belangstelling kan inboezemen? Gij zijt vrij, en het is genoeg voor u
dat gij dit weet.”
„Neen, dat is niet genoeg voor mij; ik ben vrij, dat is waar; maar hoe
ben ik het geworden? dat weet ik nog niet, en ik heb het regt om dit te
vragen.”
„Dat verhaal, zeg ik u nogmaals, is voor u van zeer weinig gewigt; maar
evenwel, daar het u misschien een beteren dunk kan geven van den man
aan wien gij vroeger toebehoordet, wil ik het u niet langer weigeren,
hoor mij dus.”
Na deze inleiding begon Tranquille hem in al de bijzonderheden te
vertellen wat er tusschen hem en den slavenhandelaar was voorgevallen,
en toen hij hiermede gedaan had, vroeg hij ten slotte:
„Welnu, zijt gij thans voldaan?”
„Ja,” zei de neger, die met onverpoosde aandacht had toegeluisterd, „nu
weet ik dat ik naast God aan u alles te danken heb, ik zal het
onthouden; nooit, nooit, in welke omstandigheden wij ook tegenover
elkander komen, zult gij mij mijne schuld aan u behoeven te
herinneren.”
„Gij zijt mij niets verschuldigd, nu gij eenmaal vrij zijt; het staat
slechts aan u om die vrijheid te gebruiken zoo als ieder regtschapen en
eerlijk mensch betaamt.”
„Ik zal trachten te toonen dat ik niet onwaardig ben wat God en gij
zelf voor mij gedaan hebt; ook dank ik John Davis dat hij zijn betere
gevoel is gevolgd en aan uwe vertoogen ten mijnen behoeve gehoor gaf;
misschien zal ik mijne schuld aan hem nog eenmaal kunnen afdoen, en als
de gelegenheid zich daartoe aanbiedt zal ik die niet ongebruikt laten
voorbijgaan.”
„Goed; zoo mag ik u gaarne hooren spreken; dit bewijst mij dat ik mij
in u niet bedrogen heb: maar wat denkt gij thans te doen?”
„Wat zoudt gij mij raden?”
„Dat is eene zeer ernstige vraag, ik weet waarlijk niet wat ik er u op
zal antwoorden; de keus van een beroep is altijd eene moeijelijke zaak,
die men rijpelijk dient te overwegen alvorens een bepaald besluit te
nemen; ondanks mijn verlangen om u van dienst te zijn zou ik niet
gaarne op mijn geweten nemen u een raad te geven dien gij zonder
twijfel om mijnentwil zoudt opvolgen, doch waarover gij misschien later
berouw zoudt gevoelen; overigens ben ik iemand die van zijn zevende
jaar af in de bosschen geleefd, en bij gevolg veel te weinig
ondervinding heeft van hetgeen men doorgaans de wereld noemt, om mij
aan eene beslissing te wagen op een pad dat mij zelf onbekend is, en
daar ik dus den goeden of kwaden kant niet van weet aan te wijzen.”
„Deze redenering komt mij volkomen juist voor, intusschen kan ik zoo
niet blijven en dien ik op de een of andere wijs partij te kiezen.”
„Doe vooreerst maar iets.”
„Wat dan?”
„Hier is een geweer, een mes, een bijl en een hoorn met kruid en
kogels; de wildernis ligt voor u open, vertrek en neem eenige dagen de
proef van het vrije leven in de onmetelijke ruimte; gedurende de lange
uren der jagt zult gij tijd genoeg hebben om na te denken over het vak
dat gij kiezen zult, en kunt gij op uw gemak de voor- of nadeelen
overwegen die gij er van verwacht; hebt gij dan eindelijk uw besluit
onherroepelijk bepaald; welnu, dan zegt gij de eenzaamheid vaarwel en
keert naar de bewoonde wereld terug, en daar gij een eerlijk,
verstandig en werkzaam man schijnt te zijn, ben ik zeker dat gij slagen
zult, onverschillig welk beroep gij voor u hebt uitgekozen.”
De neger schudde verscheidene malen het hoofd.
„Ja,” zeide hij, „er is in uw voorstel veel goeds, maar toch, er is ook
in dat mij niet bevalt, en dat geenszins aan mijn verlangen voldoet.”
„Verklaar u nader, Quoniam, ik zie wel gij hebt nog iets op de tong dat
gij mij niet durft zeggen.”
„Gij hebt gelijk, ik ben niet openhartig met u geweest, Tranquille, en
daar deed ik verkeerd aan, dat zie ik nu wel. In plaats van u
geveinsdelijk om raad te vragen, dien ik geenszins voornemens was op te
volgen, had ik u liever ronduit mijn gevoelen moeten zeggen, dat zou
veel beter geweest zijn.”
„Laat hooren,” riep de jager lagchend, „spreek op.”
„’t Is waar, waarom zou ik voor u verbergen wat mij op het hart ligt?
Zoo er iemand op de wereld is die belang in mij stelt, zijt gij het
zeker, laat ik u dus eens zeggen waar het op staat: het eenige vak dat
mij bevalt is dat van woudlooper. Mijne gedachten en neigingen drijven
mij daar heen. Al mijne pogingen om te vlugten, toen ik nog slaaf was,
waren op dit doel gerigt. Ik ben maar een arme neger, die met zijn
beperkten geest en bekrompen verstand moeijelijk in de steden zou
teregt komen, waar de mensch niet geldt voor hetgeen hij wil of waard
is, maar voor hetgeen hij schijnt of vermag. Wat zou ik hebben aan die
vrijheid daar ik zoo fier op ben, in de stad, waar ik om mij te voeden
en te kleeden, haar terstond zou moeten prijs geven aan den eersten den
beste die mij aanbood om in deze onvermijdelijke levensnooddruft te
voorzien? Zoo zou ik mijne vrijheid slechts hebben verkregen om mijn
eigen slaaf te worden. Neen, in de wildernis alleen kan ik de weldaad
genieten die ik aan u te danken heb, zonder ooit door armoede gedrongen
te worden tot daden die den mensch welke zich zelven gevoelt onwaardig
zijn. Ik wil dus voortaan in de woestijn blijven leven en de steden
niet anders naderen of bezoeken, dan om er de vellen der dieren, die ik
dooden zal, voor kruid en kogels te verwisselen, of voor kleederen en
andere kleine benoodigdheden. Ik ben jong en sterk. God, die mij tot
hiertoe bewaard heeft, zal mij niet verlaten.”
„Gij hebt misschien gelijk; ik althans, die het leven dat ik leid boven
alles verkies, kan het niet in u afkeuren dat gij mijn voorbeeld wilt
volgen. Welaan dan, terwijl alles dus tot ons wederzijdsch genoegen
geregeld is, zullen wij elkander verlaten, en wensch ik u met uw
voornemen geluk, mijn goede Quoniam; misschien zullen wij elkander
later nog wel eens ontmoeten op Indiaansch grondgebied.”
De neger begon te lagchen en liet daarbij eene dubbele rij tanden zien
zoo wit als sneeuw, maar antwoordde niet.
Tranquille wierp zijn buks over den schouder, wenkte hem een laatst en
vriendelijk vaarwel toe, en verwijderde zich om naar zijne praauw terug
te keeren.
Quoniam nam het geweer dat de jager hem gelaten had, stak de bijl en
het mes in zijn gordel, hechtte er ook de horens met kruid en kogels
aan en na een laatsten blik in het rond te hebben geslagen, om zich te
overtuigen dat hij niets vergeten had, volgde hij den jager, die hem
intusschen reeds een goed eind vooruit was.
Hij haalde hem in, juist op het oogenblik toen Tranquille bezig was met
zijne boot los te maken en te water te brengen; op het gedruisch zijner
voetstappen keek de jager om.
„Wat drommel! zijt gij daar nog, Quoniam?” riep hij.
„Ja!” zei de andere.
„Wat voert u hier heen?”
„Wel!” begon de neger, met de hand in zijn gekroesde haren, terwijl hij
driftig zijn hoofd krabde, „ik geloof dat gij nog iets vergeten hebt.”
„Ik?”
„Ja,” antwoordde de neger blijkbaar verlegen.
„Wat dan?”
„Mij mede te nemen.”
„Dat is waar,” zei de jager hem de hand toestekende, „vergeef mij,
broeder.”
„Gij vindt het dus goed?” begon hij met kwalijk verholen blijdschap.
„Wat?”
„Dat ik medega?”
„Ja.”
„Zullen wij elkander niet meer verlaten?”
„Dat hangt alleen van uwe keuze af.”
„O! dan,” riep hij uit met een vrolijken schaterlach, „dan zullen wij
nog lang zamenleven.”
„Welnu, laat het zoo zijn,” hernam de Canadees. „Kom vrij mede: twee
mannen die elkander verstaan en getrouw blijven zijn sterk in de
woestijn. God heeft zonder twijfel gewild dat wij elkander ontmoeten
zouden. Wij zijn voortaan broeders, voor altijd.”
Quoniam sprong in de praauw en greep vrolijk de riemen.
De arme slaaf had zich nog nooit zoo gelukkig gevoeld: nooit scheen hem
de lucht zoo zuiver, de natuur zoo schoon, het was of alles in het rond
hem feestelijk toelachte. Van dit oogenblik af zou hij inderdaad een
leven beginnen als andere menschen, zonder bange vrees of bittere
nagedachten; het verledene scheen reeds niet meer dan een droom. In
zijn beschermer had hij gevonden, wat zoovele menschen gedurende hun
gansche leven vruchteloos zoeken, een vriend en een broeder, aan wien
hij zich geheel kon toevertrouwen en voor wien hij geene geheimen meer
hebben zou.
Binnen weinige minuten bereikten zij de plaats die de Canadees bij zijn
eerste komst als rustpunt had uitgekozen; deze plaats, bepaaldelijk
aangewezen door twee eikenstammen, die kruiselings over elkander lagen,
formeerde een soort van voorgebergte met zandgruis bedekt en bijzonder
geschikt om er een nachtkamp te vestigen, daar men van dit punt niet
slechts de rivier zoo boven als benedenwaarts tot op verren afstand kon
overzien, maar tevens het oog had op de beide oevers, en dus tegen elke
verrassing beveiligd was.
„Hier zullen wij den nacht doorbrengen,” zeide Tranquille, „laten wij
de praauw bij ons nemen, om het vuur tegen den wind te beschermen.”
Quoniam pakte het kleine vaartuig aan, tilde het op zijne stevige
schouders en droeg het naar de plek die zijn kameraad hem had
aangewezen.
Intusschen was er een geruime tijd verloopen sedert de Canadees en de
neger elkaar zoo wonderbaarlijk ontmoet hadden.
De zon, die reeds begon te dalen toen de jager de kaap omstevende en op
reigers jagt maakte, was thans op het punt van te verdwijnen. De nacht
zou spoedig vallen; de oosterlijke achtergrond van het landschap
dompelde zich reeds in de avondschaduw, die van lieverlede dikker en
dikker werd.
De wildernis begon te ontwaken, het schorre gebrul der jaguars en pumas
liet zich bij tusschenpoozen hooren en vermengde zich met het miaauwen
der carcajous en boschkatten en met het afgebroken keffen der roode
wolven.
De jager verzamelde een hoop hout van het droogste dat hij vinden kon,
om een vuur te ontsteken dat zoo weinig mogelijk rookte, maar des te
helderder opvlamde, ten einde den omtrek te verlichten en onmiddellijk
de aannadering te bespeuren der gevreesde gasten, die zij in de verte
hoorden schreeuwen en die weldra in hunne nabijheid zouden verschijnen
om hun dorst aan de rivier te komen lesschen.
De twee flamingo’s werden gebraden en maakten met eenige handvollen
geroosterde maïskorrels en pemmikan (gedroogd en tot poeder gestampt
vleesch) het souper uit der avonturiers, voorzeker een sober maal, en
alleen besproeid met een teug water uit de rivier, maar met graagte
genuttigd, door menschen, die vermoeid en hongerig, de waarde der
spijzen wisten te schatten welke de Voorzienigheid hun ten beste gaf.
Toen de laatste beet verslonden was, deelde de Canadees zijn voorraad
tabak broederlijk met zijn nieuwen kameraad, stak zijn Indiaansche pijp
aan en begon lustig te dampen, een voorbeeld dat door Quoniam trouw
gevolgd werd.
„Komaan,” zei Tranquille eindelijk, „nu wordt het tijd u te zeggen dat
ik hier een oud vriend van mij wachtende ben, die mij omtrent drie
maanden geleden te dezer plaats heeft bescheiden; hij moet morgen komen
met het aanbreken van den dag. Het is een Indiaansch opperhoofd. Hoe
jong hij ook wezen mag, geniet hij toch eene groote vermaardheid in
zijn stam. Ik bemin hem als een broeder. Wij zijn zoo te zeggen zamen
opgevoed. Ik zal gelukkig zijn als ik hem in goeden welstand zien mag.
Het is een wijs man, van groote ondervinding, en welervaren in al de
geheimen van het leven der woestijn. De vriendschap van een Indiaansch
opperhoofd is voor een woudlooper oneindig veel waard; onthoud dat.
Bovendien ben ik zeker dat gij mij volkomen gelijk zult geven, zoodra
gij hem ziet.”
„Ik zal alles doen wat ik kan om hem te leeren kennen. Het is genoeg
dat het opperhoofd uw vriend is, om te verlangen dat hij ook de mijne
worde. Tot nog toe, ofschoon ik als weggeloopen slaaf lang genoeg in de
bosschen heb rondgezworven, heb ik nog nooit een onafhankelijk Indiaan
gezien, het is dus ligt mogelijk dat ik uit onwetendheid een dommen
streek bega; maar geloof mij, het zal buiten mijne schuld zijn.”
„Daar ben ik van overtuigd, stel u deswege gerust, ik zal het
opperhoofd wel over u spreken; bovendien denk ik dat hij niet minder
verwonderd zal zijn over u als gij over hem, daar ik niet beter weet of
gij zijt de eerste man van uwe kleur dien hij ontmoet. Maar zie, het is
reeds volkomen nacht geworden, gij zult wel vermoeid zijn na de
hardnekkige vervolging die gij dezen dag hebt moeten doorstaan en de
heftige aandoeningen die gij te verduren hadt; ga dus slapen, ik zal
wel voor ons tweeën wacht houden, daarbij hebben wij morgen een verren
togt te maken, en zult gij dus reeds vroeg bij de hand moeten zijn.”
De neger begreep al de juistheid van hetgeen zijn vriend aanmerkte,
bovendien viel hij letterlijk omver van vermoeijenis; de speurhonden
van zijn vorigen meester hadden hem zoo digt en aanhoudend op de hielen
gezeten, dat hij in geen vier dagen en nachten een oog geloken had.
Derhalve alle valsche schaamte ter zijde stellende, strekte hij de
voeten bij het vuur en sliep bijna onmiddellijk in.
Tranquille bleef op zijne praauw zitten, met zijn buks tusschen de
beenen, om op het eerste onraad gereed te zijn, en verzonk weldra in
ernstige beschouwingen, zonder nogtans een oogenblik zijne waakzaamheid
te verzuimen en telkens de ooren spitsend op het minste geritsel.
IV.
DE MANADA.
Het was een heerlijke nacht, de diepblaauwe hemel was met tallooze
sterren bezaaid, die haar zacht en geheimzinnig schijnsel over het
aardrijk uitspreidden.
In de stilte der woestijn fluisterden geheimzinnige stemmen vol zoete
melodie en bezielend leven; een zachte schemerglans drong hier en daar
door het lommer of huppelde als dwaallichtjes over het fijne en
spichtige gras; op den tegenover liggenden oever der rivier verhieven
zich eenige oude eiken, wier knoestige zwaar-bemoste stammen hunne
magtige reuzenarmen opstaken als spoken in de duisternis, terwijl de
nachtwind speelde met de woekerplanten die zich wortelden in hunne
schors en met de welige lianenranken die om de halfverdorde takken
slingerden; duizend onbestemde geluiden ritselden door het luchtruim;
stemmen kwamen op uit de onzigtbare diepten der wouden; het half
gesmoorde zuchten der middernachtskoelte suisde door de bladeren, het
eentoonig gemurmel der kabbelende rivier bruischte over de keijen aan
het oeverzand; in een woord, hier hoorde men dat geheimzinnig en
onverklaarbaar geruisch, de scheppende adem der Almagt, de volle
levensstroom, die uit God gevloeid, de statige eenzaamheid der
Amerikaansche savannen zoo indrukwekkend maakt.
De jager voelde zich door dezen magtigen invloed der ongerepte natuur
onwillekeurig overstelpen en wegslepen, hij werd er als ingedompeld, en
dronk met volle teugen door alle aderen en poriën, den verkwikkenden
stroom der nieuwe levenskracht; zijn gansche aanzijn smolt als zamen en
vereenzelvigde zich met het verheven tooneel, waarvan hij de stomme
getuige was en zelf deel uitmaakte; een zachte weemoed overmeesterde
hem en van lieverlede zonk hij weg in ernstig zoete droomen; hier, zoo
verre verwijderd van de menschelijke beschaving en de woelige
maatschappij met hare bekrompen toestanden, gevoelde hij zich naderbij
God en nam zijn eenvoudig geloof toe met de bewondering van de half
onthulde geheimen der onbegrensde natuur die hij, om zoo te zeggen, als
op de daad betrapte en in hare diepste schuilhoeken bespiedde.
Inderdaad verruimt zich het hart, wordt de ziel grooter en breiden de
denkbeelden zich uit in den omgang met dat zwervend nomadenleven, dat
ons met elke minuut nieuwe wonderen en verrassingen aanbiedt en waar de
mensch bij iederen voetstap den stempel van Gods scheppende hand op de
woeste tooneelen der hem omringende wildernis onuitwischbaar ziet
afgedrukt.
Zelfs de gevaren en ontberingen, aan het zwervend nomadenleven
onafscheidelijk verbonden, bezitten voor hen die ze eenmaal genoten
eene onbeschrijfelijke bekoorlijkheid, daar men later nog altijd om
treurt en reikhalzend naar terug wenscht; want het is alleen in de
woestijn dat de mensch zijn leven ten volle gevoelt en de maat zijner
verholen krachten hem tot hare uiterste grenzen duidelijk kenbaar
wordt.
Zoo snelden de uren voor den jager ongemerkt voorbij, zonder dat de
slaap zijne oogleden sloot; de frissche morgenkoelte ruischte reeds
door de hoogste toppen der boomen en deed de stille oppervlakte der
rivier rimpelen, in wier zilveren wateren de schaduw der verbrokkelde
oevers zich donker afspiegelde; aan den uitersten horizont verkondigde
een smalle roode streep de naderende opkomst der zon; de nachtuil,
onder het digte loof verscholen, had zich reeds tweemaal laten hooren
en den aanbrekenden dag met zijn zwaarmoedig gehuil begroet; het was
omtrent vier uren des morgens.
Tranquille verliet den rustieken zetel waar hij tot op dat oogenblik
volkomen onbewegelijk was blijven zitten; hij rekte zich uit als wilde
hij de vadsigheid afschudden die hem overmeesterd had, en stapte eenige
keeren heen en weder op het vochtige strand om den bloedsomloop in
zijne stramme leden te herstellen.
Als iemand, wij willen niet zeggen pas ontwaakt, want de goede Canadees
had gedurende deze lange nachtwaak geen oogenblik geslapen, maar als
hij de loomheid uitschudt, waarin de langdurige stilte, de duisternis
en vooral de doordringende ochtendkoelte hem gedompeld hadden, dan
duurt het eenige minuten eer het hem gelukt al zijne zinnen terug te
bekomen en het evenwigt in zijn denkvermogen te herstellen; dit was ook
met den jager het geval; intusschen, sedert jaren aan het leven der
woestijn gewoon, had hij hiertoe minder tijd noodig dan een ander, en
weldra vond hij zich weder in het bezit van zijn volle verstand, even
krachtig, even helder van blik en scherp van gehoor als den avond te
voren. Hij was gereed om zijn kameraad te wekken, die nog altoos sliep,
dien gerusten en verkwikkenden slaap, welke op aarde slechts ten deel
valt aan kinderen, of aan menschen wier geweten door geen booze
gedachten of pijnigende zorgen bewaard is, toen hij op eens plotseling
staan bleef en onrustig de ooren spitste.
Uit de verste diepte der wouden die het kamp achter hem als met een
digt gordijn hield afgesloten, hoorde de Canadees een onbegrijpelijk
geluid opkomen, dat van oogenblik tot oogenblik sterker werd en weldra
bij niets anders te vergelijken was dan bij het rollen van verre
donderslagen.
Dit geluid naderde al meer en meer; het waren korte dof dreunende
schokken, gepaard met het kraken en kletteren van takken en
boomstammen, en een dof loeijend gebulk, dat evenmin naar het gebrul
van tijgers of leeuwen als naar iets menschelijks geleek, kortom een
geluid daar hij geen naam voor wist: onbeschrijfelijk, vreeselijk, en
onheilspellend, dat onder het luisteren reeds merkbaar genaderd was, en
door het bosch weergalmde als het diep en breed gebulder van een
aanrollenden watervloed.
Quoniam, door dit vreemdsoortig gedruisch plotseling ontwaakt, stond
reeds overeind met het geweer in de hand, en de oogen op den jager
gerigt, gereed om op het eerste teeken te handelen, zonder nogtans te
weten wat hij deed of wat er omging, daar zijn geest, nog half door den
slaap bedwelmd, ten prooi was aan die instinctmatige vrees, die ook den
stoutsten mensch bevangt wanneer hij zich eensklaps door een onbekend
gevaar bedreigd ziet.
Zoo verliepen er eenige minuten.
„Wat zullen wij doen?” mompelde Tranquille blijkbaar verlegen, terwijl
zijn blik te vergeefs in het bosch poogde door te dringen om te
ontdekken wat er omging.
Op eens klonk er op korten afstand een doordringend gefluit.
„Ha!” riep Tranquille met eene vrolijke beweging terwijl hij schielijk
het hoofd ophief, „nu zal ik spoedig weten wat er van de zaak is.”
Hij bragt de vingers aan de mond en bootste op eene bedriegelijke wijs
het geschreeuw van den reiger na; bijna op hetzelfde oogenblik kwam er
uit het bosch een man te voorschijn, en met twee sprongen als een
tijger stond hij reeds naast den jager.
„Ooah!” schreeuwde hij, „wat doet mijn broeder langer hier?”
Deze man was het Zwarte-Hert.
„Ik heb u hier gewacht, hoofdman,” antwoordde de Canadees.
De Roodhuid was een man van zes- of zevenentwintig jaar, van middelbare
lengte, maar krachtig en schoon gebouwd. Hij droeg het groote
oorlogskostuum van zijn volk en was beschilderd en gewapend als voor
een veldtogt; zijne trekken waren regelmatig, verstandig en vol
majesteit, terwijl zijn openhartig gelaat evenveel dapperheid als
goedheid teekende.
Op dit oogenblik scheen hij aan eene geweldige ontroering ten prooi,
die des te ongewoner moest voorkomen, daar de Roodhuiden er hunne eer
in stellen om zich door niets, hoe verschrikkelijk ook, te laten
ontzetten. Zijne oogen staarden bliksemend rond, zijne woorden waren
kort en afgebroken en zijne stem had een schellen metaalklank.
„Gaauw! haast u! haast u!” riep hij, „Wij hebben reeds te veel tijd
verloren.”
„Wat is er dan?” vroeg Tranquille.
„De bisons komen!” antwoordde het opperhoofd.
„O wee!” riep de jager met schrik.
Nu begreep hij het; dat geluid, dat hij reeds een poos gehoord had,
werd door een manada (troep) bisons veroorzaakt, die uit het oosten
kwamen opzetten en zich waarschijnlijk naar de hooge prairiën in het
westen begaven.
Wat de jager zoo spoedig geraden had, vereischt voor onze lezers eenige
nadere opheldering om hen te doen begrijpen aan welk vreesselijk gevaar
onze personaadjen zich plotseling zagen blootgesteld.
Manada, noemt men in de oude bezittingen der Spanjaarden eene
verzameling van eenige duizenden wilde dieren, hetzij paarden, bisons,
wolven enz.; de bisons, op hunne jaarlijksche uittogten gedurende den
bronsttijd, vereenigen zich soms in manada’s van vijftien tot twintig
duizend koppen, die in een digten troep gezamentlijk voorttrekken; deze
dieren gaan steeds regtuit, in digt gesloten gelederen, alles omver
loopende en door alles heenbrekende wat hun in den weg staat; wee den
vermetele! die het wagen dorst hen tegen te houden of hun woedenden
loop een andere rigting te willen geven, hij zou als een stroohalm
verpletterd worden onder de hoeven dezer onbesuisde dieren, die alles
onder den voet loopen zonder er naar om te zien of er zelf iets van op
te merken.
De toestand van onze drie vrienden was dus zeer kritiek, want zij
bevonden zich juist voor het front der manada, die hen naderde met de
snelheid van een spoortrein.
Iedere uitkomst scheen onmogelijk, aan vlugten was niet te denken, en
wederstand bieden was nog onmogelijker. Het gedruisch naderde met
schrikbarende snelheid; reeds kon men in de verte het loeijen der wilde
bisons duidelijk onderscheiden van het keffen der roode wolven en het
huilen der jaguars, die aan de beide flanken der manada liepen om op de
achterblijvenden jagt te maken of op enkelen die onvoorziens links of
regts afzwierven.
Nog eenige minuten en het was gedaan met hen; de ontzettende legerdrom
scheen op zijn doortogt alles schoon te vegen, met de ijzingwekkende
dommekracht van een vallenden berg dien niets kan wederstaan. Wij
zeggen nog eens, de toestand der beide mannen was hagchelijk. Het
Zwarte-Hert was dien morgen op reis gegaan naar het oord dat hij den
Canadeeschen jager zelf had aangewezen. Naauwelijks drie mijlen meer
van de plek verwijderd waar hij zijn vriend dacht te ontmoeten, hoorde
zijn geoefend oor voor de eerste maal op verren afstand het gedruisch
van het naderende bisonsleger. Vijf minuten waren toereikend om de
rigting van hun woedenden loop te berekenen en het gevaar te begrijpen
dat den jager bedreigde. Met al de snelheid van beraad die de
Roodhuiden in dergelijke gevallen kenschetst, had hij besloten hem te
gaan waarschuwen, en hem te redden of met hem om te komen. Nu ijlde hij
voorwaarts, in bedwelmende vaart, en doorliep in ongelooflijk korten
tijd den afstand die hem van het kamp zijns vriends verwijderde;
slechts eene gedachte bezielde hem, namelijk om de manada zooveel
vooruit te komen dat hij den jager kon redden; maar helaas! hoe snel
hij ook loopen mogt, en de Indianen zijn wegens hunne fabuleuse
vlugheid vermaard, kon hij toch het bepaalde punt niet tijdig genoeg
bereiken om zijn vriend in veiligheid te stellen.