eens bij den arm voelde terughouden: hij keerde zich om, met het
voornemen om het vermetel individu dat hem had durven aanraken streng
te berispen, maar zijn gezigt kreeg oogenblikkelijk eene andere
uitdrukking toen hij, in den man die hem tegenhield en hem met een
koddigen blik aankeek, den gevangene herkende aan wien hij zijn
laatsten hoon te danken had.
„Nog een oogenblik, Señor padre,” zei de jager; „ik kan zeer goed
begrijpen dat deze brave lieden, die katholieken zijn, uwe vervloeking
duchten en daarom de hand niet aan u durven uitsteken uit vrees voor
het helsche vuur, doch met mij is dit gansch anders, ik ben een ketter,
zoo als gij wel weet en waag dus niets met u het monnikskleed uit te
trekken; zoo gij het mij dus vergunt zal ik u deze dienst wel
bewijzen.”
„O!” riep de monnik knarstandend, „ik zal u dooden, John. Ik vermoord
u, ellendeling.”
„Bah, bah! wie gedreigd wordt, leeft lang. Wie is ooit van dreigen
gestorven?” zei John, terwijl hij hem dwong om het monniksgewaad uit te
doen dat hij over zijn fijn linnen ondergoed aan had.
„Ziedaar!” vervolgde hij een oogenblik later. „Nu, mijne braven, kunt
gij gerust het bevel van uw kapitein ten uitvoer brengen; de man is
thans voor u niets beter dan een ander.”
Het stoutmoedig bedrijf van den jager had op eens den bijgeloovigen
schroom die de soldaten gebonden hield verbroken. Zoodra het heilige
kleed de schouders van den monnik niet meer bedekte, luisterden zij
niet langer naar zijne gebeden of bedreigingen, maar maakten zich van
hem meester, bonden hem ondanks zijn geschreeuw aan den catalpa en
dienden hem met alle militaire naauwgezetheid de twee honderd
karwatsslagen toe, die de kapitein hem had opgelegd, terwijl de twee
jagers de strafoefening bijwoonden, in stilte de slagen telden en zich
luidkeels vrolijk maakten om de tuchtiging van den ongelukkigen monnik,
die van pijn huilde en zich kronkelde als een slang.
Toen de straf voor drievierden was toegediend, schreeuwde hij niet
meer, zijn zenuwgestel scheen geheel vernietigd te zijn en maakte hem
gevoelloos; intusschen was hij niet buiten kennis, maar zijne tanden
waren gesloten en het schuim stond hem op den mond; hij staarde regt
voor zich uit zonder iets te zien en gaf geen andere blijken van
bewustzijn dan nu en dan een diepen zucht, die uit zijne breede borst
moeijelijk opkwam.
Toen de strafoefening was afgeloopen en men hem losmaakte viel hij op
den grond, waar hij roerloos bleef liggen.
Men gaf hem zijn monnikskleed terug en liet hem voor hetgeen hij was,
zonder zich verder met hem te bemoeijen.
De beide jagers verwijderden zich, na vooraf eenige oogenblikken in
stilte met den kapitein gesproken te hebben.
Het overige van den nacht ging voorbij zonder dat er iets bijzonders
gebeurde.
Eenige minuten voor zonsopgang, stonden de soldaten en arriero’s op om
de paarden te zadelen, de muilezels te laden en alles gereed te maken
voor hunne reis, tot het sein van vertrek zou gegeven worden.
„Maar,” riep op eens de stem van den kapitein, „waar is toch de monnik,
wij kunnen hem toch hier niet laten liggen; zet hem op een muilezel, en
aan de eerste rancho de beste zullen wij hem achterlaten.”
De soldaten gehoorzaamden en gingen aan het zoeken, maar al hunne
nasporingen waren vergeefs. Pater Antonio was nergens te vinden, hij
was spoorloos verdwenen.
Don Juan fronste de wenkbraauwen bij dit berigt, maar na een oogenblik
te hebben nagedacht, schudde hij onbezorgd het hoofd, en zeide:
„Zoo veel te beter. Wij zouden onder weg niets dan last van hem hebben
gehad.”
De conducta de plata (het geld-konvooi) kwam in beweging en hervatte
den togt.
XVI.
POLITIEK OVERZIGT.
Eer wij verder gaan, zullen wij met een paar woorden den staatkundigen
toestand van Texas beschrijven, op het tijdstip waarmede ons verhaal
begint. Gedurende al den tijd der Spaansche overheersching, hebben de
Texanen hunne vrijheid gewapenderhand verdedigd; maar eindelijk, na met
afwisselend succes gestreden te hebben, werden zij geheel ten onder
gebragt in den slag van Medina, op den noodlottigen 13den Augustus
1813, door den kolonel Arredondo, kommandant van het regiment
Estramadura, bij hetwelk zich de militie van den staat Cohahuila had
gevoegd. Van dien noodlottigen dag tot aan de tweede Mexicaansche
omwenteling, bleef Texas gebogen onder het ondragelijk juk eener
soldaten-regering, en weerloos prijs gegeven aan de onophoudelijke
invallen der Comanchen-Indianen.
De Vereenigde Staten hadden reeds meermalen hunne aanspraken op dit
gewest laten gelden, onder voorwendsel dat de natuurlijke grenzen
tusschen Mexico en de bondgenootschappelijke Unie door de Rio-Bravo
waren aangewezen. In 1819 evenwel zagen zij zich gedwongen hunne
aanspraken op dien voet op te geven, en nu zochten zij naar andere,
minder regtstreeksche middelen om dit rijke land meester te worden en
met de staten der Unie te verbinden.
Van toen af aan begonnen zij de listige en langzaam maar zeker werkende
staatkunde te ontwikkelen, die hen eindelijk moest doen zegevieren.
In 1821 verschenen de eerste Amerikaansche landverhuizers op de
grenzen; hier en daar in de bosschen verstrooid, schroomvallig, ter
sluik en bijna incognito, begonnen zij boomen te vellen, landerijen te
ontginnen, en in stilte koloniën te stichten; zij breidden zich meer en
meer uit, en werden binnen weinige jaren zoo magtig, dat zij in 1824
reeds eene massa van ongeveer vijftig duizend zielen uitmaakten. De
Mexicanen, onophoudelijk met elkander in strijd en in eindelooze
burgeroorlogen gewikkeld, hadden weinig begrip van den aard en de
strekking dezer Amerikaansche emigratie, die zij zelven in den beginne
aanmoedigden.
Naauwelijks acht jaren na de komst der eerste Amerikanen in Texas,
maakten dezen bijna de geheele bevolking uit.
Het kabinet van Washington hield nu zijne plannen niet langer verborgen
en sprak reeds op hoogen toon om Mexico het grondgebied van Texas af te
koopen, waar het Spaansch element schier geheel verdwenen was om voor
den ondernemenden en stoutmoedigen koopmansgeest der Angel-Saksen
plaats te maken.
De Mexicaansche regering, eindelijk uit haar langen slaap wakker
geschud, begreep het gevaar dat haar door den dubbelen inval der
inwoners van Missouri en van Texas in den staat Santa-Fé bedreigde, en
het wilde de Amerikaansche landverhuizing stuiten, maar het was te
laat; de door het Congres te Mexico uitgevaardigde wet was onmagtig, en
de kolonisatie hield niet op, ondanks de militaire posten die overal de
Mexicaansche grenzen bezetten, en belast waren om de emigranten af te
wijzen en tot den terugtogt te dwingen.
Generaal Bustamente, de president der Republiek, begon in te zien dat
hij weldra tegen de Amerikanen zou te kampen hebben, en bereidde zich
in stilte tot den strijd. Onder bedekte termen rigtte hij van
lieverlede naar de Roode rivier en de Sabine talrijke troepenkorpsen,
die weldra het cijfer van twaalf duizend man bereikten.
Intusschen bleef alles schijnbaar in rust en niemand had vooreerst den
dag of het jaar kunnen bepalen wanneer de strijd beginnen zou, tot op
eens eene trouweloosheid van den gouverneur der oostelijke provinciën
dien deed uitbreken, op een oogenblik dat men er het minst op verdacht
was.
Zie hier de zaak:
De kommandant Anahuac liet zonder voldoende redenen verscheidene
Amerikaansche kolonisten arresteren en in de gevangenis werpen.
De Texanen hadden tot dusver zonder morren de tallooze kwellingen
verdragen die zij van tijd tot tijd van de zijde der Mexicaansche
officieren moesten ondergaan, maar bij deze laatste magtsmisbruiking
stonden zij in massa op, vertoonden zich gewapend bij den kommandant en
eischten met dreigende oorlogskreten dat hunne medeburgers onmiddellijk
zouden worden in vrijheid gesteld.
De kommandant, die zich te zwak gevoelde om openlijk weerstand te
bieden, veinsde hun verzoek toe te staan, maar hield hun voor, dat hij
twee dagen noodig had om zekere formaliteiten te volbrengen en zijne
verantwoordelijkheid te dekken.
De insurgenten bewilligden in dit uitstel, van hetwelk de officier
heimelijk gebruik maakte om het garnizoen van Nacogdoches in allerijl
tot zijne hulp op te roepen.
Dit garnizoen rukte binnen op het oogenblik dat de insurgenten, op het
woord van den gouverneur vertrouwende, rustig waren afgetrokken.
Woedend over deze trouwelooze misleiding, keerden zij onmiddellijk
terug en namen zulk eene indrukwekkende houding aan, dat de officier
zich gelukkig rekende van hen af te komen, door de gevangenen in
vrijheid te stellen.
Onder deze bedrijven werd er in Mexico een pronunciamento, of nieuwe
regeering uitgeroepen, ten gunste van Santa-Anna, die de magt van
generaal Bustamente omver wierp, onder den kreet van: „Leve het
bondgenootschap!”
In Texas vooral was men tegen het stelsel der centralisatie, dat hen
nooit als afzonderlijken staat had willen erkennen; de Texanen
verklaarden zich dus eenparig voor de bondgenootschappelijke regering.
De kolonisten kwamen in massa in opstand, voegden zich bij de
insurgenten van Anahuac, die nog altoos onder de wapenen waren, en
trokken gezamentlijk naar het fort Velasco, dat zij belegerden.
De leus hunner vereeniging was nog altoos: „Leve het bondgenootschap!”
maar onder deze leus verborg zich de kreet van: „Leve de
onafhankelijkheid!” dien de Texanen nog niet sterk genoeg waren om
openlijk uit te spreken.
Het fort Velasco werd verdedigd door een kleine Mexicaansche bezetting,
onder kommando van een dapper officier met name Ugartechea.
In dit zonderlinge beleg, waarbij de belegeraars het kanonvuur der
vesting met karabijnschoten moesten beantwoorden, deden de Texanen en
Mexicanen wonderen van dapperheid en legden beiden een ongewonen
heldenmoed aan den dag.
De kolonisten, meestal geoefende scherpschutters, achter verbazende
verhakkingen en aardewerken verscholen, vuurden als naar de schijf en
verpletterden de handen der Mexicaansche artilleristen zoo vaak deze
zich vertoonden om hunne stukken te laden.
Eindelijk kwamen de zaken zoo ver, dat de kommandant Ugartechea, toen
hij zijne dapperste manschappen telkens verminkt aan zijne zijde zag
vallen, besloot liever zich zelven op te offeren en zelf de handen aan
het werk sloeg. Door dezen trek van heldenmoed getroffen, hielden de
Texanen, die den braven kommandant twintigmaal hadden kunnen dooden,
met vuren op en Ugartechea gaf zich eindelijk over, afziende van eene
verdediging, die hij zonder ontzet van buiten, bepaald onmogelijk
keurde.
Deze uitslag vervulde de kolonisten met vreugde, doch Santa-Anna liet
zich aangaande de bedoeling der insurgenten niet misleiden; hij begreep
dat onder de leus der confederatie eene duidelijk verklaarde
revolutionnaire beweging verscholen lag, en wel verre van zich door de
schijnbare medewerking der kolonisten te laten misleiden, zond hij,
zoodra zijn gezag genoeg gevestigd was om met vrucht tegen hen te
kunnen handelen, in allerijl kolonel Mexia met vierhonderd man naar
Texas om er het zwaar geschokte gezag der Mexicanen te herstellen.
Na veel aarzelingen en diplomatieke draaijerijen, die tusschen lieden
welker voornaamste wapen in wederzijdsch wantrouwen bestond, onmogelijk
tot iets goeds kon leiden, brak de oorlog eindelijk met vernieuwde
woede uit; een comité van openbare veiligheid kwam te San-Felipe tot
stand en riep het volk in massa op om zich te wapenen en aan den strijd
deel te nemen.
Intusschen, nog voor dat de burgerkrijg officieel was begonnen,
verscheen de man, die het lot van Texas voor goed zou beslissen en wien
de eer toekomt het te hebben vrijgemaakt, namelijk Samuel Houston.
Van dit oogenblik af werd de bedeesde en tot niets leidende opstand in
Texas eene volslagen omwenteling. Het Mexicaansche gouvernement bleef
echter, in schijn, nog altijd de wettige regering des lands; de
kolonisten werden natuurlijk opstandelingen genoemd, en wanneer zij den
vijand in handen vielen, als zoodanig behandeld, dat is, zonder vorm
van proces, gehangen, verdronken of doodgeschoten, al naar dat de
plaats waar men hen gevangen kreeg, voor een dezer drieërlei wijzen van
terdoodbrenging geschikt was.
Op den dag waarmede ons verhaal begint, had de verbittering tegen de
Mexicanen en de geestdrift voor zaak der vrijheid en onafhankelijkheid
haar hoogste toppunt bereikt.
Omtrent drie weken vroeger was er een ernstig gevecht geleverd tusschen
het garnizoen van Bejar en een detachement vrijwilligers uit Texas,
onder kommando van den moedigen Austin, een van de meest beroemde
opperhoofden der insurgenten. Ondanks hunne minderheid in getal en
hunne onbedrevenheid in de militaire taktiek, hadden de kolonisten zoo
dapper gestreden en met hun eenig stuk geschut zoo goed gemanoeuvreerd,
dat de Mexicaansche troepen, na zware verliezen te hebben geleden,
genoodzaakt waren het veld te ruimen en ijlings naar Bejar terug te
trekken.
Dit gevecht was het eerste dat in het westen van Texas na de verovering
van het fort Velasco geleverd werd, en het besliste over de
revolutionnaire beweging, die zich nu met de snelheid van een loopend
vuur uitbreidde.
Uit alle steden en dorpen kwamen er manschappen op om zich bij het
bevrijdingsleger te voegen, de tegenstand organiseerde zich op
uitgebreide schaal, en talrijke partijgangers, onder moedige chefs,
liepen het land in alle rigtingen af, voerden den kleinen oorlog voor
eigen rekening en dienden elk op zijne wijs de zaak die zij met
mannenmoed verdedigden.
Kapitein don Juan Melendez, aan alle kanten door zulke geduchte
vijanden omgeven, die des te gevaarlijker waren voor hem daar hij hunne
getalsterkte zoo min als hunne bewegingen onmogelijk kon verkennen, zag
zich derhalve tot dubbele waakzaamheid verpligt; bovendien belast met
eene moeijelijke en gewigtige taak, terwijl hij bij iederen stap voelde
dat hem verraad dreigde, zonder dat hij wist waar of wanneer of hoe het
over hem zou losbarsten, moest hij de uiterste voorzorg inachtnemen en
met buitengewone gestrengheid te werk gaan, zoo hij den kostbaren
schat, die hem was toevertrouwd, in behouden haven wilde brengen;
daarom ook had hij niet geaarzeld, in de ruwe kastijding van padre
Antonio, een afschrikkend voorbeeld te stellen voor allen die hem
zouden willen navolgen.
Sedert lang reeds had de monnik, wiens dubbelzinnig gedrag zijne
ongerustheid zeer had gaande gemaakt, bij hem onder zware verdenking
gelegen, zoodat hij alle reden meende te hebben om zijne eerlijkheid te
mistrouwen.
Don Juan nam zich dus voor om bij de eerste de beste gelegenheid die
zich aanbood zijn twijfel tot zekerheid te brengen. Wij hebben reeds
gezien hoe het hem gelukte de vijandelijke mijn verkeerd te doen
springen, toen hij den vermetelen spion door twee vermomde
tegenspionnen, die slimmer waren dan hij, wist te bespieden en hem
bijna op heeterdaad te betrappen.
Intusschen moeten wij hier tot onpartijdige beoordeeling van den
geldzuchtigen monnik bekennen, dat de staatkunde met diens gedrag niets
te maken had; zijne denkbeelden gingen zoo hoog niet, hij wist dat de
kapitein met het overbrengen van eene conducta de plata belast was, en
had hem alleen in den strik willen lokken om voor zich een goed aandeel
in den buit te bekomen, en zoo in een enkelen slag zijn fortuin te
maken, om ongestoord zijn vrolijk leven te kunnen voortzetten, dat hem
tot hiertoe niet altijd even gemakkelijk viel; verder gingen zijne
gedachten niet, de man was eenvoudig een dief of liever een
straatroover, maar bemoeide zich niet, gelijk andere zijner
ordebroeders, met politieke zaken.
Wij zullen hem voor het tegenwoordige laten waar hij is, om ons bezig
te houden met de twee jagers, aan wier tusschenkomst hij zijne ruwe
kastijding te danken had en die terstond na de strafoefening het kamp
verlaten hadden.
Deze beide mannen gingen stil den heuvel af en verdiepten zich in een
digt bosch, waar zij hunne paarden terugvonden, twee prachtige,
halfwilde mustangs, met vurige oogen en fijn gevormde, lange beenen,
die er onbezorgd liepen te grazen; zij waren gezadeld en gereed om
bestegen te worden.
Na hun de kluisters te hebben afgedaan, bragten de jagers hun gebit en
teugel weder in orde, sprongen in den zadel, en reden spoorslags weg.
Zoo renden zij een geruimen tijd voort, diep over den hals hunner
paarden gebogen, dwars door de wildernis, zonder om te zien of zich te
bekreunen om de hindernissen die zij op weg ontmoetten en waar zij met
voorbeeldelooze vaardigheid over heen sprongen; eindelijk, na een rid
van twee uren, en omtrent een uur voor het opgaan der zon hielden zij
stil.
Zij hadden thans den ingang van een vrij engen bergpas bereikt aan
weerszijden door hooge boschrijke heuvels ingesloten, de eerste
voorposten van het hemelhoog gebergte welks besneeuwde spitsen zoo
nabij schenen dat zij over het vlakke land dreigden neer te storten.
De jagers stegen af eer zij de bergengte intraden en na hunne paarden
weder gekluisterd te hebben, die zij in een digt boschje van
floripondios verborgen, begonnen zij den omtrek te doorzoeken, met al
de zorg en schranderheid van Indiaansche krijgslieden die een spoor op
het oorlogspad moesten ontdekken.
Hun onderzoek bleef lang zonder vrucht, zooals wel te bemerken was aan
de uitroepen van spijt en teleurstelling, die hun nu en dan dof over de
lippen kwamen.
Eindelijk, na meer dan een uur vergeefs gezocht te hebben, ontdekten
zij, dank zij de eerste stralen der zon, die helder over de vlakte
opging en snel de duisternis verdreef, zekere, bijna onmerkbare, maar
ontwijfelbare teekenen, die hen van vreugde deden opspringen.
Thans, voorloopig van hunne meest knellende zorgen bevrijd keerden zij
naar hunne paarden terug, strekten zich vergenoegd op den grond uit en
grabbelden in hunne alforjac (ransels) en haalden er het noodige uit
voor een sober dejeuner, daar zij weldra alle eer aan bewezen, met den
gulzigen eetlust van lieden die den ganschen nacht in den zadel geweest
en langs bergen en dalen gegaloppeerd hadden.
Sinds hun vertrek uit het Mexicaansche kamp was er tusschen de beide
jagers geen woord gewisseld, zij schenen te handelen onder den indruk
eener voorgenomen taak, die hen geheel vervulde en alle gesprek
onnoodig maakte.
Overigens is deze stilzwijgendheid een merkwaardige trek van menschen
die gewoon zijn in de woestijn te leven; zij brengen soms gansche dagen
door zonder een woord te spreken, of doen het alleen bij hooge
noodzakelijkheid en dan nog menigmaal vervangen door de gebarentaal,
die op spreektaal dit onbetwisbaar voordeel bezit dat zij de
tegenwoordigheid van hen die er zich van bedienen niet verraadt aan hun
vaak onzigtbaren vijand, die welligt op korten afstand in de struiken
verscholen gereed is om op de onvoorzigtigen af te schieten, als een
roofvogel op zijn prooi.
Toen de eerste honger der jagers eindelijk gestild was stopte de een,
dien de kapitein John had genoemd, zijn korte pijpje, stak het in den
hoek van zijn mond en reikte den tabakzak aan zijn kameraad over.
„Wel, Sam,” begon hij half fluisterend, als vreesde hij door iemand
gehoord te worden, „ik geloof dat wij goed geslaagd zijn, zeg?”
„Ik ben van ’t zelfde gevoelen, John,” antwoordde Sam met een
toestemmenden hoofdknik, „gij zijt verduiveld knap, vriend, dat moet ik
zeggen.”
„Bah!” riep de andere met minachting, „er steekt weinig verdienste in
om die lompe Spanjaarden te foppen, zij zijn zoo stom als roode
flamingo’s.”
„Dat doet er niet toe, de kapitein is in de fuik, zoo mooi als ge ’t
ooit gezien hebt.”
„Nu! voor hem was ik het minste bang, want ik wist sedert lang hoe ik
met hem om moest gaan; maar die vervloekte monnik....”
„Ja, ja! als we niet juist in tijds waren gekomen, zou hij ons die
schoone zaak waarschijnlijk afhandig hebben gemaakt.”
„Ik geloof dat ge gelijk hebt, Sam; het deed mij duivels goed toen ik
hem zag krimpen onder de chicote.”
„’t Was inderdaad een heerlijk gezigt. Maar zoudt gij niet denken dat
hij zich wreken zal? die monniken zijn verduiveld haatdragend.”
„Loop! wat hebben wij van zoo’n ellendeling te vreezen? hij zal ons
nooit weer durven aanzien.”
„Dat doet er niet toe, ’t is altoos goed niet te veel op zijn geluk te
vertrouwen. Ons vak is gevaarlijk, zooals gij weet, en het kon wel zijn
dat die verwenschte schobbejak ons te avond of morgen een kwaden trek
speelde.”
„Kom, kom! houd op, wat wij gedaan hebben is zuiver spel. Wees
verzekerd dat de monnik, onder gelijke omstandigheden, ons evenmin zou
gespaard hebben.”
„Dat is waar; dus mag hij voor mijn part naar den duivel loopen! des te
meer daar de buit die wij bejagen ons nooit beter van pas kon komen. Ik
zou het mij zelven nooit vergeven hebben, als ik dien had laten
ontsnappen.”
„Zullen wij hier op den uitkijk blijven zitten?”
„Dat is het veiligste; het zal altoos tijd genoeg wezen om ons bij onze
kameraden te voegen, als wij de recua muilezels in de vlakte zien
naderen; en buitendien, wij zijn hier immers afgesproken?”
„Dat is waar, daar dacht ik niet meer om.”
„En ziedaar! spreekt men van den wolf.... Daar komt onze man juist
aan.”
De jagers stonden haastig op, grepen hunne wapens en stelden zich
achter een rotsblok op wacht, om op ieder avontuur gereed te zijn.
De snelle galop van een paard deed zich in de verte hooren, en naderde
van oogenblik tot oogenblik. Weldra kwam er uit den bergpas een ruiter
te voorschijn, die zonder zijn paard een oogenblik te vertragen
doorreed, tot hij naauwlijks twee passen van de jagers af, kalm en fier
staan bleef.
Laatstgenoemden kwamen terstond uit hun schuilhoek te voorschijn en
snelden hem tegemoet, met den regterarm uitgestrekt en de handpalm
open, ten teeken van vrede.
De ruiter, een Indiaansch krijgsman in oorlogskostuum, beantwoordde
deze vredelievende vertooning door het zwaaijen met zijn bisonsmantel,
vervolgens steeg hij af en kwam zonder verdere pligtpleging
vriendschappelijk de handen drukken die de jagers hem toestaken.
„Wees welkom, hoofdman,” zei John, „wij wachtten u met ongeduld.”
„Zoo mijne blanke broeders op de zon willen letten,” antwoordde de
Indiaan, „zullen zij zien dat de Blaauwe-Vos niet te laat kwam.”
„Dat is waar, hoofdman, er valt niets op te zeggen; gij komt prompt op
uw tijd.”
„De tijd wacht op niemand; krijgslieden zijn geen vrouwen. De
Blaauwe-Vos zou gaarne raad houden met zijne blanke broeders.”
„Goed!” antwoordde John, „uwe aanmerking is zeer gepast, hoofdman,
laten wij zamen spreken, ik had mij reeds lang met u willen verstaan.”
De Indiaan maakte voor hem eene diepe buiging, hurkte bij het vuur
neder, stak zijn calumet aan en begon met stille aandacht te rooken; de
beide jagers gingen naast hem zitten, en bewaarden, even als hij, het
diepste stilzwijgen, zoo lang er nog tabak in hunne pijpen brandde.
Eindelijk schudde het opperhoofd de asch op den nagel van zijn duim
uit, stak de calumet in zijn gordel en was gereed om het woord op te
vatten.
Maar op eens knalde er een geweerschot en op hetzelfde oogenblik floot
er een kogel voorbij, die even boven hunne hoofden een tak
verbrijzelde.
De drie mannen sprongen terstond op de beenen, grepen hunne wapens en
maakten zich gereed om den vijand te keer te gaan, die hen zoo
onverhoeds durfde aanvallen.
XVII.
DE TIJGERDOODER.
Op ongeveer twintig mijlen afstands van de hacienda del Mezquite, en
omtrent even ver van de Venta del Potrero, zaten in den avond van den
zelfden dag waarmede het vorige hoofdstuk begon, twee mannen te praten
en hun soupé te genieten, dat uit de bekende pemmican en eenige
gekookte camotes (wilde aardappelen) bestond.
Deze twee mannen waren de Canadees Tranquille, bijgenaamd Tijgerdooder,
en zijn vriend Quoniam, de neger.
Naauwelijks vijftig passen van hen af, in een boschje van klimop en
ander struikgewas, stond een jong veulen van omtrent twee maanden, aan
een reusachtigen catalpastam vastgebonden.
Het arme dier, na lange en vergeefsche moeite om zijne boeijen te
verbreken, had eindelijk de nutteloosheid zijner pogingen ingezien, en
zich moedeloos onder den boom nedergelegd.
De beide mannen, die wij aan het slot van ons tiende hoofdstuk als
jonge menschen verlaten hebben, waren thans tot de tweede helft van hun
leeftijd genaderd.