gehad te hebben, begonnen toch enkele haren op het hoofd en in den
baard van den jager te grijzen, en vertoonde zich hier en daar een
diepere rimpel op zijn eerlijk, maar door de zon en het buitenleven
gebronsd gelaat.
Behalve deze ligte maar onmiskenbare teekenen van een gevorderden
leeftijd, was er geen het minste spoor van verzwakking bij den Canadees
op te merken, integendeel stond zijn oog nog even helder en levendig,
bleef zijn lijf even regtop, en waren zijne leden even forsch gespierd
als voorheen.
Wat den neger betreft, deze had in zijn voorkomen nog minder
verandering ondergaan; hij scheen nog altijd dezelfde jonge man, alleen
was hij vrij wat dikker geworden en in plaats van rank, min of meer
gezet, zonder daarom iets van zijne voorbeeldelooze vlugheid te
verliezen.
De plaats waar onze twee woudloopers zich gelegerd hadden, was
ongetwijfeld een der schilderachtigste van de prairie.
De middernachtswind had den dampkring schoon geveegd, en aan het
donkerblaauw gewelf schitterden duizenden sterren, waaronder bovenal
het Zuider Kruis praalde, met onverdoofbaren luister. Het heldere
schijnsel der later opgekomen maan, die nog voor tweederde vol was en
reeds vrij hoog aan den hemel stond, deed het sterrenlicht wel is waar
merkelijk verflaauwen, maar des te betooverender vielen hare
zilverwitte stralen op de omringende voorwerpen en dompelden het
bedauwde landschap in eene fantastische schemering. Bij elke verheffing
van den wind schudden de boomen hunne vochtige kruinen en ritselde er
een kortstondig stortbad van koele droppels op de lagere struiken.
De rivier stroomde rustig tusschen hare welige oevers en kronkelde in
de verte door het vreedzame dal, als een breed zilveren lint, terwijl
in haar kabbelend watervlak het zachte beeld der maan zich trillend
terugkaatste als in een levenden spiegel.
Het was in de woestijn zoo stil, dat men het vallen van een dorrend
blad of het schuifelen van een kruipend dier tusschen de takken had
kunnen hooren.
De beide jagers zaten te keuvelen met naauwelijks hoorbare stem, wat in
de wildernis niet vreemd is; wat echter wel vreemd scheen, voor mannen
die met het leven der bosschen zoo goed bekend en vertrouwd waren, was,
dat zij hun kamp in plaats van op den top, integendeel aan den kant van
een heuvel hadden gekozen, die zacht naar de rivier afglooide, op wier
slijkerigen oever, niet ver van hen af, tallooze voetsporen van wilde,
en grootendeels van verscheurende dieren zigtbaar waren afgedrukt.
Ondanks de tamelijk koude nachtlucht en de kille dauw die er gevallen
was, hadden de jagers geen vuur ontstoken, ofschoon het hun zeer welkom
zou zijn geweest zoo zij hunne leden hadden kunnen verwarmen; vooral de
neger, die zeer dun gekleed was en niet anders aan had dan een korte
linnen broek en een stuk van een zarape vol gaten, zat letterlijk te
beven en te klappertanden als een hazewindhondje. Tranquille
daarentegen, die in het kostuum der Mexicaansche gambusinos veel warmer
gekleed was, scheen van de koude volstrekt geen hinder te hebben; met
het geweer tusschen de beenen, terwijl zijn onfeilbaar oog nu en dan in
de duisternis rondkeek en zijn geoefend oor scherp luisterde naar het
minste gerucht, hield hij den neger gestadig aan de praat, zonder op
diens grimassen of klappertanden te letten.
„Gij hebt dus de chica (de kleine) van daag niet gezien, Quoniam?”
vervolgde hij.
„Neen, neen, ik heb haar in geen twee dagen gezien,” antwoordde
Quoniam.
De Canadees zuchtte.
„Ik had er reeds moeten heengaan,” hervatte hij, „het kind is wel zeer
alleen daar, vooral nu de oorlog is uitgebroken en al de grensloopers
en bandieten naar dezen kant komen.”
„O! Carmela heeft handen en tanden, zij zal zich weten te weren als men
haar beleedigt.”
„Mijn God!” riep de Canadees terwijl hij zijn karabijn vaster klemde,
„als een van die onverlaten haar iets meer durfde zeggen dan....”
„Maak u toch zoo ongerust niet, Tranquille,” zei de neger, „gij weet
wel als iemand haar durfde beleedigen, dat het de querida Niña (het
lieve meisje) niet aan verdedigers zou ontbreken; daarbij, Lanzi is er
immers, die verlaat haar geen oogenblik, en zoo als gij weet, die is
getrouw.”
„Ja,” mompelde de jager, „maar Lanzi is in ieder geval maar één
mensch.”
„Ik zie geen kans om u gerust te stellen, met zulke ideeën als gij u in
’t hoofd haalt.”
„Ik houd heel veel van dat kind, Quoniam.”
„Mijn hemel! ik houd ook veel van haar, dat mooije schalkje; weet gij
wat wij doen zullen? zoodra wij dien tijger geschoten hebben, gaan wij
naar de Venta; vindt gij dat goed?”
„Het is zoo ver van hier.”
„Kom! vier uren loopens op zijn langst! Maar hoor eens, Tranquille,
weet ge wel dat het hier drommels koud is, ik ben letterlijk op weg om
te bevriezen. Dat verwenschte beest! Zeg mij toch wat hij op dit
oogenblik doet? Ik geloof dat hij meer pleizier heeft om heen en weer
te kuijeren, dan regelregt op ons af te komen.”
„Om zich te laten doodschieten, wilt gij zeggen, niet waar?” zei
Tranquille met een glimlach. „Sakkerloot! misschien begrijpt hij dat
wij hem niet ontzien zullen.”
„Dat is wel mogelijk, die duivelsche dieren zijn slim. Wacht! het
veulen begint onrustig te worden, het heeft zeker iets in den neus.”
De Canadees wendde het hoofd naar dien kant.
„Neen, nog niet,” zeide hij.
„Onze gansche nacht gaat er meê heen,” pruttelde de neger op een toon
van ontevredenheid.
„Zult gij dan altijd even ongeduldig en stijfhoofdig blijven, Quoniam?
Wat ik u ook zeg, gij schijnt mij niet te willen begrijpen! hoe
dikwijls heb ik u reeds verzekerd dat de jaguar een der listigste
dieren is die men kent. Ofschoon wij hier onder den wind zitten, is het
mij duidelijk dat hij ons geroken heeft. Hij zwerft gluiperig om ons
heen, en is bang om onzen post te nabij te komen. Zoo als gij zegt,
kuijert hij hier en daar, zonder bepaald doel.”
„Maar zoudt gij denken dat hij nog lang zoo in het rond zal loopen?”
„Neen, want hij zal dorst beginnen te krijgen; op dit oogenblik wordt
hij door drie verschillende gevoelens geslingerd, door honger, dorst en
vrees; de vrees zal het eerste verminderen, wees daar gerust op, dat is
slechts een vraag van tijd.”
„Dat merk ik; wij zitten nu reeds meer dan vier uren hier op onzen
loer.”
„Geduld! het ergste is geleden; ik ben zeker dat wij spoedig van hem
hooren zullen.”
„God geve dat gij waarheid spreekt! want ik verga van de koû, zou hij
groot zijn?”
„Ja, zijne stappen zijn lang, maar als ik mij niet zeer bedrieg is hij
gepaard.”
„Zoudt gij dat denken?”
„Ik zou er bijna op durven wedden; ’t is onmogelijk dat een enkele
jaguar in minder dan acht dagen zooveel verwoesting aanrigt; don
Hilario heeft mij verzekerd dat er bij hem tien stuks vee verdwenen
zijn.”
„O!” riep Quoniam, vrolijk in zijne handen wrijvende, „dan zullen wij
een schoone jagt hebben; het is er zeker een die jongen heeft.”
„Dat heb ik al gedacht; want anders zouden zij niet zoo digt bij de
hacienda’s komen.”
Op dat oogenblik hoorde men, op verren afstand in de wildernis, een
heesch gebrul, dat min of meer naar het krollen van een kat geleek.
„Dat is zijn eerste geroep,” zei Quoniam.
„Hij is nog zeer ver.”
„O! hij zal spoedig nader komen.”
„Nog niet; het is hem nog niet om ons te doen op dit oogenblik.”
„En om wie dan?”
„Luister!”
Een tweede gebrul, aan het eerste gelijk, maar van den tegengestelden
kant komende, klonk thans kort in de nabijheid.
„Heb ik u niet gezegd dat hij gepaard was,” hervatte de Canadees
bedaard.
„Daar heb ik niet aan getwijfeld. Als gij met de gewoonten der tijgers
niet bekend waart, wie zou ze dan kennen?”
Het veulen was opgestaan; het arme dier beefde van top tot teen; half
dood van schrik en met den kop tusschen de voorbeenen, kon het zich
naauwelijks staande houden en deed het een klagend gehinnik hooren.
„Ach!” riep Quoniam, „het arme onnoozele dier begrijpt dat hij verloren
is.”
„Ik hoop van neen.”
„De jaguar zal hem verscheuren.”
„Ja, als wij den jaguar niet eerst dooden.”
„Pardi!” riep de neger, „ik moet u bekennen, ik zou zoo gaarne zien dat
het ongelukkige veulen er goed afkwam.”
„Het zal er goed afkomen, ik heb het voor Carmela bestemd.”
„Bah! En waarom heb gij het dan hier gebragt?”
„Om het aan de tijgers te gewennen.”
„Nu, dat is ook een goed idee; ha! nu vat ik u; dan bemoei ik mij niet
meer met dezen kant.”
„Neen, zorg gij maar voor den jaguar die van den anderen kant komt, ik
neem dezen voor mijne rekening.”
„Dat is afgesproken.”
Twee nieuwe brullingen, sterker dan de vorige, werden bijna
gelijktijdig gehoord.
„Hij heeft dorst,” mompelde Tranquille, „hij wordt kwaad, en hij begint
te naderen.”
„Goed! moeten wij ons gereed maken?”
„Wacht nog even; onze vijanden aarzelen; hunne woede is nog zoo hoog
niet geklommen dat zij hunne voorzigtigheid vergeten.”
De neger, die reeds was opgestaan, ging bedaard weder zitten.
Zoo verliepen er eenige minuten. Bij tusschenpoozen streek er een
windvlaag door de takken, die hun de geheimzinnige geluiden der
woestijn scheen aan te dragen, dwarrelde een poosje boven het hoofd der
jagers en stierf dan weder weg als een zucht in de verte; daar zaten
zij, kalm en onbewegelijk, met de oogen op de vlakte gerigt, met de
hand aan de karabijn, en gereed om op het eerste teeken op den vijand
los te branden, die tot nog toe onzigtbaar was, maar wiens dreigenden
aanval, zij als bij instinct voelden naderen.
Op eens ontroerde de Canadees en boog hij driftig met het oor digt
tegen den grond.
„O!” riep hij, vreesselijk verschrikt opstaande: „Wat gaat er toch om
in de woestijn?”
Op dit oogenblik klonk het gebrul van een tijger met de kracht van een
donderslag.
Onmiddellijk daarop hoorde men een vreeselijken noodkreet en een korten
galop van een paard dat met duizelende snelheid scheen te naderen.
„Op! op! en voort!” riep de Canadees, „er is iemand in lijfsgevaar, de
tijger zet zijn prooi na.”
De beide jagers vlogen op en ijlden onverschrokken in de rigting waar
het gebrul gehoord was.
Het gansche bosch scheen in beweging; allerlei onbestemde geluiden
klonken uit de donkere diepten, nu eens als gillend spotgelach, dan
weder als angstige jammerkreten.
Onder dit alles hield het maauwen en brullen der tijgers geen oogenblik
op. De paardengalop die de jagers in ’t eerst gehoord hadden scheen
zich te verdubbelen en van verschillende kanten te komen.
Tranquille en de neger liepen nog altoos in een regte lijn voort over
heuvels en steilten, holle wegen en struiken, al wat zij maar konden;
de vrees voor het vermoedelijke onheil dat de onbekende reizigers
getroffen had of bedreigde, gaf vleugels aan hunne voeten.
Plotseling klonk er een noodkreet, doordringender en wanhopiger dan te
voren, op korten afstand.
„O!” riep Tranquille, terwijl de schrik hem deed duizelen, „dat is zij!
dat is Carmela!”
En met een sprong als een boschkat vloog hij vooruit, onmiddellijk
gevolgd door Quoniam, die hem bij dezen woedenden wedloop geen
duimbreed schuldig bleef.
Plotseling werd het in de wildernis doodstil; alle gedruisch en
geschreeuw hield als bij tooverslag op; en men hoorde niets dan het
hijgen der jagers, die gestadig doorliepen, zonder hunne vaart een
oogenblik te vertragen.
Maar op eens klonk er een woest gegrom van tijgers kort voor hen uit;
een gekraak in de takken deed de nabijzijnde struiken schudden, en eene
donkere massa, die uit een boom sprong, zweefde den Canadees over het
hoofd; oogenblikkelijk schitterde er een vlam in de duisternis en
knalde er een geweerschot, dat bijna gelijktijdig beantwoord werd door
een zieltogend gebrul en een vreeselijken gil.
„Schep moed! Niña! schep moed!” riep eene krachtige mannenstem op
korten afstand, „gij zijt gered!”
De jagers verdubbelden nog door eene laatste inspanning de snelheid van
hun schier ongeloofelijke vaart en kwamen eindelijk op het tooneel van
den strijd.
Een allervreemdst en vreesselijk schouwspel deed zich voor aan hunne
verbaasde blikken.
Op eene beperkte opene ruimte, zagen zij eene vrouw bewusteloos
uitgestrekt, naast een half verscheurd paard, dat geweldig lag te
schoppen, en blijkbaar met den dood worstelde.
De vrouw lag onbewegelijk, zij scheen dood te zijn.
Twee jonge tijgerwelpen, als katten nedergehurkt, zaten met vlammende
oogen haar aan te loeren en schenen gereed om op hun prooi toe te
schieten; een weinig verder buitelde en kromde zich een gewonde tijger
brullend en reutelend over het gras; en zocht in zijn laatste doodstuip
nog een man te bespringen, die op de eene knie liggende, den linker arm
in zijn zarape gewikkeld voor zich uit hield, en met een groot jagtmes
in de regterhand, onverschrokken zijn aanval verbeidde.
Achter dezen man, stond een paard met uitgestrekten hals, snuivende
neusgaten en achterwaarts gestreken ooren bevend van schrik op de wijd
uitgestrekte beenen; terwijl een tweede tijger op een der hoofdtakken
van een grooten lorkenboom, met loerende blikken vlamoogde op den
geknielden ruiter onder vreeselijk gebrom met opgeheven staart en
ingekorte lenden, almede gereed om ieder oogenblik zijn prooi te
bespringen.
Wat ons hier zooveel tijd kostte om te beschrijven, zagen de jagers met
een enkelen oogopslag. Met verwonderlijke kalmte en onbegrijpelijke
vaardigheid verdeelden de onversaagde woudloopers hunne rollen.
Terwijl Quoniam zich bliksemsnel op de twee jonge tijgers wierp, hen
aangreep en met een enkelen slag tegen de rots verpletterde lag
Tranquille zijne buks aan en brandde op de tijgerin los juist op het
oogenblik toen deze den ruiter aanvloog; vervolgens zich met
onvergelijkelijke snelheid omkeerende, sloeg hij met de kolf van zijn
geweer den kop van den anderen tijger te pletter en velde hem dood aan
zijne voeten.
„Ha! Ha!” riep de Canadees met een gevoel van zelfbewuste fierheid,
terwijl hij zijn buks op den grond zette en met de mouw van zijne
regterhand het koude zweet van zijn voorhoofd wischte.
„Zij leeft! zij leeft!” schreeuwde Quoniam, die al den angst begreep
welke in den uitroep van zijn vriend lag opgesloten; „de schrik alleen
heeft haar in flaauwte doen vallen, maar zij is behouden.”
De jager nam langzaam zijne bevermuts af, en sloeg de oogen ten hemel:
„Ik dank u, o mijn God!” murmelde hij op een toon van onbeschrijfelijke
dankbaarheid.
Intusschen was de ruiter, die zoo wonderbaar door Tranquille gered
werd, naderbij gekomen.
„Onder verpligting van wederkeerige dienst!” riep hij, hem de hand
toestekende.
„Neen, ik ben uw schuldenaar,” antwoordde de Canadees edelmoedig; „want
zonder uwe schoone zelfopoffering zou ik zeker te laat zijn gekomen.”
„Ik heb niets meer gedaan dan ieder ander in mijne plaats zou gedaan
hebben.”
„Misschien! hoe is uw naam, broeder?”
„Edelhart, [4] en de uwe?”
„Tranquille. Dat zij tusschen ons in leven en sterven!”
„Aangenomen, broeder. Maar denken wij om dit arme meisje?”
De beide mannen drukten elkander voor de tweede maal de hand en
naderden Carmela, aan wie Quoniam reeds al zijne zorgen besteedde om
haar uit de diepe bezwijming op te wekken in welke zij gedompeld lag.
Terwijl Tranquille en Edelhart bij het jonge meisje Quoniam’s plaats
overnamen, haastte deze zich om eenig droog hout te sprokkelen en een
vuur aan te leggen.
Intusschen opende Carmela eenige minuten later de oogen, en weldra was
zij genoeg hersteld om de oorzaak op te helderen waardoor zij zich hier
zoo onverwachts in het bosch bevond, in plaats van gerust te slapen in
haar bed op de Venta del Potrero.
Dit verhaal, dat uithoofde der geweldige schrikken die het meisje had
moeten doorstaan, haar een paar uren kostte om het geheel te vertellen,
zullen wij aan onze lezers in het volgende hoofdstuk in weinige woorden
mededeelen.
XVIII.
LANZI.
Wij hebben aan het slot van het twaalfde hoofdstuk gezien dat de Jaguar
de Venta verliet en Carmela er alleen achterbleef. Terwijl hij
onstuimig wegreed, bleef zij hem een geruimen tijd nakijken, en toen
zij hem eindelijk in een boschje van Peruboomen had zien verdwijnen,
liet zij het hoofd treurig op de borst zinken en keerde met langzamen
tred naar de Venta terug.
„Hij haat den kapitein,” mompelde zij ongerust in zich zelve, „hij haat
hem; zou hij hem dus wel willen redden?”
Zij zonk op eene bank neer en zat een geruime poos in diep gepeins.
Eindelijk hief zij het hoofd op, een koortsachtig rood kleurde hare
wangen, en hare anders zoo zachte oogen schitterden met ongewonen
gloed.
„Ik zal hem redden!” riep zij met fiere vastberadenheid.
Na dezen uitroep stond zij op, en snel de zaal doorgaande opende zij de
deur aan de zijde van de corral.
„Lanzi!” riep zij.
„Niña?” antwoordde de mesties, die op dit oogenblik bezig was met haver
te geven aan twee fraaije paarden, die het meisje toebehoorden en die
aan zijne bijzondere zorg waren toevertrouwd.
„Kom hier!”
„Ik kom; ik ben oogenblikkelijk tot uwe dienst.”
Werkelijk liet hij zich niet lang wachten en verscheen hij geen vijf
minuten later in de deur der zaal.
„Wat was er van uwe bevelen, Señorita?” vroeg hij met die kalme
onderdanigheid, welke aan bedorven huisknechten in Mexico eigen is, „ik
heb het op het oogenblik zeer druk.”
„Dat kan wel waar zijn, beste Lanzi,” antwoordde zij, „maar wat ik u te
zeggen heb lijdt geen uitstel.”
„Wel zoo!” riep hij min of meer verwonderd, „wat verlangt gij dan?”
„Niets buitengewoons, vriend; alles in de Venta is in orde, zoo als
gewoonlijk; ik heb u alleen eene dienst te verzoeken.”
„Eene dienst, aan mij?”
„Ja.”
„Hum! gij hebt maar te spreken, Señorita, gij weet dat ik alles voor u
doen zou.”
„Het begint reeds laat te worden, waarschijnlijk komen er vandaag geen
reizigers meer in de Venta.”
De mesties keek op en berekende in gedachte den loop der zon.
„Ik geloof ook niet dat er van daag nog reizigers komen zullen,”
antwoordde hij eindelijk; „het is haast vier ure; maar toch, het kon
wel zijn dat er nog een kwam.”
„Er bestaat geen reden om het te veronderstellen.”
„Reden om het te veronderstellen, neen, Señorita.”
„Goed, dan moest gij de Venta maar sluiten.”
„De Venta sluiten! waarom dat?”
„Ik zal het u zeggen.”
„Is het inderdaad zoo belangrijk?”
„Inderdaad.”
„Spreek dan, Niña, ik ben geheel oor.”
Het meisje keek haar trouwen mesties lang en vragend aan, terwijl hij
als een paal voor haar stond; zij liet hare ellebogen op de tafel
rusten en hervatte toen met eene zachte stem op onverschilligen toon.
„Ik maak mij ongerust, Lanzi.”
„Ongerust!” riep hij, „en waarover?”
„Over het lang uitblijven van mijn vader.”
„Hoe dat! hij is immers geen vier dagen geleden nog hier geweest?”
„Hij heeft mij nog nooit zoo lang alleen gelaten.”
„Maar....” begon de mesties, terwijl hij zich verlegen achter het oor
krabde.
„Kortaf,” hervatte zij, opstaande en hem bepaald in de rede vallende,
„ik maak mij ongerust over mijn vader en ik wil hem zien; gij sluit de
Venta en zadelt de paarden, en wij gaan terstond naar de hacienda del
Mezquite; dat is zoo ver niet, over vier of vijf uren kunnen wij terug
zijn.”
„Dat zal toch laat worden.”
„Een reden te meer om dadelijk te vertrekken.”
„Maar, als het uw....”
„Geene aanmerkingen, doe wat ik u zeg, ik wil het zoo.”
De mesties boog het hoofd zonder te antwoorden; hij wist wel, als zijne
meesteres dus sprak, dat er voor hem niets anders opzat dan te
gehoorzamen.
Het meisje deed een stap vooruit, legde haar kleine blanke hand den
mesties op den schouder, bragt haar bevallige kopje digt bij zijn
bruine gezigt, en sprak ten slotte, met een glimlach die den armen
drommel bijna van blijdschap deed opspringen:
„Wees toch niet boos op mij om deze gril, mijn goede Lanzi.”
„Ik boos op u, Niña!” antwoordde de mesties met nadruk; „gij weet
immers wel dat ik voor u door een vuur zou loopen als het wezen moest,
hoe veel te meer dan zou ik zulk een onschuldigen inval van u niet
gehoorzamen?”
Met den meesten spoed grendelde hij de deuren en vensters der Venta, en
ging toen naar de corral om de paarden te zadelen, terwijl Carmela met
zenuwachtig ongeduld andere kleederen aantrok, die beter voor haar
eigenlijke reis konden dienen; want zij wilde den ouden knecht de
waarheid niet zeggen, en had gansch andere voornemens dan om naar
Tranquille te gaan.
Maar de Voorzienigheid besliste het anders, en het plan dat zij in haar
kleine hoofd had beraamd zou niet worden verwezenlijkt, gelijk wij
later zien zullen.
Op hetzelfde oogenblik toen zij, gekleed en gereed om te paard te
stijgen, in de zaal terug kwam, stormde Lanzi de deur der corral binnen
met een gezigt vol schrik en verslagenheid.
Carmela vloog terstond naar hem toe, in den waan dat hij zich gekwetst
had.
„Wat scheelt u?” vroeg zij met belangstelling.
„Wij zijn verloren!” antwoordde hij somber, terwijl hij verschrikt om
zich heen zag.
„Hoe dat, verloren!” riep zij, zigtbaar verbleekend, „wat wilt gij
zeggen, mijn vriend?”
De mesties wees met zijn vinger dat zij zwijgen zou, wenkte haar om te
volgen en sloop terstond naar de corral terug.
Carmela volgde hem op de hielen.
De corral was door een heining van planken omgeven van omtrent twee
ellen hoog. Lanzi bragt haar naar eene plaats waar zich in de schutting
een reet bevond, breed genoeg om over het land uit te zien.
„Zie eens!” zeide hij, haar de reet aanwijzende.
Carmela gehoorzaamde, zij bragt haar gezigt digt tegen de planken.
De avond begon reeds te dalen en de schemering, die met ieder oogenblik
toenam, breidde zich snel uit over het omliggende landschap. Het was
echter nog ligt genoeg om op eenige duizend passen afstand in de
prairie een talrijken troep ruiters te onderscheiden, die in vollen
galop de Venta naderden.
Met een oogopslag had het meisje gezien dat het wilde Indianen waren.
Deze ruiters, ten getale van vijftig, in vollen wapendos en ten oorlog
toegerust, renden diep over den hals hunner ontembare paarden gebogen,
en zwaaiden de lange lansen uitdagend boven hunne hoofden.
„Mijn God! het zijn de Apachen!” riep Carmela, verschrikt
terugdeinzend. „Hoe zijn die zoo ver kunnen doordringen, zonder dat wij
iets van hunne komst hebben geweten?”
De mesties schudde treurig het hoofd.
„Binnen weinige minuten zijn zij hier,” zeide hij; „wat zullen wij
doen?”
„Ons verdedigen!” riep het meisje vol moed; „het schijnt dat zij geene
vuurwapenen bij zich hebben; wij kunnen dus achter de muren van ons
huis gemakkelijk weerstand bieden tot de zon opkomt.”
„En dan?” vroeg de mesties met een twijfelmoedig gezigt.
„O!” riep zij in vervoering, „dan zal God ons wel helpen.”
„Amen!” antwoordde de mesties, slechts half overtuigd dat zulk een
wonder mogelijk was.
„Haast u intusschen,” vervolgde zij, „om al de vuurwapens die wij
hebben in de zaal te brengen; misschien zullen de Roodhuiden afdeinzen
als zij zien dat zij zoo warm ontvangen worden; en bovendien, wie weet
of zij ons wel eens aanvallen?”
„Hum! de roode duivels zijn niet gek, zij weten zeer wel hoeveel volk
hier in huis is; reken er dus maar niet op, dat zij zullen aftrekken
eer zij er zich meester van hebben gemaakt.”
„Welnu,” riep zij standvastig, „dan zij God ons genadig! wij zullen als
dapperen in den strijd omkomen, liever dan ons lafhartig te laten
vangen en slaven te worden van die ellendelingen zonder hart en zonder
mededoogen.”
„Welaan dan,” antwoordde de mesties, aangemoedigd door de heldhaftige
taal van zijne gebiedster, „dan ten strijde! Gij weet, Señorita, dat ik
niet bang ben om te vechten; laat de heidenen wel weten wat zij doen,
want als zij niet oppassen, zou ik hun een trek kunnen spelen dien zij
niet ligt zullen vergeten!”
Hiermede werd het gesprek afgebroken, uithoofde van de noodzakelijkheid
waarin de beide sprekers zich bevonden om hunne middelen van tegenweer
gereed te maken; zij deden dit met een spoed en behendigheid, die
duidelijk genoeg bewees dat zij niet voor de eerste maal zulk een
hagchelijk oogenblik hadden doorgestaan.
Onze lezers moeten zich niet te zeer verwonderen over den manhaftigen
heldenmoed door Carmela in deze omstandigheden ten toon gespreid, op de
grenzen der woestijn, waar men onophoudelijk aan de invallen der
Indianen en stroopers van allerlei aard blootstaat, strijden de vrouwen
zoowel als de mannen, en weet de zwakkere sekse zich bij voorkomende
gelegenheden even dapper te toonen als hare broeders of echtgenooten.
Carmela had zich niet bedrogen; het was wel degelijk een troep Indios
bravos die thans in galop op hen afkwam; weldra hadden zij de Venta
bereikt en omsingelden haar aan alle kanten.