nutteloosheid van zijne pogingen had ingezien, greep er bij hem eene
plotselinge verandering plaats, zijne trekken, zoo even nog door
bezorgdheid opgewonden, hernamen hunne gewone kalmte en gestrengheid,
een weemoedige glimlach speelde om zijne fiere lippen, hij vlijde zich
op den grond neder en prevelde met eene sombere stem:
„De Wacondah heeft het niet gewild!”
Tranquille was echter niet gezind om zijn toestand met dezelfde
noodlottige gelatenheid te aanvaarden; de jager behoorde tot dat
krachtvolle, werkdadige menschenras, wier onverzettelijk karakter zich
nimmer laat neerslaan en die strijden zullen tot hun laatsten ademtogt.
Toen hij zag dat de Roodhuid met het blinde noodlotsgeloof dat zijn
geslacht eigen is, het had opgegeven, besloot hij eene laatste poging
te wagen, al zou hij ook het onmogelijke beproeven.
Op twintig passen afstand van de plaats waar de jager zijn kamp had
opgeslagen, lagen een aantal eikenstammen, van ouderdom gestorven of
door vroegere stormen omvergewaaid en over elkander geworpen; een
weinig achter dit natuurlijk bolwerk, stond een boschje van vijf of zes
eikenboomen, afzonderlijk, en vormde een soort van oasis te midden van
het overigens vrij kale rivierstrand.
„Geef acht! Quoniam,” riep de jager, „verzamel zooveel dood hout als
gij vinden kunt en breng het hier, en gij hoofdman, doe desgelijks.”
De twee mannen gehoorzaamden oogenblikkelijk, zonder te begrijpen
waarom, maar volkomen gerust door de koelbloedigheid van hun medgezel,
en binnen weinige minuten lag er een aanzienlijke hoop droog hout tegen
en boven de omgeworpen eikenstammen opgetast.
„Goed!” riep de jager, „God helpe ons! alles is nog niet verloren,
schep moed!”
Thans de overblijfsels van het kampvuur, dat hij gedurende den nacht
gebrand had om de koude af te weren, naar den houtstapel overbrengende,
stookte hij het vuur aan, voedde het gedurig met dorre takken en
harsachtige stoffen, en binnen vijf minuten steeg er eene dikke
vuurzuil ten hemel, die snel toenam en weldra een gordijn vormde van
meer dan tien meters lengte en breedte.
„Terug! terug! mannen!” schreeuwde de jager, „volgt mij.”
Het Zwarte-Hert en Quoniam liepen hem na.
De Canadees ging echter niet ver; toen hij het straks door ons genoemde
boschje bereikt had, klauterde hij in den eersten boom den besten met
eene vlugheid en vaardigheid zonder weerga, en werd oogenblikkelijk
door zijne kameraden gevolgd, zoodat zij weldra vijftig voeten hoog
boven den grond, elk op een stevigen tak in veiligheid zaten en geheel
achter de bladeren verscholen waren.
„Ziedaar!” riep de Canadees met de meest koelzinnige bedaardheid, „dit
is onze laatste toevlugt, zoodra de manada verschijnt, schieten wij op
de voorposten; als bovendien de gloed der vlammen de bisons afschrikt
zijn wij behouden, zoo niet, dan hebben wij slechts te sterven. Maar
wij kunnen nu ten minste zeggen dat wij al het mogelijke gedaan hebben
om ons leven te redden.”
Het vuur door den jager ontstoken, was inmiddels zeer in omvang
toegenomen; het had zich reeds buiten den houtstapel uitgebreid en al
de struiken en kreupelbosschen in vlam gezet, en ofschoon het hooge
bosch te ver af lag om vuur te vatten, vormde zich weldra een gordijn
van vlammen van bijna een kwartmijl in ’t rond, wier roode gloed den
morgendamp kleurde, en aan het nog half schemerend landschap een
treffenden indruk van woeste grootschheid verleende. Uit den boom waar
de vlugtelingen gezeten waren hadden zij het volle gezigt op deze zee
van vlammen, die hen gelukkig niet kon bereiken, terwijl zij tevens den
geheelen omtrek konden overzien.
Op eens deed zich een vreesselijk gekraak hooren en verscheen de
voorhoede der manada aan den uitersten rand van het bosch.
„Geef acht!” riep de jager zijn geweer aanleggende.
De bisons, verschrikt door den onverwachten vuurdamp dien zij op eens
voor zich hadden, en verblind door den laaijen gloed zoowel als gezengd
door de geweldige hitte, bleven een oogenblik staan, als wilden zij
zich beraden, maar stoven toen weder voorwaarts in blinde woede en
loeijende van gramschap.
Er knalden drie geweerschoten.
De drie voorste bisons vielen en rolden over den grond in hunne laatste
doodstuipen.
„Het baat ons niet,” riep de Canadees koelbloedig, „wij zijn verloren.”
De bisons rukten steeds voort.
Spoedig echter werd hun de hitte ondragelijk; de rook, door den wind
juist in de rigting der manada gevoerd; maakte hen blind; er kwam een
oogenblik van stilstand, dat weldra door eene achterwaartsche beweging
werd gevolgd.
De jagers zaten met hijgende borst en gespannen blikken te staren naar
de bijzonderheden van dit ontzettend tooneel. Het was voor hen eene
vraag van leven of dood, een enkel oogenblik kon het beslissen, hun
leven hing als aan een zijden draad.
Intusschen drong de manada nog altijd voorwaarts.
De voorste bisons, die den troep aanvoerden, konden den schok der
volgenden niet weerstaan; zij werden omgeworpen en vertrapt door
degenen die achter hen kwamen; maar dezen, op hunne beurt door de hitte
verschrikt, wilden almede terugkeeren; in dezen uitersten nood begonnen
eenige bisons links en regts af te zwerven; dit was voldoende; zij
werden door meer anderen gevolgd, en nu ontstonden er twee stroomen, de
eene regts en de andere links van het vuur, zoodat de manada in tweeën
verdeeld, als een hooggezwollen vloed die zijne dijken en dammen
verbreekt, andermaal in dolle vaart voortstuwde, om zich aan den oever
der rivier te vereenigen en in een gesloten kolom naar den overkant te
trekken.
Het was een ontzettend schouwspel, deze verschrikte manada te zien
vlugten, onder vreeselijk geloei en in de grootste verwarring, door
verscheurende dieren vervolgd en met het brandende pijnbosch in hun
midden, als een onheilspellende vuurbaak die hun pad moest verlichten.
De voorste bisons gingen reeds te water, anderen volgden, en de gansche
manada begon de rivier in een regte lijn over te zwemmen; weldra zag
men de lange donkere massa tegen den anderen oever opklauteren en zich
als een reuzenslang over de prairie verspreiden, waar de voorste
gelederen spoedig achter het geboomte verdwenen.
De drie vlugtelingen waren gered, dank zij de tegenwoordigheid van
geest en de koelbloedigheid van den Canadees; evenwel moesten zij nog
twee uren zitten wachten en zich tusschen de takken schuilhouden eer de
gansche manada, die uit vele duizenden bestond, de rivier was
overgetrokken.
De bisons vervolgden hun koers ter regter- en linkerzijde van het vuur,
dat eindelijk bij gebrek aan brandstof begon uit te gaan, maar de
rigting was nu eenmaal gegeven en zoodra zij aan den uitgedoofden
vuurhaard kwamen, die thans niets meer was dan een aschhoop, scheidde
de manada zich in twee kolonnen en stormde ongehinderd voort tot aan de
rivier. Eindelijk verscheen de achterhoede, vergezeld en geteisterd
door jaguars en wolven, die aan de beide flanken rondsprongen of de
manada van achteren bestookten en insloten; en weldra was alles
voorbij.
De woestijn, welker stilte voor een poos gestoord was geworden, keerde
tot hare gewone kalmte terug, alleen bleef er een breed spoor over,
midden door het bosch getrokken en met verpletterde boomen bezaaid, als
eenig maar ontzettend bewijs welk eene woeste en ongeregelde troep er
was doorgegaan.
De jagers haalden weder vrij adem; thans konden zij zonder gevaar uit
hun luchtkasteel afklimmen en veilig op den grond nederdalen.
V.
HET ZWARTE-HERT.
Zoodra onze drie avonturiers den vasten grond weder onder de voeten
hadden, verzamelden zij de verstrooide en nog niet geheel uitgedoofde
houtskoolen, om op nieuw hun kampvuur te ontsteken ten einde hun
dejeuner te bereiden.
Aan levensmiddelen ontbrak het hen niet, zij waren zelfs niet verpligt
om hun gewonen voorraad aan te spreken, want verscheidene bisons, die
levenloos op den grond lagen uitgestrekt, voorzagen hen in overvloed,
van de lekkerste spijzen die de woestijn oplevert.
Terwijl de jager bezig was met zijn spit te stellen en een sappigen
bisonsbout naar behooren klaar te maken, zaten de neger en de Roodhuid
elkander te begluren met eene nieuwsgierigheid die zich zoowel van de
eene als van de andere zijde door uitroepingen van verwondering te
kennen gaf.
De neger lachte als een waanzinnige terwijl hij het zonderlinge
voorkomen van den Roodhuid beschouwde, wiens gezigt met vier
verschillende kleuren beschilderd was, en die de kleeding der
Indiaansche krijgslieden droeg, een kostuum dat de eenvoudige Quoniam
wel vreemd moest vinden, daar hij, zooals wij reeds zeiden, nog nooit
een Indiaan had ontmoet. De Roodhuid gaf zijne verwondering op eene
andere wijs te kennen; nadat hij den neger een geruimen tijd
onbeweeglijk had zitten aankijken, trad hij naar hem toe, greep hem
zonder een woord te zeggen bij den arm en begon dien met een slip van
zijn bisonsmantel uit al zijne magt te wrijven.
Quoniam, die deze gril van den Indiaan in het eerst goedwillig opnam,
werd spoedig ongeduldig, en poogde zich los te rukken; dat hem echter
niet gelukte, daar de Sachem hem stijf vasthield en zijn zonderling
werk met allen ernst voortzette. Intusschen begon de neger, die dit
onophoudelijk gewrijf niet alleen lastig vond maar er vreeselijk pijn
door leed, erbarmelijk te schreeuwen, terwijl hij zich met alle geweld
aan zijn onverbiddelijken beul poogde te ontwringen.
Het geschreeuw van Quoniam trok de aandacht van Tranquille, hij keek
driftig op en liep zoo snel als hij kon naar hem toe, om den armen
neger te verlossen, die de oogen vervaarlijk rondsloeg, beurtelings
links en regts sprong en huilde als een bezetene.
„Waarom pijnigt mijn broeder dien man toch zoo?” vroeg de Canadees
tusschenbeide komende.
„Ik!” antwoordde het opperhoofd verwonderd; „ik pijnig hem niet; zijne
vermomming is onnoodig, ik moet hem die afnemen.”
„Wat! mijne vermomming?” riep Quoniam.
Tranquille wenkte hem dat hij zwijgen zou.
„Die man is niet vermomd,” zeide hij.
„Wat behoeft hij zijn geheele ligchaam zoo te beschilderen?” hernam de
Sachem, „de krijgslieden beschilderen alleen hun aangezigt.”
De jager lachte dat het schaterde.
„Mijn broeder vergist zich,” zeide hij zoodra hij weder ernstig was,
„die man behoort tot een bijzonder menschenras; de Wacondah heeft hem
met een zwarte huid geschapen even als hij mijn broeder een roode gaf,
en mij een blanke; al de broeders van dezen man hebben zijne kleur; de
Groote Geest heeft het zoo gewild, om hen van de Roodhuiden en
Bleekgezigten te onderscheiden: laat mijn broeder de slip van zijn
bisonsmantel maar even nazien, hij zal er geen het minste plekje zwart
aan vinden.”
„Ooah!” riep de Indiaan verlegen het hoofd buigende, als iemand die
voor een onoplosbaar raadsel staat, „de Wacondah kan alles!”
Werktuigelijk deed hij wat de jager hem zeide en wierp een verlegen
blik op de slip van zijn mantel, die hij nog altijd in de hand had.
„Kom hoofdman,” vervolgde Tranquille, „gij moet dezen man als een
vriend beschouwen en in geval van nood voor hem hetzelfde doen als voor
mij, dan zult gij mij grootelijks verpligten.”
De Sachem maakte eene bevallige buiging en reikte den neger de hand.
„De woorden van mijn broeder den jager klinken mij in ’t oor als het
welluidend gezang der centzontle,” zeide hij. „Wah-rush-a-menec (het
Zwarte-Hert) is een Sachem in zijn stam; zijne tong is niet dubbel en
de woorden die zijne borst ademt zijn zuiver, want zij komen uit zijn
hart; het Zwarte gezigt mag zich aan het raadvuur der Pawnees
nederzetten, want van dit oogenblik af is hij de vriend van het
opperhoofd.”
Quoniam boog voor den Indiaan en beantwoordde zijn handdruk met een
warmen wederdruk.
„Ik ben maar een arme zwarte,” zeide hij, „maar mijn hart is zuiver en
mijn bloed is even rood in mijne aderen als of ik een blanke of een
Indiaan was; beiden hebt gij dus het regt om mijn leven te eischen; ik
sta het u met vreugde af.”
Na het uitwisselen dezer wederkeerige vriendschapsbetuigingen, hurkten
de drie mannen op den grond neder en begonnen zij met ijver aan hun
maal.
Dank zij de ontsteltenissen van dien morgen, hadden de avonturiers een
woedenden eetlust; zij bewezen dus alle eer aan den gebraden
bisonsbout, die schier geheel onder hunne herhaalde aanvallen verdween
en met eenige drinkhorens water begoten werd, daar de jager een
scheutje rum onder vermengd had, die hij steeds in een veldflesch aan
zijn gordel droeg.
Toen de maaltijd was afgeloopen werden de pijpen aangestoken en begon
elk stilzwijgend te dampen, met al den ernst die aan het boschleven
eigen schijnt te zijn.
Toen het opperhoofd zijne pijp had uitgerookt, schudde hij de asch op
den duim zijner regterhand, stak het roer weder in zijn gordel en
wendde zich tot den jager.
„Willen mijne broeders raad houden?” vroeg hij.
„Ja,” antwoordde de Canadees; „toen ik u op het einde der Mikini-Quisis
(de maand der verbrande vruchten, Julij) aan de Boven-Missouri verliet,
hebt gij mij besproken op de kreek der doode eiken aan de
Elands-rivier, tegen den tienden der Inaqui-Quisis (maand der vallende
bladeren, September) twee uren voor het opgaan der zon; beiden hebben
wij stipt woord gehouden; ik wacht nu, hoofdman, tot het u behaagt mij
op te helderen waarom gij mij deze zamenkomst hebt aangewezen.”
„Mijn broeder heeft gelijk, het Zwarte-Hert zal spreken.”
Na dit gezegd te hebben scheen het gelaat van den Indiaan plotseling te
betrekken en verzonk hij in een diep gepeins, dat zijne kameraden met
geduld eerbiedigden tot hij het woord zou opvatten.
Eindelijk, na verloop van een kwartier streek de Sachem zich eenige
keeren met de hand over het voorhoofd, rigtte het hoofd op, wierp een
bespiedenden blik in het rond en begon te spreken, maar zoo zacht en
onzigtig, als ware hij, zelfs hier in de wildernis nog beducht dat
zijne woorden door een of ander onzigtbaren vijand werden beluisterd.
„Mijn broeder de jager kent mij van mijne kindsheid af,” zeide hij,
„want hij werd door de Sachems van mijn volk opgevoed; ik zal hem dus
niets van mij zelven zeggen. De groote blanke jager heeft een
Indiaansch hart in den boezem; het Zwarte-Hert zal dus tot hem spreken
als een broeder tegen zijn broeder. Het is drie manen geleden, terwijl
het opperhoofd met zijn vriend elanden en damherten jaagde, aan de
oevers der Missouri, dat een krijgsman der Pawnees met lossen teugel op
het opperhoofd aanreed, hem ter zijde nam en eenige uren achtereen in
’t geheim met hem sprak; dat herinnert mijn broeder zich zeker nog?”
„Volkomen, hoofdman, ik herinner mij nog zeer goed dat de Blaauwe-Vos,
want zoo heette die krijgsman, na zijn onderhoud met u, even spoedig
weder vertrok als hij gekomen was, en dat mijn broeder, die tot op dien
oogenblik zeer vrolijk en opgeruimd was geweest, toen op eens treurig
werd; ondanks mijne dringende vraag, heeft mijn broeder mij toch de
reden van zijne treurigheid niet willen zeggen, maar verliet hij mij
den volgenden morgen met het opgaan der zon, na mij voor onze
tegenwoordige zamenkomst te hebben afgesproken.”
„Juist,” riep de Indiaan, „zoo is het, de zaak heeft zich juist zoo
toegedragen; maar wat ik mijn broeder toen niet zeggen kon, zal hij nu
vernemen.”
„Ik ben geheel oor,” antwoordde de jager met eene buiging, „ofschoon ik
vrees dat mijn broeder mij niets dan slecht nieuws heeft mode te
deelen.”
„Mijn broeder oordeele,” zeide hij; „zie hier welk nieuws de
Blaauwe-Vos mij bragt. Op zekeren dag kwam er een Bleekgezigt van de
Lang-Messen uit het Westen aan de oevers der Elands rivier, waar het
dorp der Pawnees-Slangen gelegen was. Het Bleekgezigt had een dertigtal
krijgslieden bij zich, een aantal vrouwen en groote tooverkisten op
rollen, getrokken door roode bisons zonder bulten en zonder manen. Dit
Bleekgezigt maakte op twee pijlschoten afstands van mijn dorp, op den
anderen oever der rivier halt, ontstak zijne vuren en kampeerde aldaar.
Mijn vader, zooals mijn broeder wel weet, was de eerste Sachem van zijn
stam; hij steeg te paard en trok door eenige krijgslieden gevolgd de
rivier over, den vreemdeling te gemoet, om hem op het jagtveld van ons
volk te verwelkomen en hem de ververschingen aan te bieden die hij mogt
noodig hebben.”—Dat Bleekgezigt was een man van groote gestalte, met
harde, sterksprekende trekken. De sneeuw van vele winters had zijne
haren wit gemaakt. Hij lachte om de woorden, die mijn vader sprak en
antwoordde hem: „Zijt gij het opperhoofd der Roodhuiden van dit
dorp?”—„Ja,” zeide mijn vader. Toen haalde het Bleekgezigt uit zijne
kleederen een grooten collier [3] te voorschijn, waarop vele vreemde
karakters geteekend waren en hield hem mijn vader voor.—„Uw blanke
grootvader in de Vereenigde Staten,” zeide hij, „heeft mij al de landen
in eigendom afgestaan, gelegen tusschen den Val der Antilopen, en het
Bisonsmeer:”—„Zie hier,” vervolgde hij met de hand op den collier
kloppende, „het wettig bewijs van mijn regt.”—Mijn vader en de
krijgslieden die hij bij zich had, begonnen te lagchen.
—„Onze Bleeke grootvader,” antwoordde hij, „kan niet wegschenken wat
hem niet toekomt; het land waarvan gij spreekt maakt de jagtgronden uit
die mijn volk bezeten heeft sedert de groote schildpad uit de zee
opkwam om de wereld op zijn schild te torschen.”—„Ik versta niets van
hetgeen gij mij daar zegt” hernam het Bleekgezigt, „ik weet alleen dat
dit land mij geschonken is en dat zoo gij weigert te vertrekken, en mij
in het vrije bezit er van te laten, ik er u toe zal weten te
noodzaken.”
„Ja,” viel Tranquille hem in de rede, „dat is het stelsel dier lieden:
roof en moord.”
„Mijn vader,” hervatte de Indiaan, „verwijderde zich op deze stoute
bedreiging, en trok naar ons dorp terug, onmiddellijk namen onze
krijgslieden de wapens op, de vrouwen werden in eene grot verborgen, en
de gansche stam hield zich gereed om weêrstand te bieden. Den volgenden
morgen, met het krieken van den dag, trokken de bleekgezigten de rivier
over en vielen het dorp aan. De strijd was lang en bloedig; hij duurde
van de eene zon tot de andere; maar wat vermogen de arme Indianen tegen
de met buksen gewapende Bleekgezigten? Zij werden overwonnen en waren
genoodzaakt te vlugten; twee uren later was hun gansche dorp in de asch
gelegd en het gebeente hunner voorouders in de vier winden verstrooid.
Mijn vader werd in den slag gedood.”
„O!” riep de Canadees medelijdend.
„Dat is nog alles niet,” hervatte het opperhoofd; „de Bleekgezigten
ontdekten de grot waar de vrouwen van onzen stam verborgen waren, of
liever bijna allen, want tien of twaalf slechts wisten het te
ontsnappen, en hare papous (kindertjes) mede te nemen; allen zeg ik,
werden koelbloedig en op de wreedaardigste wijs gemarteld en vermoord.”
Bij deze woorden verborg de Indiaan het hoofd in zijn bisonsmantel, en
hoorden zijne vrienden hem snikken, dat hij vruchteloos poogde te
smoren.
„Ziedaar,” hervatte hij eenige oogenblikken later, „het nieuws dat de
Blaauwe-Vos mij mededeelde, en mijn vader, terwijl hij in zijne armen
stierf, heeft mij zijne wraak nagelaten; mijne broeders, door hunne
vijanden als wilde dieren vervolgd en gedwongen zich in het diepst der
ontoegankelijke wouden te verbergen, hebben mij tot hun opperhoofd
verkoren, ik nam het aan en liet al de krijgslieden van mijn volk
zweren dat zij aan de Bleekgezigten die ons dorp overmeesterd en onze
broeders vermoord hadden, al het kwaad zouden wreken dat zij ons gedaan
hebben. Heden is alles gereed, de Bleekgezigten zijn op eene
bedriegelijke veiligheid ingeslapen, maar hun ontwaken zal vreeselijk
zijn. Zal mijn broeder mij volgen?”
„Ja, zoo waar als ik leef zal ik u volgen, hoofdman, en zal ik u helpen
zooveel ik vermag,” antwoordde de jager zonder zich te bedenken; „want
uwe zaak is regtvaardig. Maar onder eene voorwaarde.”
„Spreek, broeder.”
„De wet der woestijn zegt „oog om oog en tand om tand,” dat is zoo,
maar gij kunt u wel wreken zonder uwe overwinning door nuttelooze
barbaarschheden te onteeren; volg toch het voorbeeld niet dat u gegeven
is, wees menschelijk, hoofdman, en de Groote Geest zal uwe pogingen met
welgevallen aanzien en uwe zaak begunstigen.”
„Het Zwarte-Hert is niet wreed,” antwoordde de Sachem, „dat laat hij
voor de Bleekgezigten over, hij verlangt niets anders dan regt.”
„Wat gij daar zegt is goed, hoofdman, ik acht mij gelukkig u dus te
hooren spreken, maar zijn uwe maatregelen wel goed gekozen, zijn uwe
krachten wel aanzienlijk genoeg om u de overwinning te verzekeren?
Zooals gij weet, de Bleekgezigten zijn talrijk, zij laten nimmer een
aanval ongewroken; gij moet u dus, wat er ook gebeure, op vreeselijke
wraaknemingen voorbereiden.”
De Indiaan meesmuilde met minachting.
„De Lang-Messen uit het Westen zijn niets dan honden en lafhartige
hazen, de vrouwen der Pawnees zullen rokken voor hen maken,” antwoordde
hij; „het Zwarte-Hert gaat zijn stam vestigen in de groote prairie der
Comanchen, die hen zullen ontvangen als broeders, zoodat de
Bleekgezigten van het Westen hen niet vinden zullen.”
„Dat is slim genoeg bedacht, hoofdman, maar hebt gij sedert de
Amerikanen u uit uw dorp jaagden wel gezorgd spionnen bij hen te
onderhouden, ten einde goed te weten wat zij uitvoeren? Dat zou van het
meeste belang zijn voor het welslagen uwer onderneming.”
Het Zwarte-Hert glimlachte, maar antwoordde niet, en hieruit begreep de
Canadees dat de Roodhuid, met de gewone schranderheid en het geduld,
aan zijn ras eigen, was te werk gegaan en geen der noodige voorzorgen
had verzuimd om het gelukken van zijn aanslag op de nieuwe kolonie te
verzekeren.
Tranquille, zoowel door zijne half Indiaansche opvoeding, als door den
erfelijken haat dien elk opregt Canadees het Angel-Saksische ras
toedraagt, verlangde vurig om het opperhoofd der Pawnees bij te staan
en hem een schitterende wraak te verschaffen over het leed dat dezen
hem hadden berokkend; maar met het regtschapen oordeel dat den grond
van zijn karakter uitmaakte, wilde hij niet dat de Indianen zich aan de
gruwzame wreedheden zouden schuldig maken, die zij zich maar al te vaak
in de eerste drift der overwinning jegens hunne vijanden veroorloven.
Bovendien had hij met zijne toetreding een tweeledig doel: vooreerst,
om zooveel mogelijk het welslagen zijner vrienden te verzekeren, ten
tweede, om hen met al den invloed dien hij op hen bezat, na den strijd
tegen te houden en te beletten hunne wraak aan de overwonnelingen,
inzonderheid aan de vrouwen en kinderen bot te vieren.
Wat dit laatste betreft, verheelde hij voor het Zwarte-Hert geenszins
zijn gevoelen en stelde hij, zooals wij reeds gezien hebben, als
uitdrukkelijke voorwaarde zijner medewerking—die zeker voor de Indianen
niet onverschillig was—dat zij geen onnoodige wreedheden zouden begaan.
Quoniam, op zijne beurt, maakte zooveel omslag niet; als natuurlijke
vijand der blanken en vooral der Noord-Amerikanen, greep hij met drift
de gelegenheid aan om hen zooveel mogelijk te benadeelen en hun al de
mishandelingen terug te betalen die hij van hen had moeten verduren,
zonder daarbij een oogenblik te bedenken, dat de lieden tegen welke hij
thans strijden zou, aan die mishandelingen geheel geen deel hadden
gehad; maar, deze lieden waren eenvoudig Noord-Amerikanen, en dit was
voor den wraakzuchtigen neger reden genoeg om in zijn oog de
gedragslijn te regtvaardigen die hij, wanneer het oogenblik komen zou,
in de gegeven omstandigheden meende te moeten volgen.
Na eenige oogenblikken nam de Canadees het woord weder op.
„Waar zijn uwe krijgslieden, hoofdman?” vroeg hij.
„Die heb ik drie zonnemarschen van hier achtergelaten; zoo mijn broeder
niets heeft dat hem hier terughoudt, gaan wij onmiddellijk op weg om
ons bij hen te voegen; zij zullen mijne terugkomst reeds met ongeduld
verwachten.”
„Vertrekken wij dan,” riep de Canadees, „de dag is nog niet half om,
waartoe zouden wij hier als oude vrouwen onzen tijd verbeuzelen met
nuttelooze gesprekken?”
De drie mannen stonden op, gespten hunne gordels vast, wierpen hun
geweer over schouder en begaven zich haastig op weg, langs het breede
spoor dat de manada in het bosch had getrokken, zoodat zij weldra onder
het geboomte verdwenen waren.
VI.
DE CONCESSIE.