Op den weg, een paar mijlen voor de Venta uit, zag men als schier

onmerkbare zwarte stippen, verscheidene ruiters zich snel verwijderen

en op het punt van in het zooeven door ons genoemde bosch te

verdwijnen, een bosch, dat zich allengs tegen de helling der bergen

verhief, die het gansche tooneel als met prachtige lijst omsloten en

wier besneeuwde, steil afgebrokkelde kruinen met het azuur des hemels

ineensmolten.

De deur der Venta ging open en een jong officier trad zingend naar

buiten, gevolgd door een grooten dikbuikigen monnik met een vol en

blozend gezigt; achter hen op den drempel verscheen een bekoorlijk jong

meisje van achttien of negentien jaar, eene mollige blondine, met

blaauwe oogen en goudgeele haren, en vol gratie in al hare bewegingen.

„Kom, kom!” riep de kapitein—want de jonge officier droeg de

onderscheidingsteekenen van dezen rang—„wij hebben reeds te veel tijd

verloren. In den zadel!”

„Hum!” bromde de monnik, „wij hebben ons naauwelijks tijd gegund om te

ontbijten, wat maakt gij toch voor haast, kapitein?”

„Heilige man,” meesmuilde de officier, „als gij hier wilt blijven staat

het u vrij.”

„Neen, neen, ik vertrek met u!” schreeuwde de monnik met een gebaar van

schrik; „Caspita! ik wil mij uw geleide ten nutte maken.”

„Kom, haast u dan! want binnen vijf minuten geef ik order om te

vertrekken.”

De officier, na zijne oogen over de vlakte te hebben laten weiden, gaf

den oppasser een wenk om zijn paard te brengen, en sprong in den zadel

met al de vlugheid en zwier die den Mexicaanschen ruiters eigen zijn.

De monnik smoorde een zucht, hij dacht waarschijnlijk aan de gulle

gastvrijheid die hij verlaten zou, terwijl hij zich aan de gevaren van

eene verre reis ging blootstellen; met behulp van de arrieros gelukte

het hem eindelijk zich zoo goed of kwaad mogelijk op een muilezel te

hijschen, wiens ruggestreng merkbaar doorboog onder de vracht die hij

op zich kreeg.

„Oef!” hijgde de monnik, „ik ben er.”

„In den zadel!” kommandeerde de officier.

De dragonders gehoorzaamden oogenblikkelijk, en gedurende eenige

sekonden hoorde men niets dan een gekletter van ijzeren ringen en

klingen.

Het meisje daar wij zoo even van gewaagden, was tot dus ver zwijgend en

roerloos in de deur blijven staan. Zij scheen aan eene heimelijke

ontroering ten prooi, en wierp de blikken onrustig in ’t rond naar twee

of drie gambusinos (grensloopers) die achteloos met de schouders tegen

de Venta geleund, al de bewegingen der karavaan zorgvuldig gadesloegen;

toen echter de kapitein bevel zou geven om op te breken, trad zij

onbeschroomd nader en bood hem een brandenden zwavelstok aan:

„Officier,” zeide zij met een zachte welluidende stem: „uwe cigarette

is uit.”

„’t Is waarlijk waar!” antwoordde deze terwijl hij naar het meisje

bukte, en na den zwavelstok gebruikt te hebben, haar dien terug gaf met

een: „Ik dank u, mijn schoon kind.”

Het meisje maakte zich deze beweging, die haar hoofd digt bij dat van

den officier bragt, ten nutte, om hem snel deze twee woorden toe te

fluisteren:

„Wees op uwe hoede!”

„Hoe zoo?” riep hij, haar strak aanziende.

Maar zonder te antwoorden hield zij den wijsvinger voor hare

rozenlippen, keerde zich schielijk om en ijlde naar de Venta terug.

De kapitein rigtte zich op; hij fronste de zwarte wenkbraauwen, wierp

den twee of drie gambusinos die tegen den muur leunden een dreigenden

blik toe, maar schudde weldra fier het hoofd.

„Baba!” prevelde hij met minachting, „zij zouden niet durven.”

Thans trok hij zijn sabel, de blanke kling schitterde in de

zonnestralen, en hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep.

„Op marsch!” kommandeerde hij.

En zij reden weg.

De muildieren volgden de bel der nena (moederezel) en de dragonders

verdeelden zich rondom de recua (troep ezels), die zij geheel insloten.

De gambusinos, die het vertrek der karavaan hadden gadegeslagen,

volgden een poos met de oogen haar togt door de krommingen van het

bogtige pad, en keerden toen de een na den ander in de Venta terug.

Het jonge meisje zat alleen, op een taboeret en hield zich in schijn

ijverig bezig met het verstellen van een vrouwelijk kleedingstuk;

intusschen kon men aan eene snelle trilling die haar gansche ligchaam

bewoog, aan het hooge rood van haar voorhoofd en aan een schuwen blik

van onder haar lange wimpers, toen de landloopers binnenkwamen, wel

zien dat zij verre was van de kalmte te bezitten die zij voorwendde,

maar integendeel door eene heimelijke vrees werd gefolterd.

De gambusinos waren drie in getal. Het waren mannen in de kracht des

levens, met harde scherpgeteekende trekken, sluwe blikken en

onbeschofte manieren.

Zij droegen het gewone kostuum der Mexicaansche grensloopers en waren

welgewapend.

Zij namen plaats op een bank voor eene ruwe houten tafel; een van hen

sloeg krachtig met de vuist op de tafel, wendde zich naar het jonge

meisje en riep:

„Geef ons drank!”

Het meisje sidderde; zij zag schielijk op en vroeg:

„Wat verlangt gij, caballeros?”

„Mezcal.”

Zij stond haastig op om hen te bedienen. Maar toen zij weer heen wilde

gaan, hield de een, die haar om drank gevraagd had, haar bij haar japon

vast.

„Hoor even, Carmela,” riep hij.

„Laat mijn japon los, Ruperto,” zeide zij met een spijtig mondje, „gij

zult hem scheuren.”

„Loop!” riep hij met een ploertigen lach, „ziet gij mij nu voor zoo

onhandig aan?”

„Neen, maar uwe manieren bevallen mij niet.”

„O, ho! mijn mooije parkietje! gij zijt altijd zoo schuw niet.”

„Wat bedoelt gij daar mede?” vroeg zij blozende.

„Is het niet mooi genoeg dat ik het weet? Maar voor het oogenblik is

dit hier de vraag niet.”

„En wat is dan de vraag?” hervatte zij met geveinsde verwondering; „heb

ik u de mezcal niet gebragt die gij besteld hadt?”

„Ja, ja, maar ik heb u iets te zeggen.”

„Goed! zeg dan maar gaauw op, en laat mij los.”

„Hebt gij zooveel haast om mij te ontsnappen; vreest gij dan dat uw

liefje u zal komen overvallen, terwijl gij met mij spreekt?”

De kameraden van Ruperto begonnen te lagchen en het meisje zweeg een

oogenblik, blijkbaar verlegen.

„Ik heb geen liefje, Ruperto, dat weet ge zeer goed,” antwoordde zij

met tranen in de oogen, „het is slecht van u om een weerloos meisje te

beleedigen.”

„Goed, goed, huil maar niet! ik beleedig u immers niet, Carmela; wat

steekt daar voor kwaad in dat een mooi kind, zooals gij, een vrijer

heeft, al waren het er twee zelfs?”

„Laat mij los!” schreeuwde zij, met eene schielijke wending om zich los

te rukken.

„Niet voor dat gij eerst mijn vraag hebt beantwoord!”

„Doe dan die vraag, en maak er een eind aan.”

„Welnu, kleine wildzang, wees dan zoo goed en zeg mij eens wat gij met

dien fatterigen officier te fluisteren hadt.”

„Ik!” hervatte zij verlegen, „wat denkt gij dan dat ik hem gezegd heb?”

„Dat is juist de vraag, Niña, (meisje) ik denk niet dat gij hem iets

gezegd hebt, maar ik verlang te weten wat gij hem gezegd hebt.”

„Laat mij met vrede, Ruperto; gij schijnt lust te hebben om mij te

plagen.”

De Mexicaan keek haar scherp in de oogen.

„Ik laat mij niet met een kluitje in ’t riet sturen, mooije meid,”

hervatte hij droogjes; „wat ik u vraag is hoog ernstig.”

„Dat kan wel waar zijn, maar ik heb u niets te antwoorden.”

„Omdat gij wel weet dat gij ongelijk hebt.”

„Ik begrijp u niet.”

„Inderdaad niet! Komaan, dan zal ik het u nader uitleggen. Op het

oogenblik toen de officier vertrok, hebt gij hem gezegd: „Wees op uw

hoede!” durft gij dit ontkennen?”

Carmela werd bleek.

„Als gij mij zoo goed verstaan hebt,” poogde zij schertsend te zeggen,

„waarom vraagt gij het mij dan nog?”

De twee andere grensloopers keken verstoord op bij deze beschuldiging

van Ruperto; de zaak kwam hun thans ernstiger voor dan zij gedacht

hadden.

„Ha!” riep een van hen met drift, „zou zij dit werkelijk gezegd

hebben?”

Carmela wierp een angstigen blik in het rond als zocht zij een

beschermer, die er helaas niet was.

„Neen, neen! hij is er niet,” riep Ruperto om haar te plagen, „gij

zoekt te vergeefs.”

„Wie?” stotterde zij half van schaamte bij deze veronderstelling, half

uit vrees over haar gevaarlijken toestand.

„Wel hij!” antwoordde Ruperto met een boosaardigen grijns.

„Hoor eens, Carmela, gij hebt u reeds meer met onze zaken bemoeid dan u

betaamt, wees dus gewaarschuwd; ik zal u nog eens herhalen wat gij daar

straks tegen den kapitein gezegd hebt, en pas het u op u zelve toe.

Wees op uwe hoede!”

„Ja,” riep de tweede spreker brutaal, „want anders zouden wij wel eens

kunnen vergeten dat gij nog maar een kind zijt en er u duur voor laten

boeten.”

„Baba!” riep de derde, die tot dusver had zitten drinken, zonder zich

in het gesprek te mengen, „de wet moet voor allen gelijk zijn; heeft

Carmela ons verraden, dan moet zij gestraft worden.”

„Goed gezegd, Bernardo,” riep nu Ruperto terwijl hij met de vuist op de

tafel sloeg: „wij zijn juist genoegzaam in aantal om een vonnis uit te

spreken.”

„Mijn God!” riep het meisje zich met drift losrukkende uit de greep van

den man die haar tot dusver vasthield, „laat mij gaan, laat mij gaan.”

„Houd haar terug!” riep Ruperto opstaande, „anders gebeurt hier een

ongeluk!”

De drie mannen vlogen naar het meisje toe, dat half dood van schrik

vruchteloos de deur poogde te openen om weg te komen.

Maar op eens, terwijl de drie landloopers haar de ruwe handen reeds op

de schouders legden, werd de deur, die zij niet snel genoeg open had

kunnen krijgen, met kracht open geworpen en verscheen er een man op den

dorpel.

„Wat is hier toch te doen?” bromde hij met eene barsche stem, terwijl

hij met de armen op de borst gekruist, onbewegelijk op den dorpel staan

bleef en zijne blikken over de aanwezigen liet rondgaan.

Zijne stem klonk zoo dreigend en zijne oogen bliksemden zoo fel in het

rond, dat de drie verschrikte gambusinos werktuigelijk terugdeinsden

tot aan den muur, en niet anders riepen dan:

„De Jaguar! de Jaguar!”

„Red mij! o red mij!” kermde het meisje en vloog hem angstig te gemoet.

„Ja,” zeide hij met eene ernstige stem, „ik zal u redden, Carmela; wee

hem! die u een haar durft krenken.”

Haar minzaam in zijne armen nemende, droeg hij haar naar een butaque

(stoel), waar zij half bewusteloos op nederzonk.

De man dien wij hier zoo onverwachts ten tooneele voeren scheen nog

zeer jong; aan zijn blozend gezigt en baardelooze kin zou men hem voor

een onvolwassen knaap hebben aangezien, zoo zijne regelmatige, bijna

vrouwelijk zachte trekken niet verhoogd waren door een paar groote

zwarte oogen, wier gloeijende blik eene magnetische kracht bezat, die

maar weinige menschen konden verdragen, veel minder durfden weêrstaan

of trotseren.

Zijne gestalte was groot, maar tevens rank en vlug, zijne bewegingen

vol edelen zwier, zijne leden welgevormd en zijne borst breed. Zijne

lange haren, zwart als ravenwieken, kwamen rijkelijk onder den

eleganten, met goud galon geboorden vilthoed te voorschijn, en golfden

in volle lokken over zijne schouders.

Overigens droeg hij het kostuum der Mexicaansche edellieden zijne

calzoneras (of broek) van paars fluweel, tot boven de knie open, en met

een dubbele rij geciseleerde gouden knoopen versierd, lieten een paar

fraaije, krachtig gespierde beenen zien, die zwierig in wit zijden

kousen waren gestoken; zijn mango of mantel, achteloos over den linker

schouder geworpen, was met goud galon geboord; een gordel van wit

Chineesch krip omsloot zijne heupen en bevatte, behalve een paar

pistolen, een jagtmes zonder schede maar met breed en glinsterend

lemmer en hangende in een ring van gepolijst staal; een Amerikaansche

buks met zilver ingelegd hing aan een lederen band over zijn schouder.

Het gansche voorkomen van dezen man, hoe jong hij wezen mogt, had iets

bijzonder aantrekkelijks en maakte op elk die hem zag zulk een vreemden

en geweldigen indruk, dat men zich onwillekeurig door hem als

beheerscht gevoelde, en hem reeds bij de eerste ontmoeting, hetzij

beminnen of haten moest.

Niemand wist wie hij was of waar hij van daan kwam, zelfs zijn naam was

onbekend, zoodat men hem een bijnaam had moeten geven, dien hij zich

overigens liet welgevallen en zonder smaad beantwoordde.

Wat zijn karakter betreft, zullen de volgende tooneelen gelegenheid

genoeg geven hem te leeren kennen, zoodat wij ons voor het

tegenwoordige van eene nadere beschrijving ontslagen rekenen.

XII.

EEN GESPREK.

Intusschen was de eerste schrik, waarmede de verschijning van den

Jaguar de drie grensloopers naar den muur had gedrongen, allengs tot

bedaren gekomen; zoodra zij gezien hadden dat de man dien zij sinds

lang gewoon waren te vreezen, hen niet scheen te willen deeren, keerde,

zoo al niet hun moed, dan toch hunne onbeschaamdheid terug.

Ruperto, de vermetelste van de drie, was de eerste die zijne

koelbloedigheid herkreeg, en toen hij zag dat de man die hem zooveel

schrik had aangejaagd, maar alleen was, en dus de overmagt aan hunne

zijde bleef, trad hij stout naar hem toe.

„Rayo de dios!” begon hij op brutalen toon, „laat die feeks aan ons

over, zij heeft niet alleen verdiend wat er reeds gebeurd is, maar wat

meer zegt, de straf die wij onmiddellijk over haar zullen uitspreken.”

De Jaguar sprong op alsof hem een slang gestoken had, en den spreker

met een dreigenden blik over zijn schouder aanziende, zeide hij:

„Zeg! is het tegen mij dat gij zoo spreekt?”

„Tegen wien anders?” hernam de andere onbeschaamd, ofschoon hij

inwendig reeds begon te beven over de manier waarop zijn uitval scheen

te worden opgenomen.

„Zoo!” antwoordde de Jaguar, en zonder er een woord meer bij te voegen,

trad hij langzaam naar Ruperto, dien hij onder zijn blik als

gekluisterd hield en die hem van oogenblik tot oogenblik met klimmenden

angst zag naderen.

Op een el afstand van den gambusino bleef de jongman staan.

Dit tooneel, hoe onbeduidend in schijn, had intusschen voor de

omstanders eene vreesselijke beteekenis; aller borst hijgde, en aller

voorhoofd was doodsbleek.

De Jaguar, insgelijks zoo wit als een doode, met zaamgeknepen lippen,

vlammende oogen en gefronste wenkbraauwen, hief den arm op om Ruperto

aan te grijpen, die door schrik bevangen, geen lid kon verroeren om

zich aan dien arm te onttrekken, ofschoon hij wist dat er zijn leven

mede gemoeid was.

Plotseling sprong Carmela als eene verschrikte hinde tusschen hen.

„O!” riep zij uit, terwijl zij de handen biddend zamenvouwde, „ontferm

u over hem; om ’s hemels wil! dood hem niet.”

Het gelaat van den jongman veranderde oogenblikkelijk en nam eene

uitdrukking van onmiskenbare zachtzinnigheid aan.

„Het zij zoo!” zeide hij, „omdat gij het verlangt, zal hij niet

sterven; maar hij heeft u beleedigd, Carmela, hij moet gestraft worden.

Kniel! ellendeling,” vervolgde hij tegen Ruperto, hem de zware hand op

den schouder drukkende: „Kniel neer! zeg ik, en vraag deze engel om

vergeving.”

Ruperto zakte in elkander meer dan hij knielde onder het gewigt van die

ijzeren hand, hij viel voor de voeten van het meisje neer en prevelde

met een bevende stem:

„Vergeving! vergeving!”

„Genoeg!” riep nu de Jaguar op denzelfden vreesselijken toon, „sta op

en dank God, dat gij voor ditmaal aan mijne wraak ontsnapt zijt. Open

de deur, Carmela!”

Het meisje gehoorzaamde.

„Te paard!” vervolgde de jongman, „wacht mij aan de Rio-Seco, en

niemand van u verzette een voet voor dat ik kom, op straffe des doods;

gaat!”

De drie gambusinos bogen het hoofd en vertrokken zonder te antwoorden:

eenige oogenblikken later hoorde men den doffen galop der paarden op

den zandweg zich snel verwijderen.

De twee jongelieden bleven in de Venta alleen.

De Jaguar zat voor de tafel waar eenige oogenblikken vroeger de drie

grensloopers nog zaten te drinken; hij verborg zijn hoofd met de beide

handen en scheen in ernstige gedachten verzonken.

Carmela beschouwde hem met eene mengeling van schroomvalligheid en

vrees, zonder hem een woord te durven toespreken.

Eindelijk, na verloop van vrij langen tijd, hief de jongman het hoofd

op en zag om zich heen, als ontwaakte hij uit een diepen slaap.

„Zijt gij alleen hier gebleven?” vroeg hij haar.

„Ja,” antwoordde zij zacht.

„Ik dank u, Carmela, gij zijt goed, gij alleen houdt van mij, terwijl

al de anderen mij haten.”

„Heb ik geen gelijk?”

De Jaguar glimlachte droevig, maar antwoordde niet op hare vraag dan

door een wedervraag, de gewone taktiek van menschen die hunne gedachten

niet willen opleggen.

„Zeg mij nu eens ronduit, wat is er toch tusschen u en die armzalige

kerels voorgevallen?”

Het meisje aarzelde een poos, maar eindelijk nam zij een koen besluit

en bekende dat zij den jongen officier had aanbevolen om op zijne hoede

te zijn.

„Gij deedt er verkeerd aan,” zeide de Jaguar gestreng, „uwe

onvoorzigtigheid kan ernstige gevolgen na zich slepen; evenwel kan ik

het u niet kwalijk nemen: gij zijt vrouw en weet derhalve van een

aantal dingen niets af; maar zeg, zijt gij hier alleen?”

„Gansch alleen.”

„Welk eene onvoorzigtigheid! Is het mogelijk dat Tranquille u hier

alleen kan laten?”

„Zijn pligt roept hem op dit oogenblik naar de Mesquito, waar hij

binnen weinige dagen eene groote jagt moet houden.”

„Zoo! Maar Quoniam had ten minste bij u moeten blijven.”

„Hij kon niet, Tranquille had zijne hulp noodig.”

„’t Is of er de duivel onder speelt,” riep de Jaguar ontevreden, „men

moet wel gek zijn om een jong meisje zoo weken achtereen alleen te

laten in een Venta, te midden eener eenzame wildernis.”

„Ik was niet alleen, ze hebben Lanzi bij mij gelaten.”

„Ah! En waar is hij gebleven?”

„Even voor zonsopgang heb ik hem uitgezonden, om eenig wild te

schieten.”

„O ja! alles heel mooi om te hooren; en zoo zijt gij hier alleen

gebleven om ten doel te staan aan de grofheden of mishandelingen van

den eersten gemeenen kerel den beste, die goedvindt om u te

beleedigen.”

„Ik dacht niet dat er eenig gevaar in stak.”

„Nu hebt gij het beter leeren inzien, hoop ik?”

„O!” riep zij met blijkbaren afschrik, „dat zal nooit meer gebeuren,

daar zweer ik op.”

„Goed; maar stil! ik geloof dat ik den stap van Lanzi hoor.”

Zij luisterde aan de deur.

„Ja,” riep zij, „daar komt hij.”

Werkelijk kwam de man de kamer binnen.

Het was iemand van omtrent veertig jaar, kloek en schrander van

uitzigt. Hij had een prachtig damhert om zijne schouders hangen,

omtrent op dezelfde wijs als de Zwitsersche jagers een geschoten gems

dragen; in zijne regterhand hield hij zijn geweer.

Hij scheen min of meer teleurgesteld toen hij den jongen man zag, doch

maakte eene ligte buiging en legde zijn wild op tafel.

„O, ho!” riep de Jaguar op een toon van vrolijken scherts; „gij schijnt

een schoone jagt te hebben gemaakt, Lanzi; zijn er veel damherten in de

vallei?”

„Ik heb een tijd gekend toen er wat meer waren,” antwoordde hij

gemelijk; „maar kom nu eens,” vervolgde hij hoofdschuddend; „het is al

wel, als een arme jager er een of twee op een dag schiet.”

De jongman glimlachte.

„Ze zullen wel eens wederkomen,” zeide hij.

„Neen, neen,” riep Lanzi, „als damherten eens zijn afgeschrikt, komen

ze niet meer terug naar de streek die zij verlaten hebben; waarom

zouden zij zoo dwaas zijn.”

„Dan moet gij het maar voor lief nemen, vriend, en u troosten.”

„Wel dat doe ik immers al?” bromde hij, zich ontevreden omkeerende.

Na deze woordenwisseling nam hij zijn vangst weder op zijne schouders

en ging naar eene andere kamer.

„Lanzi is van daag niet zeer beminnelijk,” merkte de jongman aan zoodra

hij met Carmela alleen was.

„Het valt hem tegen, dat hij u hier vindt.”

De jongman fronste de wenkbraauwen.

„Waarom dat?” vroeg hij.

Carmela kreeg een blos en sloeg de oogen neer, zonder te antwoorden.

„Ik begrijp het wel,” zeide hij eindelijk; „er is iemand die mij niet

gaarne in deze herberg ziet, misschien is hij het wel.”

„Waarom hij juist?” vroeg zij, „hij heeft hier immers niets te zeggen.”

„Dat is zoo; nu, dan moet het uw vader zijn, raad ik het niet?”

Het meisje knikte toestemmend.

De Jaguar stond driftig op en trad met groote stappen de zaal der Venta

op en neer, met het hoofd op de borst en de handen op den rug. Na deze

exercitie, die Carmela met onrustigen blik volgde, eenige minuten te

hebben voortgezet, bleef hij plotseling voor haar staan, sloeg de oogen

op en vroeg terwijl hij haar scherp in de oogen keek:

„En u Carmela, mishaagt het u ook dat ik hier ben?”

Het meisje zweeg.

„Antwoord,” hervatte hij.

„Dat heb ik nooit gezegd,” prevelde zij aarzelend.

„Neen,” riep hij met een bitteren glimlach, „maar gij denkt het toch,

Carmela, en het ontbreekt u alleen aan den moed om het in mijn

aangezigt te zeggen.”

Zij hief schielijk het hoofd op.

„Gij zijt onregtvaardig jegens mij,” antwoordde zij met zenuwachtige

drift, „onregtvaardig en onbillijk. Waarom zou ik u van hier

wegwenschen? Nooit hebt gij mij kwaad gedaan, integendeel, ik heb u

altijd gereed gevonden om mij te verdedigen; zelfs heden nog hebt gij

niet geaarzeld mij voor de mishandelingen te beveiligen daar

slechtaards mij mede dreigden.”

„Ha! dat bekent gij dus?”

„Waarom zou ik het niet bekennen, daar het waarheid is? Houdt gij mij

voor ondankbaar?”

„Neen, Carmela; maar gij zijt eene vrouw,” riep hij min of meer scherp.

„Ik begrijp niet wat gij zeggen wilt, en ik wil het niet begrijpen. Ik

alleen hier, als mijn vader, of Quoniam, of wie het ook wezen mag u

beschuldigt, neem uwe verdediging op mij. Is het mijne schuld of kan ik

het helpen, dat gij door uw karakter en door het geheimzinnig leven dat

gij leidt, u buiten de gewone zamenleving sluit? Ben ik

verantwoordelijk voor het stilzwijgen, dat gij zoo halstarrig bewaart

omtrent alles wat u persoonlijk aangaat? Gij kent mijn vader, gij weet

hoe goed, opregt en braaf hij is; menigmaal heeft hij u van ter zijde

om eene ronde verklaring aangezocht, maar altijd hebt gij zijne

vorderingen afgewezen. Wijt het dus alleen aan u zelven, als men u

algemeen zoekt te ontwijken, en gij u zelven eene eenzaamheid schept,

maar geenszins aan mij, de eenige persoon die u tot dusver tegen allen

heeft durven verdedigen.”

„’t Is waar,” antwoordde hij mismoedig, „ik ben een dwaas, ik beken

mijn ongelijk jegens u, Carmela, want gij spreekt naar waarheid; onder

zoo velen, zijt gij de eenige die altijd goed en zachtzinnig waart

tegen den verstooteling die door den algemeenen haat vervolgd wordt.”

„Een haat even dom als onregtvaardig.”

„En dien gij niet deelt, niet waar?” riep hij onverwachts.

„Neen, ik deel dien niet, alleen hindert mij uwe stijfhoofdigheid; want

ondanks alles wat men van u vertelt, geloof ik dat gij goed zijt.”

„Ik zeg u dank, Carmela; ik wenschte wel u oogenblikkelijk te kunnen

bewijzen dat gij gelijk hebt en dat de anderen, die mij lafhartig in

mijne afwezigheid bekladden, terwijl zij in mijn bijzijn voor mij

sidderen, ongelijk hebben; ongelukkigerwijs is dit voor het

tegenwoordige onmogelijk, maar eenmaal hoop ik zal de dag komen, waarop

het mij geoorloofd zal zijn mij te laten kennen voor hetgeen ik ben, en

het masker af te werpen dat mij bezwaart; en dan....”

„Dan?” herhaalde zij, toen zij zag dat hij ophield.

Hij aarzelde een poos.

„Dan,” vervolgde hij met eene gesmoorde stem, „dan zou ik u eene vraag

willen doen en een verzoek voorstellen.”

Het meisje kreeg een ligten blos, maar zich terstond herstellende zag

zij hem aan.

„Gij zult mij bereid vinden om beiden te beantwoorden,” murmelde zij

naauwelijks hoorbaar.

„Zoudt gij dat inderdaad?” riep hij met vreugde.

„Ik zweer het u.”

Een glans van genoegen verhelderde het gelaat van den jongman.

„Goed! Carmela,” zeide hij op hartelijken toon, „als het oogenblik daar

is, zal ik u aan uwe belofte herinneren.”

Zij boog het hoofd ten bewijze van stilzwijgende toestemming.

Er volgde een poos stilte. Het meisje ging aan hare huiselijke

bezigheid en behandelde die met de luchtigheid en jagende drift die aan

de vrouwen bijzonder eigen is; de Jaguar wandelde in de kamer op en

neer met een nadenkend gezigt; na eenige minuten opende hij de deur en

keek naar buiten.

„Ik moet vertrekken,” zeide hij.

Zij wierp hem een uitvorschenden blik toe.

„Ach!” riep zij.

„Ja; o wees zoo goed en zeg aan Lanzi dat hij Santiago voor mij gereed

maakt; als ik het hem zelf zeg zal hij het misschien minder graag doen;

ik meen gezien te hebben dat ik bij hem uit de gratie ben.”

„Ik zal gaan,” zeide zij met een lach.

De jongman zag haar na terwijl zij heenging en smoorde een zucht.

De zwervers op de grenzen · 第 8 / 22 段