DE ZWERVERS
OP
DE GRENZEN.
Naar de achtste Fransche uitgave.
VAN
GUSTAVE AIMARD.
Tweede Druk.
LEIDEN,
FIRMA VAN DEN HEUVELL & VAN SANTEN.
GENT, W. ROGGHÉ.
1869.
I.
DE ZWERVERS OP DE GRENZEN.
I.
DE VLUGTELING.
De onmetelijke natuurwouden, die zich sedert onheugelijke eeuwen
ongestoord hadden voortgeplant en nog voor ettelijke jaren het grootste
gedeelte van Noord-Amerika bedekten, beginnen allengs te verdwijnen
voor de onvermoeide bijlslagen der squatters en kolonisten, wier
onverzadelijke bedrijvigheid de grenzen der wildernis meer en meer naar
het westen terugdringt.
Bloeijende steden zijn verrezen, welige akkervelden, met zorg geploegd
en bezaaid, beslaan tegenwoordig de plaats waar nog geen tien of twaalf
jaren geleden het ongerepte bosch zich verhief, welks digte bladerkroon
naauwelijks een zonnestraal doorliet, en in welks onbekende diepten
allerlei wild gedierte zich verscholen hield, of woeste Indianenhorden
rondzwierven, die er de statige bladgewelven vaak deden weergalmen door
hun bloedigen oorlogskreet of heldhaftige krijgsliederen.
Velen dezer wouden zijn reeds gevallen; hunne sombere bewoners, van
lieverlede door de steeds voortrukkende beschaving verdrongen, wijken
voet voor voet terug en zoeken al verder en verder westwaarts, nieuwe
en veiliger toevlugtsoorden, het gebeente hunner vaderen met zich
voerende, opdat het niet ontheiligd en opgedolven worde door de
onverbiddelijke ploeg der blanken, die hare nijvere voren trekt door
hunne aloude jagtgronden.
Zouden wij het vallen der bosschen betreuren en moeten wij deze
ontginningen als een ramp voor het vasteland van Amerika beschouwen?
Verre van daar! integendeel, de beschaving, die met reuzenstappen
voortschrijdt en, eer wij eene eeuw verder zijn, den bodem der Nieuwe
Wereld in eene vruchtbare landouw zal hebben herschapen, heeft onze
volkomene sympathie. Maar toch kunnen wij een smartelijk gevoel van
deernis niet onderdrukken met dat ongelukkige roode menschenras, dat
zoo gewetenloos uit zijn vaderlijk erfgoed verjaagd en buiten de wet
gestooten, als wild gedierte van alle kanten bestookt en vervolgd, met
iederen dag zigtbaar afneemt, en onherroepelijk gedoemd schijnt om
eerlang geheel te worden uitgeroeid van denzelfden bodem, waar het
naauwelijks vier eeuwen geleden zulk een onmetelijk terrein besloeg, in
tallooze volkstammen vrij rondzwierf en eene betrekkelijke welvaart
genoot.
Zoo de Europesche natiën, die door God schijnen te zijn uitverkoren om
al deze veranderingen tot stand te brengen, hare roeping beter begrepen
hadden,—zoo zij de bloedige taak der veroverings- en hebzucht tot een
werk van vrede en broederschap gemaakt en in plaats van met
schietgeweer, brandfakkel en zwaard, zich met de voorschriften van het
liefdeademend Evangelie gewapend hadden, misschien zou er dan binnen
een gegeven tijdperk eene zamensmelting van het blanke met het roode
menschenras hebben plaats gegrepen en eene uitkomst verkregen zijn,
meer overeenkomstig met de eischen der ware beschaving en vooruitgang,
en vooral beter strokende met de grootsche gedachte van de
verbroedering der volken—eene verbroedering, die het niemand vrij staat
te verachten of voorbij te zien en aangaande welke zij, die de heilige
plannen der Voorzienigheid durven trotseren, eenmaal eene vreesselijke
rekening zullen te sluiten hebben.
Of zou men ongestraft de moordenaar van een menschengeslacht kunnen
zijn? zou men zich willens en wetens mogen baden in het bloed van
onschuldigen, zonder dat dit bloed om wrake roept, en eindelijk de dag
aanbreekt waarop de geregtigheid haar vergeldend zwaard inwerpt
tusschen de verwinnaars en de overwonnenen? [1]
Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt, namelijk in 1812, had de
landverhuizing nog niet dien omvang bereikt dien zij later en reeds
spoedig daarna innam; de kolonisatie begon toen eerst op enkele punten,
en de uitgestrekte bosschen tusschen de grenzen der Vereenigde Staten
en Mexico werden slechts nu en dan betreden door de sluipende voeten
van pelsjagers en woudloopers of door de stille sandalen der
Roodhuiden.
Het was dien dag drukkend heet geweest, maar op dit oogenblik vielen de
zonnestralen niet meer loodregt neder en werden de schaduwen van het
hooge geboomte steeds langer en langer, terwijl de opstekende
avondkoelte den dampkring verfrischte en de wolken moskieten verdreef,
die gedurende den middag boven de drassige boschkampen hadden gegonsd
en gewerveld.
Wij verplaatsen ons aan de boorden van een afgelegen bijstroom der
Arkansas; de boomen aan de beide oevers vormen een digt gewelf van
takken en bladeren boven de zacht vlietende wateren, die het zwakke
briesje naauwelijks doet rimpelen; hier en daar staan rooskleurige
flamingo’s en witte reigers op hunne lange pooten en visschen naar hun
avondkost, met de eigenaardige rustige tamheid die het geslacht der
groote steltenloopers over het algemeen kenschetst. Maar op eens heffen
zij zich op, rekken de halzen als hoorden zij een ongewoon gedruisch,
gaan ijlings aan het loopen met gestrekte wieken, om den wind te
vatten, en vliegen weg onder angstig geschreeuw. Plotseling knalt er
een geweerschot, dat de echoos der bosschen doet weergalmen: twee
flamingo’s storten in den stroom.
Op dit zelfde oogenblik komt er van achter een kleine kaap, door eenige
waterwilgen gevormd, die in het rivierbed vooruitsteken, een ligte
praauw te voorschijn en strijkt snel in de rigting der flamingo’s, die
in het water lagen te spartelen: de een was doodelijk getroffen en
dreef met den stroom af, maar de andere, naar het scheen slechts ligt
gekwetst, vlugtte al wat hij kon en trachtte al zwemmende te ontkomen.
Het zoo even genoemde vaartuig was eene Indiaansche kano, zamengesteld
uit de schors van een berkenboom, die men er met behulp van heet water
weet af te ligten.
Slechts een enkel man bevond zich in de praauw; zijn geweer, dat voor
hem stond, rookte nog en bewees dat het schot van hem afkomstig was.
Wij zullen dezen man een weinig nader beschrijven, daar hij bestemd is
om in ons verhaal eene gewigtige rol te spelen.
Zooveel men op dit oogenblik uit zijn stand in de praauw kon opmaken,
was hij iemand van zeer groote gestalte; zijn niet zeer groot hoofd
rustte met den krachtvollen hals op schouders van ongewone breedte,
terwijl zijne spieren als stevige kabels bij iedere beweging zich op
zijne armen afteekenden; kortom, de gansche verschijning van dezen man
gaf het bewijs van ligchaamskracht in den uitersten graad.
Zijn open, door een paar groote, helderblaauwe, van slimheid tintelende
oogen opgeluisterd gelaat, had eene uitdrukking van vrijmoedigheid en
opregtheid, die reeds dadelijk behaagde en nog verhoogd werd door zijne
overigens regelmatige trekken en vrij grooten mond, over welke een
onverdelgbare glans van tevredenheid en goede luim verspreid lag. Hij
kan naauwelijks vier- of vijfentwintig jaar geweest zijn, ofschoon de
kleur van zijne huid, door den invloed van lucht en zonnehitte
verhoogd, en de zware graauw-blonde baard, die het onderste gedeelte
van zijn aangezigt bedekte, hem veel ouder deden schijnen.
Hij droeg het kostuum der woudloopers: eene muts van bevervel, welks
staart in den nek afhing, dekte naauwelijks zijne digte, goudgele
haarlokken, die ordeloos over zijne schouders golfden; een jagtkiel van
blaauw katoen, aan de heupen gesloten met een gordelriem van dassenvel,
reikte hem tot even boven de forsch gespierde knieën; de mitasses, een
soort van korte spanbroek, bedekte zijne beenen, terwijl zijne voeten
tegen den steek van dorens en kruipdieren werden beschut door een paar
Indiaansche mocksens, of halve laarzen.
Een weitasch van gelooid leder hing hem aan een koppel over den regter
schouder en, gelijk die van alle beproefde woudloopers, bestonden zijne
wapenen in een goede Kentuckiër buks, een mes met een regt lemmer van
tien duim lengte en twee duim breedte, en een ijzeren hakbijl zoo blank
als een spiegel. Deze wapenen, de buks natuurlijk uitgezonderd, staken
in zijn gordel, aan welken bovendien nog twee bisonshorens hingen met
kruid en kogels gevuld. Op deze wijs uitgerust, in zijne praauw, en
omgeven door het indrukwekkend landschap waarin hij zich bevond, had
het uitzigt van dien man iets edels en treffends, dat onwillekeurig
eerbied en ontzag inboezemde.
De eigenlijk gezegde woudlooper is een van de vele typen der Nieuwe
Wereld, die thans zeldzamer voorkomen en weldra door den gedurigen
voortgang der kolonisatie geheel zullen verdwijnen. Deze stoutmoedige
voorposten der beschaving, de eerste naspoorders der wildernis, in
welke zij hun geheele leven doorbragten, waren mannen die door
ontembare zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid bezield, het in hun
oog zoo knellende juk, waarmede de maatschappij hare kinderen bezwaart,
halstarrig afwierpen, om het nooit weder op zich te nemen. Zonder ander
doel dan om vrij te leven en te sterven en geenszins op hoop van winst,
die zij verachtten, verlieten zij de steden en trokken onverschrokken
de onbegrensde wouden in, leefden als met den dag, onverschillig voor
het tegenwoordige, onbezorgd voor de toekomst, overtuigd dat God hen in
den nood niet verlaten zou; zoo plaatsten zij zich vrijwillig buiten de
wet die zij miskenden, en leefden zonder gemeenschappelijke banden op
de uiterste grens tusschen de verwildering en de beschaving.
De meest beroemden dezer woudloopers waren hoofdzakelijk Canadezen;
zooals men weet, werd Canada het eerst door Fransche zeelieden en
landverhuizers gekoloniseerd. Inderdaad is er in het Normandische
karakter iets waaghalzigs en avontuurlijks, dat geheel strookt met een
leven in de wildernis, zoo vol vreemde ontmoetingen en ongekende
genietingen, waarvan alleen zij die het ondervonden de bekoorlijkheid
kunnen beseffen.
De Fransche Canadezen hebben nooit het beginsel der
nationaliteitsverandering aangenomen dat de Engelschen hun hebben
willen opleggen; zij zijn zich steeds blijven beschouwen als Franschen,
hunne oogen staren nog altijd terug naar dat ondankbare moederland, dat
hen zoo onverschillig heeft laten varen. Nog heden, na verloop van
zoovele jaren, zijn de Canadezen Franschen; hunne zamensmelting met het
Angel-Saksische ras bestaat slechts in schijn, of gaat zoo langzaam
voort, dat het geringste voorwendsel genoeg zou zijn om tusschen hen en
de Engelsche kolonisten eene bepaalde vredebreuk te doen ontstaan.
Het Engelsche gouvernement weet dit zeer goed; ook gaat het in zijne
koloniën te Canada met eene zachtheid en inschikkelijkheid te werk, die
het niet ligt in zijne overige bezittingen zou willen aanwenden.
Gedurende den eersten tijd der verovering was deze afkeerigheid, om
niet te zeggen haat, tusschen de twee rassen zoo sterk, dat de
oorspronkelijke Canadezen liever in massa uitweken, dan het
vernederende juk te torschen dat men hen trachtte op te leggen. Zij,
die te arm om naar Frankrijk terug te keeren, zich genoodzaakt zagen om
in het land te blijven en voor den druk eener vreemde overheersching te
zwichten, verkozen het ruwe beroep van woudlooper, en onderwierpen zich
liever aan een leven vol ellende en gevaren, dan aan de in hun oog
onteerende wet eens gehaten veroveraars. Zoo schudden zij op den dorpel
van het ouderlijke huis het stof van hunne schoenen, namen het geweer
op den schouder, smoorden een zucht van bittere spijt en verwijderden
zich, om nimmer terug te keeren; onversaagd trokken zij de
ondoordringbare bosschen van Canada in, en werden, zonder het zelf te
weten, de eerstelingen van dat bijna uitgestorven geslacht van
waaghalzen, dat wij in het thans door ons begonnen verhaal in een van
zijne schoonste, maar helaas! ook een van zijne laatste karakters den
lezer zullen voor oogen stellen.
De jager hanteerde met kracht de pagaai en roeide steeds voort, weldra
bereikte hij den eersten flamingo, dien hij in zijn praauw wierp; de
tweede echter kostte hem meer moeite om meester te worden, en er volgde
gedurende een geruimen tijd een strijd om het snelst, tusschen den
gekwetsten vogel en den jager; evenwel, de vogel begon van lieverlede
zijne krachten te verliezen; zijne bewegingen werden onzeker,
krampachtig sloeg hij het water met de uitgespreide vleugels; eindelijk
maakte de Canadees door een enkelen slag met het plat zijner pagaai een
einde aan zijn doodstrijd, en lag de flamingo weldra bij zijn medgezel
op den bodem der praauw.
Toen hij zijn wild gevangen had, streek de jager de riemen en begon hij
zijn geweer te laden, met al de zorgvuldigheid die dit werk vereischte
voor iemand die wist dat zijn leven van een enkel schot kruid kon
afhangen.
Nadat zijn wapen weder in staat van tegenweer was, wierp de Canadees
een verspiedenden blik in het rond. „Zie zoo!” riep hij het volgende
oogenblik in zich zelven,—eene gewoonte die de eenzame zwerver in zijn
verlaten toestand zich doorgaans eigen maakt,—„den hemel zij dank! Ik
geloof dat ik, zonder mij te vergissen, op het afgesproken punt ben
thuis gekomen. Ik kan mij hierin niet bedriegen; daar ginds, aan de
regterhand, bij die in het water vooruitspringende rots, zie ik de twee
eikenstammen geveld en kruiselings over elkander geworpen. Maar wat is
dat?” vervolgde hij, op eens nederbukkend en zijn geweer overhalende.
Plotseling liet zich in het naast bijzijnde bosch een woedend geblaf
van verscheidene honden hooren, de struiken werden met kracht uit
elkander geschoven en op de kruin der rots, daar de jager juist het oog
op gevestigd hield, verscheen een neger.
Toen de zwarte man den uitersten rotsrand bereikt had, bleef hij een
oogenblik staan en scheen aandachtig te luisteren, onder onmiskenbare
teekenen van de grootste gejaagdheid, maar zijn aarzeling duurde niet
lang, want naauwelijks had hij zich twee sekonden opgehouden, of hij
sloeg een wanhopigen blik ten hemel; stortte zich in de rivier en zwom
ijlings naar den tegenovergestelden oever.
Het plassen van den neger in het water werd nog gehoord, toen er
verscheidene honden kwamen aanrennen en op het plat der rots stand
hielden onder het aanheffen van een vervaarlijk gehuil en geblaf.
Deze honden waren van de grootste en sterkste soort. Daar stonden zij,
hijgende en springende, met de tong uit den muil, met bloedige
opgeloopen oogen en stoppelende haren, alsof zij een langen en
moeijelijken rid hadden afgelegd.
De jager schudde herhaalde malen het hoofd, terwijl hij een meewarigen
blik wierp naar den ongelukkigen neger, die in zijn angst om den
anderen oever te bereiken met de tienvoudige kracht der wanhoop
voortzwom, en terstond zijne pagaaijen grijpende, roeide hij regt op
hem af, om hem in geval van nood hulp te verleenen.
Naauwelijks had hij zich in beweging gezet, of er klonk een raauwe stem
op de rots:
„Houdaar! stil! stil! zeg ik, razende duivels zul je daar zwijgen!”
De honden jankten nog eenige oogenblikken van spijt, maar toen staakten
zij op eens hun gehuil.
Dezelfde stem die de honden tot zwijgen had gebragt, schreeuwde nu
harder.
„Heila! Gij daar; man in de praauw! heila!”
De Canadees bereikte op dit oogenblik juist den tegenovergestelden
oever; hij liet zijn bootje op het zand loopen en wendde zich
onverschillig om naar zijn zegsman.
Deze was iemand van middelbare lengte, ineengedrongen van postuur en in
de gewone kleeding der rijke pachthoevenaars in Canada; in zijn gezigt
zag hij er tamelijk brutaal en gemeen uit; nevens hem stonden vier
andere personen, waarschijnlijk waren het bedienden; het behoeft
naauwelijks gezegd te worden dat zij ieder een geweer in de hand
hadden.
De rivier was op dit punt tamelijk breed, ongeveer vijftig ellen,
hetgeen, ten minste vooreerst, den afstand tusschen den neger en zijne
vervolgers minder verontrustend maakte. De Canadees plaatste zich digt
bij een boom.
„Hebt gij misschien tegen mij wat te zeggen?” vroeg hij op minachtenden
toon.
„Wat duivel! tegen wien anders?” riep de eerste spreker blijkbaar
ontevreden. „Haast u dus op mijne vragen te antwoorden, als het u
belieft.”
„En waarom zou ik mij haasten op uwe vragen te antwoorden, als het u
belieft?” hervatte de Canadees spotachtig.
„Omdat ik het u beveel, kerel! durft gij schertsen?” zei de andere
brutaal.
De jager trok verachtelijk de schouders op.
„Ik wensch u goeden avond!” riep hij, en deed als of hij zich wilde
verwijderen.
„Blijf daar! voor den duivel,” schreeuwde de Amerikaan, „of zoo waar
als ik John Davis heet, jaag ik u een kogel door den kop.”
Bij het uitspreken dezer bedreiging legde hij zijn geweer reeds aan.
„Ha zoo,” riep de Canadees lagchend, „zijt gij John Davis, de vermaarde
koopman in slaven!”
„Ja, die ben ik! wat nog meer?” riep hij barsch.
„Neem mij niet kwalijk! tot dus ver kende ik u alleen bij reputatie;
maar het doet mij waarachtig pleizier dat ik u in persoon heb mogen
zien.”
„Goed; maar nu gij mij kent, zijt gij zeker gereed op mijne vragen te
antwoorden?”
„Ik moet eerst weten wat zij behelzen; laat mij ze dus hooren.”
„Waar is mijn slaaf gebleven?”
„Van welken slaaf spreekt gij? Bedoelt gij misschien den man die zoo
even in het water is gesprongen, van de rots waar gij u thans op
bevindt?”
„Ja, waar is hij?”
„Hier, naast mij.”
Werkelijk was het den neger, toen hij zijn kracht en moed begon te
verliezen, na de wanhopige jagt die hij gedurende zijne lange en
bittere vervolging had doorgestaan, gelukt om de plaats te bereiken
waar de Canadees zich bevond en had hij zich half in zwijm aan zijne
voeten nedergeworpen. Zoodra hij nu den jager zoo kort en bondig van
zijne tegenwoordigheid hoorde spreken, vouwde hij zooveel hij kon de
handen en hief de oogen vol tranen tot hem op:
„O! massa! massa!” riep hij op een toon van angst die zich moeijelijk
laat beschrijven, „red mij! red mij!”
„Ha zoo!” meesmuilde John Davis, „ik geloof dat wij nu de zaak in eens
kunnen vereffenen, vriend, en dat gij niet rouwig zult zijn een premie
te kunnen verdienen.”
„Inderdaad zou het mij niet spijten, als ik eens weten mogt hoe hoog
het menschenvleesch in uw zoogenaamde land van vrijheid wel geschat
wordt. Is die prijs nog al duur?”
„Twintig dollars voor een weggeloopen neger.”
„Poeh!” riep de Canadees, zijn onderlip verachtelijk uitstekende, „dat
is al zeer weinig.”
„Vindt gij dat?”
„Zeker vind ik dat.”
„Welnu, ik zal toch niet veel van u vergen om die premie te kunnen
verdienen.”
„Wat dan?”
„Den neger te binden, hem in uwe boot te leggen, en hem mij toe te
voeren.”
„Zeer goed; dat is inderdaad niet moeijelijk, maar als gij hem dan
hebt, gesteld voor een oogenblik dat ik hem u breng, wat denkt gij dan
met dien armen duivel te doen?”
„Dat gaat u niet aan.”
„Daarin hebt gij gelijk; ik vraag het u ook alleen uit
nieuwsgierigheid.”
„Komaan, talm niet, maar beslis; ik heb geen tijd om uwe beuzelpraatjes
aan te hooren; wat antwoordt gij mij?”
„Wat ik u antwoord, master John Davis, u, die menschen jaagt met honden
die niet zoo wreed zijn als gij, en die, als zij u gehoorzamen, niets
meer doen dan hun instinct hun ingeeft? Dit is mijn antwoord: gij zijt
een ellendeling, en als gij geen ander middel weet om uw slaaf terug te
krijgen dan door mij, moogt gij hem gerust als verloren beschouwen.”
„Ei! zegt men zoo?” riep de Amerikaan tandeknarsend van woede, terwijl
hij zich tot zijne knechts wendde, met het bevel: „Schiet den kerel
dood, vuur, vuur!”
Zelf de daad bij het woord voegende, legde hij met drift zijn geweer
aan en schoot af. Zijne bedienden volgden zijn voorbeeld en de vier
geweren gingen af met een enkelen knal, dien de echoos van het
omliggende bosch op somberen toon herhaalden.
II.
QUONIAM.
Terwijl hij tot hen sprak, verloor de Canadees geen enkele beweging
zijner tegenstanders uit het oog; de losbranding op bevel van John
Davis geschied, bleef derhalve zonder uitwerking; hij had zich
schielijk achter den boomstam verborgen daar hij naast stond, en de
kogels floten hem onschadelijk langs de ooren.
De slavenkooper was woedend dat hij zich dus door den jager
teleurgesteld zag, hij uitte tegen hem de vreesselijkste bedreigingen,
vloekte en stampvoette van gramschap.
Maar bedreigingen noch vloeken konden hem baten; zoo hij de rivier niet
overzwom, hetgeen tegenover zulk een onversaagd man als de jager scheen
te zijn, onuitvoerlijk was, bestond er hoegenaamd geen middel om zich
te wreken, veel min om den slaaf weder in handen te krijgen, dien de
Canadees zoo bepaald in zijne bescherming had genomen.
Terwijl de Amerikaan zich te vergeefs het hoofd brak om een middel te
vinden dat hem de gewenschte voldoening zou verschaffen, floot er een
kogel voorbij, die de buks in zijne hand verbrijzelde.
„Vervloekte hond!” brulde hij rood van toorn, „wilt gij mij nu
vermoorden?”
„Daar zou ik het regt toe hebben,” antwoordde de Canadees, „want ik
verkeer in het geval van wettige zelfverdediging, dewijl gij zelf mij
hebt willen dooden; maar ik wil de zaak liever in der minne met u
afdoen, ofschoon ik overtuigd ben dat ik het menschdom eene dienst zou
bewijzen door u een paar loopertjes in de hersens te sturen.”
Bij dit gezegde floot er een tweede kogel voorbij, die het geweer
verpletterde dat een der knechts bezig was weder te laden.
„Duivels! daar moet een eind aan komen,” riep de Amerikaan buiten zich
zelven van kwaadheid: „Wat wilt gij toch?”
„Wat ik reeds gezegd heb, de zaak met u in der minne afdoen.”
„Maar op welke voorwaarden? Zeg mij die ten minste.”
„Zoo aanstonds.”
Het geweer van den tweeden knecht werd verbrijzeld even als dat van den
eersten.
Van de vijf mannen waren er thans drie ontwapend.
„Verdoemd!” brulde de slavenkooper, „zijt gij dan besloten om ons den
een na den ander tot mikpunt te kiezen?”
„Volstrekt niet, ik zoek de kansen slechts gelijk te maken.”
„Maar....”
„Wacht, ik ben dadelijk klaar.”
Het vierde geweer vloog aan spaanders.
„Ziedaar!” vervolgde de Canadees, te voorschijn komende, „nu kunnen we
praten.”
Hij kwam achter den boom van daan en trad naar den uitersten rand der
rivier.
„Ja, duivel, wij zullen praten,” riep de Amerikaan. En met eene
beweging zoo snel als eene gedachte greep hij het laatste geweer, legde
het aan, maar eer hij het nog had kunnen aftrekken, viel hij reeds met
een smartelijken kreet op het rotsplat neder.
De kogel van den jager had hem in den arm getroffen.
„Wacht wat! ik kom bij u,” hervatte de Canadees, altoos even snaaks als
te voren.
Hij laadde eerst weder zijn buks, sprong in het bootje en met eenige
forsche pagaaislagen, was hij weldra aan den anderen oever der rivier.
„Ziedaar!” riep hij, uit de praauw stappende en den Amerikaan
naderende, die als een slang op de rots lag te krimpen en niets deed
dan huilen en vloeken, „heb ik u niet gewaarschuwd? ik heb de kans
slechts gelijk willen maken, gij hebt u dus niet te beklagen over
hetgeen u gebeurd is, vriend; het is geheel uw eigen schuld.”
„Pakt hem aan! doodt hem!” schreeuwde John Davis aan de
onbeschrijfelijkste woede ten prooi.
„Stil! stil! laten wij bedaard blijven,” hervatte de jager, „gij hebt
slechts een wond in uw arm, meer niet; begrijp toch dat ik u
gemakkelijk had kunnen dooden, als ik dat gewild had. Wat duivel! gij
komt er goedkoop af en ik vind u alles behalve redelijk.”
„O! ik zal u vermoorden!” riep de Amerikaan knarstandend.
„Dat geloof ik niet, nu althans niet; later durf ik niet zeggen. Maar
dit daargelaten; ik kom uw kwetsuur onderzoeken en u verbinden;
intusschen kunnen we zamen praten.”
„Raak mij niet aan, kom niet onder mijn bereik, want ik weet niet wat
ik u zou kunnen doen.”
De Canadees haalde de schouders op.
„Gij zijt dwaas,” zeide hij.
Buiten staat om den radeloozen toestand waarin hij zich bevond langer
te verduren, deed de slavenkooper, die door bloedverlies reeds
merkelijk verzwakt was, een vergeefsche poging om op te staan en zich
op zijn vijand te werpen, hij viel terstond weder neer en raakte weldra
buiten kennis, onder het prevelen van een laatste verwensching.
De bedienden waren op eenigen afstand werkeloos blijven staan, stom van
verbazing, zoo wel over de voorbeeldelooze behendigheid van den
onbekenden man, als over de stoutmoedigheid waarmede hij, na hen een
voor een ontwapend te hebben, de rivier was overgekomen om zich zoo te
zeggen, in hunne handen te leveren, want al hadden zij geen buksen
meer, zoo waren zij toch niet zonder pistolen of messen.
„Hoort eens, mijne heeren,” sprak de Canadees met een bedaard maar zuur
gezigt, „doet, als ik u verzoeken mag, het pankruid van uwe pistolen,
of bij den hemel! wij raken hier andermaal aan ’t schermutselen.”
De bedienden hadden weinig trek om met hem een nieuwen strijd te
beginnen, buitendien was de sympathie die zij voor hun meester
gevoelden niet zeer groot, terwijl daarentegen de Canadees door de
gezwinde manier waarop hij in alles te werk was gegaan, hun een schier
geheimzinnige vrees inboezemde; zij gaven dus aan zijn verzoek met
zekere drift gehoor, en wilden hem zelfs hunne messen ter hand stellen.
„Dat is onnoodig,” zeide hij; „laten wij ons thans bezighouden met
dezen gentleman te verbinden; het zou jammer zijn als zulk een
achtenswaardig lid voor de maatschappij verloren ging, daar hij het
schoonste sieraad van uitmaakt.”
Hij ging terstond aan het werk en werd hierin geholpen door de
bedienden, die zijne bevelen met buitengewone snelheid en ijver
gehoorzaamden, als gevoelden zij ten volle de magt van zijn zedelijk
overwigt.
Door hunne levenswijze gedwongen om alle hulp van vreemden te ontberen,
bezitten de woudloopers in zekere mate de kennis aangaande de eerste
gronden der genees- en vooral der heelkunde, zoodat zij bij voorkomende
gelegenheden in staat zijn om beenbreuken of wonden zeer goed te
behandelen, met behulp van kruiden of geneesmiddelen die zij in de
woestijn hebben leeren kennen, en aldaar door de Indianen gewoonlijk
met het beste gevolg worden gebruikt.
De jager bewees door de vlugheid en behendigheid waarmede hij den arm
van John Davis verbond, dat hij bijna even goed wonden wist te heelen
als toe te brengen.
De bedienden beschouwden met klimmende bewondering dezen buitengewonen
man, die zoo op eens van gedaante scheen veranderd te zijn en met eene
vastheid van oog en vaardigheid van hand te werk ging, welke menig
heelmeester hem had mogen benijden.
Onder het verband leggen was de lijder weder tot zich zelven gekomen,
hij had de oogen geopend, maar geen woord gesproken, zijne woede was
geheel bedaard, en zijn onbeschofte aard scheen ten volle beteugeld
door den krachtigen weerstand dien de Canadees hem geboden had. Op de
eerste vlijmende smart zijner wond was eene onbeschrijfelijke
verademing gevolgd, zooals altijd wanneer het verband goed wordt
aangelegd. Ook had hij tegen wil en dank, bij de weldadige verligting
die hij ondervond, zijn bitteren haat voelen plaats maken voor een
gevoel daar hij zich nog wel geen rekenschap van geven kon, maar dat
hem zijn vijand bijna als een vriend deed beschouwen.
Om John Davis naar behooren regt te laten wedervaren, moeten wij zeggen
dat hij niet beter noch slechter was dan de meesten zijner confraters,
die even als hij in menschenvleesch handel drijven; aan het lijden der
slaven gewoon, die in zijn oog niet beter waren dan redelooze wezens,
in een woord, dan geschikte en geoorloofde koopwaar, was zijn hart
allengs stomp geworden voor zachtere gevoelens; in een neger zag hij
niets anders dan de som die hij er voor betaald had en die hij er weder
voor hoopte te ontvangen, en als een echt koopman was hij zeer gehecht
aan zijn geld; een weggeloopen slaaf beschouwde hij als een ellendigen
dief, tegen wien alle middelen geoorloofd waren om hem weder in handen
te krijgen en te beletten dat zijn meester schade leed.
Met dat al was deze man niet van alle betere gevoelens ontbloot; buiten
zijn vak als slavenkooper genoot hij zekeren naam van welwillendheid en
ging hij door voor een gentleman, dat is voor een achtenswaardig en
fatsoenlijk burger.
„Ziedaar, dat is al weder gedaan,” zei de Canadees terwijl hij met
zekere zelfvoldoening het verband nog eens nazag; „als gij behoorlijk
zorg voor hem draagt, zal hij er over drie weken geen hinder meer van
hebben, te minder, daar door een gelukkig toeval, de kogel het been
niet geraakt, maar alleen de spieren getroffen heeft. Zoo gij thans
spreken wilt, mijn goede vriend, ben ik tot uwe dienst.”
„Ik!—ik heb u niets te zeggen, behalve alleen dat gij mij dien
vervloekten zwartkop teruggeeft, die de oorzaak is van al dit onheil.”
„Hum! als we op deze wijs voortgaan, vrees ik dat wij het nooit eens
worden. Gij weet wel dat juist uit de teruggave van dien zwartkop, zoo
als gij hem noemt, ons gansche geschil ontstaan is.”
„Ik kan toch mijn geld niet verliezen.”
„Hoedat, uw geld?”
„Mijn slaaf, zoo gij dat liever wilt; hij vertegenwoordigt voor mij
eene som, die ik niet gaarne zou willen missen, des te minder, daar
mijne zaken sinds den laatsten tijd zeer slecht gaan en ik aanzienlijke
verliezen geleden heb.”
„Dat is zeker verdrietig, ik beklaag u uit al mijn hart; intusschen
verlang ik deze zaak in der minne met u te vereffenen, zooals ik reeds
begonnen ben,” zei de Canadees op moedigen toon.
De Amerikaan trok een scheef gezigt.
„Eene wonderlijke soort van minnelijke vereffening zoo als gij begonnen
zijt,” meesmuilde hij.
„Dat wij het niet dadelijk eens zijn geworden, vriend, is uw eigen
schuld,” zei de jager, „gij waart te driftig, beken het maar.”
„Enfin, spreken wij er niet meer over, gedane zaken hebben geen keer.”
„Gij hebt gelijk, komen wij liever op de zaak zelve terug;
ongelukkigerwijs ben ik arm, anders zou ik u een paar honderd piasters
geven, en daarmede was het uit.”
De koopman krabde zich achter het oor.
„Hoor eens,” zeide hij, „ik weet niet waarom, maar ondanks alles wat er
tusschen ons gebeurd is, en misschien wel omdat het gebeurd is, zou ik
niet gaarne van u scheiden op onvriendschappelijken voet, te meer daar
ik, om u de waarheid te zeggen, weinig om Quoniam geef.”
„Wat is dat Quoniam?”
„Dat is de neger.”
„Ah zoo! zeer goed; wat een gekken naam hebt gij hem gegeven; maar dat
doet niets ter zake, gij zegt immers dat gij weinig om hem geeft.”
„Al zeer weinig zelfs.”
„Hoe kunt gij hem dan zoo koelbloedig najagen met behulp van honden en
schietgeweer?”
„Uit eigenliefde.”
„O! is het dat?” riep de Canadees met blijkbaren tegenzin.
„Hoor eens, ik ben slavenkooper, maar”...
„Een beroerd vak, dat ik u in de rede val,” beweerde de jager.
„Dat kan waar zijn en daar wil ik niet over redetwisten. Maar omtrent
een maand geleden werd er te Baton Rouge een groote publieke verkooping
van slaven aangekondigd van beiderlei sekse, op het erf van een rijk
heer die plotseling gestorven was. Ik ging dus naar Baton Rouge. Onder
de slaven aldaar voor de liefhebbers ten toon gesteld, bevond zich
Quoniam; de kerel is jong, welgemaakt en sterk; hij ziet er stout en
verstandig uit; natuurlijk beviel hij mij op het eerste gezigt, en ik
besloot hem te koopen. Ik trad dus naar hem toe en ondervroeg hem en de
kerel antwoordde mij, met eene onbeschaamdheid die mij terstond in de
war bragt, letterlijk het volgende: „Massa, ik zou u raden mij niet te
koopen; ik heb besloten om vrij te zijn of te sterven; wat gij ook doet
om mij bij u te houden, ik zeg u vooruit dat ik ontsnappen zal! Zie dus
wel wat gij doet, ik heb u gewaarschuwd.” Deze verklaring, zoo beknopt
en zoo stellig maakte mij boos. „Wij zullen zien,” zeide ik, en ik ging
naar den man die met den verkoop belast was. Deze was een goede kennis
van mij en poogde mij insgelijks het aankoopen van Quoniam te ontraden,
met een aantal redenen, de een al sterker dan de andere om mij van mijn
voornemen af te brengen. Maar mijn besluit stond vast, ik hield vol, en
Quoniam werd mij afgestaan voor den prijs van negentig piasters, een
ongehoord koopje voor een neger van zijne jaren en kwaliteiten, maar
hij was bij allen bekend en niemand had zin in hem. Ik deed mijn
nieuwen slaaf de boeijen aan en voerde hem, niet naar mijn huis, maar
naar de gevangenis, om zeker te zijn dat hij mij niet ontsnappen zou.
Den volgenden morgen, toen ik in de gevangenis kwam, was Quoniam
vertrokken: hij had woord gehouden. Na verloop van twee dagen werd hij
gevat en teruggebragt, maar dienzelfden avond was hij weder weg, zonder
dat ik bij mogelijkheid gissen kon door welk middel het hem gelukt was
al mijne voorzorgen te verijdelen en zijne boeijen te verbreken. Wat
zal ik u verder zeggen? dat heeft zoo eene maand lang geduurd. Hij werd
weder teruggebragt, maar omtrent acht dagen geleden is hij andermaal
ontsnapt, sinds al dien tijd heb ik hem gezocht. Daar ik met reden
wanhoopte hem ooit te zullen kunnen houden, was ik buiten mij zelven
van kwaadheid, en zat ik hem achter de hielen met brakken en
bloedhonden, vast besloten om het voor dezen keer het koste wat het
wilde uit te maken met dien vervloekten neger, die mij gedurig door de
vingers glipte als een adder.”
„Dat wil dan zeggen,” opperde de Canadees, die het verslag van den
slavenkooper met belangstelling had aangehoord, „dat gij in het
uiterste geval niet geaarzeld zoudt hebben om hem te dooden?”
„Dat zou ik ook niet, geen oogenblik zelfs, des te minder daar die
onbeschaamde vlegel zoo listig is; hij heeft zoo telkens en bij
herhaling met mij gespot en mijne beste plannen verijdeld, dat ik hem
eindelijk naar alle duivels wenschte.”
„Hoor nu eens op uwe beurt, meester John Davis;” sprak de Canadees, „ik
ben niet rijk, dat scheelt veel; waartoe zou ik goud of zilver
verzamelen, ik alleenloopend mensch, die de woestijn bewoon en aan wien
God iederen dag het noodige voedsel bereidt? Die Quoniam, hoe listig
hij wezen mag met al zijne vrijheidszucht en losbandige lusten, boezemt
mij onwillekeurig belangstelling in, ik zal zien of ik hem die vrijheid
kan bezorgen daar hij zoo vurig en standvastig naar verlangt. Laat ik u
dus het volgende voorstellen: daar ginds in mijne praauw liggen drie
tijgervellen en twaalf beverhuiden, die in iedere stad van de Unie, bij
verkoop, honderd vijftig à twee honderd piasters zullen opbrengen; neem
die voor u, en laat hiermede de zaak afgedaan zijn.”
John Davis staarde hem aan met eene mengeling van verwondering en
welwillendheid.
„Gij doet u zelven schade,” sprak hij eindelijk, „de ruiling die gij
mij voorslaat is te voordeelig voor mij en te nadeelig voor u. Zoo moet
men geene zaken doen.”
„Wat kan het u schelen? Ik heb mij nu eenmaal in het hoofd gezet om
dien man vrij te koopen.”
„Gij kent den ondankbaren aard der negers nog niet,” hervatte John
Davis met drift: „en die kerel daar zal u nooit erkentelijk zijn voor
hetgeen gij aan hem doet. Integendeel, bij de eerste gelegenheid de
beste reeds zal hij u misschien reden geven om u te beklagen over uw
goede werk.”
„’t Is mogelijk, dat moet hij weten, ik vraag hem niet om dankbaarheid;
bewijst hij mij die, des te beter voor hem, zoo niet, dan moge God hem
oordeelen! Ik handel volgens mijn hart, mijn loon is in mijn geweten.”
„Bij God! gij zijt een brave kerel, dat is uitgemaakt waar,” riep de
koopman, buiten staat om zich langer te bedwingen. „Het ware te
wenschen dat er wat veel zulke menschen te vinden waren als gij:
Welaan! ik wil u bewijzen dat ik niet zoo slecht ben als gij naar
hetgeen tusschen ons is voorgevallen reden zoudt hebben te
veronderstellen; ik zal de acte van verkoop teekenen en u Quoniam
afstaan, maar er niet meer voor aannemen dan een tijgervel, tot
aandenken aan onze ontmoeting, al heb ik er nog een van u ontvangen,”
vervolgde hij met een scheef gezigt op zijn verbonden arm wijzende.
„Top!” riep de Canadees verheugd; „alleen dit nog, dat gij twee vellen
neemt in plaats van één, daar ik u om een mes, een bijl en een geweer
wil verzoeken, die gij nog hebt, ten behoeve van den armen duivel, dien
wij zamen de vrijheid geven,—want nu deelt gij voor de helft in mijn
goede werk,—opdat hij voortaan in zijn eigen onderhoud kunne voorzien.”
„Het zij zoo!” riep de koopman opgeruimd, „als de kerel toch volstrekt
vrij wil zijn, mag hij voor mijn part naar den duivel loopen.”
Op een wenk van zijn meester nam een der bedienden uit een der
weitasschen een koker, waarin papier, pen en inkt, en schreef op
staanden voet, niet een acte van verkoop, maar, op verlangen van den
Canadees, eene acte van vrijverklaring in den vereischten vorm, daar de
koopman zonder tegenspraak zijne hand onder zette, en die ook door de
bedienden als getuigen geteekend werd.
„Inderdaad, dat moet ik zeggen!” riep John Davis, „het moge waar zijn
dat ik als koopman eene domme streek heb begaan, maar gij moet mij
gelooven als ik u verklaar dat ik nog nooit zoo wel over mij zelven
voldaan was.”
„Dat komt,” hernam de Canadees met ernst, „dat gij thans aan de
inspraak van uw hart gehoor hebt gegeven.”
De jager ging nu van het terras om de vellen te halen. Na eenige
oogenblikken keerde hij terug met twee heerlijke jaguarvellen geheel
ongeschonden, en gaf ze den koopman. Deze, volgens overeenkomst, stelde
hem op zijne beurt de wapenen ter hand, maar nu maakte de Canadees eene
bedenking.
„Niet te haastig,” riep hij, „als gij mij die wapens geeft, hoe zult
gij het dan maken om naar huis te keeren?”
„Laat u dat niet verontrusten,” antwoordde John Davis; „ik heb drie
mijlen van hier mijne paarden en mijn volk gelaten, overigens hebben
wij onze pistolen nog, die ons de noodige dienst kunnen bewijzen.”
„Dat is waar,” zei de jager „als het zoo met u staat, hebt gij niets te
vreezen; intusschen, daar uwe wond u niet veroorlooft om een langen weg
te voet af te leggen, zal ik met medehulp uwer bedienden een draagbaar
voor u gereed maken.”
En met dezelfde vaardigheid waarvan hij reeds zoo vele bewijzen gegeven
had, stelde de Canadees, in weinige minuten, van takken die hij met
zijn bijl op de noodige maat hakte een draagbaar te zamen, wierp er de
tijgervellen overheen en liet den gewonde er op plaats nemen.
„Voor ditmaal vaarwel!” zeide hij, „misschien dat wij elkaar nooit
wederzien. Wij scheiden, zoo ik vertrouw, op een beter voet dan wij
elkander ontmoet hebben. Houd steeds in gedachten dat er geen beroep
zoo slecht is of het kan door een eerlijk man met eere gedreven worden;
en als uw hart u ooit tot een goede daad roept, wees dan niet doof,
maar volbreng ze zonder bedenken, want het is God die dan tot u sprak.”
„Dank u,” antwoordde de koopman blijkbaar getroffen, „nog een woord eer
wij van elkander gaan.”
„Spreek.”
„Zeg mij uw naam, zoodat, wanneer het toeval ons eenmaal weder bij
elkander bragt, ik mij op uwe herinneringen kan beroepen, gelijk gij op
de mijne.”
„Dat is niet meer dan billijk, ik heet Tranquille; mijne broeders, de
woudloopers, noemen mij anders de Tijgerdooder.”
Eer nog de koopman van zijne verbazing bekomen kon, toen hij den naam
hoorde van den man over wiens stoutmoedig en edel karakter in al de
grensdistricten slechts ééne stem opging, was de jager, na hem voor het
laatst gegroet te hebben, reeds van het terras afgesprongen, had hij
zijne praauw losgemaakt en zich met krachtigen riemslag naar den
anderen oever verwijderd.
„Tranquille de Tijgerdooder!” mompelde John Davis, zoodra hij alleen
was, „dat heeft mij gewis mijn goede geleigeest ingegeven, om mij zulk
een man tot vriend te maken.”
Hij strekte zich uit op de baar, die door twee zijner knechten op de
schouders werd genomen, en na een laatsten blik op den Canadees, die op
dit oogenblik aan de overzijde der rivier aan wal stapte, zeide hij:
„Op weg.”
Weldra was het terras weder eenzaam: de koopman en zijn gevolg waren
onder het geboomte verdwenen en men hoorde niets meer dan het steeds
zwakker en zwakker wordend geblaf der speurhonden, die voor den kleinen
troep uitsprongen. Eindelijk was alles doodstil.
III.
NEGER EN BLANKE.
Intusschen had de Canadees, wiens naam wij eindelijk zijn te weten
gekomen, gelijk wij reeds gezegd hebben den anderen oever bereikt, digt
bij de plek waar hij den neger in de struiken had achtergelaten.
Gedurende de lange afwezigheid van zijn verdediger had de slaaf
gemakkelijk kunnen ontvlugten, des te meer daar hij bijna zeker kon
zijn niet vervolgd te zullen worden voor dat hij reeds een
aanzienlijken afstand op zijne vijanden gewonnen zou hebben, die zich
met zooveel hardnekkigheid beijverden om hem weder in handen te
krijgen.
Hij had echter van de gelegenheid geen gebruik gemaakt, hetzij dat de
vlugt hem onuitvoerbaar toescheen, hetzij dat hij zich te veel vermoeid
gevoelde, hetzij om andere redenen die wij hier niet zullen
uitvorschen; genoeg, hij was geen duim breed geweken van de plaats waar
hij in de eerste oogenblikken zijner aanlanding een toevlugt had
gezocht, en daar had hij gezeten met de oogen onafgewend op de rots
gerigt, om met angstige blikken alles gade te slaan wat er tusschen de
verschillende personen op het terras voorviel.
John Davis had inderdaad niet te veel gezegd toen hij den jager zulk
eene gunstige beschrijving van den neger gaf: Quoniam was een der
prachtigste stalen van het Afrikaansche menschenras; hoogstens twee en
twintig jaar oud, was hij groot, welgemaakt en stevig gebouwd; zijne
breede schouders, ruime borst en fraai gevormde leden teekenden
tegelijk ongewone behendigheid en vlugheid en weergalooze kracht; zijne
gelaatstrekken waren fijn en vol uitdrukking, zijn uitzigt sprak van
vrijmoedigheid en opregtheid, zijn open oog teekende schranderheid en
ernst, en al was zijne kleur van het schoonste zwart, eene kleur die in
Amerika, het zoogenaamde „land der vrijheid” als onuitwischbare stempel
der dienstbaarheid wordt gebrandmerkt, scheen deze man niet geschapen
voor slavernij en ademde zijn gansche voorkomen die zucht naar vrijheid
en naar onbelemmerde wilsuiting, die God ook aan de gekleurde
menschenrassen heeft ingeschapen en die alleen het blinde vooroordeel
der blanken hun vruchteloos poogt te ontzeggen.
Toen hij zag dat de Canadees in zijn praauw stapte en de Amerikanen de
rots verlieten, slaakte de neger een zucht van ontspanning en blonk er
een glimlach op zijn zwart gelaat, want zonder bepaald te weten wat er
tusschen den jager en zijn ouden meester was omgegaan, daar hij te ver
verwijderd zat om te hooren wat er gesproken werd, begreep hij toch dat
hij ten minste vooreerst niets van den laatstgenoemde te duchten had en
wachtte hij met koortsachtig ongeduld op de terugkomst van zijn
verdediger, ten einde te vernemen wat hij voortaan te vreezen of te
hopen zou hebben.
Zoodra de jager den oever bereikte, stiet hij zijn boot op het zand en
stapte hij met forschen en afgemeten tred naar de plek waar hij
veronderstelde den neger te zullen vinden.
Hij kreeg hem weldra in het oog, ongeveer op dezelfde plaats gezeten en
bijna in dezelfde houding als toen hij hem verliet.
Onwillekeurig kwam er een glimlach van tevredenheid op het gelaat van
den Canadees.
„Ha ha! vriend Quoniam,” riep hij, „zit gij daar nog?”
„Ja, massa,” was het antwoord, „heeft John Davis u mij naam gezegd?”
„Dat hoort gij; maar wat doet gij daar, waarom hebt gij u niet uit de
voeten gemaakt, terwijl ik weg was?”
„Quoniam is geen lafaard,” zeide hij, „zoodat hij zou willen ontsnappen
terwijl een ander zijn leven voor hem waagt. Ik heb zitten wachten,
gereed om mij over te leveren, zoo de veiligheid van den blanken jager
ware bedreigd geworden.” [2]
Dit werd door den neger met zulk eene edele eenvoudigheid gezegd, dat
er aan de opregtheid van zijne betuiging niet te twijfelen viel.
„Goed,” antwoordde de jager getroffen, „ik zeg u dank voor uw goede
voornemen; gelukkig dat uwe tusschenkomst niet noodig is geweest,
overigens hebt gij verstandig gedaan met hier te blijven wachten.”
„Wat er ook met mij gebeure, meester, houd u verzekerd van mijne
erkentelijkheid, daar ik uwe hulp in eeuwigheid niet vergeten zal.”
„Des te beter voor u, Quoniam, daardoor zult gij toonen geen ondankbare
te zijn, een der grootste ondeugden die de menschheid schandvlekken;
maar wat ik u verder verzoeken mag, noem mij toch geen meester, dat zou
mij verdriet doen: het woord meester geeft eene vernederende minderheid
te kennen, daar ik in mijn toestand niets van weten wil; ik ben uw
meester niet, ik wil niets anders zijn dan uw kameraad.”
„Maar welken anderen naam zou een arme slaaf u kunnen geven?”
„Mijn eigen naam. Noem mij Tranquille, gelijk ik u Quoniam zal noemen.
Tranquille is immers zoo moeijelijk niet om te onthouden of uit te
spreken, zou ik denken?”
„O! volstrekt niet!” riep de neger lagchende.
„Goed! dat blijft afgesproken. Laten wij thans andere dingen bedenken,
en vooreerst neem dit.”
Hier haalde de jager een papier uit zijne borst en overhandigde het aan
den neger.
„Wat is dat?” vroeg deze met een ongerusten blik op het papier, daar
hij geen lezen had geleerd en dus het schrift niet kon ontcijferen.
„Dat?” hernam de jager glimlagchend, „dat is een kostelijke talisman,
die u tot een mensch maakt als alle andere menschen, en u uit het
register der dieren uitschrapt, daar men u tot dusver onder gerekend
had; in een woord, het is eene acte, waarmede John Davis, koopman in
slaven, wonende te Zuid-Carolina, verklaart, dat van heden af aan,
Quoniam hier tegenwoordig, zijne volle vrijheid bekomt, om die voortaan
te genieten zoo als hij zal goedvinden en naar zijne omstandigheden;
hebt gij mij verstaan? het is uwe acte van vrijverklaring, door uw
voormaligen meester geschreven en door bevoegde getuigen geteekend, om
u te dienen als wettig bewijs naar gelang van tijd en gelegenheid.”
Bij het hooren van deze woorden werd de neger zoo bleek als de lieden
van zijne kleur worden kunnen, zijn gezigt namelijk kreeg een vaal
graauwe tint, zijne oogen spalkten zich wijd open, en hij stond eenige
sekonden onbewegelijk, als van den donder getroffen, en buiten staat om
een woord te uiten of een lid te verroeren.
Eindelijk barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, sprong twee
of driemaal op zoo vlug als een wild dier, en begon toen eensklaps te
schreijen als een kind.
De jager sloeg al de bewegingen van Quoniam met de meeste aandacht
gade, hij beschouwde zijne vervoering met klimmende belangstelling en
gevoelde zich met ieder oogenblik meer aan den neger gehecht.
„Dus ben ik vrij?” vroeg eindelijk de zwarte, „vrij, vrij, geheel vrij,
niet waar?”
„Zoo vrij als ooit een mensch wezen kan,” glimlachte Tranquille.
„Dus kan ik nu komen en gaan, staan of liggen, werken of rusten zonder
dat iemand het mij belet, en zonder dat ik voor de zweep behoef te
vreezen?”
„Volkomen.”
„Behoor ik geheel aan mij zelven, aan mij zelven alleen? Kan ik nu
denken en handelen even als andere menschen? Ben ik niet langer een
dier, dat men naar willekeur jaagt, of drijft, of lasten oplegt? Ben ik
ondanks mijn zwarte kleur even goed als een ander mensch, hetzij blank,
geel of rood?”
„Volmaakt eenerlei!” antwoordde de jager ten hoogste verrast en
ingenomen met al deze kinderachtige vragen.
„O! o!” riep de neger terwijl hij zijn hoofd met beide handen
vasthield, „dus ben ik vrij, vrij, eindelijk vrij!”
Hij uitte deze woorden op zulk een zonderlinge wijs dat de jager er
werkelijk van ontroerde; Quoniam zonk op de knieën, vouwde de handen te
zamen en sloeg de oogen ten hemel:
„Mijn God!” sprak hij overluid op een toon van zalige vreugd zooals de
aarde maar zelden te gevoelen geeft, „Gij die alles vermoogt, Gij voor
wien alle menschenkinderen gelijk zijn en die hunne kleur niet aanziet
om hen te behoeden en te beschermen; Gij wiens goedheid even onbegrensd
is als Uw alvermogen, ik dank, ik dank U, mijn God, dat Gij mij uit de
slavernij verlost en de vrijheid gegeven hebt.”
Na dit gebed te hebben uitgesproken, dat de onwillekeurige uitdrukking
was van de gewaarwordingen die in zijn binnenste woelden, liet de neger
zich op den grond vallen en bleef hij eenige minuten in ernstige
gedachten verzonken. De jager eerbiedigde zijn stilzwijgen.
Eindelijk hief de neger het hoofd weder op.
„Hoor eens, jager,” zeide hij, „ik heb volgens mijn pligt God voor
mijne vrijheid gedankt, want Hij was het die u ingaf om mij te
verdedigen. Thans, nu ik mij een weinig bedaarder gevoel en aan mijn
nieuwen toestand begin te gewennen, moet gij mij eens vertellen wat er
tusschen u en mijn meester gebeurd is, opdat ik weten moge, hoe ver de
verpligtingen gaan die ik aan u heb, en mijn volgend gedrag naar die
verpligtingen kan regelen; spreek, ik hoor u.”