„Wat zou het toch zijn dat ik gevoel?” mompelde hij zich de hand op het

hart drukkende, alsof het hem daar plotseling pijn deed: „Zou het dat

zijn wat men liefde noemt? Ik ben dwaas,” vervolgde hij een oogenblik

later, „kan ik ooit beminnen, ik, de Jaguar? en zou er iemand zijn

kunnen die den verstooteling bemint?”

Een bittere grimlach plooide zich om zijne lippen, zijne wenkbraauwen

trokken zich zamen en hij mompelde norsch:

„Ieder heeft zijne taak in de wereld, ik zal de mijne weten te

volbrengen.”

Carmela keerde terug.

„Santiago zal oogenblikkelijk gereed zijn. Zie, daar zijn uwe botas

vaqueras (koeherderslaarzen) die Lanzi mij verzocht u te geven.”

„Ik dank u,” zeide hij.

Hij begon zich nu deze twee lappen geribd leder om de beenen te binden,

die in Mexico de plaats van slobkousen, of liever van sloblaarzen

vervangen, en dienen moeten om den ruiter tegen het stooten der paarden

te beveiligen.

Terwijl hij met het eene been op de bank en in gebogen houding zijne

botas vastmaakte, beschouwde Carmela hem met alle aandacht, maar tevens

met zekere schroomvallige aarzeling.

De Jaguar bemerkte het.

„Wat schort u?” vroeg hij.

„Niets,” stotterde zij.

„Gij wilt mij foppen, Carmela, pas op, de tijd is kort, zeg mij de

waarheid.”

„Nu dan,” antwoordde zij met meer en meer blijkbare aarzeling, „dan

wilde ik u iets verzoeken.”

„Mij?”

„Ja.”

„Spreek op, Niña, gaauw, maar gij weet vooruit, dat ik het toesta, wat

het ook zij.”

„Zweert gij mij dat?”

„Ik zweer het u.”

„Welnu! wat er ook gebeuren mag, verzoek ik u, zoo gij den kapitein der

dragonders ontmoet, die dezen morgen hier was, dat gij hem in uwe

bescherming neemt.”

De jongman rigtte zich op als een ontspannen veer.

„Ha!” riep hij, „het is dus waar wat men mij gezegd heeft?”

„Ik weet niet waar gij op doelt, maar ik herhaal u mijne vraag.”

„Ik ken den man niet, daar ik hier eerst aankwam toen hij reeds

vertrokken was.”

„Gij kent hem wel degelijk” hervatte zij ongedwongen. „Waarom zoekt gij

een uitvlugt? Als gij de belofte wilt terugnemen die gij mij deedt,

spreek dan liever ronduit.”

„’t Is goed,” antwoordde hij met eene sombere stem en op een toon van

bijtende ironie; „stel u gerust, Carmela, ik zal uw minnaar

verdedigen.”

En hiermede ijlde hij de zaal uit, aan de hevigste gramschap ten prooi.

„O!” riep het meisje terwijl zij op een bank nederzonk en in tranen

wegsmolt. „O! te regt noemt men dezen duivel de Jaguar, hij heeft het

hart van een tijger.”

Zij bedekte haar gelaat met beide handen en begon luid te snikken.

Op het zelfde oogenblik hoorde men daar buiten den snellen galop van

een paard dat zich verwijderde.

XIII.

CARMELA.

Eer wij thans met ons verhaal voortgaan, moeten wij onzen lezers eenige

ophelderingen geven, die tot verstand der volgende zaken onvermijdelijk

noodig zijn.

Onder al de wingewesten van het uitgestrekte Nieuw-Spanje, is er geen

waarvan de regering der onderkoningen de waardij zoozeer heeft miskend

als van het meest oostelijk gelegene, namelijk Texas, eene onkunde die

de Mexicaansche Republikeinen in allen deele hebben overgenomen, daar

zij sedert de uitroeping der onafhankelijkheid het niet noodig keurden

Texas tot een afzonderlijken staat te verheffen en zonder te bedenken

wat er later gebeuren kon, het op eene onverantwoordelijke wijs hebben

laten koloniseeren door de Noord-Amerikanen, die destijds reeds bezield

waren met de zelfde uitbreiding- en vergrootingskoorts, welke thans

eene soort van ongeneeslijke razernij is geworden voor al de burgers

der Vereenigde Staten.

Wij willen Texas eenigzins nader beschouwen.

Dit heerlijk land is een der gelukkigst gelegenen van gansch Mexico;

wat uitgestrektheid betreft is Texas bijna onmetelijk, geen land is

beter besproeid: negen aanzienlijke rivieren stuwen hare wateren

zeewaarts, gevoed door ontelbare bijstroomen en beeken die het land in

alle rigtingen doorloopen en vruchtbaar maken; deze rivieren en

waterstroomen, binnen diepe beddingen en vaste gronden besloten, vormen

hoe ver zij zich ook uitstrekken, nergens van die ondiepten en trage

overvloeijingen, die in andere streken des aardbols zoo gewoon zijn en

den bodem vaak in stinkende poelen of ongezonde moerassen herscheppen.

Het klimaat van Texas is gezond en de verderfelijke ziekten en

koortsen, die aan zekere landen in de Nieuwe Wereld zulk eene treurige

vermaardheid geven, zijn er geheel onbekend.

De natuurlijke grenzen van Texas zijn: ten oosten de Sabine, ten

noorden de Roode Rivier, ten westen een keten van bergen die de

uitgebreide prairiën insluit en de Rio-Bravo-del-Norte, en eindelijk

ten zuiden tusschen de monden der laatstgenoemde rivier en die der

eerste, Sabine, de Golf van Mexico.

Wij hebben reeds gezegd dat de Spanjaarden de waarde van Texas niet

begrepen hebben, en toch is het waar dat zij dit land sedert lang

kenden, want reeds in 1536 heeft Cabeça de Vaca het geheel doorkruist,

toen hij zich uit Florida naar de noordelijke provinciën van Mexico

begaf. Intusschen komt de eer der eerste nederzetting in dit schoone

land ontegenzeggelijk aan een Franschman toe. Inderdaad was het de

vermaarde maar ongelukkige Robert de la Salle, die op last van den

Markies de Siegnelay in 1684 uitzeilde om de monden der Mississippi te

onderzoeken, bij vergissing stevende hij de Rio-Colorado binnen, die

hij onder ongehoorde moeijelijkheden opzeilde tot aan het meer van San

Bernando, waar hij het land in bezit nam en er een fort bouwde tusschen

Velasco en Martagorda. Wij zullen de bijzonderheden der reis van dezen

stoutmoedigen ontdekker niet verder opgeven, die tot tweemaal toe de

onbekende streek ten oosten van Mexico poogde te veroveren, en in 1687

door eenige onverlaten van zijn eigen volk lafhartig werd vermoord.

Eene nog latere herinnering verbindt de Franschen andermaal aan Texas;

het was namelijk in den jare 1817, toen de Generaal Lallemand beproefde

met de Fransche ballingen, het ongelukkige overschot der talrijke

legerscharen van het eerste keizerrijk, aldaar eene kolonie te stichten

onder den naam van Champ d’Asile. Deze kolonie, op ongeveer tien mijlen

van Galveston gelegen, werd geheel verwoest op last van den onderkoning

Apodaca, volgens het despotieke stelsel door de Spanjaarden in de

Nieuwe Wereld onveranderlijk vastgehouden, om onder geen beding te

dulden dat vreemdelingen zich op eenig punt van hun grondgebied

vestigden.

De lezer zal ons deze omslagtige bijzonderheden te ligter vergeven, als

hij weet dat het land, eerst sedert twintig jaren vrij geworden, over

eene oppervlakte van bijna tweeënveertig millioenen bunders, en bij

eene bevolking van niet meer dan tweemaal honderd duizend zielen, thans

een tijdvak van bloei en vooruitgang is ingetreden, dat onvermijdelijk

de aandacht der Europeesche staten en de belangstelling van alle

verstandige menschen en der beschaafde natiën verdient.

Op het tijdstip waarin ons tegenwoordig verhaal zich verplaatst,

namelijk in de tweede helft van het jaar 1829, behoorde Texas nog onder

Mexico, maar zijne roemrijke omwenteling was reeds begonnen en het

streed met heldenmoed om het schandelijke juk der Spaansche regering af

te schudden en zijne onafhankelijkheid uit te roepen.

Eer wij echter den draad onzer historie hervatten, moeten wij nog

ophelderen hoe het kwam dat Tranquille, de Canadeesche jager en

Quoniam, de neger die aan hem zijne vrijheid verschuldigd was, en die

wij beiden als vrije woudloopers aan de oevers der Missouri verlaten

hebben, zich thans om zoo te zeggen in Texas hadden gevestigd, en hoe

de jager eene dochter, of althans die hij zoo noemde, bij zich had, het

bekoorlijke blonde en blozende meisje, dat wij onzen lezers onder den

naam van Carmela hebben voorgesteld.

Een twaalftal jaren voor den dag waarop ons verhaal aan de Venta del

Potrero begint, was Tranquille in deze herberg aangekomen, gevolgd door

twee kameraden en een vijf- of zesjarig kind, levendig van uitzigt, met

blaauwe oogen, rozenlippen en goudblonde haren, in een woord Carmela;

wat zijne kameraden betreft de eene was Quoniam, de andere een

Indiaansche mesties, die Lanzi heette.

De zon was reeds aan het ondergaan, toen de kleine troep voor de deur

der herberg stil hield.

De hospes in dit afgelegen oord, op de Indiaansche grenzen, weinig

gewoon om nog zoo laat reizigers te zien, had zijn huis reeds gesloten

en gebarricadeerd, en was op het punt van zich ter ruste te begeven,

toen de onverwachte aankomst dezer personen hem noodzaakte zijn

voornemen dien nacht te wijzigen.

Intusschen was het niet zonder blijkbaren weerzin, en eerst na zich

vooraf van hunne goede bedoelingen verzekerd te hebben, dat hij besloot

voor de reizigers zijn deur te openen en hen binnen te laten.

Overigens, toen hij eenmaal had toegestemd om hen te ontvangen, was de

hospes voor zijne gasten, wat hij behoorde te zijn, namelijk zoo

geschikt en gedienstig als men dat ooit van een Mexicaansch kastelein

verwachten kan,—onder ons gezegd, het stugst en onherbergzaamst volkje

in hun soort dat er op de wereld te vinden is.

De tegenwoordige was een kort, dik man, met katachtige manieren en

gluipende oogen, reeds op gevorderden leeftijd, maar toch nog vlug en

bij de hand.

Toen de reizigers hunne paarden in de corral (een open stal) aan een

goeden voorraad alfalfa (klaver) hadden gezet, en zij zelf met al de

graagte van lieden die een langen togt hadden gemaakt, gesoupeerd

hadden, begon het ijs tusschen den kastelein en zijne gasten te

smelten, vooral nadat de Canadees hem eenige glazen refino de cataluna

had laten proeven, en nu werd het gesprek op den hartelijksten voet

voortgezet tot diep in den nacht, terwijl het kind, met zorg in de

zarape van den jager gewikkeld, zoo gerust en onbekommerd sliep als aan

haar leeftijd, die nog van toekomst noch verleden weet, eigen is.

„Zeg eens, compadre,” sprak de Canadees opgeruimd, terwijl hij den

herbergier nog een glaasje refino inschonk, „ik geloof dat gij hier een

gelukkig leven leidt?”

„Ik!” riep de kastelein.

„Pardi, ja! gij gaat met de bijen naar bed, en ik ben zeker dat gij een

gat in den dag slaapt.”

„Wat zou ik anders kunnen doen in deze verwenschte woestijn, waar ik

eindelijk ben aangeland voor mijne pekelzonden.”

„Reizigers komen er dus zeker niet veel?”

„Ja, en neen; dat is al naar dat men het begrijpt.”

„Drommels! ik denk dat ik het maar op een manier begrijpen kan.”

„Neen toch, op twee verschillende manieren.”

„Nu, dat zou ik wel eens willen hooren.”

„Dat is gemakkelijk genoeg; het ontbreekt hier niet aan landloopers van

allerlei kleuren en kostumen, ook zonder kostumen, en als ik die wilde

ontvangen, had ik er den ganschen dag mijn huis vol van; maar de duivel

mogt weten hoe hun geld er uitziet, ik niet.”

„Ha! dat is erger; maar die geachte señores caballeros zullen toch uw

gansche cliëntele niet uitmaken, zou ik denken?”

„Neen; daar zijn nog Indios bravos, en Comanchen, en Apachen, en

Pawnees, wat weet ik het, hoe al dat volkje heet, dat hier in den

omtrek rondzwerft.”

„Hum! het is dus een slechte buurt, en als gij geen andere klanten

hebt, begin ik het tamelijk met u eens te worden; maar gij moet toch nu

en dan wel eens aangenamer bezoeken ontvangen.”

„Ja, nu en dan, bij lange tusschenpoozen komt er een verdoolde reiziger

zoo als gij waarschijnlijk, maar de voordeelen die men daaraan behaalt

wegen op verre na niet op tegen de kosten.”

„Dat laat zich denken, ik drink op uwe gezondheid.”

„Ik drink de uwe.”

„Maar dan, neem mij niet kwalijk, misschien komt u mijne vraag niet

onbescheiden voor.”

„Spreek op, spreek op, caballero, wij praten als vrienden zamen, wij

behoeven ons niet te ontzien.”

„Gij hebt gelijk. Maar wat duivel! als gij het hier zoo slecht hebt,

waarom blijft gij er dan?”

„A, ja! dat zegt gij wel, maar waar moet ik heen?”

„Duivels! als ik het weet; maar, ongevraagd waarheen, gij zult overal

beter zijn dan hier.”

„Ja, als het van mij alleen afhing,” riep hij met een zucht.

„Hebt gij dan nog iemand hier?”

„Neen, ik ben gansch alleen.”

„Welnu, wie houdt u dan tegen?”

„Wel, Caramba! het geld! Alles wat ik bezat en het was niet veel, heb

ik verspild om dit huis te bouwen en er mij te vestigen, en niet zonder

hulp van de peones der hacienda.”

„Is hier een hacienda in de buurt?”

„Ja, omtrent vier mijlen van hier, de hacienda del Mezquite.”

„Waarlijk!” riep Tranquille op nadenkenden toon; „zeer goed, ga voort.”

„Zoodat gij begrijpt, als ik vertrek, dat ik alles moet achterlaten.”

„Waarom verkoopt gij het dan niet.”

„En wie zou het koopen? Denkt gij dan dat het zoo gemakkelijk gaat om

hier iemand te vinden die vier of vijfhonderd piasters in zijn zak

heeft, en gereed zou zijn om eene dwaasheid te begaan?”

„Men kan niet weten; met zoeken zou men misschien wel vinden.”

„Kom, steekt gij den draak met mij, compadre?”

„Waarachtig niet,” riep Tranquille, op eens van toon veranderende, „en

ik zal het u dadelijk bewijzen.”

„Ga u gang, dat zou ik willen zien.”

„Gij zegt dat uw huis voor vierhonderd piasters te koop is?”

„Heb ik vierhonderd gezegd?”

„Laten we niet kruimelen, gij hebt het gezegd.”

„Zeer goed, ik heb het gezegd; en dan?”

„En dan? Welnu, ik koop het van u, zoo gij wilt”

„Gij?”

„Waarom niet?”

„Duivels! dat moet ik zien.”

„Dat is gaauw gezien; wilt gij, ja of neen, gij kunt het nemen of

laten; misschien dat ik er over vijf minuten anders over denk, besluit

dus.”

De kastelein wierp den Canadees een doordringenden blik toe.

„Ik neem het aan,” zeide hij.

„Goed; maar ik geef u geen vier honderd piasters.”

„O, maar dan!” riep de andere verwijtend.

„Ik geef er u zes honderd.”

De kastelein stond verbaasd.

„Ik verlang niets meer,” zeide hij.

„Maar onder een beding.”

„Wel nu? En dat is?”

„Dat is, dat gij morgen, zoodra de koop gesloten zal zijn, te paard

stijgt. Gij hebt immers een paard, niet waar?”

„Ja.”

„Welnu, gij stijgt te paard, en gij rijdt er mee heen, en gij laat u

hier nooit weder zien.”

„O! wat dat aangaat, daar kunt gij wel zeker van zijn.”

„Is dat afgesproken?”

„Volkomen.”

„Dan zorgt gij maar dat morgen met zonsopgang uwe getuigen hier zijn.”

„Zij zullen er zijn.”

Hiermede was het gesprek uit. De reizigers wikkelden zich in hunne

fressadas en zarapes (dekens en mantels), legden zich op den hobbeligen

grond der zaal neer en sliepen in; de kastelein volgde hun voorbeeld.

Zooals tusschen hen was afgesproken, stond de hospes een poosje voor

dat het dag werd, reeds op, en zadelde zijn paard om de getuigen te

halen, die voor de deugdelijke bekrachting der overdragt noodig waren;

daartoe reed hij spoorslags naar de hacienda del Mezquite, en tegen

zonsopgang keerde hij reeds terug, vergezeld van den mayordomo der

hacienda en zeven of acht peones.

De mayordomo, de eenige die lezen en schrijven kon, stelde een acte van

verkoop op; toen riep hij al de aanwezigen bij elkander, en las hun met

luider stem de acte voor.

Tranquille haalde nu zeven en dertig oncen goud uit zijn gordel en

telde ze op de tafel.

„Ik neem u allen tot getuigen, caballeros,” sprak de mayordomo, „dat

Señor Tranquille de zes honderd piasters, voor den verkoop der Venta

del Potrero bedongen, deugdelijk heeft betaald.”

„Wij zijn er getuigen van,” antwoordden allen.

Thans begaven al de aanwezigen met den mayordomo aan het hoofd, zich

naar de corral, die achter het huis lag.

In de corral komende, rukte Tranquille een bosje gras uit den grond en

wierp het over zijn schouder, daarna raapte hij een steen op en smeet

dien over den muur; volgens de termen der Mexicaansche wet, was hij

thans daadwerkelijk eigenaar geworden der Venta.

„Weest getuigen, señores,” hervatte de mayordomo, „dat señor

Tranquille, hier tegenwoordig, dit onroerend goed wettig in bezit

neemt. Dios y libertad (God en de vrijheid).”

„Dios y libertad!” herhaalden al de aanwezigen.

„Leve de nieuwe huesped! (hospes).”

Al de formaliteiten waren thans afgeloopen. Men trad weder in huis,

waar Tranquille gansch niet karig was met het schenken van mezcal en

pulque aan de getuigen, die dit onverwacht en mild onthaal met blakende

geestdrift en vrolijkheid genoten.

De gewezen kastelein, getrouw aan de gestelde voorwaarden, drukte zijn

kooper de hand, wenschte hem allen voorspoed, steeg te paard en

vertrok; na dien dag hoorde men nooit weer van hem.

Ziedaar op welke wijs de jager in Texas was gekomen, en hoe hij zich in

de Venta del Potrero gevestigd had.

Hij liet Lanzi en Quoniam in de Venta bij Carmela. Wat hem zelven

betreft, door tusschenkomst van den mayordomo, die hem bij zijn meester

don Hilario de Vaureal aanbeval, kwam hij op de hacienda del Mezquite

in betrekking als tigrero, of tijgerdooder.

Ofschoon het land waar de jager zich gevestigd had, op de Mexicaansche

grenzen lag, en om deze reden bijna geheel onbewoond was, liepen er

toch een tijdlang onder de peones en vaqueros allerlei

veronderstellingen en geruchten, omtrent de redenen, die zulk een

stoutmoedig jager als Tranquille genoopt zouden hebben om zich aldaar

terug te trekken; maar welke pogingen de nieuwsgierigen ook aanwendden

om er de ware redenen van op te sporen, al de vragen die men deed

bleven onbeantwoord; de medgezellen van den Canadees, zoowel als hij

zelf, bewaarden hierover het diepste stilzwijgen. Wat het kind aangaat,

dit wist er natuurlijk niets van.

Eindelijk het vragen moede, zag de teleurgestelde nieuwsgierigheid zich

genoodzaakt om haar onderzoek te staken, en lijdelijk te wachten tot de

tijd het raadsel zou oplossen, dat de jager zoo zorgvuldig verborgen

hield.

Maar weken, maanden en jaren gingen voorbij, zonder dat er ook maar een

hoekje van den geheimzinnigen sluijer werd opgeheven.

Carmela was intusschen tot een bevallige maagd opgegroeid. De Venta had

door den tijd meer bezoekers gekregen. De grensstreek waar zij lag,

vroeger zoo stil en eenzaam door den verren afstand der steden en

dorpen, deelde in de beweging die de opgang der nieuwe ideeën in het

centrum des rijks veroorzaakte; de reizigers werden minder zeldzaam, en

de jager, die tot hiertoe zich niet over zijne toekomst bekommerd had,

en in de eenzame ligging der Venta een steun voor zijn eigen veiligheid

zag, begon zich thans minder gerust te gevoelen, niet zoo zeer om zich

zelven als wel om Carmela. Het hinderde hem meer en meer dat hij het

bekoorlijke kind, dagelijks, bijna zonder bescherming moest laten, niet

alleen tegen de stoute aanzoeken van minnaars, die hare schoonheid

aantrok als de honig de vliegen, maar ook tegen allerlei slecht volk,

dat door de revolutie in beweging gebragt, alle wegen en woonsteden

afliep, als coyotes, om hier of daar een begeerigen buit te rooven.

Daar de jager het jonge meisje niet langer aan zulke gevaarlijke

omstandigheden wilde blootstellen, hield hij zich ernstig bezig met het

beramen der noodige maatregelen om haar lot te verbeteren; want

ofschoon het ons vooralsnog onmogelijk is te zeggen door welke banden

dit meisje, dat hem vader noemde, aan hem verbonden was, kunnen wij

toch verzekeren, dat hij haar eene vaderlijke liefde toedroeg en haar

welzijn hem het allernaast aan het harte lag. Wat Lanzi en Quoniam

betreft, deze deelden volkomen in zijn gevoelen; Carmela was voor dit

drietal mannen, noch kind, noch vrouw, maar veeleer een afgod, daar zij

wel voor hadden willen knielen en daar zij met vreugde hun leven voor

zouden hebben opgeofferd, wanneer haar welzijn een oogenblik gevaar had

geloopen.

Een glimlach van Carmela maakte hen gelukkig; bij hare tranen zouden

zij geweend hebben, en de minste wolk op haar gelaat was hun een

oorzaak van treurigheid.

Wij mogen niet nalaten hierbij te voegen, dat Carmela, ofschoon zij

zich den omvang van hare heerschappij wel bewust was, er toch in ’t

minst geen misbruik van maakte; het was hare grootste vreugd dat zij

deze drie harten zoo trouw en opregt om haar vereenigd en zoo innig aan

haar verbonden zag.

Na het geven van deze, wel is waar zeer onvolkomen, maar voor het

tegenwoordige voldoende en eenig mogelijke inlichtingen, zullen wij den

loop van ons verhaal hervatten, waar wij dien in ons voorlaatste

hoofdstuk verlaten hebben.

XIV.

DE CONDUCTA DE PLATA.

Wij keeren thans terug naar de karavaan die wij met zonsopgang uit de

Venta del Potrero hebben zien vertrekken, en in wier aanvoerder Carmela

zulk een levendig belang scheen te stellen. Deze aanvoerder was een

jongman van omtrent vier en twintig jaar, met fijne, moedige en edele

gelaatstrekken; zijne houding teekende de uiterste vlugheid en zwier,

en hij droeg de schitterende uniform van kapitein der dragonders.

Ofschoon behoorende tot een der oudste en edelste geslachten in Mexico,

had don Juan Melendez de Gongora zijne bevordering bij het leger, niet

aan zijne geboorte, maar alleen aan eigen verdienste willen dank weten,

eene wel ongewone zaak in een land waar de militaire eer zoo weinig in

aanmerking komt, en waar de hoogere rangen voor hen die ze bezitten

slechts een aanzien verleenen, dat hun van de zijde der bevolking

veeleer uit vrees dan uit sympathie wordt toegekend.

Intusschen had don Juan zich in zijne zonderlinge denkbeelden zeer goed

weten te handhaven, en was iedere nieuwe graad dien hij verwierf

geenszins het dubbelzinnige loon, voor bewezen hulp, bij een of andere

welgeslaagde omwenteling ten behoeve van dezen of genen eerzuchtigen

generaal, maar de welverdiende prijs voor eene schitterende daad. Don

Juan behoorde tot die klasse van echte Mexicanen, die hun vaderland

opregt beminnen en die uit zuiver eergevoel steeds droomen van een

nationaal herstel, dat, zoo al niet onmogelijk, dan toch hoogst

moeijelijk te bereiken scheen.

De invloed van een regtschapen karakter is groot, zelfs op de

onverschilligste gemoederen, zoodat kapitein don Melendez de Gongora

geëerbiedigd werd door allen die met hem in aanraking kwamen, zelfs

door hen die hem het minst mogten lijden.

Overigens had de deugd van den kapitein niets overdrevens of

stijfzinnigs; hij was een rondborstig militair, opgeruimd en

dienstvaardig, dapper als zijn degen en altijd gereed om te helpen met

zijn arm en met zijne beurs, ieder, hetzij vriend of vijand, die zijne

hulp noodig had. Ziedaar physiek en moreel den man geteekend die de

kleine karavaan kommandeerde, en zijne bescherming had toegezegd aan

den monnik die aan zijne zijde reed.

Deze geestelijke broeder, van wien wij reeds met een enkel woord gewag

maakten, vordert hier eene nadere beschrijving.

Physisch beschouwd, was het een man van omtrent vijftig jaar, van

gestalte bijna even breed als hoog, niet ongelijk aan een vat dat op

pooten was gezet, en toch begaafd met ongewone kracht en vlugheid; zijn

paarsche neus, uitpuilende mond met hangende dikke onderlip, en bolle

vuurroode wangen, maakten zijn uitzigt joviaal, terwijl twee kleine,

grijze, diepliggende oogen, vol vuur en kloekzinnigheid, hem een zweem

gaven van onbezorgde luim en spotzucht.

Wat zijn moreel aangaat, verschilde hij niet veel van het gros der

overige monniken in Mexico, dat wil zeggen, hij was zoo dom als een

karper, een echte pater goedleven, hartstogtelijk gezet op eene vette

keuken, een fijne flesch en het schoone geslacht, en in den hoogsten

graad bijgeloovig; overigens een uitmuntend tafelvriend, hoogst

gezellig, in ieder gezelschap zijne plaats waard en altijd gereed om

een luimigen zet te geven of om die van anderen te lagchen.

Welk toeval hem thans zoo ver buiten de grenzen der beschaafde wereld

had gevoerd, was eene vraag die niemand wist te beantwoorden en daar

ook niemand zich mede bezig hield; iedereen kende de zwerfzucht der

Mexicaansche monniken, wier gansche leven bestaat in reizen en trekken,

van de eene plaats naar de andere, zonder bepaald doel en meestal

zooals hun eigen grillige luim het hun ingeeft.

Gedurende den tijd van ons verhaal, maakte Texas in vereeniging met de

provincie Cohahuila, nog slechts een enkelen staat uit, onder den naam

van Texas en Cohahuila.

De zwervers op de grenzen · 第 9 / 22 段