ons regt als vertellers gebruik makende, het tooneel van ons verhaal
eenige honderde mijlen verplaatsen, in een rijk en bekoorlijk dal aan
den Boven-Missouri, die majestueuze rivier met hare doorschijnende
wateren, aan wier welige boorden zich thans zoovele welvarende steden
en dorpen verheffen en zoovele spoorwegen elkander kruisen, en op wier
breeden stroom de prachtige Amerikaansche stoombooten in alle rigtingen
voortstevenen, maar die op het tijdstip van onze historie nog bijna
onbekend, op haar heldere watervlak niets anders afspiegelde dan de
sombere kruinen en geheimzinnige bladgewelven van het onmetelijk en
eeuwenheugend bosch aan hare oevers.
Aan het uiteinde van een breede waterkom of meir, door het
zamenvloeijen van twee aanzienlijke stroomen gevormd, die zich in den
Missouri uitmonden, begint eene uitgestrekte vallei, aan de eene zijde
begrensd door steile rotsbergen en aan de andere door eene lange reeks
van houtrijke heuvels.
Deze vallei, bijna geheel met digte bosschen bedekt, rijk aan wild van
allerlei soort, was de geliefkoosde verzamelplaats der Pawnees
Indianen, van welke een talrijke stam, die der Slangen, zich zelf een
vaste woonplaats had gekozen aan den uitersten hoek der landtong, om
des te nader bij hun uitverkoren jagtveld te zijn. Het Indianendorp was
vrij aanzienlijk en telde nagenoeg drie honderd vijftig haardsteden,
hetgeen buitengewoon veel is voor de Roodhuiden, die zich in den regel
niet gaarne in grooten getale op eene plaats vereenigen, uit vrees van
honger te zullen lijden; maar de ligging van het dorp was zoo gelukkig
gekozen, dat de Indianen voor ditmaal van hunne gewoonte afzagen;
werkelijk verschafte het bosch aan den eenen kant hun meer wild dan zij
konden vermannen, terwijl aan den anderen kant de rivier overvloed van
visch opleverde van allerlei soort en uitmuntend van smaak, en de
omliggende prairiën het gansche jaar door bedekt waren met hoog en
welig gras, dat hunne paarden ruim van voortreffelijk voeder voorzag.
Sedert eeuwen welligt, hadden de Slangen-Pawnees zich reeds
bepaaldelijk in deze gelukkige vallei nedergezet, die dank zij hare
gunstige aan alle zijden besloten ligging, een zacht klimaat genoot en
beschut was tegen de geweldige natuurverschijnsels en luchtberoeringen
die de hoogere breedten in Noord-Amerika vaak beheerschen. De Indianen
leefden hier rustig en vergeten, zich bezighoudende met jagen en
visschen, terwijl zij telken jare eenige kleine benden van hun jonge
volk ver weg op het oorlogspad uitzonden, onder aanvoering van hunne
meest beroemde opperhoofden.
Op eenmaal werd dit rustige leven onherroepelijk verstoord; moord en
brandstichting hadden zich als een lijkkleed over de vallei verspreid,
het dorp was tot den grond toe verwoest en de bewoners waren
meedoogenloos omgebragt.
De Noord-Amerikanen hadden eindelijk van dit onbekende Eden kennis
bekomen, en als gewoonlijk, ook in dezen nieuwen hoek der aarde hunne
inbezitneming met roof, brand en moord gekenmerkt.
Wij zullen hier op het verhaal door het Zwarte-Hert aan den Canadees
gedaan, niet terugkomen, maar alleen bevestigen dat dit verhaal in
allen deele waarheid bevatte, en dat het opperhoofd, wel verre van de
zaken te overdrijven, integendeel het sombere tafereel met ongewone
billijkheid en onpartijdigheid had weten te verzachten.
Wij begeven ons naar het dal, omtrent drie maanden na de voor de
Roodhuiden zoo noodlottige komst der Amerikanen, en zullen in korte
trekken beschrijven op welke wijs de nieuwe indringers zich op het
grondgebied vestigden, daar zij de wettige bezitters zoo wreedaardig
uit verjaagd hadden.
Naauwelijks zagen de Amerikanen zich onbetwiste meesters van het
terrein, of zij begonnen er wat men eene ontginning of kolonisatie
noemt.
Het gouvernement der Vereenigde Staten had voor dertig jaar, en
waarschijnlijk nog heden ten dage, de gewoonte om de goede diensten van
oude officieren te beloonen, met hun welgelegen gronden af te staan,
aan de grenzen der republiek die het meest door de Indianen werden
bedreigd. Deze gewoonte had het dubbele voordeel dat zij eensdeels de
grenzen van het Amerikaansche grondgebied van lieverlede uitbreidde,
door de Roodhuiden dieper in de woestijn terug te dringen, en
anderdeels dat men aan de dappere soldaten, die het grootste deel van
hun leven den oorlog gevoerd en hun beste bloed voor het vaderland
vergoten hadden, een onbezorgden ouden dag kon verzekeren.
Kapitein James Watt was de zoon van een officier die zich in den
onafhankelijkheidsoorlog had onderscheiden; de kolonel Lionel Watt,
ordonnans officier van Washington, had aan de zijde van dezen beroemden
grondlegger der Amerikaansche republiek al de veldtogten tegen de
Engelschen medegemaakt; in de belegering van Boston zwaar gewond, zag
hij tot zijn groot verdriet zich genoodzaakt om de dienst te verlaten
en tot het burgerlijk leven terug te keeren; doch getrouw aan zijne
vaderlandslievende beginsels, liet hij zijn zoon, zoodra deze den
twintigjarigen leeftijd had bereikt, zijne plaats onder het vaandel
innemen.
Op het tijdstip waarmede ons verhaal begint, was James Watt een man van
omtrent vijfenveertig jaar, ofschoon hij minstens tien jaar ouder
scheen, ten gevolge der tallooze vermoeijenissen die hij in zijne jeugd
onder het voeren der wapenen had moeten doorstaan.
Hij was iemand van kolossale gestalte, vijf voet tien duim lang, sterk
gebouwd, breed van schouders, mager maar forsch gespierd en genoot een
ijzeren gezondheid; de diepe lijnen op zijn streng en sterk gerimpeld
gelaat teekenden een krachtigen wil, gepaard met onbezorgd
zelfvertrouwen, welke laatste trek bijzonder eigen is aan menschen wier
gansche leven eene aaneenschakeling was van te boven gekomen
moeijelijkheden en gevaren. Zijn korte ijzergraauwe haren, zijn vale
kleur, zijne zwarte en doordringende oogen, zijn welbesneden mond, maar
eenigzins dunne lippen, gaven hem het voorkomen van onbuigzame
gestrengheid, doch niet zonder grootmoedigheid.
Kapitein Watt sedert drie jaren gehuwd met eene bekoorlijke vrouw, die
hij schier aanbad, was vader van twee kinderen, een zoon en eene
dochter.
Zijne echtgenoot, Fanny genaamd, was eene verre nicht van hem, eene
brunette, met heerlijke blaauwe oogen, zachtzinnig en zedig van aard.
Ofschoon veel jonger dan haar man, daar zij naauwlijks twee en twintig
jaar telde, droeg zij hem de diepste en hartelijkste genegenheid toe.
Toen de oude soldaat vader was geworden en de innige genoegens van het
huwelijksleven begon te waardeeren, kwam er op eens eene omkeering in
zijn karakter, hij kreeg een bepaalden afkeer van het militaire vak en
verlangde niets liever dan de stille genoegens van den huiselijken
haard.
James Watt was een van die menschen voor welke tusschen het opvatten en
uitvoeren van een ontwerp slechts eene enkele schrede bestaat.
Naauwelijks dus was de gedachte om de dienst te verlaten bij hem
opgekomen, of hij bragt haar terstond ten uitvoer, en bleef doof voor
al de afmaningen en tegenwerpingen zijner vrienden.
Intusschen, hoe sterk de kapitein ook verlangde om tot het ambtelooze
leven terug te keeren, was hij toch volstrekt niet gezind om het
soldatenpak voor de sombere kleeding van een stadsburger te
verwisselen. Het eentoonige leven in de steden der Unie had weinig
bekoorlijks voor den ouden soldaat, die zijne dagen in gedurige
beweging en afwisseling gesleten had en voor wien de woelige
krijgsmansstand als het ware normaal was geworden.
Na rijp beraad derhalve verkoos hij een middeltoestand, die naar zijn
gevoelen de al te groote eenvoudigheid en stilte van het burgerlijke
leven het beste zou verhelpen. Dezen middeltoestand vond bij in het
aanvragen van eene concessie, met andere woorden, van een zekere
uitgestrektheid land aan de Indiaansche grenzen, waar hij met behulp
van een aantal bedienden en medewerkers een nieuwe kolonie zou
aanleggen, om er een gelukkig en bedrijvig leven te leiden, als een
heer uit de middeleeuwen te midden zijner vasallen.
Dit plan lachte den kapitein des te meer toe, daar hij meende op deze
wijze nog altijd in zekeren zin zijn vaderland te zullen blijven
dienen, door de eerste zaden te strooijen van toekomstigen voorspoed en
het eerste licht der beschaving te doen opgaan over eene landstreek,
tot hiertoe in een nacht van barbaarschheid verzonken.
De kapitein had gedurende zijne militaire loopbaan, met zijne compagnie
langen tijd gediend om de grenzen der Unie tegen de jaarlijksche
invallen der Roodhuiden te beschermen en hunne onophoudelijke
strooptogten af te weren; hij bezat dus wel is waar eene oppervlakkige,
maar toch voldoende kennis van de zeden der Indianen en van de middelen
die men moest aanwenden om niet te veel door deze lastige buren
verontrust te worden.
Gedurende den loop zijner tallooze veldtogten waartoe de dienst hem
verpligtte, had de kapitein menige vruchtbare streek bezocht en daarbij
gronden ontmoet die hem bijzonder behaagden, maar van alle dezen was er
geen hem zoo vast in het geheugen gebleven als eene bekoorlijke vallei,
op zekeren dag gezien als in een droom, ten besluite eener jagtpartij
met een woudlooper, welke jagtpartij ruim drie weken duurde en die hem,
zonder het zelf te willen, veel dieper in de wildernis had gevoerd dan
ooit een beschaafd mensch er was doorgedrongen.
Sedert meer dan twintig jaar had hij deze vallei niet wedergezien, maar
zij stond hem nog altijd voor oogen tot in de kleinste bijzonderheden,
alsof hij haar eerst gisteren verlaten had, deze zonderlinge
vasthoudendheid van zijn geheugen had eindelijk de verbeelding van den
kapitein derwijze bewerkt, dat hij toen hij besloot om de dienst te
verlaten en concessie aan te vragen, zich stellig voornam om daarheen
te trekken, en nergens elders.
James Watt bezat talrijke voorstanders en begunstigers in de bureaux
van den president, en behalve dat spraken de door hem zelven en zijn
vader aan de Republiek bewezen diensten, sterk ten zijnen voordeele;
het kostte hem dus weinig moeite om de gevraagde gunst te verwerven.
Toen hij zijne aanvraag deed, legde men hem verscheidene plannen voor,
sinds lang door de regeering geteekend en opgemaakt, en poogde men hem
over te halen om er eene uit te kiezen die hem het beste beviel.
Maar de kapitein had zijne keus reeds vooraf beslist, hij wees al de
plannen die men hem voorlegde bepaald van de hand, en haalde uit zijn
zak een stuk elandsvel, ontrolde het en liet het den commissaris die
met de concessie belast was zien, met de verklaring dat hij deze
landstreek verkoos, en geen andere.
De Commissaris fronste de wenkbraauwen; hij was een der vrienden van
den kapitein en kon bij zulk eene keus zijne afkeuring niet
terughouden.
De verlangde concessie lag midden in het land der Indianen, meer dan
vier honderd mijlen ver van de Amerikaansche grenzen. Het was eene
dwaasheid, ja een zelfmoord dien de kapitein wilde begaan; het zou eene
onmogelijkheid zijn om zich tegen de oorlogzuchtige volksstammen, die
hem van alle kanten omringden, staande te houden. Eer er een maand
verloopen was, zou men hem onverbiddelijk hebben vermoord, met zijne
gansche familie en al de bedienden of medehelpers die zich aan hem
hadden durven verbinden.
Op al deze tegenwerpingen, die zijn vriend opeenstapelde om hem van
zijn gevoelen af te brengen, antwoordde de kapitein alleen met een
weigerachtig hoofdschudden en dien veelbeteekenenden glimlach, eigen
aan menschen wier besluit onherroepelijk vaststaat.
Eindelijk uit zijn laatste verschansing verdreven en geen kans ziende
om zijne stelling langer te verdedigen, verklaarde de commissaris
ronduit dat hij het verzoek van den kapitein onmogelijk kon inwilligen,
daar het land aan de Indianen toebehoorde, die er, wat meer zegt,
sedert onheugelijke tijden een dorp gevestigd hadden.
De commissaris had dit argument tot het laatst bewaard, wel overtuigd
dat de kapitein er niets op zou kunnen antwoorden en zich genoopt zou
vinden om zijne plannen op te geven, of althans te wijzigen.
Maar hij had zich bedrogen; de waardige commissaris bleek het karakter
van zijn vriend minder goed te kennen dan hij zich verbeeldde.
Laatstgenoemde, zonder zich te bekreunen om de zegevierende wending
waarmede de commissaris zijne rede besloot, haalde bedaardelijk een
tweede rol elandsvel uit zijn zak en legde het zonder een woord te
spreken zijn vriend voor.
Deze nam het op en wierp hem een vragenden blik toe; de kapitein wenkte
hem, met een onweerstaanbaren hoofdknik, dat hij het bewijsstuk zou
inzien.
De commissaris ontrolde het met zekere aarzeling; hij had aan de
manieren van den ouden soldaat reeds bemerkt, dat dit document voor een
beslissend antwoord moest gelden.
Inderdaad had hij het stuk naauwelijks ingezien, of hij wierp het op
tafel, met een blik van de uiterste ontevredenheid.
Het elandsvel behelsde een acte van verkoop van de vallei en al het
omliggende land, opgemaakt door Itsichaiché, de Apen-Kop, een der
voornaamste Sachems van den stam der Slangen-Pawnees, in zijn naam en
dien der andere opperhoofden van zijn volk, voor den prijs van vijftig
goede geweren, veertien dozijn scalpeermessen, zestig ponden buskruid,
zestig pond kogels, twee vaten whiskey en drie en twintig komplete
soldatenuniformen der Amerikaansche militie.
Ieder opperhoofd had zijn hieroglyf of naamcijfer op de acte geteekend,
onmiddellijk onder dat van den Apen-Kop.
Wij moeten hier terstond bijvoegen dat het koopcontract valsch, en de
kapitein in deze zaak door den Apen-Kop jammerlijk bedrogen was.
Dit opperhoofd, om verschillende redenen, die wij later zullen
vermelden, uit den stam der Slangen-Pawnees verdreven, had de genoemde
acte opgemaakt met tweeledig doel, vooreerst om den kapitein te
bedriegen, en ten anderen om zich op zijne stamgenooten te wreken; want
hij wist zeer goed, dat de kapitein, als de regering hem concessie
verleende, niet aarzelen zou om zich van de vallei meester te maken,
zonder zich verder over de gevolgen van zijn roof te bekommeren. Het
eenige wat de kapitein van den Roodhuid vorderde, was dat hij hem tot
gids zou dienen, hetgeen deze zonder bezwaar had aangenomen.
Met de acte van verkoop voor oogen, moest de commissaris zich gewonnen
geven en tegen wil en dank de concessie verleenen daar de kapitein zoo
hardnekkig op aandrong.
Zoodra de stukken behoorlijk waren geregistreerd, geteekend en van het
groote rijkszegel voorzien, liet de kapitein er geen gras over groeijen
en begon hij terstond met de noodige maatregelen om op reis te kunnen
gaan.
Mistress Watt hield te veel van haar man om zich tegen zijne plannen in
het minst te verzetten. Zelve op eene kolonie niet ver van de grenzen
groot gebragt, was zij met de zeden der Indianen te goed bekend, om
voor hunne nabijheid overbodige vrees te koesteren; overigens
bekommerde zij zich niet om het oord van haar verblijf, zoo zij haar
man slechts bij zich had.
Volkomen gerust wat zijne vrouw betrof, ging de kapitein aan het werk
met al de drift en bedrijvigheid die zijn karakter kenmerkte.
Amerika is het land der wonderen, en welligt is het de eenige streek op
de wereld waar men altijd menschen en middelen vindt om de ongerijmdste
en dolzinnigste ontwerpen mogelijk te maken of te helpen uitvoeren.
De kapitein was volstrekt niet blind voor de waarschijnlijke gevolgen
van zijn genomen besluit, ook wilde hij zooveel mogelijk alle dreigende
gevaren afwenden, om de veiligheid te verzekeren van het personeel dat
hem op zijn togt zou vergezellen en, in de eerste plaats, van zijne
vrouw en zijne kinderen.
Overigens was zijne keus niet moeijelijk. Onder zijne oude vrienden,
dat is, zijne voormalige wapenbroeders, waren er velen die niets liever
verlangden dan hem te volgen; onder anderen een oude sergeant, met name
Walters Bothrel, die meer dan vijftien jaar onder zijne bevelen had
gestaan, en die op het eerste gerucht dat de kommandant zijn ontslag
had genomen, bij hem kwam met de verklaring, dat hij nu ook niet langer
bij de kompagnie wilde blijven, terwijl hij vertrouwde dat zijn goede
kapitein niet weigeren zou hem in dienst te nemen en zijn nieuwe baan
te volgen.
Het aanbod van Bothrel werd door James Watt met vreugde aangenomen. De
kapitein kende den ouden sergeant als een man van beproefde dapperheid,
een poedelhond in getrouwheid, op wien hij zich in nood en dood gerust
zou kunnen verlaten.
De sergeant kreeg nu last om het detachement jagers te organiseren dat
de kapitein besloot mede te nemen, om zich te kunnen verdedigen, zoo de
Indianen lust hadden om de nieuwe kolonie aan te vallen.
Bothrel kweet zich van de bekomen order met zijn gewonen tact en
naauwgezetheid, en had weldra in de voormalige kompagnie van den
kapitein dertig kloeke mannen gevonden, die niets vuriger verlangden
dan het fortuin van hun ouden chef te volgen en zich onder hem te laten
aanwerven.
Op zijne beurt had de kapitein een vijftiental werklieden van allerlei
slag aangenomen, als smids, timmerlieden, tuin- en landbouwers enz.,
die met hem een contract sloten voor vijf jaren, na verloop van welken
termijn zij tegen betaling van een geringe pachtsom, eigenaars zouden
worden van zekere gronden die de kapitein hun zou afstaan, en waar zij
zich met hunne gezinnen konden vestigen; zelfs die kleine pachtsom zou
na het verstrijken van zekeren tijd ophouden.
Alle toebereidselen thans afgeloopen zijnde, gingen de kolonisten ten
getale van vijftig mannen en ongeveer twaalf vrouwen eindelijk op weg
naar de ver gelegen concessie, tegen de helft der maand Mei, en ten
geleide van een lange sleep wagens, met allerlei eetwaren en
levensnooddruft beladen, benevens een talrijke troep koeijen, schapen
en varkens, honden enz., voor het onderhoud der kolonie en der
veefokkerij.
De Apen-Kop diende de karavaan als gids, volgens afspraak. Om den
Indiaan naar behooren regt te laten wedervaren, moeten wij zeggen dat
hij zich van zijn aangenomen taak met de meeste naauwgezetheid kweet en
dat hij na een langen overtogt van bijna drie maanden door eenzame
woestijnen, bevolkt met wilde dieren van allerlei soort, en in alle
rigtingen doorkruist van woeste Indianen horden, alle gevaren behendig
wist te ontwijken, en de gansche karavaan, die aan zijne leiding was
toevertrouwd, behouden op het bedoelde punt deed aanlanden.
VII.
DE APEN-KOP.
Wij hebben vroeger reeds in de hoofdzaak gezien, hoe de kapitein zich
van het door hem gekochte terrein meester maakte. Thans zullen wij
vermelden hoe hij er zich op vestigde en welke voorzorgen hij nam, om
niet verontrust te worden door de arme Indianen, die hij zoo woest uit
hunne bezittingen had verdreven, en die hij, volgens hun bekend
karakter, wel gissen kon, dat zich niet voor geslagen konden houden
maar die zeker vroeg of laat zouden terugkomen, om eene bloedige wraak
te nemen over de gruwzame mishandeling die zij hadden moeten ondergaan.
Het gevecht met de Indianen was scherp en moorddadig geweest, maar door
de tusschenkomst van den Apen-Kop, die den kapitein op al de zwakke
punten der Atepetl (dorp) inlichtte, en vooral door de vuurwapenen die
den Amerikanen verre de overhand gaf, waren de Indianen eindelijk
genoodzaakt te vlugten en alles wat zij bezeten hadden aan de
overwinnaars achter te laten.
Armoedige buit, alleen bestaande in dierenvellen en eenige lompe van
leem gebakken vazen of potten.
De kapitein zag zich naauwelijks meester van de plaats, of hij begon
zijne taak met het leggen der grondslagen voor de nieuwe kolonie; hij
begreep de noodzakelijkheid om zich zoo spoedig mogelijk tegen eene
overrompeling in veiligheid te stellen.
Het terrein waar het dorp gestaan had, werd eerst geruimd en gereinigd
van de ruïnen die er verspreid lagen; vervolgens begonnen de
aardwerkers den grond gelijk te maken en eene ringgracht te graven van
zes ellen breedte en vier ellen diepte, die door middel van een sprank,
aan den eenen kant met de kleinere rivier en aan de andere zijde met de
Missouri in verband werd gebragt; achter deze gracht en op de kruin van
het talud door de opgeworpen aarde gevormd, plantte men eene rij palen
van vier ellen hoog en met stevige ijzeren klampen onderling zamen
verbonden, terwijl men zorg droeg, van afstand tot afstand, kleine
bijna onzigtbare openingen te laten, om er het schietgeweer in te
leggen en zich dus veilig achter eene geschikte borstwering te kunnen
verdedigen. In deze verschansing werd tevens een gesloten poort
aangebragt, breed genoeg om een wagen door te laten, en daar buiten,
dwars over de gracht, lag een wipbrug die elken avond met zonsondergang
werd opgehaald.
Deze voorloopige voorzorgen eenmaal genomen zijnde, was er binnen de
gracht een terrein van ongeveer vierduizend vierkante ellen, aan alle
zijden door water en stevige palissaden ingesloten, behalve aan de
zijde der Missouri, daar men de rivier wegens hare breedte en diepte
als een genoegzamen waarborg van veiligheid beschouwde.
Het was binnen den omtrek van dit vrije terrein dat kapitein Watt thans
de gebouwen en andere vereischten voor de kolonie begon in te rigten.
Die gebouwen behoefden in den aanvang, zooals dit met alle koloniën
plaats heeft, slechts van hout te worden opgetrokken, namelijk van
boomstammen, daar men zelfs de schors aan liet; hout was er in
overvloed voorhanden, dank zij het bosch dat naauwelijks honderd ellen
van de kolonie verwijderd lag.
Deze werken werden met zooveel ernst en vlijt uitgevoerd, dat reeds
twee maanden na de aankomst der karavaan op deze plaats, al de gebouwen
voltooid en de gansche inrigting genoegzaam gereed was.
In het midden der kolonie, had men op eene verheven plaats een soort
van toren gebouwd, achthoekig en ongeveer vijf en twintig meters hoog,
met een plat dak in den vorm van een terras, en uit drie verdiepingen
bestaande; in de benedenste waren de keuken en de gewone bedienden
kamers, terwijl het bovenhuis voor de leden van het gezin bestemd was,
namelijk voor den kapitein, zijne vrouw, de kinderen en twee
kindermeiden, Betsy en Emmy—een paar jonge en sterke Kentuckiërs met
bolle blozende wangen—en voor Miss Margaret de keukenmeid, een deftige
vrouw, reeds in haar vijf en veertigste jaar, terwijl men haar
naauwelijks vijf en dertig zou hebben toegekend en zij nog altijd op
den naam van schoon aanspraak kon maken; en eindelijk ook eene kamer
voor sergeant Bothrel. Deze toren was gesloten door een stevige met
ijzer beslagen deur en in het midden met een schuifje, om te kunnen
zien wie er aanklopte.
Omtrent tien ellen van den toren, en met dezen door middel van een
onderaardschen gang verbonden, lag het woonhuis voor de jagers, dat
voor de werklieden, en eindelijk dat der veehoeders en arbeiders.
Vervolgens had men de stallen voor de paarden en de schuren voor het
vee.
Verder, hier en daar verspreid, lagen de wagenhuizen, de werkplaatsen,
schuren en andere lokalen om de voortbrengels der kolonie in te bergen.
Al deze gebouwen waren, voorzigtigheidshalve, afzonderlijk en ver
genoeg van elkander geplaatst, om in geval van brand—die bij houten
gebouwen altijd gevaarlijk was—te beletten dat de vlam van het eene
naar het andere oversloeg; bovendien waren er van afstand tot afstand
putten gegraven, om op alle punten overvloed van water te hebben zonder
dat men het uit de rivier behoefde te gaan scheppen.
Ten slotte behoeven wij naauwelijks te zeggen dat de kapitein, als een
soldaat van ondervinding en met al de listen en gevaren van een oorlog
op de grenzen wel bekend, niets verzuimd had om de kolonie tegen een
aanval of zelfs tegen eene verrassing te dekken.
Drie maanden waren er nu sedert de eerste vestiging der Amerikanen
voorbijgegaan; de vallei, voorheen onbebouwd en met bosch bedekt, was
thans grootendeels beploegd en bezaaid; de houtvellingen op groote
schaal aangelegd, hadden den uitersten zoom der bosschen reeds op twee
kilometers afstand van de kolonie verwijderd, alles had het aanzien van
welvaart en voorspoed, op eene plek die nog zoo kort te voren, door de
zorgeloosheid der Roodhuiden, niets anders opleverde dan hetgeen de
natuur zelve tot onmisbaar voedsel voor de beesten voortbragt.