepen.
Zijn besluit eenmaal genomen zijnde, voerde hij het uit met de hem
eigene koelbloedigheid, zooals wij boven gezien hebben; en dank zij
zijne tegenwoordigheid van geest, had hij nog even tijd gehad om een
paard te bestijgen en te ontvlugten.
Intusschen was alles hiermede niet gedaan, de galop die de mesties
achter zich hoorde, verontrustte hem uitermate, daar het hem scheen te
bewijzen, dat zijn plan niet ten volle geslaagd en dat het ten minste
aan een zijner vijanden gelukt was te ontsnappen en hem op de hielen te
volgen.
De mesties verdubbelde zijne snelheid, hij deed zijn paard tallooze
wendingen en dwarsritten maken; om zijn hardnekkigen vervolger van het
spoor te helpen; maar alles was vruchteloos: steeds hoorde hij achter
zich den onverbiddelijken galop van den onbekenden ruiter.
Hoe dapper iemand ook wezen, en hoeveel geestkracht hij bezitten mag,
niets is er dat meer ontmoedigt, dan zich bij nacht op een ongebaand
spoor nagezet te voelen door een onzigtbaren en daardoor juist
onverdelgbaren vijand. De nachtelijke duisternis, de heerschende stilte
in de woestijn, de boomen die hem bij zijn dolle vaart, als een legioen
dreigende spoken links en regts voorbij vlogen, alles vereenigde zich
om den ongelukkigen vlugteling te doen duizelen en als onder den druk
te brengen van een benaauwden droom, dien hij ondanks zijn volle
bewustzijn van het gevaar niet in staat was te bezweren of af te
werpen.
Zoo rende Lanzi, met gefronste wenkbraauwen, bevende lippen, en het
koude zweet op zijn voorhoofd, diep over den hals van zijn paard
gebogen, verscheidene uren achtereen dwars door de prairie, zonder
eenige bepaalde rigting te volgen, en altijd nagezet door den korten en
schokkenden galop van een paard.
Het zonderlingste van alles was echter, dat dit galopperend paard,
sedert het zich voor de eerste maal liet hooren, niet merkbaar scheen
te naderen; men zou moeten veronderstellen dat de onbekende ruiter zich
vergenoegde met den mesties op het spoor te volgen, en geen plan had om
hem in te halen. Intusschen was de eerste schrik bij den mesties tot
bedaren gekomen; de koude nachtlucht had in zijne denkbeelden een
weinig orde gebragt, zijne koelbloedigheid was terug gekeerd, en
daarmede de noodige helderheid van geest om zijn toestand verstandig te
beoordeelen.
Lanzi schaamde zich over zijne kinderachtige vrees, die een man van
zijn naauwgezet en beproefd karakter onwaardig scheen, daar zij hem nu
reeds zoolang, om redenen van persoonlijk behoud, de heilige taak deed
vergeten die hij zich had opgelegd, namelijk om met gevaar van zijn
eigen leven de dochter van zijn vriend te zullen beschermen, want als
zoodanig beschouwde hij Carmela.
Bij deze gedachte die hem trof als een bliksemslag, voelde hij zijne
wangen van schaamte gloeijen, zijn oogen fonkelden van verontwaardiging
over zich zelven, en hij hield terstond zijn paard in, vastbesloten om
het tot iederen prijs met zijn vervolger voor goed uit te maken.
Het paard, zoo op eens in zijn loop gestuit, zwikte bijna op de bevende
schenkels en hinnikte van smart, maar stond weldra onbeweeglijk. Op
hetzelfde oogenblik echter, scheen ook de onzigtbare ruiter stil te
houden, want de galop werd niet meer gehoord.
„Ei! ei!” mompelde de mesties, „dat begint er aardig uit te zien.”
Hij greep een pistool uit zijn gordel, en haalde den haan over.
Oogenblikkelijk hoorde hij, als eene doodelijke echo het zelfde geluid
van een pistool dat door den onbekenden ruiter van zijn kant werd
overgehaald.
Evenwel, dit geluid, in plaats van zijne vrees te doen toenemen, scheen
haar integendeel tot bedaren te brengen.
„Wat kan dat beteekenen?” vroeg hij zich zelven met nadenkend
hoofdschudden, „zou ik mij zoo bedrogen hebben? Is het dan geen Apache
met wien ik te doen heb?”
Na deze bedenking, gedurende welke Lanzi, ofschoon te vergeefs, gepoogd
had zijn onbekenden vijand te zien te krijgen, riep hij met eene sterke
stem:
„Hola! wie zijt gij?”
„En wie zijt gij?” klonk eene heldere mannenstem uit het midden der
duisternis, doch op minder beslissenden toon als die van den mesties.
„Dat is een zonderling antwoord,” hervatte Lanzi.
„Toch niet zonderlinger dan de vraag,” klonk het terug.
Deze woorden werden in zuiver Spaansch gesproken.
De mesties, hierdoor verzekerd dat hij met een blanke te doen had, liet
alle vrees varen, en zijn pistool ontspannende stak hij het weder in
zijn gordel en riep op goedwilligen toon:
„Gij zult zeker wel behoefte hebben om een weinig op adem te komen,
caballero, na zulk een langen rid, zoowel als ik. Hebt gij er ook iets
tegen dat wij bij elkander gaan zitten?”
„Dat is juist wat ik verlang,” antwoordde de andere.
„Hé! maar,” riep eene derde stem, die de mesties dadelijk herkende,
„dat is Lanzi!”
„Wel zeker!” riep deze verheugd, „voto a brios! doña Carmela, ik had
niet gehoopt u hier te ontmoeten!”
Onze drie personaadjen voegden zich bij elkander.
De wederzijdsche ophelderingen vorderden niet veel tijd.
De vrees denkt niet na en berekent niet. Doña Carmela zoo wel als
Lanzi, door dwazen schrik vervoerd, waren gevlugt zonder te weten of te
vragen voor wie, en alleen gedreven door die zucht tot zelfbehoud, door
God aan den mensch gegeven, als een laatste middel om zich te kunnen
redden en het gevaar te ontwijken.
Het eenige onderscheid tusschen hen bestond hierin, dat de mesties
meende door de Apachen vervolgd te worden, terwijl doña Carmela dacht
dat deze voor haar uitreden.
Toen het meisje op aanraden van Lanzi de Venta verliet, was zij in
blinde drift het eerste pad het beste opgereden dat zij voor zich zag.
Tot haar geluk had God het zoo beschikt, dat doña Carmela, juist op het
oogenblik toen het huis met zulk een vervaarlijken slag in de lucht
vloog, en zij half dood van schrik met haar paard omverbuitelde, door
een blanken jager werd gevonden, die uit medelijden, bij het vernemen
der gevaren die haar bedreigden, zich edelmoedig aanbood haar tot aan
de hacienda del Mezquite te begeleiden, waar het meisje heen wilde om
zich onder de onmiddellijke bescherming van Tranquille te stellen.
Na een bespiedenden blik op den jager, wiens eerlijk en vrij gelaat en
openhartige toespraak haar terstond van zijne opregtheid en goede trouw
overtuigden, had doña Carmela zijn aanbod met dankbaarheid aangenomen,
daar zij zeer angstig was om in de duisternis onder eene of andere
bende Indianen te geraken, die hier in menigte rondzwierven en die zij,
bij hare onbekendheid met het terrein, onvermijdelijk in handen zou
zijn gevallen.
Zij had zich dus met haar gids onmiddellijk op weg begeven naar de
hacienda; maar omringd door duizend onzigtbare gevaren in den onzekeren
nacht, had de galop van Lanzi’s paard hen in den waan gebragt dat er
een vijandelijke troep Indianen voor hen uitreed; en mitsdien hadden
zij steeds gezorgd op een behoorlijken afstand van hen te blijven, om
bij de minste verdachte beweging hunner vijanden, terstond den teugel
te kunnen wenden en hun in tijds te ontsnappen.
Na deze opheldering hield alle ongerustheid tusschen onze drie
personaadjen op; Carmela en Lanzi gevoelden zich gelukkig dat zij
elkander zoo boven verwachting hadden weder gevonden.
Terwijl thans de mesties haar op zijne beurt vertelde hoe hij zich van
de Apachen had afgeholpen, bragt de jager als een voorzigtig man, de
drie paarden naar een digt kreupelbosch, waar hij hen zorgvuldig
verborg en van het noodige voeder voorzag; vervolgens keerde hij tot
zijne nieuwe vrienden terug, die intusschen op het gras waren gaan
zitten om eenige oogenblikken te rusten.
Toen de jager weder bij hen kwam, zeide Lanzi tegen Carmela:
„Waartoe zoudt gij u dezen nacht verder vermoeijen, Señorita? Onze
nieuwe vriend en ik, wij zullen binnen weinige oogenblikken eene hut
van takken bouwen, onder welke gij volkomen veilig zult uitrusten; gij
kunt slapen tot de dag aankomt, dan gaan wij terstond weder op weg naar
de hacienda. Voor het oogenblik hebt gij geen het minste gevaar te
duchten, onder de bescherming van twee mannen die niet aarzelen zouden,
hun leven voor u op te offeren als het noodig was.”
„Ik dank u wel, mijn goede Lanzi,” antwoordde het meisje, „uwe
getrouwheid is mij bekend en ik zou niet aarzelen mij op u te verlaten,
zoo ik op dit oogenblik door de vrees voor de Apachen gedreven werd. Ik
verzeker u dat de gevaren die mij van de zijde der Roodhuiden
bedreigen, geen den minsten invloed hebben op mijn besluit om zoo
spoedig mogelijk weder op weg te gaan.”
„Welke gewigtige reden kan u dan daartoe verpligten, Señorita?” riep de
mesties ten hoogste verwonderd.
„Dat, goede vriend, is eene zaak tusschen mijn vader en mij; laat het u
genoeg zijn te weten dat ik hem nog dezen nacht volstrekt zien en
spreken moet.”
„Goed, als gij er op staat, Señorita, geef ik toe,” antwoordde de
mesties hoofdschuddend, „maar hoe het ook zij, gij zult mij toestemmen
dat dit eene zonderlinge gril van u is.”
„Neen neen, goede Lanzi,” hervatte zij treurig, „het is geen gril; als
gij later de reden zult hooren die mij dus doet handelen, ben ik
overtuigd dat gij haar zult goedkeuren.”
„’t Is mogelijk; maar waarom kunt gij mij die niet terstond zeggen?”
„Omdat mij dit onmogelijk is.”
„Stil! stil!” riep de jager op eens tusschenbeide komende, „er valt
niet langer over te redekavelen, wij moeten oogenblikkelijk van hier
vertrekken.”
„Wat wilt gij ons zeggen?” riepen beiden verschrikt.
„De Apachen hebben ons spoor gevonden, zij komen snel op ons af, over
twintig minuten kunnen zij hier zijn; voor dezen keer bedrieg ik mij
niet, zij zijn het zeker.”
Er volgde eene poos stilte.
Doña Carmela en Lanzi luisterden met alle aandacht.
„Ik hoor niets,” zei de mesties een oogenblik later.
„Ik evenmin,” zei het meisje.
De jager glimlachte goedig.
„Gij kunt hen zeker nog niet hooren,” zeide hij, „want uwe ooren zijn
niet zoo gewoon als de mijne om ieder geluid in de woestijn op te
merken. Maar geloof toch hetgeen ik u zeg en verlaat u op eene ervaring
die nimmer gefaald heeft: uwe vijanden zijn stellig in aantogt.”
„Wat moeten wij doen?” prevelde Carmela.
„Vlugten,” riep de mesties.
„Hoor eens,” hervatte de jager bedaard, „de Apachen zijn talrijk,
bovendien zijn zij listig en wreed, wij kunnen hen niet anders
overwinnen dan door list. Als wij hun weerstand wilden bieden waren wij
verloren, en als wij alle drie te zamen vlugten vallen wij vroeg of
laat in hunne magt; terwijl ik dus alleen hier blijf, gaat gij met de
señorita zoo spoedig mogelijk op weg, maar draag wel zorg dat gij
vooraf de hoeven uwer paarden omwoelt, om het gedruisch van uw galop
minder hoorbaar te maken.”
„En gij dan?” riep het meisje met drift.
„Ik zeg u immers dat ik hier zal blijven?”
„Ja, maar dan valt gij onvermijdelijk den Roodhuiden in handen, en die
zullen u zeker vermoorden.”
„Misschien!” antwoordde hij met een onbeschrijfelijken zweem van
weemoed, „maar dan zal mijn dood ten minste gediend hebben om u te
redden.”
„Zeer goed,” zei Lanzi, „ik zeg u wel dank voor uw aanbod, caballero;
maar ongelukkig kan noch mag ik het aannemen: zoo moeten de zaken hier
niet gaan; ik ben de man die hier het spel begonnen heb, en ik alleen
moet het op mijne manier eindigen. Vertrek gij met de señorita, stel
haar in de handen van haar vader, en zoo gij mij niet mogt wederzien,
en hij u vraagt wat er gebeurd is, zeg hem dan eenvoudig, dat ik mijn
woord gehouden en dat ik mijn leven voor haar heb opgeofferd.”
„Daar zal ik nooit in toestemmen,” zei doña Carmela met nadruk.
„Zwijg stil!” riep de mesties brusk, „vertrek, vertrek! gij hebt geen
oogenblik te verliezen.”
Ondanks de tegenstribbeling van het meisje, nam hij haar in zijne
forsche armen en droeg haar op een drafje naar het kreupelbosch.
Carmela die wel begreep dat de mesties niet van zijn besluit was af te
brengen, gehoorzaamde.
Ook de jager nam de edelmoedige zelfopoffering van Lanzi even gewillig
aan als hij de zijne had aangeboden. Het gedrag van den mesties kwam
hem zeer natuurlijk voor, hij maakte dus geen de minste tegenwerping en
hield zich ijverig bezig met de paarden in orde te brengen.
„Vertrekt nu,” sprak de trouwe mesties toen de jager en het meisje
waren opgestegen, „vertrekt, en God beware u!”
„En gij nu, mijn vriend?” moest Carmela hem nog toevoegen.