Ik had dien avond nog eene _entrevue_ met Overberg, die mij op de
hoogte, ik zou eigenlijk moeten zeggen op de laagte, bracht van den
gang dien de zaken hadden genomen. Daar was geene overeenkomst met
Francis te treffen, die daarenboven de Werve verlaten had zonder
een adres op te geven. Men moest volgens van Beek tot den publieken
verkoop van dat kasteel overgaan, maar Overberg, die mijn tegenzin
in dit geweldig middel kende, had de hand daartoe niet willen leenen
vóór mijne herstelling en zonder mijne definitieve toestemming. Ik
deed hem inzien, dat er nog geene haast bij was, en na wat over
en weer sprekens deelde hij mijne zienswijze, Tante Roselaer had
wraakzuchtige intentiën gevoed tegen den generaal, maar geenszins
tegen Francis, en nu deze alleen overbleef was er geen reden om
haar te verontrusten en te verdrijven. Aan de eischen der wet moest
voldaan worden, aan het voorschrift der testatrice evenzeer; eene
beslissing moest er genomen worden; dat is alles waar, maar ik zag
niet in, waarom men haar geene maanden zou geven terwijl men haar
nauwelijks weken had gegund. Overberg stemde dit toe. Blijkbaar had
de oude freule het goed met haar gemeend. De collega dien van Beek
had gebruikt om het testament te maken, waarin hij als executeur
werd bevoordeeld, had aan Overberg kennis gegeven, dat het nog een
codicil bevatte, één dag voor haar dood er bijgevoegd, waarbij aan
freule Francis Mordaunt na het overlijden van den generaal, en voor
't geval dat haar huwelijk met jonker van Zonshoven niet doorging,
een jaarlijksch inkomen werd verzekerd van drie duizend gulden, haar
door den erfgenaam uit te keeren levenslang, zelfs al zij trouwde,
onder de eenige voorwaarde dat zij geen huwelijk zoude aangaan zonder
het goedvinden van haar neef jonkheer Leopold van Zonshoven. Zeer zeker
had de schrandere vrouw dit correctief bedacht om Francis te weerhouden
van een onberaden huwelijk, waarvoor zij haar in staat achtte. Bij
de onwaarschijnlijkheid dat zulk een geval zich zou voordoen, vond
ik de conditie voor haar niet te hard; maar ik belastte Overberg er
mee, haar daarvan officieel kennis te geven. Zij zou dat bericht dan
vinden als zij naar de Werve terugkeerde. Zij zou er ook mijn pakket
vinden, dat werkelijk in handen van den procureur was geraakt, met
de papieren van haar grootvader, en waarvan hij het adres had erkend
als van mijne hand. Hij had het terstond na die ontdekking naar het
kasteel opgezonden, maar zij zelve was er toen reeds niet meer.
"Het heeft zoo moeten zijn, jonker!" sprak hij, de schouders ophalend,
nadat ik hem medegedeeld had, dat ik zeer op den inhoud van dat pakket
rekende om hare stemming jegens mij te veranderen; maar ik verzweeg
hem zorgvuldig de samenkomst die ik met Rudolf moest hebben. Er was
sprake van eene dwaasheid die Francis stond te begaan, en ik was wat
bang voor de Z--sche praatjes.
Tegen het aangewezen uur liet ik mij den volgenden dag naar het
zoogenaamde huis te Halfweg brengen, eene uitspanning waar des
zomers buitenpartijen worden gehouden en waar men des middags gaat
theedrinken, maar niet eigenlijk een logement, en waar het in dit
morgenuur bijzonder stil was. Ik noemde volgens Rudolfs opgave mijn
naam, en vroeg of de heer gekomen was dien ik spreken moest.
"Ja, de heer en de dame zijn al boven; als mijnheer de trap maar
blieft op te gaan, en dan de deur rechts; schellen als de heeren van
iets gediend blieven!" gaf de man ten antwoord, die het op zijne
aanwijzingen liet aankomen zonder mij geleide te geven. Zij waren
dan ook niet gecompliceerd, en ik vond zelfs de deur aanstaan. Ik
bevond mij in een zaal met witte muren en houten met zand bestrooide
vloer, waar zeker voor veertig menschen, en meer, ruimte was om aan
verschillende tafeltjes plaats te nemen; maar in 't eerst zag ik er
niemand, en ik moest langs een hoop opeengestapelde stoelen voorbij
eer ik Rudolf bemerkte, die aan het uiterste einde der zaal stond,
waar een tribune was opgericht voor een orchest. Hij was niet alleen,
hij was in een druk gesprek met Francis!
Zij stonden met den rug naar mij toegewend, en ik moest mij een
oogenblik op den achtergrond houden, om mij te herstellen van den
schok dien dat plotseling weerzien bij mij teweegbracht. De uitroep
dien ik had willen slaken stokte mij in de keel; zoo moest zij mij
niet zien. Ik ging wat zijwaarts af en kon als verscholen blijven
achter de pyramide van stoelen.
De stem van Rudolf klonk schetterend door de zaal toen hij sprak:
"_Nonsence_, Francis! ik die er nogal zoo iets van weet zeg u, dat het
een radeloos beginnen is; gij kent dat leven niet, dat gij u voorstelt
als het ideaal van vrijheid en levenslust. Het is integendeel de
gebondenheid zelf, met de zweep er achter! Meent gij misschien dat
de _chambrière_ bij ons alleen gebruikt wordt voor de paarden? en dat
men er de vrouwen spaart omdat men ze ten aanzien van 't publiek met
galanterie in den stijgbeugel helpt? Gij vergist u deerlijk, arm kind!"
Al sprekende had Rudolf zich even omgekeerd en mij opgemerkt; snel
bracht hij den vinger aan den mond om mij het zwijgen aan te bevelen,
en hij ging voort: "Wij worden gestraft in onze beurzen en aan den
lijve, van den geringsten staljongen af tot _Madam Stonehorse_ toe,
aan wie zelve zoomin eene fout gepasseerd wordt als aan ons. En onder
dien troep zoudt gij willen zijn, gij! een kruidje-roer-mij-niet op
het punt van kieschheid en fijngevoeligheid! Ik zou, op mijn woord,
geen slechter _métier_ weten uit te denken voor iemand als gij zijt;
en 't is alleen omdat gij er niets van weet, dat het denkbeeld daaraan
in u kon opkomen."
"Er is geen ander waar ik voor bekwaam ben! Ik kan met paarden omgaan;
maar ik kan geene gouvernante van kinderen zijn; ik kan schermen en
exerceeren, en ik zou beide evengoed te paard kunnen doen als te voet;
maar ik kan niet voor gezelschapsjuffrouw spelen bij eene dame, en
ik ben veel te onhandig in 't naaien en borduren om daar mijn brood
mee te verdienen. Zelfmoord is eene zonde die ik niet wil begaan;
ik heb daarbij plichten die mij gebieden te leven, al is het leven
mij niets meer dan eene marteling; dus schiet mij niets anders over,
dan dàt wat ik u verzocht voor mij te bemiddelen."
"Maar zottin! waarom ziet gij het eenige voorbij dat u wezenlijk
past! Waarom verzoent gij u niet met uw neef van Zonshoven? dan hebt
gij alles ineens wat gij maar wenschen kunt; uw kasteel terug, de
fortuin, en een man die u liefheeft, daar verwed ik mijn hoofd onder!"
"Ja, een loyaal man inderdaad! dat's gebleken," antwoordde zij met
een doffe stem, waaruit mij onbeschrijfelijke bitterheid toeklonk.
"Bah! hij is op zijn ergst een klein weinigje onoprecht geweest; dat
is eene _peccadille_, die gij hem licht kunt vergeven; een leugentje
om bestwil zondigt niet, en ik sta er voor in, dat hij u om bestwil
zoo wat om den tuin geleid heeft. Hij zal u ook wel eens wat te
vergeven hebben; gij hebt hem immers naar uwe eigene getuigenis grof
behandeld; gij hebt u zelf bij mij aangeklaagd, dat gij hem onrecht
hebt gedaan! welnu! zeg hem dat, val voor hem in de schuld, en alles
zal goed zijn."
"Dat is onmogelijk, ik heb het immers al gezegd," hernam zij met
ongeduld; "dat is nu te laat."
"Waarom te laat, Francis?" sprak ik, nu snel vooruittredende, "als _ik_
u verzeker dat het nog tijd is!"
"Leo!" riep zij doodsbleek, en als ineenkrimpend onder hare smartelijke
aandoeningen, viel zij op een stoel neer en bedekte zich het gelaat
met beide handen.
"Francis!" hervatte ik zacht, terwijl mijne ontroering in de stem
trilde, "er is nog niets tusschen ons veranderd ik zie nog altijd in
u mijne verloofde." Al sprekende had ik even mijne hand op de hare
gelegd. Het was of die aanraking haar pijn deed. Als met een schok
sprong zij weer op, nu met hooggekleurde wangen en onnatuurlijk
fonkelende oogen.
"Uwe verloofde! ik heb dat begrepen uit de wijze waarop uwe handlangers
met mij geleefd hebben."
"Het grieft mij meer dan ik zeggen kan, Francis, dat men u lastig is
gevallen, maar wijt dat niet aan mij; ik was ziek, ik was afwezend,
en zoo men u verdriet heeft aangedaan, is dat wel zeer tegen mijne
bedoeling geweest."
"Zooals het tegen uwe bedoeling geweest is, mijn grootvader den schok
toe te brengen, die hem den dood heeft aangedaan!"
"Zeer zeker is dat tegen mijne bedoeling geweest, en ik heb tot het
uiterste volhard om dat te voorkomen, maar gij, gij zelve hebt niet
gewild, en daarna heb ik niets meer kunnen verhinderen. Het was de
toepassing van een uitersten wil, dien ik niet bij machte was te
wijzigen. Zoo de vervolging, waarmee hij bedreigd werd, werkelijk
den dood van uw grootvader, heeft verhaast beschuldig mij dan niet
het eerst, Francis! maar tast in uw eigen boezem, en mij dunkt,
gij zult bevinden, dat ik het met hem en met u beter gemeend heb
dan gij zelve, die om een misverstand, dat bij eenig kalm nadenken
zoo licht uit den weg ware geruimd, u zelve en hem in 't verderf
hebt gestort en mij zoo groote smart aangedaan. Gij hebt willen
volharden bij uwe miskenning! gij hebt onverzoenlijk willen zijn;
gij zijt het nóg; zoo wijt de gevolgen van het onheil dat gij hebt
aangericht niet aan anderen, niet aan mij, die u nòg toeroept: het
is _niet_ onherstelbaar."
"Niet onherstelbaar! o, Leo! Leo! hoe ver staan wij reeds van elkander,
dat gij dit zeggen kunt," sprak zij diep neerslachtig. "Gij hebt mij
met dwang gedreigd en gij hebt mij werkelijk dwang aangedaan; gij
hebt het in uwe macht gehad mij tot zulk een uiterste te brengen,
dat de bestgezinde van uwe praktizijns telkens zijne omslachtige
vertoogen besloot met denzelfden raad: een huwelijk met den erfgenaam
van freule Roselaer; ik heb dien zoo dikwijls gehoord dat ik er van
walg, en ik weet dat ze gelijk hebben uit hun oppervlakkig, materieel
oogpunt gezien, maar, gij Leo; gij die weet hoe ik denk, hoe ik in
onze verbintenis _die_ vereeniging zag, waar liefde, waar hoogachting
de vrije aan den vrije bond uit volle overgave van het hart, hoe kunt
gij zeggen, dat er niets onherstelbaar is, waar het noodigste verloren
is gegaan; waar gij het met uwe zaakgelastigden zóó ver hebt gebracht
dat het huwelijk met u mij door den nood zou worden opgelegd. Als
ik dàt huwelijk kon aangaan, Leo! meent gij dan, dat ik niet aan de
keten zou schudden tot die ons beiden te zwaar werd, tot zij brak?"
"Gij hebt gelijk, Francis! als gij het zoo beschouwt; als gij mij
niet met andere oogen kunt zien dan die van uw vooroordeel, dan is
het uit, dan geef ik u dat woord terug, dat gij niet meer kunt houden,
dan zijt gij vrij!"
"Mooi zoo, Francis! daar hebt gij wat gij gewild hebt; nu zijt gij
losgelaten en vogelvrij, zooals ik, en dat's voor eene vrouw als
gij zeker wel het ergste waarmee God haar straffen, en Leo zich
wreken kon."
"Gij vergist u, Rudolf! Daar is geen sprake van wraakneming. Ik heb
mijne verloofde haar woord teruggegeven, maar mijne nicht Francis
Mordaunt blijft onder mijne bescherming."
"Ik waardeer de bedoeling," sprak Francis, zonder mij aan te zien
met trillende stem, "maar ik heb een stap gedaan, die mij voorgoed
van mijn verleden scheidt. Ik wanhoopte aan uwe edelmoedigheid,
die mij de vrijheid zou geven; daarom heb ik het onmogelijke willen
stellen tusschen u en mij. Ik heb eene overeenkomst gesloten met
master Stonehorse, die reeds hier moest zijn, en master Smithson is
gekomen om mij aan hem voor te stellen."
"Uw oom Rudolf is hier om het uit alle macht af te raden, _my dear!_
en als gij op master Stonehorse rekent, kunt gij lang wachten,"
viel Rudolf uit.
"Alweer geen woord gehouden!" riep Francis hem toe met
verontwaardiging. "Maar ik heb die teleurstelling verdiend, met nog
eens op u te rekenen."
"Ziet gij mij aan voor zoo dom of zoo slecht Francis! dat ik de hand
zou leenen om u zulk een _coup de tête_ te helpen volvoeren?"
"Zoo hebt gij mijn briefje niet aan uw directeur overhandigd?"
"Waarachtig niet! ik heb wat beters gedaan; ik heb Leo gewaarschuwd
dat gij op het punt stond eene dwaasheid te begaan, die u onredbaar in
't verderf zou storten."
"Een komplot! dat is het wèl wat van lieden van uwe soort is te
wachten. 't Is genoeg! ik zie wel, dat ik op niets of op niemand meer
rekenen kan dan op mij zelve, zoo weet ik wat mij te doen staat."
"_Stupid!_ Zij hecht er nog aan!" riep Rudolf met ergernis.
"Zoo doe ik, en sinds gij mij uwe bemiddeling weigert zal ik alleen
naar L. rijden, waar master Stonehorse nog wel te vinden zal zijn."
"Zij verdiende voor den duivel dat men haar haar gang liet
gaan. Probeer het maar, doordrijfster! Als gij eens in zijne handen
zijt, zult gij het levenslang met bloedige tranen beschreien; en het
ergste is, dat je niet eens schreien moogt! Je moet lachen, lachen
onder het snerpendste wee."
"Welnu, ik zal lijden wat er te lijden valt; zoo zal ik boete doen voor
't geen ik mij te verwijten heb."
"Juist, eigenwillige boete! dat is in uw geest. U zelve niet sparen
en eindelijk bezwijken van smart over het leed dat gij u zelve en
anderen hebt aangedaan," voegde ik haar toe.
"Niemand heeft zich meer om mij te bekommeren; ik ben immers vrij!"
"Maar niet om uw naam en afkomst schande aan te doen en u zelve dus
weg te werpen."
"Ik ben de laatste van mijn naam, en wat mijne afkomst betreft:
ik ben de nicht van master Smithson."
"Zijne waardige nicht, dat moet ik zeggen!" sprak deze met ironie,
"maar die nu voorgoed het recht verloren heeft met zooveel minachting
op mij neer te zien, sinds zij, en niet door den nood gedrongen,
even groote dwaasheden begaat als ik."
"Niet door den nood gedrongen!" sprak zij, en haalde met onwil de
schouders op.
"Neen, Francis! niets verplichtte u de Werve te verlaten."
"Ik zie niet hoe ik er had kunnen blijven, jonker! Gij zijt er meester
_par droit de créancier_. Moest ik wachten tot uwe procureurs en
deurwaarders mij kwamen verdrijven?"
"Dat zou niet geschied zijn, dat zal niet geschieden, juist omdat _ik_
er meester ben. Gij zijt een verkeerden weg ingeslagen, Francis! geloof
mij, toen gij die veilige schuilplaats verliet. Maar niets verhindert
u er terug te keeren."
"Niets meent gij?" riep zij hartstochtelijk: "alles, alles! De muren
grimmen mij aan in die eenzaamheid. Voelt gij dat niet? Maar neen,
hoe zoudt gij dat voor mij voelen! Er is niets dan misverstand tusschen
ons, niets meer!"
Daar lag een weeklacht in dien toon van verwijt, maar die terstond
werd overstemd door de vastheid waarmee zij voortging:
"Daarom wil ik mijn eigen weg gaan; ik wil het, verkeerd of niet:
ik hoor niemand toe; ik zal over mijn eigen lot beschikken." Reeds
wendde zij zich om.
"Dat zult gij niet!" sprak ik met gezag, haar in den weg tredende. "Nu
de generaal dood is en Rudolf zich onmogelijk heeft gemaakt, ben ik
uw naaste bloedverwant, en ik zal niet toestaan dat gij u zelve in
den vollen bloei des levens in een afgrond werpt, waaruit niets u
meer zou kunnen redden. Ik stel ééne voorwaarde op de vrijheid die
ik u teruggaf, deze: dat gij haar niet misbruikt tot uw bederf."
"Maar zeg dan wat ik doen moet!" sprak zij gejaagd en toch onderworpen.
"Naar de Werve terugkeeren, waar de eenzaamheid u niet zal aangrimmen,
want gij zult er een vriend vinden die alles in orde heeft gebracht
om u te ontvangen."
"Een vriend!" herhaalde zij, met een strakken, verwonderden blik.
"Ja! Rolf, die er tot nadere order blijft; en gij kunt er ook
blijven. Gij hebt niet noodig onberaden stappen te doen om mij te
ontvluchten, want ik ga reizen."
Ik sprak dit laatste koel en met vastheid, want ik zag dat het haar
verraste en trof, en ik wilde geen zwakheid toonen.
"Naar de Werve terugkeeren!" herhaalde zij langzaam als in zich
zelve, deed daarop haastig eenige stappen met gebogen hoofd, keerde
zich toen om, zag mij aan met een veelbeteekenende blik en sprak,
terwijl er iets anders in de stem trilde dan toorn en trots:
"Gaat gij reizen, Leo? ik.... zal.... blijven.... Vaarwel!"
En de deur viel achter haar toe.
"Zou ik haar niet volgen tot zij de Werve bereikt heeft?" vroeg Rudolf,
toen wij den hoefslag van haar paard hoorden. "Als zij nu toch eens
haar eigen zin deed?"
"Neen! ik vertrouw op haar woord; wantrouwen zou haar beleedigen."
"Zij is in eene ongewone stemming en zoo roekeloos in het rijden;
zij heeft laatst ook nog een ongeluk gehad."
"In 's Hemelsnaam, rijd haar dan achterna! Maar als gij zelf herkend
wordt?"
"Dat heeft nu geen nood meer, ik zie er immers uit als de eerste
burgerheer de beste."
Dat was zoo. Zijne kleeding was eenvoudig en passend; zijn haar en
baard waren donker zwart geverfd.
"Zooals gij mij nu aanziet," ging hij voort, "ben ik herhaaldelijk
naar de Werve gekomen in de laatste ziekte van mijn vader. Ik heb hem
nog de hand gedrukt, en hij schonk mij zijn zegelring. Zie toch! ik
draag hem niet aan den vinger, uit voorzichtigheid, maar hier, aan
een zijden koord op de borst; en Francis! Francis!" sprak hij met
zegevierenden glimlach, "is er toch toe gekomen; zij heeft in die
bange dagen mijne hulp aangenomen. Ik heb mijn satisfactie, al ziet
zij mij nog zoo boos aan."
"Maar ga dan toch!" drong ik, want ik begon mij zelf ongerust te maken
dat Francis hem te ver vooruit zou zijn. En.... wij namen afscheid
voor het leven.
"Als de L--sche kermis afgeloopen is, verlaten wij de provincie en
het land en ik kom er nimmer weer," sprak hij met weemoed, terwijl
hij mij voor het laatst de hand drukte.
Te Z. aangekomen, vond ik Overberg reeds in mijn logement. Hij had
een pakket ontvangen aan het adres van Francis, dat uit Engeland
scheen te komen, veel port kostte, en dat de oude Frits in hare
absentie niet had willen aannemen; men had zich tot den procureur
gewend, die met de zaken van den generaal was belast. Ik verzekerde
hem dat de freule Mordaunt voorgoed naar de Werve was teruggekeerd,
en hij zond onverwijld zijn klerk naar het kasteel, om het pakket
aan haar zelve te overhandigen. Zij moest er _reçu_ voor teekenen;
zoo zou ik tegelijk in den kortst mogelijken tijd vernemen of zij
goed en wel op de Werve was aangekomen. Ik liet hem in mijn wagentje
derwaarts rijden en beloofde den voerman een dubbele fooi, om zijn
paard wat aan te zetten.
De klerk kwam in het kortst mogelijke tijdsverloop terug en bij
mij. Zij had het _reçu_ geteekend, Goddank! Alles was in orde. Maar
dat pakket, haar waarschijnlijk toegezonden door vrienden of verwanten
uit Engeland, lag mij zwaar op het hart. Wat bracht het haar? Mogelijk
volstrekte onafhankelijkheid en onze scheiding. Maar ik kende haar
nog niet geheel.
Des anderen daags in den voormiddag hield het bekende wagentje van
de Pauwelsen voor mijne deur stil. De oude Frits stapte er uit en
bracht mij een biljet van zijne meesteres. Zij had hem bevolen het
aan niemand dan aan mij zelf over te geven en op antwoord te wachten.
Ik zond hem naar de groote zaal om zich te verfrisschen, terwijl ik
mijn antwoord schreef.
Ik kon een biljet van haar (het eerste!) niet lezen in iemands
bijzijn. Ziehier wat ik las toen ik met bevende vingers de enveloppe
had verscheurd.
_Neef Leopold!_
Ik moet u nog eenmaal zien en spreken vóór gij reizen gaat. Zoo er geen
Rudolf tusschen ons gestaan had, zou ik u veel gezegd hebben dat ik nù
moest terughouden. Gij hebt mij eens verzekerd, dat gij altijd bereid
waart tot dienstvaardigheid voor eene vrouw, die het privilege harer
sexe liet gelden. Zoo doe ik thans. Mag ik hopen dat gij mij niet zult
weigeren naar de Werve te komen om nog een laatste onderhoud te hebben?
In plaats van te schrijven ware ik liefst onverwacht bij u komen
oploopen, maar ik heb de eerste ingeving, al was het mogelijk eene
goede, niet gevolgd, uit vrees u ergernis te geven. Laat mij door
Frits weten welken dag en op welk uur ik u wachten moet.