hetwelk de Apen-Kop onrustig heen en weder wandelde.
De beide mannen namen plaats bij de andere opperhoofden en ontstaken
mede hunne pijpen; maar hoezeer hunne komst door allen met ongeduld was
verbeid, sprak niemand tot hen, daar de Indiaansche etiquette streng
verbood dat een opperhoofd het woord nam eer de calumet geheel was
uitgerookt.
Zoodra echter het Zwarte-Hert zijne pijp uit had, schudde hij de asch
op zijn duim, stak het riet in zijn gordel en begon te spreken.
„De last der Sachems is door ons volbragt,” zeide hij, „de bloedige
pijlen zijn aan de Bleekgezigten toegeworpen.”
De opperhoofden bogen, ten bewijze van goedkeuring, bij dit berigt.
De Apen-Kop trad nader.
„Heeft mijn broeder het Grijze Hoofd gezien?” vroeg hij.
„Ja!” antwoordde het Zwarte-Hert.
„En wat denkt mijn broeder?” hernam de Apen-Kop dringend.
Het Zwarte-Hert wierp hem een dubbelzinnigen blik toe.
„Wat het opperhoofd denkt is op dit oogenblik van weinig beteekenis,”
antwoordde hij, „nu de raad der Sachems tot den oorlog besloten heeft.”
„De nachten zijn lang,” zei thans de Blaauwe-Vos, „blijven mijne
broeders hier zitten rooken?”
Tranquille nam het woord.
„De Lang-Messen zijn op hunne hoede, zij waken op dit oogenblik; dat
mijne broeders te paard stijgen en zich terugtrekken, het uur is niet
gunstig.”
Al de opperhoofden gaven een teeken van toestemming.
„Ik ga op verkenning uit,” zei de Apen-Kop.
„Goed!” antwoordde het Zwarte-Hert met een spottenden grijnslach, „mijn
broeder is knap, hij ziet vele dingen, hij zal ons berigt geven.”
De Apen-Kop maakte zich gereed om het paard te bestijgen dat een der
krijgslieden hem bragt, maar op eens stond het Zwarte-Hert op, snelde
naar hem toe, en hem met de hand ruw op den schouder drukkende, dwong
hij hem op den grond neder te knielen.
Door dezen onverwachten aanval verschrikt, daar zij de reden niet van
bevroedden, staarden de krijgslieden elkander verbaasd aan, zonder
nogtans eene poging te wagen om zich tusschen de beide opperhoofden te
stellen.
De Apen-Kop hief woest het hoofd op.
„Heeft de geest des kwaads mijn broeder de hersens gekrenkt?” riep hij,
terwijl hij zich vruchteloos poogde te ontwringen aan de ijzeren vuist
die hem op den grond als gekluisterd hield.
Het Zwarte-Hert glimlachte onheilspellend en nam zijn scalpeermes uit
zijn gordel.
„De Apen-Kop is een verrader,” zeide hij met eene sombere stem, „hij
heeft zijne broeders aan de Bleekgezigten verkocht, hij moet sterven.”
Het Zwarte-Hert was niet slechts een vermaard krijgsman, maar zijne
wijsheid en regtschapenheid waren bij zijne stamgenooten met regt
beroemd; niemand twijfelde dus aan de beschuldiging die hij had
uitgebragt, terwijl de Apen-Kop daarentegen sedert langen tijd als een
boosdoener te boek stond.
Het blaauwe lemmer van den Sachem flikkerde een oogenblik in het licht
van den haard, toen de Sachem den doodelijken stoot meende toe te
brengen, maar door eene geweldige poging gelukte het den Apen-Kop zich
aan zijn greep te ontrukken, en als een wild dier sprong hij de
struiken in en verdween met een snerpenden schaterlach.
Het mes was maar even door de huid gegaan, zonder den vluggen Indiaan
een ernstige wond te veroorzaken.
Er volgde een oogenblik van verstomming, toen stonden allen op om den
vlugteling te vervolgen.
„Halt! blijft!” riep op eens de Canadees met eene krachtige stem, „het
is te laat. Haast u slechts om de Bleekgezigten aan te vallen, eer de
ellendeling tijd heeft om hen te waarschuwen, daar hij gewis op nieuw
verraad bedacht is.”
De opperhoofden erkenden de juistheid van dezen raad en de Indianen
bereidden zich tot den strijd.
X.
HET GEVECHT.
Inmiddels had de kapitein Watt, zoo als wij vroeger reeds gezegd
hebben, al de leden der kolonie op het plein voor den toren verzameld.
Het aantal zijner strijders bedroeg in alles twee en zestig, de vrouwen
er bij gerekend.
De Europesche dames zullen het misschien vreemd vinden dat wij ook de
vrouwen onder het getal der strijders opnemen; werkelijk schijnt in de
oude wereld de tijd der Marphises, Jeanne d’Arcs en Bradamantas
gelukkig voor altijd voorbij te zijn, en is mitsdien het schoone
geslacht, dank zij de beschaving, niet meer verpligt om in
krijgsdapperheid met de mannen te wedijveren.
In Noord-Amerika, althans in het tijdvak van ons verhaal, en zelfs nog
heden ten dage in de prairiën en op de koloniën, is dit anders; zoo
vaak daar de oorlogskreet der Indianen onverhoeds den eenzamen planters
in de ooren dringt, zijn de vrouwen verpligt den arbeid harer sekse te
verlaten, om met teedere hand het wapen te grijpen en zich
onverschrokken tot verdediging van het gemeenschappelijk welzijn te
weer te stellen.
Wij zouden, des gevorderd, een groot aantal dezer heldinnen met
zachtzinnige oogen en engelachtige blikken kunnen aanvoeren, die door
de gelegenheid geroepen, dapperlijk hun pligt deden en als echte
duivelinnen tegen de Indianen gestreden hebben.
Mistress Watt was geen heldin, verre van daar, maar zij was de vrouw en
de dochter van een soldaat, zij was geboren en opgevoed aan de
Indiaansche grenzen, meer dan eens had zij kruid geroken en bloed zien
stroomen; wat meer zegt, zij was moeder. Zij werd geroepen om hare
kinderen te verdedigen; kon zij minder doen dan eene wolvin voor hare
welpen? Al hare teedere schroomvalligheid was geweken, om plaats te
maken voor koelzinnige en krachtige besluiten.
Door haar voorbeeld vuurde zij de andere vrouwen der kolonie aan, en
allen hadden zich weldra gewapend, vast besloten om naast hare
echtgenooten en vaders te strijden.
Wij herhalen dus, dat de kapitein over tweeënzestig gewapenden zoo
vrouwen als mannen beschikken kon.
In ’t eerst poogde hij zijne vrouw iedere deelneming aan den strijd af
te raden; maar het zachtzinnige schepsel, dat hij tot hiertoe altijd
zoo bedeesd en gehoorzaam gekend had, weigerde ronduit haar voornemen
op te geven, en de kapitein was genoodzaakt om haar stil te laten
begaan.
Hij nam thans de noodige maatregelen tot tegenweer.
Vijfentwintig kloeke mannen werden op de wallen verdeeld, onder bevel
van Bothrel. De kapitein zelf behield onder zijn eigen kommando een
tweeden troep van vierentwintig jagers, om op alle punten dienst te
doen waar de nood het vorderen zou. De vrouwen, onder aanvoering van
Mistress Watt, waren bestemd om den toren te verdedigen, waar men de
kinderen en de zieken in opsloot, en zoo wachtte men de komst der
Indianen af.
Het was omtrent een ure in den morgen toen de Canadeesche jager en het
Zwarte-Hert de kolonie verlieten, en tegen half drie was alles voor de
verdediging gereed.
De kapitein deed voor het laatst de ronde op de verschansingen, ten
einde zich te overtuigen dat alles in orde was; daarna werden al de
vuren gedoofd, en nu trok hij heimelijk uit de kolonie, door eene
verborgene deur in den buitenwal, daar hij en Bothrel alleen kennis van
droegen.
Een plank werd over de gracht gelegd en de kapitein ging er over,
gevolgd door Bothrel en een Kentuckiër met name Bob, een moedige
breedgeschouderde knaap, dien wij reeds eenmaal gelegenheid hadden op
te merken.
De plank werd zorgvuldig geborgen, om bij hunne terugkomst weder te
dienen, en de drie mannen slopen in de duisternis voort als drie
nachtspoken.
Toen zij tot op omtrent honderd passen van de kolonie gevorderd waren
bleef de kapitein staan.
„Mijneheeren,” zeide hij hun, zoo zacht dat zij verpligt waren hem te
naderen om het te verstaan, „ik heb u uitgekozen, omdat wij een
gevaarlijk waagstuk beginnen, en ik daarbij de hulp van een paar
wakkere mannen noodig had.”
„Waar is het om te doen?” vroeg Bothrel.
„De nacht is zoo donker dat die vervloekte Roodhuiden, als zij wilden;
tot aan den rand der gracht zouden kunnen komen zonder dat wij er iets
van merkten; ik heb dus besloten om al het hakhout in brand te steken
dat wij hier en daar op hoopen hebben gestapeld. Men moet als de nood
het vereischt opofferingen weten te doen, door deze vuren, die lang
genoeg branden zullen, zal er zooveel licht in de vallei worden
verspreid, dat wij onze vijanden op verren afstand kunnen zien aankomen
en dus met te meer zekerheid op hen schieten.”
„Een uitmuntend idee!” riep Bothrel.
„Ja,” hernam de kapitein, „maar ontveinzen wij ons niet, dat het tevens
zeer gevaarlijk is; de Indiaansche landloopers zijn reeds in de vlakte
verspreid, ja misschien reeds digt in onze nabijheid, en zoodra wij,
nadat wij twee of drie hoopen in brand hebben gestoken, hen zien,
kunnen wij zeker zijn dat zij ons evenzeer zien. Gebruiken wij derhalve
de noodige voorzorgen; elk van ons moet een gedeelte van de taak op
zich nemen, en door de snelheid onzer bewegingen zullen wij de listen
dezer duivels zoeken te verschalken; onthoudt dus dat wij ieder
afzonderlijk handelen en elk vier of vijf vuren moeten ontsteken,
zonder op elkanders hulp te rekenen. Aan ’t werk!”
De vuurmiddelen en ontvlambare stoffen werden nu tusschen de drie
mannen verdeeld en zij gingen van elkander.
Vijf minuten later zag men een houtstapel ontvlammen, toen een tweede,
en een derde, en na verloop van een kwartier waren er tien vuren in
brand.
In ’t eerst zwak, schenen zij eenige minuten te weifelen, maar van
lieverlede werd de vlam grooter, nam toe in kracht, en weldra was de
gansche vlakte door den rooden gloed dezer ontzaggelijke brandfakkels
verlicht.
De kapitein en zijne kameraden waren in hunne onderneming boven
verwachting voorspoedig geweest, daar het hun gelukt was al de
houtstapels in de vallei te ontsteken, zonder de aandacht der Indianen
te wekken; zij haastten zich nu al wat zij loopen konden naar de
verschansing terug. Het werd tijd, want op eens weergalmde achter hen
een vreesselijke oorlogskreet en verscheen er aan den zoom van het
bosch een talrijke troep Indiaansche ruiters, die in vollen galop en
onder het zwaaijen hunner wapenen als woeste duivels op hen aanreden.
Zij kwamen echter te laat om de Amerikanen in handen te krijgen, daar
deze de gracht reeds over waren en zich achter hunne verschansing in
veiligheid hadden gesteld.
Een levendig geweervuur begroette de Indianen. Verscheidene van hen
tuimelden van hunne paarden, terwijl de anderen den teugel wendden en
inderijl terugtrokken.
De strijd was thans werkelijk begonnen, ofschoon de kapitein er zich
niet erg ongerust over maakte; door zijn gelukkigen inval was eene
verrassing onmogelijk geworden, en kon men de gansche vlakte overzien
zoo helder als bij dag.
Er volgde een poos stilte, die de Amerikanen zich ten nutte maakten om
hunne geweren te herladen.
De kolonisten waren een oogenblik ongerust geweest, toen zij zoovele
vuren, het een na het andere in de vallei zagen ontbranden; zij dachten
aan een krijgslist der Indianen, maar werden weldra door den kapitein
uit den droom geholpen, en nu wenschten zij zich geluk met dezen
schranderen maatregel, die hen in staat stelde om bijna met ieder schot
hun man te treffen.
Intusschen hadden de Pawnees hun aanval niet opgegeven; naar alle
waarschijnlijkheid waren zij slechts teruggetrokken om hun plan nader
te overwegen.
De kapitein stond met den schouder tegen de palissaden geleund en den
blik onafgewend op de vlakte gerigt, toen hij op eens in een afgelegen
maïsveld, dat omtrent twee geweerschoten van de kolonie verwijderd was,
eene verdachte beweging opmerkte.
„Geeft acht!” riep hij uit, „de vijand komt.”
Allen hielden zich gereed, met de hand aan den trekker.
Op eens hoorde men een dof gedruisch, en de meest verwijderde
houtstapel stortte krakend ineen onder het verspreiden van duizende
vonken.
„Duivels!” riep de kapitein, „daar ginder zijn de Indianen bezig; ’t is
onmogelijk dat die houtstapel reeds uitgebrand zou zijn.”
Op hetzelfde oogenblik stortte een tweede in, bijna onmiddellijk
gevolgd door een derde; en toen door een vierde.
Er viel aan de oorzaak dezer opeenvolgende instortingen niet langer te
twijfelen; de Indianen, die hunne bewegingen door het schijnsel dezer
monsterachtige vuurbaken verijdeld zagen, hadden het eenvoudige middel
te baat genomen om ze uit te dooven, hetgeen zij gemakkelijk konden
doen, daar deze buiten het bereik der buksen gelegen waren.
Naauwelijks omvergeworpen, werd het hout naar alle zijden verstrooid en
ging het van zelve uit.
Deze behendige manoeuvre stelde de Indianen in de gelegenheid om de
palissaden vrij digt te naderen, zonder gezien te worden.
Intusschen waren al de houtstapels niet omvergehaald, want die er nog
overbleven lagen te digt bij de kolonie en konden door het vuur der
belegerden worden beschermd.
De Pawnees deden echter eene poging om ook dezen uit te blusschen, maar
werden met heftig geweervuur ontvangen; eene hagelbui van kogels
stortte zich op de aanvallers, zoodat zij na eenige minuten stand
gehouden te hebben, gedwongen werden te vlugten; want een andere naam
kon op hun overhaasten aftogt niet worden toegepast.
De Amerikanen juilden de vlugtelingen na met honend gelach en daverende
spotkreten.
„Ik geloof dat zij onze soep te heet vinden,” zei Bothrel snaaksch, „de
goede lui beklagen zich dat zij er de vingers in hebben gestoken.”
„Inderdaad,” dacht de kapitein, „zij zullen voor dezen keer niet veel
lust hebben om terug te komen.”
De kapitein bedroog zich; want eenige minuten daarna keerden de
Indianen in vliegenden galop terug. Door niets te stuiten en zonder
zelfs het geweldige geweervuur te beantwoorden, dat hen decimeerde,
kwamen zij tot aan den rand der gracht.
Naauwelijks hielden zij daar een oogenblik stil, of zij zwenkten
onmiddellijk om, en renden even snel terug als zij gekomen waren, maar
niet zonder op hun pad een groot aantal dooden achter te laten, die
door de kogels der Amerikanen waren neergeschoten.
De Pawnees hadden echter hun oogmerk volkomen bereikt, en de blanken
begrepen spoedig tot hun groote teleurstelling, dat zij zich al te ras
met eene gemakkelijke overwinning gevleid hadden.
Ieder ruiter namelijk had een krijgsman te voet achter zich op het
paard gezet, die, zoodra zij tot aan de gracht waren genaderd, afstegen
en terstond van de verwarring, de duisternis en den kruiddamp gebruik
makende, zich zoo goed of kwaad mogelijk achter gevallen boomstammen en
oneffenheden van den bodem in veiligheid stelden, om van daar den
vijand te bestoken. Zoodra dus de rook was opgetrokken, werden de
Amerikanen, die zich boven de verschansing vertoonden, om te zien wat
hun musketvuur op den vijand had uitgewerkt, op hunne beurt door eene
hagelbui van kogels en pijlen begroet, die vijftien der belegerden
buiten gevecht stelden.
Deze onverwachte aanval, van onzigtbare vijanden, bragt onder de
Amerikanen eene geweldige verwarring en schrik te weeg.
Vijftien man in een enkelen slag te verliezen, was een ontzettende ramp
voor de kolonisten; de krijg begon nu een verontrustend aanzien te
verkrijgen en dreigde in eene nederlaag te zullen eindigen, want nooit
hadden de Indianen zooveel geestkracht en verbittering bij een aanval
aan den dag gelegd; er viel niet langer te aarzelen, de vermetele
vijanden moesten tot iederen prijs worden verdreven uit de hinderlaag
waar zij zich zoo behendig genesteld hadden.
De kapitein besloot er toe.
Hij verzamelde een twintigtal onverschrokken mannen, en terwijl de
overigen tot verdediging der schans achterbleven, liet hij de brug
nederzakken en stormde met zijne keurbende naar buiten.
Nu raakten de beide vijanden onmiddellijk handgemeen; men streed met
blank geweer en man tegen man.
De kamp was vreeselijk; roodhuiden en blanken kronkelden als
bloeddorstige slangen dooreen: dronken van woede en door haat verblind,
zocht ieder zijn weerpartij te treffen; het koude staal glinsterde en
kletterde, en de grond werd met dooden en stervenden bezaaid....
Op eens werd het bloedige tooneel door een groot licht overschenen, en
verhief zich uit de kolonie een schrikkelijk noodgeschrei.
De kapitein keek om, hij slaakte een wanhopigen kreet bij het akelig
schouwspel dat zich aan zijne verbaasde oogen voordeed.
De toren en de voornaamste gebouwen stonden in brand; in het schijnsel
der vlammen zag men de Indianen als duivels rondspringen en de
kolonisten vervolgen, die hier en daar in groepen verdeeld, nog
hopeloos weerstand poogden te bieden.
Ziehier wat er gebeurd was.
Terwijl het Zwarte-Hert, de Blaauwe-Vos en de andere opperhoofden, van
voren de kolonie aanvielen, hadden Tranquille en Quoniam, met een
vijftigtal uitgelezen krijgslieden, zich in eenige praauwen van
bisonshuid ingescheept en in stilte den stroom af laten drijven om haar
van achteren aan den rivierkant binnen te dringen, waar zij geheel
onbewapend en open lag. Onopgemerkt en zonder zelfs het minste alarm te
verwekken waren zij aan land gestapt, hetgeen hun des te gemakkelijker
viel, daar de Amerikanen volstrekt geen gevaar of overrompeling
vreesden van de zijde der Missouri.
Om hier geen blaam van zorgeloosheid op den kapitein te werpen, moeten
wij zeggen dat hij dit punt niet geheel zonder verdediging had gelaten,
hij had er werkelijk een paar schildwachts geplaatst; ongelukkig
echter, in de verwarring die op den laatsten aanval der Indianen was
gevolgd, hadden de schildwachts, in den waan dat er van de rivierzijde
niets te vreezen was, hun post verlaten, om zich naar het punt te
begeven waar zij dachten dat het gevaar het meest dreigde, en hunne
vrienden op de verschansing bij te staan.
Deze onvergeeflijke misslag bragt de verdedigers ten verderve;
Tranquille ontscheepte zijn troep zonder slag of stoot.
De Pawnees eenmaal in de kolonie binnengedrongen, wierpen brandende
fakkels op de houten gebouwen, hieven hun oorlogskreet aan en stormden
naar de wallen; waar zij de Amerikanen in den rug vielen, en dus
tusschen twee vuren bragten.
Tranquille, Quoniam en eenige krijgslieden die bij hen waren gebleven,
snelden naar den toren.
Mistress Watt, ofschoon onverhoeds overvallen, hield zich echter gereed
om den post die haar was toevertrouwd moedig te verdedigen.
De Canadees naderde haar met opgeheven armen, ten teeken van vrede.
„Geef u over, in ’s Hemels naam!” riep hij, „of gij zijt verloren: de
kolonie is ons.”
„Neen,” antwoordde zij koelbloedig, „ik geef mij niet over aan een
lafaard, die zijne broeders verraadt om partij voor de heidenen te
kiezen.”
„Gij beoordeelt mij onbillijk,” antwoordde de jager treurig, „ik kom u
redden!”
„Ik wil door u niet gered zijn!”
„Ongelukkige vrouw, al is het niet om u zelve, doe het dan om uwe
kinderen; gij ziet, de toren staat reeds in brand.”
De jonge vrouw sloeg de oogen op, gaf een akeligen gil en liep ijlings
naar het inwendige van het gebouw.
De overige vrouwen, die op het woord van den jager vertrouwden, boden
geen weerstand en gaven hare wapenen af.
Tranquille stelde deze arme vrouwen onder de bescherming van Quoniam,
aan wien hij eenige krijgslieden toevoegde, en verwijderde zich toen
met allen spoed, om het bloedbad te doen eindigen, dat op de overige
punten der kolonie nog voortduurde.
Quoniam trad in den toren, waar hij Mistress Watt half wezenloos vond
zitten, met hare twee kinderen, die zij met kracht in hare armen
geklemd hield. De brave neger nam haar op en droeg haar naar buiten;
daarna verzamelde hij al de andere vrouwen en kinderen en bragt hen
naar den oever der Missouri, om hen buiten het bereik van het vuur te
stellen en beter tegen de woede der overwinnaars te beveiligen, tot de
strijd geëindigd zou zijn.
Intusschen was het geen strijd meer, maar een ware slagting, des te
gruwzamer door de onmenschelijke barbaarschheid der Indianen, die zich
met onbeschrijfelijke bitterheid en door de wreedste martelingen op
hunne vijanden zochten te wreken.
De kapitein, Bothrel, Bob en een twintigtal Amerikanen, de eenigen die
van al de kolonisten nog over waren, hadden zich in het centrum der
esplanade vereenigd en weerden zich met de kracht der wanhoop tegen
eene overmagt van Roodhuiden, vast besloten om zich tot den laatsten
man te laten dooden, liever dan levend in de handen hunner vijanden te
vallen.
Na lang smeeken en met groot gevaar van zijn eigen leven, slaagde
Tranquille echter om hun de wapens te doen nederleggen en zoo doende
aan het bloedbad een einde te maken.
Op eens verhief zich van de zijde der rivier een akelig angstgeschrei,
doormengd met gillen, weenen en bidden.
De jager, door een somber voorgevoel gedreven, ijlde terstond
derwaarts. Het Zwarte-Hert en zijne krijgslieden volgden hem op den
voet.
Toen zij op de plaats kwamen waar Quoniam de vrouwen en kinderen
verzameld had, vertoonde zich het akeligste schouwspel.
Mistress Watt en drie andere vrouwen lagen bewegingloos op den grond,
zwemmende in haar bloed; Quoniam door twee wonden doorboord, de eene
aan het hoofd en de andere in de borst lag nevens haar uitgestrekt.
Het was onmogelijk om van de overige vrouwen eenige nadere opheldering
van het gebeurde te bekomen; zij waren half krankzinnig van schrik.
De kinderen van den kapitein waren spoorloos verdwenen.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
XI.
DE VENTA DEL POTRERO.
Van ons regt als romanschrijver gebruik makende, zullen wij thans het
tooneel onzer geschiedenis naar Texas verplaatsen, en den draad van ons
verhaal hervatten omtrent zestien jaar na de in ons vorig hoofdstuk
vermelde gebeurtenissen.
De dageraad begon de wolken met bleeke paarlemoertinten te kleuren; de
sterren verdwenen de een na de andere in de blaauwe diepten des hemels;
aan den uitersten rand der Oosterkimmen verkondigde een helderder rood
dat de dag snel in aantogt was en de zon weldra zou opgaan. Duizende
onzigtbare vogels, huiverend tusschen de digte takken verscholen,
schenen plotseling te ontwaken en begonnen vrolijk hun welluidend
morgenconcert aan te stemmen, terwijl het gehuil der wilde beesten, die
ongaarne de rivierwedden verlieten en met langzamen tred naar hunne
holen terugkeerden, al flaauwer en flaauwer werd en eindelijk in de
verte wegstierf.
Op dit oogenblik verhief zich de frissche morgenwind, onderschepte de
digte neveldampen die in de keerkringslanden bij het opgaan der zon uit
de aarde opstijgen, dwarrelde er een poos mede rond, scheurde ze toen
van een en verstrooide ze door het luchtruim, als de tooneelschermen
bij een coup de théatre, die plotseling weggeschoven, den aanschouwer
verrassen met het heerlijkste vergezigt dat de droomende verbeelding
van een schilder of dichter zich zou kunnen voorstellen.
Het is bovenal in Amerika dat de hand der Voorzienigheid behagen
schijnt te hebben gevonden om de treffendste natuurtafereelen te
scheppen, met een rijkdom van verscheidenheid en een afwisseling van
harmonie en tegenstellingen, die men elders te vergeefs zou zoeken.
In eene onmetelijke vlakte, van alle zijden omgeven door de hooge
kruinen van het ongerept en eeuwenheugend bosch, kronkelde in grillige
bogten een breed pad van goudkleurig zand, dat aangenaam contrasteerde
met het donkere groen der weligste grasvelden en heesters, terwijl het
zilverwitte watervlak eener kleine rivier in de eerste stralen der
morgenzon lag te glinsteren als eene verblindende juweelkist. Niet ver
van de rivier, omtrent in het midden der vlakte, verhief zich een wit
huis, omringd door eene luchtige kolonnade, in den vorm eener
gaanderij, en met roode pannen gedekt. Dit huis als omhangen met een
tapijt van allerlei klimplanten, die in digte bossen langs de muren
omhoog slingerden, was een zoo genaamde Venta of herberg, op een heuvel
of kleinen berg gebouwd. Langs een opgaand pad steeg men ongevoelig
naar boven en, dank zij de uitmuntende ligging, had men van daar een
vergezigt over het omliggende landschap, zoo schoon en grootsch als de
condor, wanneer hij zich tot de wolken verheft.
Voor de deur der Venta stonden eenige dragonders ten getale van
ongeveer twintig schilderachtig gegroepeerd, die juist gedaan hadden
met hunne paarden te zadelen, terwijl eenige arrieros druk bezig waren
met zeven of acht muilezels op te laden.