In de kom der kolonie was alles een tooneel vol leven en bezieling.

Terwijl daarbuiten het vee liep grazen onder opzigt van eenige

welgewapende koeherders te paard, en de eeuwenheugende boomstammen

vielen onder de noeste bijlslagen der houthakkers, zag men daarbinnen

al de werkplaatsen in volle bedrijvigheid, lange rookzuilen verhieven

zich uit de smidsen, het gedreun der hamers vermengde zich met het

geknars der zagen; langs de rivier lagen hooge stapels timmerhout aan

balken of planken gezaagd en een weinig verder groote hoopen hakhout

voor brandstof, terwijl eenige schuiten en vlotten aan den oever waren

vastgemeerd, en men in de verte van tijd tot tijd schoten hoorde vallen

door de jagers die een klopjagt hielden in het bosch, om de kolonisten

van wildbraad te voorzien.

Het was omtrent vier ure na den middag; de kapitein, gezeten op een

heerlijk zwart paard met vier witte hoeven, reed in een korten draf

door een pas aangelegd weideveld. Een vergenoegde glimlach ontplooide

het strenge gelaat van den ouden krijgsman, toen hij zag welk eene

verbazende verandering zijn vaste wil en ongewone bedrijvigheid in zulk

een korten tijd hadden te weeg gebragt in deze onbekende streek, dien

hij geenszins twijfelde dat, dank zij hare ligging, in een naderende

toekomst voor handel en nijverheid van het grootste belang zou worden.

Hij was reeds digt bij de kolonie, toen er van achter een hoop takken

en wortels, die de arbeiders langs het pad hadden opgestapeld om ze te

laten droogen, plotseling een man te voorschijn kwam en hem ter zijde

trad. De kapitein kon naauwelijks zijn misnoegen verbergen toen hij in

dezen man den Apen-Kop herkende.

Wij moeten hier eenige woorden tot opheldering zeggen aangaande dezen

persoon, die bestemd is om in den loop van ons verhaal eene gewigtige

rol te spelen.

Itsichaiché (de Apen-Kop) was een man van omtrent veertig jaar, lang

van gestalte, kloek gebouwd en buigzaam van leden; zijn guitachtig

gezigt werd verhelderd door twee kleine oogen van verschillende kleur;

zijn korte, zeer stompe haviksneus, zijn breede mond met dunne

ingetrokken lippen, gaven hem een uitdrukking van sluwheid en

kwaadwilligheid, die ondanks het beleefd gedienstige en katachtig

vleijende zijner manieren en de gemaakte zachtheid van zijne stem,

ieder die hem zag een onwillekeurigen en onweerstaanbaren afkeer

inboezemde.

Geheel in strijd met hetgeen gewoonlijk gebeurt wanneer men iemand

dagelijks ziet, werd deze ongunstige indruk, in plaats van

langzamerhand te verdwijnen, ten zijnen aanzien integendeel gedurig

sterker.

De Indiaan had zich van zijn pligt als gids eerlijk en naauwgezet

gekweten en de Amerikanen zonder slag of stoot naar de plaats hunner

bestemming gebragt; na dien tijd was hij echter steeds bij hen

gebleven, en had zich om zoo te zeggen in de nieuwe kolonie

ingeburgerd, waar hij kwam en ging naar believen, zonder dat iemand

naar hem omzag of zich bekommerde om hetgeen hij deed.

Menigmaal bleef hij ongevraagd ongeweigerd verscheidene dagen achtereen

weg, en keerde dan op eens weder terug, zonder dat het mogelijk scheen

eenige opheldering van hem te ontvangen, of te vernemen waar hij zoo

lang geweest was of wat hij gedurende zijne afwezigheid gedaan had.

Intusschen was er een lid van de kolonie, aan wie het sombere uitzigt

van den Indiaan eene gestadige en onverklaarbare vrees inboezemde en

die haar afkeer niet kon onderdrukken, al wist zij ook niet waaraan zij

dit onaangename gevoel moest toeschrijven; deze persoon was Mistress

Watt. De moederlijke liefde maakte haar scherpziende; de jonge vrouw

hield onbeschrijfelijk veel van hare kinderen, en zoo vaak de Roodhuid

al was het maar een onverschilligen blik op de onnoozele schaapjes deed

vallen, ging de arme moeder eene huivering over het lijf en haastte zij

zich om de beide schatten, die alles voor haar waren, aan zijn oog te

onttrekken.

Meermalen had zij gepoogd hare vrees aan haar man mede te deelen, maar

al hare aanmerkingen deswegens beantwoordde de kapitein met een

geruststellend schouderophalen, in de vaste meening dat de ongunstige

indruk mettertijd wel slijten en eindelijk geheel verdwijnen zou.

Mistress Watt kwam echter telkens met stijfhoofdige volharding op hare

eenmaal opgevatte denkbeelden terug en veranderde niet, zoodat de

kapitein er ten laatste ongeduldig onder werd, en daar hij geen

voldoende reden had om tegenover de vrouw die hij innig achtte en lief

had, een man in bescherming te nemen daar hij volstrekt niets om gaf,

beloofde hij haar eindelijk dat hij haar van het gevreesde monster zou

ontslaan. Toen derhalve de Indiaan weder verscheidene dagen weg was

gebleven, nam hij zich voor om zoodra hij terug kwam, hem opheldering

te vragen van zijn geheimzinnig gedrag, en ingeval de andere geen

voldoend of redelijk antwoord gaf, hem maar ronduit te zeggen dat hij

hem niet langer op de kolonie wilde zien en hij zich op staanden voet

en voor altijd moest verwijderen.

In deze gemoedsstemming bevond zich de kapitein tegenover den Apen-Kop,

toen het toeval wilde dat hij dezen op eene plaats ontmoette, waar hij

hem het minst verwachtte.

Zoodra hij den Indiaan zag, hield de kapitein zijn paard in.

„Gaat mijn vader de vallei bezoeken?” vroeg de Pawnee.

„Ja,” antwoordde hij.

„O!” hervatte de Indiaan, met een omzigtigen blik om zich heen, „alles

is wel zeer veranderd, sedert de Lang-Messen uit het Westen rustig

wonen op het terrein daar zij de Slangen-Pawnees van beroofd hebben.”

De Indiaan sprak deze woorden op somber zwaarmoedigen toon, zoodat de

kapitein hem niet zonder ongerustheid aanhoorde.

„Is dat een klagt die gij uitspreekt, hoofdman?” vroeg hij, „die klinkt

toch zeer ongepast in uw mond, daar gij zelf mij het land hebt verkocht

dat ik thans in bezit heb.”

„Dat is waar,” riep de Indiaan hoofdschuddend, „de Apen-Kop heeft het

regt niet om zich te beklagen, hij zelf heeft aan de Bleekgezigten uit

het Westen de gronden verkocht, waar het gebeente zijner vaderen rust

en waar hij zelf en zijne broeders zoo vaak op elanden en jaguars jagt

maakten.”

„Zoo, hoofdman, ik vind u van daag vrij naargeestig, wat schort u toch?

Hadt gij, toen gij dezen morgen wakker werdt, op uw linkerzij gelegen?”

vroeg de kapitein, zinspelende op een der meest verspreide

bijgeloovigheden onder de Indianen.

„Neen,” antwoordde hij, „de Apen-Kop heeft goed geslapen, geheel zonder

kwade voorteekenen of iets dat de rust van zijn geest kon verstoren.”

„Dan wensch ik u geluk, hoofdman.”

„Mijn vader heeft wel een weinig tabak voor zijn zoon, om met hem de

pijp der vriendschap te rooken bij zijne terugkomst.”

„Dat kan wel: maar eerst moet ik u eene vraag doen.”

„Mijn vader spreke, de ooren van zijn zoon zijn open.”

„Het is nu reeds een geruimen tijd dat wij hier gevestigd zijn,

hoofdman,” hervatte de kapitein.

„Ja, de vierde maan begint.”

„Hoor eens, gij zijt sedert onze komst zeer dikwijls heengegaan zonder

ons te waarschuwen.”

„Waartoe zou dat dienen? de lucht en de ruimte behooren niet aan de

Bleekgezigten, ik denk toch dat een krijgsman der Pawnees, vrij genoeg

is om te gaan waar hij goedvindt; hij was voorheen een beroemd

opperhoofd in zijn stam.”

„Dat mag alles waar zijn, krijgsman, en kan mij weinig schelen, maar

wat mij zeer veel aangaat, is de rust en de veiligheid van mijn gezin

en van de menschen die ik hier bij mij heb.”

„Welnu,” riep de Roodhuid, „in welk opzigt zou de Apen-Kop die rust en

veiligheid in gevaar kunnen brengen?”

„Dat zal ik u zeggen, hoofdman, luister met aandacht, want wat gij

hooren zult is ernstig.”

„De Apen-Kop is maar een arme Indiaan,” antwoordde de Roodhuid

spotachtig, „de Groote Geest gaf hem het helder en slim doorzigt niet

dat de Bleekgezigten bezitten, maar toch zal ik mijn vader trachten te

begrijpen.”

„Gij zijt zoo dom niet als gij op dit oogenblik wel gelieft te

schijnen, hoofdman; ik ben zeker dat gij mij volkomen begrijpen zult,

als gij u die moeite wilt geven.”

„Het opperhoofd zal zijn best doen.”

De kapitein weerhield naauwelijks zijn ongenoegen.

„Wij bevinden ons hier niet in een der groote steden in het hart der

Amerikaansche Unie,” begon hij, „waar de wet de burgers beschermt en

voor hunne veiligheid waakt, maar wij zijn op het gebied der

Roodhuiden, ver van alle andere bescherming dan onze eigene; wij hebben

hier van niemand hulp te verwachten, integendeel zijn wij door waakzame

vijanden omgeven, die op een gunstig oogenblik loeren, om ons aan te

vallen en ons te vermoorden als zij kunnen, het is derhalve onze pligt

om met de meeste omzigtigheid te waken voor ons behoud, dat door de

kleinste nalatigheid schromelijk kan worden bedreigd. Begrijpt gij dat,

hoofdman?”

„Ja, mijn vader heeft goed gesproken, zijn hoofd is grijs en zijne

wijsheid is groot.”

„Ik moet dus op alles acht geven,” vervolgde de kapitein, „de gangen en

handelingen van al de meer of min tot de kolonie behoorende personen

naauwkeurig nagaan, en als die gangen of handelingen mij verdacht

voorkomen, hun om opheldering vragen, die zij het regt niet hebben mij

te weigeren; nu ben ik tot mijn groote spijt verpligt u te bekennen,

hoofdman, dat het leven hetwelk gij sinds eenigen tijd leidt mij meer

dan verdacht voorkomt, dat het mijn nadenken zeer heeft opgewekt on dat

ik van u eene voldoende verklaring verwacht.”

De Roodhuid had zich tot dusver goed gehouden; geen spier op zijn

gelaat had zich bewogen, zoodat de kapitein, die hem scherp in het oog

hield, geen het minste spoor van ontroering bij hem kon opmerken. De

Indiaan had de vraag die hem werd voorgesteld wel verwacht en was

gereed om er op te antwoorden.

„De Apen-Kop heeft mijn vader en zijne kinderen van de groote steenen

steden der Lang-Messen uit het Westen tot hier geleid. Kan mijn vader

het opperhoofd daarom iets verwijten?”

„In het minst niet, dat moet ik bekennen, hoofdman,” antwoorde de

kapitein onbewimpeld: „gij hebt u eerlijk van uwe verpligting

gekweten.”

„Waarom trekt mijn vader dan een huid over zijn hart en waarom koestert

zijn geest argwaan tegen een man, dien hij, zooals hij zelf zegt, niets

te verwijten heeft; is dat nu de geregtigheid der Bleekgezigten?”

„Laten wij niet van ons onderwerp afdwalen, hoofdman, en bovenal laten

wij het niet verkeerd aanpakken, ik kan mij met uwe Indiaansche

breedsprakigheid niet inlaten, ik verzoek u dus om mij de reden van uwe

herhaalde afwezigheid duidelijk op te helderen en mij een afdoend

bewijs van uwe onschuld te geven; als gij hieraan niet voldoet moet ik

u kort en bondig zeggen dat gij geen oogenblik langer in de kolonie

moogt blijven, en dat ik u noodzaken zal mijn grondgebied te verlaten

om er nooit weer terug te komen.”

Uit het oog van den Roodhuid bliksemde een straal van

onbeschrijfelijken haat, maar hij temperde terstond den gloed van zijn

blik en antwoordde met een slepende stem zoo zacht mogelijk:

„De Apen-Kop is een arme Indiaan; zijne broeders verstieten hem omdat

hij de Bleekgezigten liefhad; hij had gehoopt bij de Lang-Messen van

het Westen, zooal geen vriendschap, dan ten minste dankbaarheid te

vinden, voor de diensten die hij hun bewees: maar hij heeft zich

bedrogen.”

„Dat doet hier niets ter zake,” hernam de kapitein ongeduldig, „wilt ge

antwoorden, ja of neen?”

De Indiaan rigtte zich op in zijne volle lengte, en naderde den spreker

zoo digt dat hij hem bijna aanraakte.

„En als ik dit weiger?” vroeg hij met een blik van uitdaging en toorn.

„Als gij weigert, ellendeling! dan verbied ik u mij ooit weder onder de

oogen te komen, en zoo gij mij durft trotseren zal ik u met mijn

karwats afranselen als een hond.”

Naauwelijks had de kapitein deze beleedigende woorden geuit, of zij

berouwden hem reeds: hij zag zich alleen en zonder wapens tegenover een

man dien hij diep gekrenkt had; hij beproefde dus de zaak weder goed te

maken. „Maar,” vervolgde hij, „de Apen-Kop is een opperhoofd, hij heeft

verstand en hij zal mij wel antwoorden, want hij weet dat ik van hem

houd.”

„Gij liegt! gij bleeke hond,” riep de Indiaan knarstandend van woede,

„gij haat mij bijna even sterk, als ik u haat!”

De kapitein, zich zelven niet langer meester, hief de zweep reeds op

die hij in zijne hand had, maar op hetzelfde oogenblik sprong de

Indiaan als een tijger op hem toe, zat in eens achter hem op het paard,

tilde den kapitein uit den zadel, wierp hem tegen den grond en greep

den teugel.

„De Bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, de krijgslieden der

Pawnees verachten hen en zullen hun vrouwenrokken zenden.”

Na deze woorden te hebben uitgebruld, op een toon van verguizing die

niet zich laat beschrijven, boog de Indiaan op den hals van het paard,

vierde het den teugel en verwijderde zich in vliegenden galop onder een

schaterend gelach, zonder zich verder met den kapitein te bemoeijen,

dien hij zwaar gekneusd op den grond liet liggen.

James Watt was de man niet om zulk eene mishandeling te ondergaan,

zonder op wraak bedacht te zijn; hij stond op zoo snel als zijne beenen

toelieten, en schreeuwde zoo hard hij kon, om de in het veld

verstrooide jagers en houthakkers tot zich te roepen.

Sommigen hadden het gebeurde in de verte gezien en ijlden den kapitein

ter hulp, maar eer zij hem bereikten of eer hij tijd had om hun te

zeggen wat er gebeurd was en orders te geven om den vlugteling na te

zetten, verdween deze reeds in het bosch.

De jagers echter, onder aanvoering van Bothrel, renden den Indiaan in

vliegenden galop achterna en zwoeren dat zij hem levend of dood zouden

terugbrengen.

De kapitein volgde hen met de oogen, tot hij ze den een na den ander in

het geboomte zag verdwijnen, en keerde toen met langzamen tred naar de

kolonie terug, in diepe gedachten over hetgeen tusschen hem en den

Roodhuid was voorgevallen en met een beklemd hart over de

waarschijnlijke gevolgen.

Eene zaak vooral voorspelde hem het ergste, namelijk dat de Apen-Kop,

die anders altijd zoo sluw en voorzigtig was, hem thans zoo ruw had

durven bejegenen; daarvoor moest een geduchte reden bestaan, anders zou

de vrees voor straf hem zeker hebben teruggehouden.

VIII.

DE OORLOGSVERKLARING.

Er is eene onbegrijpelijke zaak, die ik gedurende den loop mijner lange

en avontuurlijke togten in Amerika, menigmaal zelf ondervonden heb en

als volkomen waar kan bevestigen; zij is deze, dat men vaak, zonder van

dat gevoel reden te kunnen geven, een onheil, om zoo te zeggen voelt

aankomen; men weet reeds vooruit dat men er door bedreigd wordt, zonder

dat men nogtans weet van waar of hoe het ons overkomen zal; maar de dag

schijnt somberder, de zonnestralen verliezen hun glans, alle voorwerpen

nemen een treurigen tint aan, men hoort zonderlinge fluisteringen in de

lucht, kortom, alles is in zekere onbepaalde en geheimzinnige onrust.

Zonder dan dat er eenige blijkbare reden bestond om de vrees van den

kapitein voor de gevolgen van zijn twist met den Pawnees te

regtvaardigen, gevoelde niet alleen hij, maar ook de gansche bevolking

der kolonie, den avond van dien dag, zich als onder den druk eener

angstige bekommering.

Ten zes ure, als naar gewoonte, had de klok geluid om de houthakkers en

veehoeders thuis te roepen: allen waren binnengekomen, de beesten waren

elk in hun stal opgesloten en, in schijn althans, was er niets

ongewoons te zien dat de vreedzame rust der kolonisten kon verstoren.

De sergeant Bothrel en zijne gezellen hadden den Apen-Kop verscheidene

uren nagezet, maar niets anders gevonden dan het paard, dat de Indiaan

zoo stout vermeesterd had, maar dat hij waarschijnlijk weder had laten

varen om zijne vlugt des te gemakkelijker te kunnen verbergen.

Van Indianen was er geen spoor in den omtrek der kolonie te ontdekken;

maar toch had de kapitein, die minder gerust was dan hij zelf wilde

weten, de wachten laten verdubbelen die voor de algemeene veiligheid

moesten waken, en gaf hij den sergeant bevel om alle twee uren met de

patrouille op de verschansing de ronde te doen.

Vervolgens, nadat deze voorzorgen genomen waren, hadden de familie en

de huisbedienden zich in de groote zaal onder in den toren verzameld,

voor de avondgodsdienst, eene gewoonte die sedert de eerste dagen op de

kolonie was ingevoerd.

De kapitein zat in een grooten armstoel bij het vuur, want de nachten

begonnen reeds koud te worden, met een oud boek voor zich over de

militaire taktiek, terwijl mistress Watt met de meiden bezig was

huislinnen te verstellen.

Dien avond las de kapitein niet veel, maar zat met de armen kruiselings

over de borst en de oogen op den haard gevestigd; hij scheen in diep

nadenken verzonken.

Eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich tot zijne vrouw.

„Hoort gij de kinderen niet schreeuwen?” vroeg hij.

„Ik weet waarlijk niet wat hun van daag schort,” antwoordde zij, „zij

zijn niet tot bedaren te krijgen; Betsy is reeds langer dan een uur bij

hen, zonder dat het haar gelukte ze te doen inslapen.”

„Dan moest gij zelve liever eens gaan zien, melieve, dat zou misschien

beter zijn dan ze geheel aan de zorg van eene dienstbode over te

laten.”

Mistress Watt ging zonder iets te zeggen de kamer uit en weldra hoorde

men hare stem op de bovenverdieping, waar de kinderkamer was.

De kapitein sprak nu tot den ouden sergeant, die in een hoek van het

vertrek een juk zat te herstellen:

„Het is u dus niet gelukt, Bothrel,” zeide hij, „om dien verwenschten

heidenschen hondsvot meester te worden, die mij van daag zoo ruw op den

grond heeft geworpen?”

„Wij hebben hem zelfs geen enkele maal in ’t oog kunnen krijgen,

kapitein,” antwoordde de sergeant; „die Indianen zijn als de slangen,

zij glippen overal door heen. Gelukkig dat ik Boston heb teruggevonden;

het arme beest scheen zelf blij dat hij ons wederzag.”

„Ja, ja, Boston is een edel dier, ik zou hem niet gaarne hebben willen

verliezen. De heiden heeft hem immers niet gekwetst? Zooals gij weet,

zijn die roode duivels wel gewoon hunne paarden te mishandelen.”

„Hij mankeert niets, zooveel ik heb kunnen zien; de Indiaan zal zeker

genoodzaakt zijn geweest hem onverwijld in den steek te laten, toen hij

merkte dat wij hem te digt achter de hielen kwamen?”

„Dat zal wel zoo zijn, sergeant. Hebt gij de omstreken met zorg

onderzocht?”

„Met de grootste zorg, kapitein; ik heb niets ontdekt dat mij verdacht

voorkwam. De Roodhuiden zullen zich wel tweemaal bedenken eer zij ons

aanvallen, wij hebben ze te ruw van den hals geschud, dat zullen zij

zoo spoedig niet vergeten.”

„Dat ben ik niet met u eens, sergeant, de heidenen zijn wraakgierig; ik

houd mij overtuigd dat zij zich gaarne op ons zouden wreken en dat wij

te avond of morgen, misschien reeds spoedig, hun oorlogskreet in het

dal zullen hooren.”

„Ik verlang er niet naar, als ik u de waarheid moet zeggen, maar ik

geloof, als zij het durven wagen, dat zij weten zullen met wie zij te

doen hebben.”

„Dat denk ik ook; maar het zou voor ons eene treurige verrassing zijn,

vooral nu wij, dank zij onze moeite en zorgen, op het punt zijn om de

vruchten van onzen arbeid te plukken, en de eerste oogst op het veld

staat.”

„Dat is zoo, het zou zeer spijtig zijn, want de schade die wij door een

aanval van zulke bandieten te vreezen hebben is niet te berekenen.”

„Ongelukkig kunnen wij alleen op onze hoede zijn, daar het niet

mogelijk is om de plannen te voorkomen of te verijdelen die de roode

duivels zonder twijfel tegen ons smeden. Hebt gij de schildwachts wel

zoodanig geplaatst als ik u gezegd had, sergeant?”

„Ja, kapitein en ik heb hun aanbevolen om toch vooral waakzaam te zijn,

zoodat ik niet geloof dat de Pawnees, hoe listig zij ook wezen mogen,

ons ligt zullen overrompelen.”

„Men moet op niets te veel vertrouwen, sergeant,” antwoordde de

kapitein terwijl hij twijfelmoedig het hoofd schudde.

Op hetzelfde oogenblik, alsof het toeval zijne vrees wilde bevestigen,

werd de groote schel, die buiten was geplaatst en dienen moest om de

kolonisten te verwittigen dat iemand verlangde binnen te komen, met

kracht overgehaald.

„Wat is dat?” riep de kapitein, terwijl hij op de klok keek die

tegenover hem aan den muur hing; „het is reeds acht ure, wie komt daar

nog zoo laat? Zijn al onze mannen nog niet binnen?”

„Allen zijn thuis, kapitein, er is niemand van ons meer buiten.”

James Watt stond op, greep zijn geweer, en den sergeant een wenk

gevende om hem te volgen, trad hij reeds naar de deur.

„Waar wilt gij naar toe, lieve vriend?” vroeg op eens eene zachte maar

onrustige stem.

De kapitein keerde zich om, en zag zijne vrouw, die in de zaal was

gekomen zonder dat hij haar bemerkt had.

„Hebt gij de bel niet gehoord?” vroeg hij haar, „er schijnt iemand

buiten te staan.”

„Ja, ik heb die gehoord, lieve,” antwoordde zij; „maar zoudt gij wel

open doen op zulk een laat uur?”

„Mistress Watt” hervatte hij koel maar ferm, „ik ben het hoofd der

kolonie, het is juist op dit uur mijn pligt om open te doen, omdat er

misschien gevaar is en ik aan allen een voorbeeld van moed en

pligtsbetrachting moet geven.”

Op het oogenblik klonk de schel voor de tweede maal.

„Gaan wij,” vervolgde de kapitein tegen den sergeant.

De jonge vrouw antwoordde niet; zij zonk op een stoel neer, bleek en

bevend van angst.

Intusschen was de kapitein naar buiten gegaan, gevolgd door Bothrel en

vier jagers, allen met buksen gewapend.

De nacht was donker, er blonk geen enkele ster, en de hemel was zoo

zwart als inkt, zoodat men op twee passen afstand niets kon

onderscheiden, en er woei een koude huilende wind. Bothrel had een

lantaarn medegenomen om in de duisternis vooruit te zien en den weg te

vinden.

„Hoe komt dat?” vroeg de kapitein, „dat de schildwacht die aan de

ophaalbrug staat, geen werda heeft geroepen?”

„Misschien heeft hij geen alarm willen maken, daar hij wel wist dat de

bel in de toren gehoord kon worden.”

„Hum!” mompelde de kapitein tusschen de tanden.

Zij vervolgden hun weg; weldra hoorden zij geluid van stemmen en

luisterden; het was de schildwacht die sprak.

„Heb geduld,” riep hij, „ze komen al; ik zie een lantaren blinken, gij

zult geen twee minuten meer behoeven te wachten; maar in uw eigen

belang zou ik u raden om u niet te verroeren, of ik stuur u dadelijk

een kogel in het lijf.”

„Duivelsch!” antwoordde een spottende stem aan den overkant der gracht,

„gij schijnt zonderlinge denkbeelden van de gastvrijheid te hebben,

daar binnen; maar dat zij zoo, ik zal wachten; schouder intusschen uw

geweer, ik heb volstrekt geen plan om hier alleen storm op u te

loopen.”

Op dit oogenblik kwam de kapitein op de verschansing.

„Wat is dat, Bob?” vroeg hij aan de soldaat.

„Ik ben een aap als ik het weet, kapitein,” antwoordde deze, „daar aan

den overkant der gracht staat een man die met alle geweld binnen wil

komen.”

„Wie zijt gij? en wat verlangt gij?” riep de kapitein.

„Wie zijt gij zelf?” antwoordde de onbekende.

„Ik ben de kapitein James Watt, en ik laat u weten dat de kolonie op

dit uur voor onbekende landloopers gesloten is; kom tegen zonsopgang

terug, misschien zal ik u dan vergunnen mijn huis binnen te treden.”

„Pas wel op hetgeen gij doet” riep de onbekende, „uwe stijfhoofdigheid,

om mij hier op den rand van een gracht te laten blaauwbekken, zou u

duur te staan kunnen komen.”

„Pas gij maar op u zelven, man,” antwoordde de kapitein ongeduldig, „ik

ben niet te best geluimd om mij te hooren bedreigen.”

„Ik bedreig u niet, ik waarschuw u slechts,” hervatte de andere; „gij

hebt van daag reeds een grove fout begaan, maak het dezen avond maar

niet erger door u zoo stijf tegen mijne binnenkomst te verzetten.”

Dit antwoord trof den kapitein en bragt hem tot nadenken.

„Maar,” riep hij een oogenblik later, „als ik u binnen laat, wie

waarborgt mij dan dat gij mij niet zult verraden? De nacht is donker en

gij kondt wel een talrijken troep volk bij u hebben, zonder dat ik er

iets van zag.”

„Ik heb niet anders bij mij dan een enkelen kameraad, daar ik u voor

insta, leven om leven.”

„Hum!” riep de de kapitein besluiteloozer dan ooit, „en wie blijft mij

borg voor u?”

„Ik!”

„Wie zijt gij dan, die onze taal zoo zuiver spreekt dat men u voor een

van ons volk zou kunnen houden.”

„Dat ben ik ook ten naastenbij, ik ben Canadees, mijn naam is

Tranquille.”

„Tranquille!” riep de kapitein. „Zijt gij dan de beroemde woudlooper,

bijgenaamd de Tijgerdooder?”

„Of ik beroemd ben, kapitein, weet ik niet, maar wat ik wel weet is,

dat ik de man ben dien gij bedoelt.”

„Zoo gij werkelijk Tranquille zijt, laat ik u binnen komen; maar wie is

de man die u vergezelt en daar gij voor instaat?”

De zwervers op de grenzen · 第 5 / 22 段