„Die is het Zwarte-Hert, de eerste Sachem der Slangen-Pawnees.”

„O zoo!” mompelde de kapitein „wat komt die hier doen?”

„Dat zult gij vernemen als gij ons binnen laat.”

„Welnu, kom dan binnen!” riep de kapitein, „maar houd u voor

gewaarschuwd dat gij en uw medgezel bij den minsten schijn van verraad

onverbiddelijk zult gedood worden.”

„Daar hebt gij het volste regt toe, als ik mijn woord aan u breken

mogt.”

De kapitein, na zijne jagers te hebben aanbevolen om zich op alle

gebeurlijke zaken gereed te houden, gaf thans bevel om de brug neer te

laten.

Tranquille en het Zwarte-Hert kwamen binnen.

Beiden waren ongewapend, ten minste zooveel men zien kon.

Bij zulk een doorslaand blijk van vertrouwen, schaamde de kapitein zich

meer of min over zijn argwaan en nadat de brug weder was opgehaald,

zond hij zijn geleide weg en hield niemand bij zich dan Bothrel.

„Volgt mij,” zeide hij tegen de beide vreemdelingen.

Deze bogen zonder te antwoorden en traden naast hem voort.

Zoo bereikten zij den toren, zonder een woord gewisseld te hebben.

De kapitein geleidde hen in de zaal, waar mistress Watt nog alleen zat,

aan de grootste ongerustheid ten prooi.

Op een wenk van haar man om zich te verwijderen, wierp zij hem een

smeekenden blik toe, dien hij begreep, want hij drong er toen niet

verder op aan en zij bleef stil op de plaats daar zij zat. Tranquille

vertoonde hetzelfde open gelaat en de kalme bedaardheid die wij reeds

van hem gewoon zijn, en niets in zijne houding of manieren gaf het

minste blijk dat hij met vijandige bedoelingen jegens de kolonisten

bezield was.

Het Zwarte-Hert daarentegen was somber en gestreng.

De kapitein bood zijnen gasten stoelen aan bij het vuur. „Gaat zitten,

mijne heeren,” zeide hij, „gij zult u wel een weinig willen warmen. Is

het als vriend of als vijand dat gij bij mij komt?”

„Die vraag is ligter gedaan dan beantwoord,” zei de jager op een toon

van ronde goedwilligheid, „tot dusver zijn onze bedoelingen

vredelievend, het hangt van u zelven af, kapitein, hoe wij elkander

verlaten.”

„In allen geval zult gij niet weigeren om eenige ververschingen te

gebruiken.”

„Voor het oogenblik verzoek ik u ons daarvan te verschoonen,” hernam

Tranquille, die bestemd scheen om het woord tegelijk voor zijn kameraad

en voor zich zelven te doen; „het zal geloof ik beter zijn dat wij maar

terstond tot de zaak overgaan die ons hier brengt.”

„Hum!” mompelde de kapitein maar half in zijn schik met deze weigering,

die hem weinig goeds voorspelde; „spreek dan, ik ben geheel oor, en het

zal aan mij niet haperen of alles tusschen ons loopt goed af.”

„Dat wensch ik van ganscher hart, kapitein, des te meer daar ik om geen

andere reden hier kwam dan om de botsing te vermijden, die het gevolg

zou kunnen zijn hetzij van een misverstand of van een opgewonden

oogenblik.”

De kapitein boog, ten bewijze van dank en de Canadees vervolgde

onmiddellijk.

„Gij zijt een oud militair, mijnheer,” zeide hij, „en met u zal de

kortste weg wel de beste zijn; twee woorden dus, ziehier de reden van

onze komst: de Slangen-Pawnees beschuldigen u, dat gij u door verraad

van hun dorp meester gemaakt en het grootste gedeelte hunner

bloedverwanten en vrienden hebt omgebragt, is dat waar?”

„Dat ik mij van het dorp heb meester gemaakt is waar,” zeide de

kapitein, „maar ik had er het regt toe, daar de Roodhuiden weigerden

het te ontruimen; ik ontken stellig dat ik hierbij verraad heb

gepleegd, integendeel zijn het de Pawnees die zich verraderlijk jegens

mij hebben gedragen.”

„O!” riep het Zwarte-Hert met drift opstaande, „het Bleekgezigt heeft

een leugenachtige tong in den mond!”

„Stilte!” riep Tranquille, hem op zijn stoel terugdringende, „laat mij

dit kluwen alleen afhaspelen, dat mij verward genoeg voorkomt. Vergeef

mij zoo ik u beleedig, mijnheer,” hervatte hij tegen den kapitein,

„maar de zaak is ernstig en de waarheid moet bekend worden. Zijt gij

bij uwe aankomst niet als vrienden door de stamhoofden ontvangen?”

„Zeer zeker, onze eerste betrekkingen waren zeer vriendschappelijk.”

„Waarom zijn zij dan vijandelijk geworden?”

„Dat heb ik u gezegd; omdat de Pawnees tegen de bezworen trouw en het

gegeven woord, weigerden, mij de plaats af te staan.”

„Hoedat? u de plaats af te staan!”

„Welzeker! omdat zij het land daar zij woonden aan mij verkocht

hadden.”

„O, ho! kapitein, maar dat moet gij mij nader uitleggen.”

„Welnu, dat is gemakkelijk genoeg, en om u dadelijk te bewijzen dat ik

in deze zaak ter goeder trouw te werk ben gegaan, zal ik u de acte van

verkoop laten zien.”

De jager en het opperhoofd wisselden een blik van verwondering.

„Ik begrijp er niets meer van,” zeide Tranquille.

„Wacht een oogenblik,” hervatte de kapitein, „ik wil u de acte halen en

zal hem u toonen.”

Hij verwijderde zich.

„O! mijnheer,” riep de jonge vrouw terwijl zij de handen smeekend

zamenvouwde, „zie toch dat gij de zaak inderminne schikt.”

„Helaas! mevrouw,” antwoordde de jager meêwarig, na de wending die de

zaken schenen te nemen, „dat zal niet gemakkelijk gaan.”

„Ziedaar!” riep de kapitein toen hij terugkwam, „daar is de acte.”

De beide mannen hadden de acte maar even in te zien om het bedrog

dadelijk te ontdekken.

„Die acte is valsch,” zeide Tranquille.

„Valsch! dat is niet mogelijk,” riep de kapitein verbaasd, „want dan

zou ik gruwelijk bedrogen zijn.”

„Dat is, helaas, maar al te zeer het geval!”

„Wat nu gedaan?” mompelde de kapitein werktuigelijk.

Het Zwarte-Hert stond op.

„Dat de Bleekgezigten hooren,” zeide hij met fierheid, „het is een

Sachem die spreken zal.”

De Canadees wilde tusschenbeide komen, maar een wenk van het opperhoofd

legde hem het zwijgen op.

„Mijn vader is bedrogen,” vervolgde hij, „hij is een regtvaardig

krijgsman: zijn hoofd is grijs; de Wacondah heeft hem wijsheid gegeven;

de Slangen-Pawnees zijn ook regtvaardig, zij willen met mijn vader in

vrede leven, dewijl hij onschuldig is aan den misslag dien men hem

verwijt en voor welken een ander zich zal moeten verantwoorden.”

Het begin dezer redenering was eene aangename verrassing voor de

toehoorders; de jeugdige moeder vooral, toen zij dit hoorde, voelde

hare ongerustheid merkelijk verzacht en de blijdschap in haar hart

teruggekeerd.

„De Slangen-Pawnees,” vervolgde de Sachem, „zullen mijn vader al de

koopwaren terug geven die hem wederregtelijk zijn afgeperst; hij van

zijnen kant, zal zich daarentegen verbinden om de jagtgronden der

Pawnees te ontruimen, en zich van hier te verwijderen, zoowel als al de

Bleekgezigten die met hem herwaarts kwamen; de Pawnees zien af van

iedere wraakneming die zij wegens het vermoorden hunner broederen in ’t

zin hadden, en de oorlogsbijl tusschen de Roodhuiden en de

Bleekgezigten van het Westen zal voortaan begraven worden. Ik heb

gezegd.”

Op deze woorden volgde eene diepe stilte.

De aanwezigen waren stom van ontsteltenis, deze voorwaarden waren

onaannemelijk, de oorlog scheen onvermijdelijk.

„Wat antwoordt mijn vader?” vroeg het opperhoofd een oogenblik later.

„Helaas! hoofdman,” antwoordde de kapitein met smart, „in zulke

voorwaarden kan ik niet bewilligen, gij vergt het onmogelijke; al wat

ik doen kan is dat ik den prijs zal verdubbelen dien ik eenmaal betaald

heb.”

Het opperhoofd haalde hooghartig de schouders op.

„Het Zwarte-Hert heeft zich bedrogen,” zeide hij met een minachtenden

grijns, „de Bleekgezigten hebben waarlijk een dubbele tong.”

Het was onmogelijk om den Sachem de ware toedragt der zaken

begrijpelijk te maken; met de blinde stijfhoofdigheid die zijn ras

eigen is wilde hij naar geen reden luisteren, en hoe meer men hem

poogde te bewijzen dat hij verkeerd deed, des te meer was hij overtuigd

dat hij gelijk had.

Diep in den nacht gingen de Canadees en het Zwarte-Hert heen, tot aan

den buitenwal uitgeleid door den kapitein.

Toen zij vertrokken waren, keerde James Watt vol gedachten naar den

toren terug. Op den dorpel voor het huis komende, stiet hij tegen een

tamelijk groot voorwerp; hij bukte om te zien wat het was.

„O!” riep hij zich weder oprigtende, „zij willen dus werkelijk oorlog?

Bij God! zij zullen mij leeren kennen.”

Het voorwerp daar de kapitein tegen gestooten had, was een bundel

pijlen, met een slangenhuid zamen verbonden; de beide uiteinden dezer

huid alsmede de punten der pijlen waren met bloed bestreken.

Het Zwarte-Hert had dezen bundel bij zijn vertrek achter zich laten

vallen, ten teeken van oorlogsverklaring.

Alle hoop op vrede was derhalve vervlogen; men moest zich gereed maken

tot den strijd.

Nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, hernam de kapitein

zijne gewone koelbloedigheid en ofschoon het nog lang geen dag zou

worden, liet hij al de kolonisten wekken en op het plein voor den toren

zamen komen, om raad te houden en de noodige middelen te beramen, ten

einde de gevaren af te wenden waarmede de nieuwe kolonie bedreigd werd.

IX.

DE SLANGEN-PAWNEES.

Thans zullen wij eenige punten ophelderen die den lezer in ons verhaal

duister kunnen schijnen.

De Roodhuiden, welke groote gebreken zij overigens mogen bezitten, zijn

tot dweepens toe gehecht aan den grond waar zij geboren zijn en waar

hunne vaderen geleefd hebben, en geen ander oord zou dien voor hen

kunnen vergoeden.

De Apen-Kop loog niet toen hij aan kapitein Watt verzekerde dat hij een

der voornaamste opperhoofden van den stam der Slangen-Pawnees was; hij

was dit inderdaad, ofschoon hij zich wel wachtte er bij te voegen om

welke reden zijne stamgenooten hem hadden weggejaagd.

Het is thans de tijd om deze reden kenbaar te maken.

De Apen-Kop was niet alleen een man van onbeteugelde heerschzucht, maar

wat men onder de Indianen zelden ontmoet, bezat hij geen de minste

godsdienst en deelde hij zelfs niet in de bijgeloovige begrippen voor

welke zijne landgenooten maar al te vatbaar zijn; bovendien was hij

zonder trouw, zonder eer, en van diep bedorven zeden.

Reeds in zijn vroegste jeugd naar een der Amerikaansche steden

overgebragt, had hij de zonderlinge beschaving der Vereenigde Staten

van nabij leeren kennen; niet in staat om in deze beschaving het goede

van het kwade te onderscheiden en zich zelven binnen de juiste grenzen

te houden, was hij, zooals dit met jonge menschen gewoonlijk gaat, door

hetgeen het meest zijne zinnelijke neigingen streelde medegesleept en

had hij van de zeden der blanken niets anders overgenomen, dan hetgeen

onvermijdelijk strekken moest om zijne vroegrijpe verdorvenheid te

voltooijen.

Toen hij dus naar zijn stam terugkeerde, waren zijn gedrag en zijne

taal zoo weinig in harmonie met hetgeen er rondom hem gezegd en gedaan

werd, dat hij zich weldra den haat en de verachting zijner landgenooten

op den hals haalde.

Zijne bitterste vijanden werden natuurlijk de priesters, en

inzonderheid de toovenaars, die hij meermalen had zoeken bespottelijk

te maken.

Zoodra de Apen-Kop het met de magtige partij der toovenaars te kwaad

kreeg, was het met zijne eerzuchtige ontwerpen gedaan; al zijne

aanslagen leden schipbreuk, eene heimelijke tegenwerking wierp gestadig

de plannen omver, op het oogenblik zelf dat hij zich van zijn welslagen

verzekerd waande.

Niet wetende aan wien hij deze mislukkingen te wijten had, hield de

Sachem zijne vijanden zorgvuldig in ’t oog, lette naauwkeurig op hunne

gangen en bewegingen en wachtte met al het kattengeduld dat de grond

van zijn karakter uitmaakte het oogenblik af, dat tijd en toeval hem

het voorwerp zijner wraak zouden aanwijzen. Daar hij zijne maatregelen

met veel beleid wist te kiezen, duurde het niet lang, of hij ontdekte

dat zijn grootste tegenstander niemand anders was dan de voornaamste

wigchelaar van den stam.

Deze toovenaar was een hoogbejaard man, algemeen geacht en bemind om

zijne wijsheid en goedheid. De Apen-Kop hield zijn haat eenigen tijd

verborgen, maar op zekeren dag, na eene heftige beraadslaging in den

vollen raad, was hij zijne woede niet langer meester, viel op den

ongelukkigen grijsaard aan en doorstak hem met een dolk, ten aanschouwe

van al de oudsten des volks en eer dat iemand der aanwezigen in staat

was tusschenbeide te komen om zijn verfoeijelijken aanslag te beletten.

Deze moord, aan den opperpriester gepleegd, voerde de verbittering

zijner stamgenooten ten top; nog staande de raadzitting werd de

heerschzuchtige Sachem van het grondgebied der natie verbannen, al de

Sachems ontzegden hem de gemeenschap van water en vuur, en dreigden hem

met de wreedste martelingen zoo hij zich ooit weder aan hen durfde

vertoonen.

De Apen-Kop gevoelde zich niet sterk genoeg om de uitvoering dezer

straf te trotseren, hij verwijderde zich met woede in het hart en met

de gruwzaamste voornemens van wedervergelding.

Wij hebben bereids gezien hoe hij zich wist te wreken, door het

grondgebied van zijn stam aan de Amerikanen te verkoopen, en alzoo hen

die hem verbannen hadden in ’t verderf te storten. Naauwelijks echter

was deze lang gekoesterde wraak bevredigd, of in zijn hart woelde eene

nieuwe begeerte. Zoodra hij het land weder aanschouwde waar hij geboren

was en waar het gebeente zijner vaderen rustte, kwam bij hem de oude

liefde voor het vaderland op, die hij reeds dood waande, maar die

alleen in zijne ziel was ingesluimerd om met verdubbelde kracht te

ontwaken.

Schaamte over het vervloekte schelmstuk, dat hij beging, toen hij aan

de doodvijanden van zijn geslacht de jagtvelden, die hij zelf zoo lang

in vrijheid had doorloopen, overleverde; ergernis over den razenden

spoed waarmede de werkdrift der Amerikanen het aan hen verkochte land

van gedaante deed veranderen, en het eeuwenheugende geboomte

uitroeiden, onder welks eerwaarde schaduw hij zoo vaak in den raad

zijns volks had voorgezeten, al deze redenen te zamen, bragten hem tot

inkeer, en schier radeloos over de gepleegde heiligschennis, had hij

zich met zijne stamgenooten pogen te verzoenen, ten einde hen weder in

het bezit te stellen van de gronden die zij door zijn verfoeijelijken

haat verloren hadden.

Zonder aarzeling nam hij dus het besluit om zijne nieuwe vrienden, op

hunne beurt, aan zijne oude te verraden en op te offeren.

Tot zijn ongeluk, had hij zich in een duivelschen toovercirkel

gewikkeld, binnen welken hij geen stap doen kon zonder andermaal

misdadig te worden en zich met nieuwe gruwelen te bezoedelen.

Het kostte hem veel minder moeite dan hij aanvankelijk dacht, om weder

met zijne voormalige landgenooten in aanraking te komen; deze toch

zwierven van huis en have beroofd en aan de bitterste wanhoop ten

prooi, als ballingen rond in de aangrenzende bosschen der kolonie.

De Apen-Kop trad hun stoutmoedig onder de oogen. Hij wachtte zich wel

hun de ware toedragt der zaak te openbaren, en hun te vertellen dat hij

alleen de oorzaak was van al hun ongeluk.

Integendeel stelde hij hun zijne wederverschijning voor als een

verdienstelijk werk, door voor te wenden dat het gerucht der jammeren

die hen zoo plotseling getroffen hadden de eenige oorzaak was van zijne

terugkomst, en dat wanneer zij in vrede en voorspoed hadden blijven

voortleven, zij hem nooit zouden hebben wedergezien; maar dat nu ook,

tegenover de algemeene ramp die hen getroffen had, alle gevoel van

onderlinge haat verdwijnen moest en zich oplossen in gemeenschappelijke

wraakneming op de gehate blanken, die eeuwige en onveranderlijke

vijanden van het roode geslacht.

Om kort te gaan, hij wist zich zoo goed voor te doen en de thans door

hem gewaagde onderneming zoo krachtig te bepleiten, dat het hem gelukte

de Indianen te misleiden, het vertrouwen der voornaamste Sachems te

winnen en hen van de zuiverheid zijner plannen en bedoelingen volkomen

te overtuigen.

Met de hem aangeboren behendigheid en duivelsche list, begon hij thans

een uitgebreid complot te beramen, om de Amerikanen in het verderf te

storten—een complot waarin hij tevens andere Indiaansche stammen wist

te betrekken, om zich van hunne medewerking te verzekeren. Intusschen

bleef hij oogenschijnlijk de vriend der kolonisten, kwam hen van tijd

tot tijd bezoeken, nam deel in hunne belangen, vertoefde dagen

achtereen in hunne woning, en dit alles terwijl hij in stilte bezig was

met hun volkomen ondergang te bewerken.

De invloed dien hij zich in korten tijd bij zijn stam had weten te

verwerven, was schier onbegrensd, allen beschouwden hem als redder en

hadden van hem de beste verwachtingen. Slechts drie mannen bleven ten

zijnen opzigte met wantrouwen vervuld, en hielden al zijne gangen

zorgvuldig in ’t oog: deze drie mannen waren Tranquille, het

Zwarte-Hert, en de Blaauwe-Vos.

De Canadees vertrouwde hem nog het minst; hij kon zich het gedrag van

den Apen-Kop maar niet verklaren; het kwam hem altijd zeer zonderling

voor, dat de Sachem met de Amerikanen op zulk een goeden voet stond en

hij begreep niet hoe hij ooit daartoe gekomen was; meermalen had hij

hem hierover onderhouden, maar de sluwe Indiaan wist zijne vragen

steeds te ontwijken of zoo dubbelzinnig te beantwoorden, dat de jager,

zoo als men zegt, er geen mouw aan kon passen.

Tranquille was echter de man niet om zich op deze wijs te laten

afschepen; hij had zich stellig voorgenomen tot zekerheid te komen

omtrent den man wiens karakter en gedrag hem met iederen dag

geheimzinniger en raadselachtiger werd; toen er dus in den grooten

volksraad bepaald was om twee mannen met de oorlogsverklaring aan James

Watt te zenden, wist hij te bewerken, dat hij zelf en het Zwarte-Hert

daartoe gekozen werden.

Met deze keus, die zijne plannen dreigde te verstoren, was de Apen-Kop

alles behalve ingenomen, daar hij de beide afgezanten als zijne geheime

vijanden kende, en wist dat zij hem ligt konden tegenwerken. Hij

verkropte echter zijn spijt en ontveinsde zijne teleurstelling, te meer

daar de zaken reeds te ver gevorderd waren om terug te treden en alles

tot den aanval gereed was.

Tranquille en het Zwarte-Hert vertrokken dus om aan de Bleekgezigten

den oorlog te gaan verklaren.

„Het kan zijn dat ik mij bedrieg,” zei de Canadees onder weg tegen zijn

vriend, „maar ik geloof zeker dat wij aangaande den Apen-Kop zonderling

nieuws zullen hooren.

„Zoudt gij dat denken?”

„Ik zou er op durven wedden; ik ben overtuigd dat de kerel onzuiver

spel speelt en dat hij ons allen bedriegt tot zijn eigen voordeel.”

„Ik vertrouw hem wel niet veel, maar ik kan toch niet denken dat hij

zijne onbeschaamdheid zoo ver zou durven drijven.”

„Wij zullen spoedig weten wat er van is. In allen geval moet gij mij

één ding beloven.”

„Wat?”

„Dat gij mij alleen het woord zult laten doen; ik weet beter dan gij

hoe men met de Bleekgezigten van het Westen handelen moet.”

„Goed,” antwoordde het Zwarte-Hert, „ik laat de behandeling aan u

over.”

Vijf minuten later kwamen zij aan de kolonie. Wij hebben in het vorige

hoofdstuk reeds gezien hoe zij ontvangen werden en wat er tusschen hen

en kapitein Watt plaats greep.

De vaste gewoonte der Indianen om hunne vijanden een oorlogsverklaring

te zenden, kan vreemd schijnen voor een volk dat men in Europa steeds

als domme wilden beschouwt; maar men moet zich hierin niet bedriegen;

de Roodhuiden zijn zeer ridderlijk van aard, en zullen, wanneer het ten

minste om iets meer dan een razzio, dat is een strooptogt tot het

rooven van paarden of rundvee te doen is, nimmer een vijand aanvallen

zonder hem vooraf te waarschuwen en gelegenheid te geven zich te

verdedigen.

Overigens wordt van deze ridderlijke geaardheid maar al te goed partij

getrokken door de Amerikanen, die, wij moeten het tot hunne schande

zeggen, er geheel van ontbloot zijn, en er hunne meeste overwinningen

op de Roodhuiden aan te danken hebben.

Nadat de twee mannen de kolonie weder verlaten hadden, vonden zij op

korten afstand hunne paarden terug, waar zij die gekluisterd hadden

achtergelaten; zij sprongen in den zadel en verwijderden zich in galop.

„Welnu!” vroeg Tranquille aan het opperhoofd, „wat denkt gij van dit

alles?”

„Mijn broeder had gelijk; de Apen-Kop heeft ons verraden, het blijkt

maar al te klaar dat die acte van hem alleen is uitgegaan.”

„Wat denkt gij nu te doen?”

„Ik weet het nog niet; misschien zou het gevaarlijk zijn om hem in deze

oogenblikken reeds te ontmaskeren.”

„Dat ben ik niet met u eens, hoofdman; de tegenwoordigheid van dien

verrader kan onze zaak niet anders dan bederven.”

„Laten wij het vooreerst afwachten.”

„Goed! maar vergun mij eene opmerking.”

„Ik luister, broeder.”

„Waarom hebt gij de oorlogsverklaring aan de Lang-Messen zoo halstarrig

volgehouden, nadat gij erkend hadt dat de acte van verkoop valsch is;

gij wist toch dat de kapitein door den Apen-Kop bedrogen was?”

Het opperhoofd lachte geslepen.

„De Bleekhuid is slechts bedrogen,” zeide hij, „omdat hij bedrogen

wilde zijn.”

„Ik begrijp u niet, hoofdman.”

„Ik zal het u duidelijk maken. Weet mijn broeder hoe het met den

verkoop van land toegaat?”

„O, hemel! neen. Ik moet u bekennen, dat ik voor mijzelven tot hiertoe

nimmer land te koopen of te verkoopen heb gehad dus heb ik er mij ook

nooit mede ingelaten.”

„Ooah! dan zal ik het mijn broeder zeggen.”

„Gij zult mij pleizier doen; ik wil altoos gaarne wat leeren, en

daarbij, wie weet of het mij bij gelegenheid niet nog eens dienen kan,”

lachte de Canadees.

„Luister dan. Als een der Bleekgezigten het jagtterrein van een

Indianenstam wil koopen, wendt hij zich tot de voornaamste Sachems des

volks en na met hen in den raad de vredespijp gerookt te hebben, stelt

hij hun zijn verzoek voor; de voorwaarden worden besproken, en wanneer

de beide partijen het eens zijn geworden, wordt er door den eersten

priester des volks eene planteekening van het af te staan gebied

opgemaakt; het Bleekgezigt levert alsdan de koopwaren uit die hij in

ruiling geeft, al de aanwezige opperhoofden onderschrijven het plan met

hun hieroglyf, de boomstammen worden met de bijl gemerkt, de grenzen

afgebakend en de kooper treedt onmiddellijk in het bezit van zijn

nieuwe eigendom.”

„Hum!” meesmuilde Tranquille, „dat alles is toch eenvoudig genoeg.”

„Welnu! in welken raad heeft nu de blanke met het grijze hoofd de

vredespijp gerookt? waar zijn de Sachems die met hem onderhandeld

hebben? kan hij mij de boomstammen aanwijzen die met de tomahawk werden

gemerkt?”

„Ik geloof inderdaad dat dit hem zeer moeijelijk zou zijn,” antwoordde

de jager.

„Het Grijze Hoofd wist dat de Apen-Kop hem bedroog,” vervolgde de

Sachem, „maar het land beviel hem en hij rekende op de kracht zijner

wapenen om er zich goed- of kwaadschiks te vestigen.”

„Dat kan wel zijn.”

„Met de proef overtuigd en te laat inziende dat hij onbedachtzaam

gehandeld had, heeft hij alle zwarigheden willen uit den weg ruimen,

door ons eenige balen koopwaren meer aan te bieden; zoo is het. Welk

Bleekgezigt had ooit een opregte en eerlijke tong?”

„Dank je wel!” riep de jager lagchende.

„Van mijns broeders volk spreek ik niet,” vervolgde de Sachem, „over de

Canadezen heb ik mij nooit te beklagen gehad, ik heb het alleen tegen

de Lang-Messen van het Westen. Denkt mijn broeder nu nog, dat ik

kwalijk deed met de bloedige pijlen voor hunne deur te werpen?”

„Misschien zijt gij in dit geval wel een weinig te haastig geweest,

hoofdman, en hebt gij u door gramschap laten vervoeren, maar gij hebt

zoo vele oude grieven met de Amerikanen te vereffenen, dat ik u niet

durf beschuldigen.”

„Ik kan dus altoos op mijns broeders bijstand rekenen?”

„Waarom zou ik u dien weigeren, hoofdman? Uw zaak blijft altijd wat zij

was, namelijk regtvaardig; het is derhalve mijn pligt om u bij te

staan, en dat zal ik doen, wat er ook gebeure.”

„Ooah! ik dank mijn broeder, zijn goede buks zal ons altijd nuttig

zijn.”

„Hier zijn wij aan het kamp; het wordt tijd dat wij met den Apen-Kop

een besluit nemen!”

„Dat is reeds genomen;” antwoordde de Indiaan lakoniek.

Op dit oogenblik reden zij een ruim boschkamp binnen, in het midden

waarvan verscheidene vuren brandden. Vijfhonderd Indiaansche

krijgslieden, allen gewapend, beschilderd en ten oorlog toegerust,

lagen hier en daar op den grond, terwijl hunne paarden in ’t volle tuig

en gereed om bestegen te worden, aan de beenen gekluisterd hun gras en

boonenvoeder knabbelden.

Rondom het voornaamste vuur zaten verscheidene opperhoofden

nedergehurkt in stilte hunne pijpen te rooken.

De zwervers op de grenzen · 第 6 / 22 段