dagen te voren van Nacogdoches vertrokken om zich naar Mexico te
begeven; volgens bekomen aanwijzingen van hooger hand, had de kapitein
echter geenszins den gewonen weg gekozen, daar deze thans door
gavillas, bandieten van allerlei slag als overstroomd werd, en had hij
een langen omweg gemaakt om zekere kwalijk beruchte bergpassen in de
Sierra San-Saba te vermijden, een gebergte dat hij noodwendig passeren
moest, maar nu van den kant der groote prairie, namelijk aan die zijde
waar het hooge tafelland aanmerkelijk begint te dalen, en niet meer
zulke oneffen en hagchelijke punten aanbiedt als voor de reizigers zoo
zeer te duchten zijn.
De tien muilezels die de kapitein begeleidde, moeten wel met zeer
kostbare goederen beladen zijn geweest, dat de regering, die over zoo
weinig troepen te beschikken had, besluiten kon om voor dit eskorte
veertig dragonders af te staan, onder bevel van een zoo beroemd
officier als don Juan, wiens tegenwoordigheid in de gegeven
omstandigheden, zonder twijfel hoogst noodig, zoo niet onmisbaar was in
het binnenland van den staat, om de aanslagen der revolutionnairen te
onderdrukken en de woelige burgers tot hun pligt te brengen of te
houden.
Inderdaad waren de goederen der karavaan zeer kostbaar, want de tien
muilezels vervoerden niet minder dan drie millioen piasters aan geld
die zeker een goede en gave buit zouden zijn geweest voor de
insurgenten, zoo zij in hunne handen waren gevallen.
De tijd was reeds ver te zoeken, toen onder de heerschappij der
onderkoningen, de enkele Spaansche vlag aan het hoofd van een konvooi
van vijftig of zestig met goud bevrachte muilezels, voldoende zou zijn
geweest om zulk eene conducta de plata (geldtransport) te beschermen en
zonder eenig gevaar van de eene grens tot de andere, door Mexico te
doen trekken; zoo groot was voor hen de schrik dien de naam van Spanje
alleen reeds inboezemde.
Thans waren ter bescherming, niet van zestig, of honderd, maar van
slechts tien muilezels, veertig uitgelezen ruiters naauwelijks
voldoende.
Het gouvernement had ter verzekering van den conducta, die te Mexico
sinds lang met reikhalzend verlangen werd te gemoet gezien, de grootste
omzigtigheid noodig geoordeeld; omtrent den dag en het uur van vertrek,
zoowel als den weg dien het konvooi volgen zou, moest de diepste
geheimhouding worden in acht genomen.
De gouden staven en gelden waren met de meeste zorg derwijze gepakt dat
de balen naar gewone pakgoederen geleken. Ook werden de muilezels op
klaar lichten dag, een voor een en elk onder geleide van een enkelen
arriero afgezonden, om zich eerst op vijftien mijlen van de stad te
vereenigen, waar het eskorte reeds sedert eene maand, onder een of
ander aannemelijk voorwendsel in eene oude presidio (dorp)
gekantonneerd was geweest.
Alles was dus met de grootste zorg beraamd en berekend om het kostbare
konvooi in veilige haven te brengen; de arriero’s, de eenigste die met
de waarde der lading bekend waren, wachtten zich wel om er van te
spreken, te meer daar zij voor den veiligen overtogt met al wat zij in
de wereld bezaten, hoe veel of weinig het wezen mogt aansprakelijk
waren, en het dus om hun volslagen ondergang te doen was, zoo zij op
weg mogten worden uitgeplunderd.
De conducta trok in de beste orde voort onder het welluidend gerinkel
der Nena; de arriero’s zongen lustig achter hunne muilezels, hen
voortdrijvende met hun eeuwig: „Arrea mula! arrea linda!” (Voort muil,
voort, mijn beest!)
De vlaggetjes aan de lange lansen der dragonders wapperden vrolijk in
de morgenkoelte, en de kapitein luisterde onbezorgd naar het gesnap van
den monnik, terwijl hij echter van tijd tot tijd zijne bespiedende
blikken over de vlakte liet rondgaan.
„Kom, kom, Fray Antonio,” zeide hij tegen zijn dikken reismakker,
„klaag nu maar niet langer dat gij zoo vroeg op weg zijt moeten gaan,
het is een heerlijke morgenstond en alles voorspelt ons een gelukkigen
dag.”
„Ja, ja, brave kapitein,” antwoordde de monnik met een lach, „daarvoor
heeft onze Lieve Vrouw de la Soledad gezorgd, dat wij onder de meest
gewenschte omstandigheden op reis zijn gegaan.”
„Wel! het doet mij regt veel genoegen dat ik u in zulk een goede luim
zie, ik was al bang dat de trompet u dezen morgen een beetje te vroeg
had opgewekt en u uit uw humeur had gebragt.”
„Mij! mijn hemel! kapitein,” hernam de monnik met geveinsde
nederigheid, „wij onwaardige leden der kerk behooren ons zonder
murmureren te onderwerpen aan de wederwaardigheden die het den Heer
behaagt ons toe te zenden; en daarbij, het leven is zoo kort, dat men
wijs doet het van zijn besten kant te bezien, om de weinige vrolijke
oogenblikken die ons ten deele vallen niet in onnutte klagten te
verspillen.”
„Bravo! zoo hoor ik het gaarne, dat is eene philosophie daar ik van
houd; gij zijt een goed reisgezel, padre; ik hoop dat wij nog lang
zamen zullen reizen.”
„Dat hangt min of meer van u zelven af, heer kapitein.”
„Van mij! hoe dat?”
„Wel! van den koers dien gij nemen zult.”
„Hum!” riep don Juan, „maar welken kant moet gij dan uit, Señor padre?”
De oude manier om de eene vraag met de andere te beantwoorden, is eene
uitmuntende taktiek, die bijna altijd gelukt. De monnik althans werd er
door gevangen; maar volgens de gewoonte zijner confraters, was zijn
antwoord naar behooren, tamelijk uitwijkend.
„O!” riep hij met gemaakte onverschilligheid, „voor mij zijn alle wegen
bijna om het even; mijn kleed is mijn paspoort en verzekert mij overal,
waar ik ook kom, een goed gezigt en een goed onthaal.”
„Dat is waar, maar dan moet ik mij verwonderen over de vraag die gij
mij zoo even gedaan hebt.”
„O! die is de moeite niet waard om er zoo diep over te denken, brave
kapitein. Het zou mij zeer spijten als ik er u een oogenblik mede
geërgerd had; zoo dat het geval mogt zijn, verzoek ik u wel nederig om
verschooning.”
„Gij hebt mij in ’t minst niet geërgerd, Señor padre; ik heb volstrekt
geen reden om u te verbergen waar ik heen moet; met den troep muilezels
die ik eskorteer, heb ik weinig te maken; reeds morgen, of overmorgen
op zijn langst, denk ik er mij van te scheiden.”
De monnik scheen zijne verwondering hierover niet te kunnen verbergen.
„Ah!” riep hij met een doordringenden blik op den spreker.
„Mijn hemel! neen,” vervolgde de kapitein luchthartig; „die goede lui
hebben mij gevraagd of ik hen eenige dagen zou willen vergezellen, uit
vrees voor de gavillas die hier de wegen verpesten; het schijnt dat zij
nog al kostbare goederen bij zich hebben, die zij niet gaarne zouden
zien plunderen.”
„Ik begrijp u, dat zou voor hen niet aangenaam zijn.”
„Niet waar? Ik heb hun derhalve deze kleine dienst niet willen
weigeren, die mij weinig ongelegenheid veroorzaakt, maar zoodra zij
denken veilig te zijn, zal ik hen verlaten om dieper de prairie in te
trekken, volgens mijne instructiën, want de bravos (de wilde Indianen)
zijn dezer dagen weder zeer on rustig, zoo als gij wel weten zult.”
„Neen, dat wist ik niet.”
„Nu, dan vertel ik het u, pater Antonio, dat is voor u eene schoone
gelegenheid, die gij niet ongebruikt moet laten.”
„Eene schoone gelegenheid voor mij!” riep de monnik verwonderd, „welke
gelegenheid kapitein?”
„Wel, om voor de heidenen te prediken en hun de gronden van ons geloof
te onderwijzen,” antwoordde hij met onverstoorbare koelbloedigheid.
Bij deze onverwachte verklaring deinsde de monnik met schrik terug.
„Naar den duivel met zoo’n gelegenheid!” riep hij tusschen vinger en
duim klappende; „zoo zot mogen anderen wezen! ik heb volstrekt geen
lust om een martelaar te worden.”
„Zoo als het u behaagt, padre, maar gij hebt toch ongelijk.”
„Dat is wel mogelijk, brave kapitein, maar ik ben een paap zonder p!
als ik u naar dat heidensch gebroed vergezel; over twee dagen verlaat
ik u.”
„Zoo spoedig reeds?”
„Wel waarachtig! als gij naar de prairiën moet, verondersteld dat gij
de muilezels die gij begeleidt, aan de rancho San-Jacinto verlaten
zult, dat is het uiterste punt der Mexicaansche bezittingen en aan de
grenzen der woestijn.....”
„Wel waarschijnlijk.”
„Welnu! dan denk ik bij de muildrijvers te blijven; als zij toch alle
gevaarlijke punten voorbij zijn, heb ik niets meer te vreezen en zet ik
mijne reis zoo aangenaam mogelijk voort.”
„Ha!” riep de kapitein met een doordringenden blik, maar hoe veel
belang dit gesprek hem ook inboezemde, kon hij het niet vervolgen, daar
op eens een ruiter van de voorhoede kwam aanrennen, bij hem stil hield
en hem iets in ’t oor fluisterde.
De kapitein keek scherp naar alle zijden rond, ging weder regt in den
zadel zitten en wendde zich tot den dragonder: „’t Is goed,” zeide hij,
„Hoeveel zijn er?”
„Twee, kapitein.”
„Houd hen in ’t oog, maar zonder hen te laten merken dat zij
krijgsgevangen zijn; zoodra wij aan de halte komen zal ik hen
ondervragen; ga weder bij uwe kameraden.”
De soldaat boog eerbiedig zonder te antwoorden, en verwijderde zich
even snel als hij gekomen was.
Kapitein Melendez had zijne onderhebbenden sinds lang gewend om over
zijne bevelen niet te redeneren, maar hem zonder aarzelen te
gehoorzamen.
Wij maken hier deze aanmerking, omdat zoo iets in Mexico zeer zelden
gebeurt; nergens toch is de militaire tucht zoo onbeduidend, de
ondergeschiktheid zoo gering en de krijgstucht zoo slecht gehandhaafd.
Don Juan deed het eskorte weder in ’t gelid treden en gaf bevel om
sneller door te rijden.
De monnik had niet zonder heimelijke ongerustheid het gesprek tusschen
den officier en den soldaat opgemerkt, daar hij er geen woord van
begreep; toen de kapitein dus, nadat zijne bevelen naar behooren waren
uitgevoerd, zich weder bij hem voegde, poogde pater Antonio zoo goed
mogelijk over zijne bevelen te schertsen en over de ernstige wolk die
het gelaat van den officier zoo plotseling had overschaduwd.
„O! o! kapitein,” riep hij met een goelijken lach, „wat ziet ge er
bezorgd uit! Hebt gij misschien drie uilen aan uwe regterhand zien
vliegen? Zoo als de heidenen zeggen, is dat een kwaad voorteeken.”
„Dat kan wel zijn!” antwoordde de kapitein droogjes.
De toon waarop dit antwoord gegeven werd had zoo weinig vriendelijks of
aanmoedigends, dat de monnik begreep dat elk gesprek voor het oogenblik
onmogelijk was; hij hield het zich dus voor gezegd, beet zich op de
lippen, en reed stil naast zijn reisgezel voort.
Een uur later bereikten zij het kampement; noch de monnik noch de
officier had een enkel woord gesproken; alleen schenen beiden, naarmate
zij de bestemde halt naderden, meer ongerust te worden.
XV.
DE HALTE.
De zon was reeds bijna aan het ondergaan toen de karavaan in de
legerplaats aankwam.
Deze plaats, op de kruin van een steilen heuvel gelegen, was uitgekozen
met de gewone schranderheid die den arriero van Texas of Mexico eigen
is; iedere overrompeling was hier onmogelijk, terwijl de digte bosschen
die den kleinen berg aan alle zijden besloegen, bij een onverhoedschen
aanval een veilige schuilplaats tegen de kogels aanboden.
De muildieren werden afgeladen, maar in strijd met het in zulke
gevallen gewone gebruik, werden de balen, in plaats van tot
verschansing of borstwering voor het kamp te dienen, op eene zekere
plaats op elkander gestapeld, buiten het bereik der roovers, zoo deze
misschien, wanneer de duisternis gevallen was, lust zouden hebben om er
een kans op te wagen. Zes of acht groote vuren werden in een kring
ontstoken, om de wilde dieren terug te houden; de muildieren kregen hun
rantsoen maïs op mantas of linnen dekkleeden, die men op den grond
uitspreidde; daarna, zoodra de schildwachten rondom het kamp waren
uitgezet, begonnen de soldaten en muildrijvers hun mager soupé te
bereiden, dat zij na de vermoeijenissen van den dag wel noodig hadden.
Kapitein don Juan en de monnik zaten een weinig achterwaarts, bij een
vuur dat voor hen afzonderlijk was aangelegd, en begonnen hunne maïs
cigaretten te rooken, terwijl de assistente (oppasser) van den officier
met allen spoed het maal voor zijn chef gereed maakte;—een maal, even
eenvoudig als dat van de andere leden der karavaan, doch dat door een
geweldigen eetlust gekruid, hem niet alleen wel smaakte, maar zelfs
zeer voedzaam en sappig werd, al bestond het slechts uit eenige varas
(ellen) tocino, of in de zon gedroogde en aan repen gesneden vleesch,
en vier of vijf platte beschuiten.
De kapitein had er spoedig mede gedaan; hij stond op, en daar het
intusschen geheel nacht was geworden, ging hij de posten bezoeken om te
zien of alles in orde was. Toen hij zijne plaats bij het vuur weder
innam, lag pater Antonio, zorgvuldig in zijn dikken zarape gewikkeld en
met de voeten bij het vuur, in diepen slaap, althans zoo scheen het.
Don Juan bespiedde hem een poos met een onbeschrijfelijken blik van
haat en verachting, schudde twee of drie keeren bedenkelijk het hoofd,
maar beval toch zijn oppasser, die eenige schreden verder op orders
stond te wachten, dat hij de twee gevangenen bij hem zoude brengen.
Deze gevangenen waren tot op dit oogenblik achteraf gehouden, en
ofschoon zij met alle onderscheiding werden behandeld, konden zij toch
wel bemerken dat men hen zorgvuldig bewaakte en in ’t oog hield.
Intusschen schenen zij zelven niet te vreezen dat zij lang gevangen
zouden blijven, daar men hen, hetzij uit onverschilligheid hetzij om
eenige andere oorzaak hunne wapens had laten behouden; bovendien,
ofschoon beiden reeds den middelbaren leeftijd bereikt hadden, was het
aan hunne forsch gespierde gestalten en krachtvolle gelaatstrekken wel
te zien, dat zij, des noods, wanneer hunne vrijheid gevaar liep, wel in
staat zouden zijn haar gewapenderhand te herwinnen, of ten minste er
een kans voor te wagen. Zij volgden den oppasser zonder aanmerking of
tegenstand, en weldra bevonden zij zich voor den kapitein.
De nacht was stikdonker, maar het vlammende houtvuur verspreidde licht
genoeg om hunne aangezigten duidelijk te kunnen onderscheiden.
Zoodra don Juan hen bemerkte, gaf hij een teeken van verwondering, en
nu hield een der gevangenen driftig den vinger aan den mond om hem
voorzigtigheid aan te bevelen, terwijl hij met een zijdelingschen blik
op den slapenden monnik wees.
De kapitein begreep deze stilzwijgende waarschuwing en beantwoordde
haar dadelijk met een ligten hoofdknik, overigens de meeste kalmte en
onverschilligheid toonende.
„Wie zijt gij?” vroeg hij terwijl hij achteloos een cigarette tusschen
zijne vingers rolde.
„Jagers,” antwoordde een der gevangenen zonder aarzelen.
„Men ontmoette u eenige uren geleden aan den oever der rivier.”
„Ja.”
„Wat deedt gij daar?”
De gevangene wierp een oplettenden blik om zich heen, en vestigde toen
de oogen weder op den kapitein.
„Eer ik uwe vraag nader beantwoord,” zeide hij, „verlang ik er op mijne
beurt een tot u te rigten.”
„Welke? Spreek op.”
„Welk regt hebt gij om mij te ondervragen?”
„Zie maar eens rond,” antwoordde de kapitein luchthartig.
„O, ik begrijp u wel, het regt van den sterkste meent gij, niet waar?
Ongelukkig erken ik dit regt niet, ten mijnen opzigte. Ik ben een vrij
jager, ik erken geen anderen wil dan den mijnen, en geen anderen
meester dan mij zelven.”
„O ho! uwe taal klinkt wel fier, kameraad.”
„Het is die van een man die niet gewoon is voor eens anders willekeur
te bukken; gij hebt door mij gevangen te nemen geenszins misbruik van
uwe kracht gemaakt, want uwe soldaten zouden mij hebben moeten dooden
zoo zij mij tegen wil en dank tot u hadden willen brengen, maar van de
gemakkelijkheid waarmede ik mij aan hen heb toevertrouwd; ik lever
derhalve hiertegen protest in en vorder van u mijne onmiddellijke
invrijheidstelling.”
„Uwe hooghartige woorden kunnen mij niet van het spoor brengen en zoo
het mij behaagde u tot spreken te dwingen, zou ik er u wel toe weten te
noodzaken, door zekere onwederstaanbare middelen die ik in mijn bezit
heb.”
„Ja,” zei de gevangene bitter, „de Mexicanen zijn de Spanjaarden van
vroeger dagen nog niet vergeten, die zich daartoe meermalen van de
pijnbank bedienden; wel nu, neem er ook eens de proef van, kapitein,
wie belet het u? Ik hoop dat mijne ijzergraauwe haren niet zullen
wegkrimpen voor uw blonden knevelbaard.”
„Zwijg daarvan,” riep de kapitein op een toon van gebelgdheid; „maar
zeg mij, als ik u vrij liet vertrekken, zou ik dan een vriend of een
vijand loslaten?”
„Geen van beiden.”
„Zoo! wat wilt gij daarmede zeggen?”
„Mijn antwoord is immers duidelijk genoeg?”
„Ik begrijp het toch niet.”
„Met een paar woorden zal ik het u ophelderen.”
„Spreek.”
„Beiden in lijnregt uit elkander loopende rigtingen geplaatst, heeft
het toeval ons heden gelieven zamen te brengen; zoo wij elkander thans
verlaten, zal geen van ons beiden een gevoel van haat mede voeren, daar
gij noch ik ons over iets te beklagen hebben, en wij elkander
waarschijnlijk nooit zullen wederzien.”
„Hum! het is echter duidelijk genoeg, dat, toen mijne soldaten u
ontmoetten, gij op dezen weg iemand verwachttet.”
„Wat geeft u reden om dit te denken?”
„Duivels! gij zijt immers jagers, hebt gij mij gezegd, en ik zie geen
wild dat gij hier op weg zoudt kunnen schieten.”
De gevangene begon te lagchen.
„Wie weet!” hernam hij met zekeren klem op zijne woorden, „misschien
kostbaarder wild dan gij veronderstelt en daar gij gaarne uw deel van
zoudt willen hebben.”
Hier maakte de monnik eene ligte beweging, en opende de oogen alsof hij
ontwaakte.
„Hoe is dat!” riep hij tegen den kapitein terwijl hij in schijn zijn
best deed om niet te geeuwen, „slaapt gij niet, Señor don Juan?”
„Nog niet,” antwoordde deze, „ik ondervraag de twee mannen die mijne
voorwacht een paar uren geleden in hechtenis heeft genomen.”
„Ah!” riep de monnik met een verachtelijken blik op de onbekenden, „die
arme drommels schijnen volstrekt niet te vreezen te zijn.”
„Zoudt gij dat denken?”
„Ik weet het niet, maar waarom zijt gij beducht voor deze twee mannen?”
„Wel! het zijn misschien spionnen.”
Fray Antonio nam eene vaderlijke houding aan.
„Spionnen!” herhaalde hij, „vreest gij dan eene hinderlaag?”
„In zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden zou die
veronderstelling alles behalve onwaarschijnlijk zijn, denk ik.”
„Loop heen! in een land als hier en met een eskorte als het uwe, zou
het wel vreemd zijn; overigens hebben deze lieden zoo als ik verneem,
zich zonder verzet laten vangen, toen het hun zeer gemakkelijk zou
gevallen zijn om weg te komen.”
„Dat spreek ik niet tegen.”
„Zij hadden dus geene kwade bedoelingen, dat blijkt duidelijk genoeg;
als ik in uwe plaats was liet ik hen stilletjes gaan waar zij
goedvonden.”
„Is dat uw advies?”
„Zonder twijfel.”
„Gij schijnt in die twee onbekenden wel veel belang te stellen.”
„Ik! niets ter wereld, ik zeg u maar wat billijk is, dat is alles;
intusschen moogt gij doen wat u goeddunkt, ik wasch er mijne handen van
af.”
„Gij kunt wel gelijk hebben, maar toch zal ik deze lieden de vrijheid
niet terug geven, voordat zij mij gezegd hebben wien zij hier
verwachten.”
„Wachten zij dan iemand?”
„Dat zeggen zij ten minste.”
„’t Is waar, kapitein,” hervatte nu de gevangene die tot hiertoe alleen
gesproken had; „maar ofschoon wij wisten dat gij hier langs zoudt
komen, waart gij het toch niet dien wij verwachtten.”
„Wie was het dan?”
„Wilt gij het volstrekt weten?”
„Zeker.”
„Antwoord gij dan, Fray Antonio,” zei de gevangene meesmuilende, „want
gij alleen zijt bekend met den naam dien de kapitein van ons verlangt.”
„Ik!” schreeuwde de monnik uit, terwijl hij van toorn opsprong en zoo
bleek werd als een lijk.
„Ha! ha!” riep de kapitein, zich naar hem omwendende, „dat begint hier
interessant te worden.”
Het was zeker geene onbelangrijke vertooning die deze vier mannen
maakten, staande tegenover elkander rondom het kampvuur, welks
flikkerende vlammen op hunne aangezigten een tooverachtig licht
verspreidden.
De kapitein rookte onbezorgd zijne cigarette en hield den monnik
spotachtig in ’t oog, op wiens gelaat de vrees en de onbeschaamdheid
een harden kamp streden, welks afwisselende kansen zich gemakkelijk
lieten waarnemen; de twee jagers stonden met de handen op den tromp
hunner lange jagtroeren gekruist, in hunne vuist te lagchen, en schenen
zich inwendig vrolijk te maken met de verlegenheid van den man dien zij
zoo onverhoeds en zoo brutaal ten tooneele hadden gevoerd.
„Stel u toch niet zoo verwonderd aan, padre Antonio,” zeide eindelijk
de gevangene, „gij weet wel dat wij hier niemand anders verwachtten dan
u.”
„Mij!” hervatte de monnik met eene half gesmoorde stem, „die ellendige
kerel is gek, zoo waar als ik leef!”
„Ik ben alles behalve gek, Señor padre, en ik zal u voor dezen keer die
benamingen waarmede gij mij gelieft te begunstigen, kwijtschelden, maar
pas op voor de tweede maal,” antwoordde de gevangene droogjes.
„Kom aan, verklaar u,” riep nu de andere gevangene, die tot hiertoe
gezwegen had, barsch. „Ik heb geen lust om aan een eindje touw te
bengelen voor uw pleizier.”
„Hetgeen toch onvermijdelijk gebeuren zal,” merkte de kapitein bedaard
aan, „als gij niet besluit, caballeros, om mij eene duidelijke en
volledige verklaring te geven van uw gedrag.”
„Ei zoo! gij ziet wel, patertje,” hervatte de gevangene; „onze positie
begint slecht te worden; kom, zorg dat de zaak in orde komt.”
„O!” brulde de monnik woedend, „ik ben in een gruwzamen strik
gevallen.”
„Genoeg!” riep de kapitein met eene donderende stem, „deze komedie
heeft reeds veel te lang geduurd, pater Antonio. Niet gij zijt in een
vreeselijken strik gevallen, maar ik integendeel ben het, dien gij er
in zoekt te slepen; ik ken u van oude dagteekening en ik heb van de
plannen die gij smeedt de omstandigste bewijzen in handen. Gij speelt
sedert lang een gevaarlijk spel; men kan niet te gelijk God en den
duivel dienen, zonder dat eindelijk alles aan ’t licht komt; maar ik
heb u slechts tegenover deze twee eerlijke lieden willen stellen, om u
te verpletteren en u het huichelaarsmasker af te rukken waarmede gij u
bedekt.”
Bij deze ruwe ontboezeming bleef de monnik een poos sprakeloos, geheel
overstelpt door de kracht der verwijtingen die hem werden toegevoegd;
eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich naar den kapitein:
„Waarvan beschuldigt men mij?” vroeg hij op hooghartigen toon.
Don Juan glimlachte met minachting.
„Men beschuldigt u,” antwoordde hij, „dat gij de conducta, die onder
mijne bescherming staat, in eene hinderlaag hebt willen voeren, die
door u gelegd is en waar op dit oogenblik uwe waardige handlangers ons
verwachten, om ons te vermoorden en uit te plunderen. Wat antwoordt gij
hierop?”
„Niets,” zeide hij kortaf.
„Gij hebt gelijk, want uwe ontkenningen zouden niet gangbaar zijn;
intusschen, nu gij door uw eigen bekentenis schuldig staat, zult gij
mij niet meer ontsnappen, zonder dat ik u een eeuwig aandenken van onze
ontmoeting mede geef!”
„Zie toe wat gij begint, señor kapitein, ik behoor tot de kerk; dit
ordekleed maakt mij onschendbaar.”
Een spottende lach plooide zich om de lippen van den kapitein.
„Als het daarom te doen is,” zeide hij op sarcastischen toon, „dan zal
men u ontkleeden.”
Het meerendeel der dragonders en muildrijvers, door het gekibbel van
den monnik en den officier wakker geworden, waren allengs naderbij
gekomen en volgden aandachtig den loop van het gesprek.
De kapitein wenkte de soldaten en met vingerwijzing op den monnik zeide
hij:
„Ontdoet dien man van het kleed dat hij draagt, bindt hem aan een
catalpa en geeft hem twee honderd slagen met de chicote (karwats).”
„Ellendelingen!” schreeuwde de monnik, buiten zich zelven van woede,
„den eerste van u die mij durft aanraken vervloek ik; omdat hij de hand
aan een dienaar van het altaar heeft geslagen, zal hij eeuwig verdoemd
zijn.”
De soldaten bleven verschrikt staan op het hooren dezer vervloeking,
die zij hetzij uit onkunde of uit bijgeloovigen eerbied den moed niet
hadden te braveren.
De monnik kruiste thans de armen op de borst en riep op zegevierenden
toon tegen den officier: „Rampzalige dwaas, ik zou u kunnen straffen
voor uwe vermetelheid, maar ik schenk u vergiffenis. God zal zich wel
met mijne wraak belasten; die zal u kastijden wanneer uw uur geslagen
is; vaarwel. Kom, terug daar! en laat mij door,” vervolgde hij tegen de
anderen.
De dragonders, door schrik bevangen, weken langzaam en aarzelend voor
hem terug: de kapitein, die genoodzaakt was zijn onvermogen te
erkennen, balde de vuisten en wierp toornige blikken in ’t rond.