de heide diergelijk besluit hebt medegedeeld, had ik geen reden om u
daarvan af te brengen. Ik gevoelde niets voor u dan de belangstelling,
die mij drong uwe kennis te maken, en ik wist niet genoeg van u, om u
met ernst zulk een voornemen te ontraden. Maar nu weet gij zelve wel,
dat alles anders is geworden tusschen ons. Ik heb groote vrijmoedigheid
gebruikt jegens u, met u te wijzen op zulke gebreken, die ik achtte
dat uw edel karakter konden schaden. Gij hebt die opmerkzaamheid
genomen voor 't geen zij was: bewijs van innige belangstelling,
en gij hebt die beloond met uw volle vertrouwen. Maar gij begrijpt
toch zelve wel, dat ik mij niet veroorloofd zou hebben, zoo lang en
op zulke wijze met u om te gaan, als er niet een vast voornemen bij
mij bestond om u tot mijne vrouw te vragen!"
"Dat klinkt werkelijk als eene declaratie _à bout portant_, en daar
ik zoo'n brusken uitval van u wel niet had kunnen wachten, neem ik
die voor 't geen zij schijnt: eene _raillerie_. Ik weet het, gij
houdt daarvan, om mij een weinigje te prikkelen en u te amuseeren
met mijne _reparties_, en dat is gelukkig voor u, want anders zoudt
gij in gevaar zijn om zoo maar plomp weg een blauwtje te loopen."
Ik begreep dat zij tot de tanden toe geharnast in den strijd was
gegaan; zij was koel, scherp en hoog in haar antwoord; maar in de stem,
die onverschillig en schertsend wilde zijn, trilde eene ontroering,
die zij door het afwenden van het gelaat trachtte te ontveinzen.
"Om de waarheid te zeggen, Francis! ik sla volstrekt geen geloof aan
uw blauwtje. Gij wilt mij misverstaan, omdat gij in eene kwelzieke
luim zijt en besloten om u te weren tot het uiterste tegen de inspraak
van uw hart; maar gij hebt u niet zoo kunnen vergissen in het mijne,
of _weet_ dat ik nu spreek in vollen ernst."
"Nu dan, Leo!" viel zij in met een diepen zucht. "Als gij er ernst van
maken wilt, moet ik u herinneren aan mijne vroegere waarschuwing om mij
van zulke wenschen niet weer te spreken; het kan, het mag niet zijn!"
"Waarom toch niet? Heb ik mij zoo vergist, toen ik dacht dat ik u
niet geheel onverschillig was? Ik hoopte wat beters van u, ik meende
toch dat gij wel iets voor mij gevoeldet."
Zij knikte met afgewend gelaat en zweeg, maar op eens hoorde ik iets
als een gesmoorden snik.
"Zijt gij dan mogelijk niet meer vrij?" vroeg ik zacht en zelf diep
bewogen, hare hand nemende en mij voor haar plaatsend om haar in de
oogen te kunnen zien.
"Vrij? O, voorzeker ben ik vrij!" riep zij met bitterheid. "Ik heb
er wel het mijne toe gedaan om vrij te blijven!"--en zich snel van
mij afkeerende:--"maar, ik heb het u immers altijd gezegd. Ik moet
mijne onafhankelijkheid bewaren; ik _moet_ het."
"O, ik versta u, Francis!" sprak ik, mijns ondanks nu ook met wat
bitterheid. "Gij hebt zekere illusie nog niet opgegeven, gij wacht
op uw lord William; gij hebt het u zelve beloofd en...."
"Lord William? Lord William, die mij nooit heeft liefgehad!" riep zij
hartstochtelijk, "Lord William, die mij met zijn laatdunkend mededoogen
heeft gekrenkt, die mij het hart heeft gebroken, die mij tot woestheid,
tot dwaasheid heeft vervoerd door zijne _voorzienige wijsheid_; lord
William, die nu een brave zestiger zal zijn! Leo, Leo! gij die mij
lief hebt, ik weet het, doe gij toch u zelven die nuttelooze kwelling
niet aan om jaloersch te zijn van lord William. Zou ik u alles zoo
vrij uit hebben opgebiecht als ik daar niet lang overheen was?"
"Dan is die tegenzin in het huwelijk, die zucht om vrij te blijven
maar een onvrouwelijke gril, een laatste verzet van Majoor Frans,
die zich niet gevangen wil geven, en dan stel ik al mijne wilskracht,
al mijne volharding tegenover die weerbarstigheid."
"Plaag mij niet met uwe volharding, Leo! want gij zoudt mij slechts
pijnigen, zonder mij te verzetten. Al zoudt gij mijn hart breken,
en dat kunt gij, ik beken het, mijn weerstand zult gij toch niet
overwinnen."
"Dan wil ik die onzichtbare macht kennen, die u tegen mij sterkt!" riep
ik, woest van toorn en smart.
"Och Leo! gij weet immers wel van welke smartelijke plichten ik de
slavin ben. Waartoe u nog verder in te wijden in die diepten van
jammer en ellende, waarin ik bijna verzink, waarmee ik levenslang
zal te worstelen hebben."
"Ik wil ze kennen, Francis! om ze met u te deelen, om ze met u
te dragen. Samen strijdende zullen wij overwinnen, wees er zeker
van!" riep ik hartstochtelijk; en door het teederste medegevoel
overweldigd, sloeg ik mijn arm om haar heen en sloot haar aan mijne
borst. Zij getroostte zich dit zacht geweld zonder verzet; als mat
en afgestreden liet zij haar hoofd tegen mijn schouders rusten.
"Nou, as de freule vrijt is 't te begriepen dat ze der kind
verzuumt!" hoorden wij plotseling achter ons uitroepen door eene
schorre stem, die aan het afschuwelijk dialect niets toegaf.
Doodsbleek van schrik maakte Francis zich vrij en trad eenige schreden
ter zijde. Ik, als door een bliksemstraal getroffen, liet de armen
zinken en weerhield haar niet; ik had eene gewaarwording of ik
plotseling onder ijsschotsen was geraakt, ik rilde.
De persoon die achter ons aangekomen was, en ons zeker al lang had
bespied, trad nu stout vooruit en op Francis toe.
Het was eene oude vrouw, die als de heksen in Macbeth daar op eens voor
ons oprees. Met hare scherpe zwarte oogen, hare bloote magere armen,
rood en dor als kreefteschalen, haar verbrand en gerimpeld gezicht,
met een blauw geruiten doek over de witte muts en het stokje waarop
de kreupele leunde, zag zij er werkelijk uit als eene tooverkol uit
de sprookjes, die men in een vroegere eeuw zou verbrand hebben. Ik
wil wel bekennen dat ik haar dergelijk lot toewenschte, toen zij ruw
en brutaal tot Francis zeide:
"Nou dan, freule! nou weten we waer je het zoo druk mee hebt dat je
in gien vayf wieken nee het kinde zijt kuemen umzien."
"Mijn grootvader is ziek geweest, vrouw Jool."
"Ja! grooteluisziekte, deer is gien kwoad bij. Mear die jonker deer,
dats wat anders hé! Nou, ik zeg, het hiele dorp spreekt er schande
van."
"Waarvan, vrouw Jool?" vroeg Francis, hoog en koel, hoewel ze zeer
bleek zag.
"Dat je 't kinde zoo verzuumt um...."
"Luister, vrouw Jool!" viel nu Francis in op vasten, kalmen toon. "Het
heele dorp, zoomin als gij zelve, heeft in mijne zaken iets te zien,
of zich met mijn doen en laten te bemoeien."
"Och, we zullen met pleizier doen of we er nieuwers van merken,
freule! maar het kleine jungske lijdt er bij als we te onzent niets
van der heuren."
"Ik had vandaag willen komen, maar kreeg verhindering; doch daar
behoeft het kind immers niet onder te lijden; daar is geen reden toe
sinds het kostgeld trouw wordt betaald."
"Hm! trouw! De maond is uut: we zien de tweede al een weik ien,
en ik zeg: als het Trineke verveelt heit de jongen het slecht."
"Morgen zult gij het geld hebben; maar ik zeg je, als het kind slecht
bejegend wordt om die ééne week verzuim, zoo slecht, vrouw Jool! dat
'het heele dorp' zooals gij zegt er schande van spreekt, dan komt
die slechte behandeling van uwe of uws dochters zijde, en dan blijft
het kind niet bij u, daar kan je staat op maken. Als ik morgen of
overmorgen kom zal ik er naar informeeren, reken daarop!"
"Wat! wou je mij en me dochter te schande maken en het jungske van
ons wegnemen? Nou, probeer dat eens! We zullen wel zien wie 't heft
in handen houdt!" En 't booze wijf zette tergend brutaal de handen
in de zijde. "Dat heb je er nou van als je voor de grootelui in de
bres springt!"
"Gij zijt voor niemand in de bres gesprongen, vrouw Jool, dat weet
je zelve wel, daar ben je veel te inhalig toe; je hebt alleen geld
willen maken van uw dochters ongeluk, ziedaar alles! Maar het doet
er niet toe wat gij zijt of niet."
"Wat! zou het er niet toe doen dat ik de grootmoeder ben! En ik kwam
nogal waarschuwen dat ie nieuwe kousen en schoenen moet hebben, of
hij moet met zijn bloote voetjes in de klompjes loopen net als de
boerenkinderen, en deer is hij te fesoenlijk veur zou 'k denken."
"Ik zal in de kousen en schoenen voorzien, vrouw Jool! Maar 't is nu
genoeg, ga uws weegs, ge hadt niet in 't bosch moeten komen als een
spion. Nu ik je ontdekt heb, moet je rechtsomkeer maken, het zandpad
langs de vaart om, die leidt naar je dorp."
"Nou, nou! wat zou dat? Is deer zoo'n haast bij?"
"'t Is hier de grond van de Werve; je hoort hier niet. Scheer je
weg, of...."
"He'k van me leven! wat ze een haast het um me weg te kriegen, en dat
um.... Nou, nou, ik ga al! anders laat ze me die kostelijke jonker nog
voor koddebeier spelen!" riep het wijf eer schreeuwende dan sprekende,
terwijl ze zich hinkend uit de voeten maakte en het aangeduide pad nam.
Wij waren bij het _rond-point_ genaderd. Ik was eerst blijven staan
bij de oude rustique bank, maar ik moest gaan zitten, want ik voelde
dat mijne beenen onder mij wankelden; ik moet er akelig bleek en
ontdaan hebben uitgezien, want toen Francis, eindelijk van haar
kwelgeest bevrijd, zich omkeerde en naar mij toekwam, zij, nog met
wangen hooggekleurd van toorn en verontwaardiging, las ik zekere
droeve verbazing op hare trekken, toen zij voor mij staan bleef en
mij aanzag, terwijl zij sprak:
"Welnu! Leo! mij dunkt het toeval dient u op uwe wenken. Dáár is
nu de macht, ongelukkig evenmin eene onhoorbare als onzichtbare,
die mij berooft van de vrijheid om gelukkig te zijn."
"Ik versta u, Francis! gij zijt te eerlijk en te kiesch om onder zulk
een bezwaar een man aan uw lot te verbinden," sprak ik met eene stem,
die ik trachtte vastheid en kalmte te geven; "maar waarom mij niet
eerder uw vertrouwen geschonken op dit punt, waarom het op zulke
verrassing, op zulke toevallige ontmoeting te laten aankomen? Ik
heb u immers gezegd, reeds in de eerste dagen onzer kennismaking,
dat ik den moed zoude hebben eene struikelende staande te houden, dat
ik niet zou wanen mij te besmetten, zelfs als ik eene gevallene uit
de diepte oprichtte; zeg mij alles! ik wil het onmogelijke beproeven
om u te redden."
"Maar Leo!" antwoordde zij, de handen ineenslaande van verbazing,
en met een hoogen blos op het voorhoofd; "gij ziet bleek als een
lijk, uwe oogen staan strak en schril van pijnlijke overspanning,
uwe doffe stem verraadt de overwinning zelfs die deze woorden u
kosten. Wat moet ik denken van deze heftige ontroering, wat van de
zonderlinge gezegden die gij mij toevoegt? Gij zult mij, toch niet van
iets onwaardigs verdenken? Gij kunt toch wel begrijpen dat _mijne_
eer er niet mee gekwetst is, al heb ik mij zelve veel te verwijten,
al klage ik dat ik het recht verloren heb gelukkig te zijn, al lijde
ik onder den schrikkelijken nasleep van jammer en ellende waarvan ik
de schuldige oorzaak ben!"
"Ik luister naar 't geen gij zegt, Francis!" sprak ik in eene soort van
bedwelming; "maar verschoon mij, ik.... ik versta u niet goed, was er
niet sprake van een kind.... van een kind waarvoor gij te zorgen hebt."
"Wel zeker! en dat is nog niet eens het ergste, ik heb er de moeder
bij voor mijne rekening."
"_Francis_!" riep ik, opspringende met een kreet van verlichting en
onuitsprekelijke blijdschap.
"Nu begrijp _ik_ u niet," hervatte zij, mij met een naïeve
bevreemding aanziende, "daar is hier waarlijk geene oorzaak voor
zulke verrukking. Meent gij dat het eene lichte zaak is voor mij;
in omstandigheden als de mijne, om een kind groot te brengen en in
de behoeften van eene krankzinnige vrouw te voorzien?"
Ik dankte den Hemel uit den grond van mijn hart, dat zij in hare
onschuld mij zóó had misverstaan; ik had gelukkig nog genoeg
tegenwoordigheid van geest om mij te redden en haar gedachtenloop
te vatten; ik begreep dat ik reddeloos verloren moest zijn bij haar,
als zij raadde welk vermoeden mij een oogenblik had bezield.
"Zeer zeker is dat geene lichte last, Francis; integendeel, het moet
bijkans eene ondragelijke zijn voor u alleen; maar ik, die gevreesd
had dat er eenige onoverkomelijke hindernis zou liggen tusschen u en
mij, ik verblijd mij dat het niets ergers is."
"Och!" sprak zij met zekere ergernis over mijne onbevattelijkheid;
"gij mannen wilt nooit bezwaren zien, als gij iets wenscht. Het is eene
onoverkomelijke hindernis, ik zeg het u, in onze omstandigheden. Gij
weet eigenlijk nog niets en gij praat al voort of gij alles in één
oogwenk zoudt kunnen schikken. Ik heb mij nu al die onaangename
_scène_ van dat oude wijf op den hals gehaald om u, omdat ik met u
ben gaan wandelen, in plaats van naar het dorp O. te rijden, om mijn
kleinen Harry te zien, en bovenal om het kostgeld te betalen aan de
grootmoeder, en wie weet wat al niet bovendien, want zij exploiteeren
mij daar, Leo! Zij exploiteeren mij op eene gruwelijke wijze, en ik
weet er mij niet tegen te weren, omdat ik mij niet onschuldig kan
achten aan den dood van den vader, aan de oneer en de krankzinnigheid
der moeder."
Ik begreep dat ik niet beters had te doen dan maar rustig aan te
hooren wat zij mij uit zich zelve wilde mededeelen; ik moest er naar
trachten haar mijne vroegere opvatting te doen vergeten.
"Zij exploiteeren uwe teederheid van consciëntie, Francis!" sprak ik,
terwijl ik naast haar plaats nam op de rustieke bank.
"Zoo is het Leo! Gij hebt laatst gehoord hoe jammerlijk die arme Harry
Blount is omgekomen. Nu dan, bij zijn sterven had ik met smartelijke
heftigheid uitgeroepen: 'Ik, ik heb hem den dood aangedaan!' Die
uitroep van bittere zelfbeschuldiging had getuigen: Vrouw Jool en
hare dochter! De laatste wierp zich in wilde vertwijfeling naast den
stervende neer.
"_My bride! my poor bride!_" stamelde Harry; en tot mij: "_dear miss
Francis, pity on her!_"
Ik deed toen eene belofte, Leopold! en al had ik niets beloofd,
ik zou toch alles gedaan hebben wat ik kon.
Het ongelukkige meisje was verwilderd van smart en schaamte: zij
moest moeder worden!
Wij wisten niet eens dat Harry zulk eene betrekking had. Hij had het
voor ons verborgen, daar hij geen kans zag om te trouwen zoolang hij
in onzen dienst bleef op een lang niet meer schitterend jaargeld,
en op het goed van mijns vaders familie geboren, beschouwde hij zich
niet als een gewoon bediende, die zijn meester den dienst opzegt als
er een betere positie te verkrijgen is. De gedachte om heen te gaan,
nu het bij ons op stal altijd schraalder en lediger werd, kon niet
in hem opkomen. Het blijkt echter dat vrouw Jool, een laaghartig en
baatzuchtig mensch, hem telkens op dat punt het hoofd warm maakte en
hare dochter opstookte om hem aan te zetten ons huis te verlaten.
Die tweestrijd tusschen zijne trouw aan ons en de rechten van het
hart maakte hem in den laatsten tijd norsch en wrevelig. Als ik
hem ondervroeg, ontkende hij dat er iets haperde; maar met zulk
eene gedrukte houding, dat men wel raden kon dat er iets achter
stak. Ik vorschte er naar, maar tevergeefs; de andere bedienden
klaagden over hem als over een lastig mensch, die aan vlagen van
melancholie leed. Dit maakte dan ook dat ik zijne waarschuwing op
dien noodlottigen rijtoer in den wind sloeg, ik schreef het toe aan
zijne zwaartillendheid, wat voorzichtigheid en goed beraad hem ingaven.
Ik vrees de verdenking uit te spreken, en toch is zij niet uit de
lucht gegrepen, dat vrouw Jool zelve heeft medegewerkt tot den val van
haar kind. Zij wilde Harry in de verplichting brengen om te trouwen,
en meende dat al het verdere wel volgen zou. De rampspoedige dood
van haar toekomstigen schoonzoon was voor haar eene misrekening,
maar.... nú werd ik hare prooi. Zij stookte hare dochter tegen mij
op; zij hitste alles tegen mij aan, wat naar haar luisteren wilde;
zij stelde mijn smartelijken uitroep voor als eene bekentenis van
moedwilligen doodslag. Het liep zoo hoog, dat wij er iemand van
onze kennis, die in de rechtbank zat, bij moesten inroepen om de
ergerlijke praatjes van dat mensch te doen ophouden. Dit alles nam
niet weg, dat ik al het mogelijke deed om het lot van de jonge vrouw
te verzachten, die mij dankbaar zou geweest zijn, ik ben er zeker
van, zonder hare moeder. Ten laatste kwam het beslissend oogenblik;
reeds terstond na de geboorte van het kind deden zich bij de jeugdige
moeder verschijnselen van waanzin op; het was niet raadzaam haar zelve
te laten zogen, het werd gevaarlijk haar met het kind alleen te laten.
Eene andere dochter van vrouw Jool, die te O. met een boerenarbeider
getrouwd was en haar jongste kindje verloren had, kon voor min
optreden. Men zou gezegd hebben dat eene zuster zulk een dienst uit
vrije gunst zou verleend hebben; en dat zou ook zeker het geval zijn
geweest, zoo men niet gespeculeerd had op mijne gemoedelijkheid. Ik
moest minnegeld betalen, omdat ik voor de luiermand had gezorgd,
ik moest voor de arme krankzinnige zorgen, die welhaast niet meer
onder de haren kon blijven. Ik deed dit laatste uit vollen vrijen wil,
maar het kostte meer dan ik offeren kon; en ik had het moeten opgeven
zoo de ontmoeting met tante Roselaer en hare edelmoedigheid mij niet
te hulp ware gekomen. Intusschen had vrouw Jool zoozeer op mijne
goedwilligheid gerekend, dat ze er hare betrekking van waschvrouw aan
gaf en bij hare kinderen ging inwonen, om op het kleinkind te passen,
zoo het heette, om mij ieder jaar meer geld af te persen onder allerlei
voorwendsel. Het kind is sinds lang gespeend en moest eigenlijk niet
langer in hunne handen blijven; maar ik beken het, ik zie op tegen het
misbaar, dat al dat volk zal maken als ik het elders plaats. Ik dreig
er wel mee; maar tot de uitvoering zal het niet licht komen. Door
hunne gemeenheid zijn zij mij te sterk. Voor het kind heb ik alles
over; het grootste deel van mijne eigene inkomsten offer ik voor
hem en de moeder; maar dien heelen aanhang, waaraan ik niet weet te
ontkomen, en mijn grootvader, die het als een nuttelooze verkwisting
beschouwt en die het mij ten kwade duidt dat ik niets meer ten beste
geef voor de sier van zijn leven en het mijne; denk het in, Leo! wat
er smartelijks en vernederends voor mij ligt in dat alles! en gij
zult begrijpen waarom ik _alleen_ moet lijden, ook zelfs al had ik
den man gevonden die mijn hart zou kunnen winnen. Sleept men iemand
dien men lief heeft mee in zulk een maalstroom?"
"Iemand die uw hart mocht winnen, Francis, en die waard is het te
bezitten, laat zich niet meetrekken in een maalstroom, maar zou er
u uit redden."
"Dat kan niet zijn; ik zal het kind van Harry Blount nooit in den
steek laten."
"Dat zou ook onchristelijk wezen. Hoe oud is dat kind, Francis?"
"Het zal nu welhaast drie jaren worden. Hij is geboren kort nadat
wij de Werve betrokken."
"Dan heeft hij hoog noodig een voogd, die hem uit dien atmosfeer van
gemeenheid wegneemt."
"De grootmoeder is immers voogdes?"
"Wij zullen zien wat er aan te doen is. Dat slag van lieden kan
men nog wel naar zijn hand stellen, als men eenige behendigheid
gebruikt. Meestal vergeten zij de noodigste formaliteiten. Is er een
toeziende voogd benoemd?"
"Ik weet er niets van...."
"Dan moet dat verzuim hersteld worden, en dan zijn wij meester van den
toestand; dat kind moet voorloopig bij de Pauwelsen geplaatst worden,
dat zijn goede lieden, die u zeker niet zouden afzetten!"
"O! als dit zijn kon!.... maar ongelukkig is de jonge Pauwels verliefd
geweest op de ongelukkige Gijsje Jool. Zal hij het kind van zijn
medeminnaar met goede oogen aanzien?"
"Mij dunkt wel met eenig mededoogen...."
"Gij, maar zulke lieden denken zoo teer niet."
"Als zij goed zien en een menschelijk hart hebben, kunnen zij ook even
fijn voelen als wij, dan doet stand en opvoeding er niets toe. Geeft
gij mij vrijheid om in die zaak voor u op te treden, en te zien hoe
men het kind uit die handen kan wringen? Zal ik morgen met u naar
O. rijden?"
"Wat hebt gij er aan, u in dat wespennest te werpen?"
"Ik ben niet bang voor een steekje."
"'t Is al erg genoeg dat vrouw Jool ons vandaag samen heeft gezien
en bespied."
"Zoo zal zij morgen bemerken dat zij ons niet behoeft te bespieden
als wij ons openlijk te zamen vertoonen."
"Neen, neen, Leo! dat kan niet, dat moet niet zijn," riep zij met
zekere heftigheid het hoofd van mij afwendende. "Wie weet wat voor
malle praatjes zij al niet rondgebabbeld heeft, na dat samentreffen
met ons!"
"Als wij eenvoudig de praatjes tot waarheid maken, dan zijn het geen
malle praatjes meer!"
"Tot waarheid maken! gij weet niet wat gij zegt, Leo!"
"Heel goed; zij hield ons voor gelieven; was zij zoover van de waarheid
Francis?" vroeg ik zacht maar ernstig, en hare hand vattende, die zij
mij liet. "Zij zal wellicht rondstrooien dat wij verloofd zijn, kan
dat ons zooveel schaden, als wij bewijzen dat zij zich niet vergiste?"
"Hij komt er nog op terug, nòg, schoon hij alles weet!" sprak Francis,
halfluid, als in zich zelve.
"Wie zou ik zijn, Francis, zoo ik nù kon terugtreden?"
"Maar ik zeg u: gij houdt geene rekening met alle lasten en bezwaren
die er nog op ons zouden rusten," riep zij met zeker ongeduld; "de
Werve met Rolf dien wij niet op zij kunnen zetten, mijn grootvader
met al zijne groote behoeften en zijne onbeduidende inkomsten. Hoe
zullen wij dat alles bestrijden? Ik weet wel," voegde zij er bij met
veranderenden toon, "gij gaat nu naar den Haag om u met uw oom den
minister te verzoenen, zooals de generaal u geraden heeft, ik begrijp
wel waarom.... Maar doe het niet, doe het niet om mij, Leo! want gij
zelf hebt het eens eene laagheid genoemd!"
"Zoo ik mij ooit met mijn oom verzoen, Francis, zal het zijn omdat
vergevingsgezindheid ons past; maar nooit, daar kunt gij staat op
maken, om met deze verzoening eere of gunst te bejagen."
"Ik bedank u voor dat woord, Leo! ik dank u voor alles wat gij voor
mij geweest zijt. O! ik wist het ook wel dat gij even fier als ferm
zijt, maar daarom--laat uw verstand spreken--is het niet beter niet
te beginnen wat men toch niet kan volhouden? Blijf mijn vriend zooals
gij het tot hiertoe geweest zijt, maar...."
"Gij spreekt als eene die zelve geen hartstocht kent, noch dien in
anderen begrijpt," viel ik in. "Ik ben niet als Willibald, ik kan uw
vriend niet blijven, als ik uw geliefde niet mag zijn; ik kan niet
meer rustig aan uw zijde zitten en mij onthouden die fijne blanke
hand te kussen die gij zoo koel en achteloos in de mijne laat (ik
voegde de daad bij het woord). Ik heb u lief, Francis! hartstochtlijk
lief; ik heb de uitingen van dien hartstocht onderdrukt met eene
zelfbeheersching waarvan gij u geen denkbeeld kunt maken; maar nu het
uitgesproken is, moet er eene beslissing zijn, ik moet u verlaten voor
altijd, of ik moet uw echtgenoot worden, en dat _wil_ ik, Francis! met
eene vastheid van wil die al uwe zwarigheden voor niets acht."
"Leo! Leo!" riep zij opstaande, alsof zij mij wilde ontvlieden;
maar toch zonder zich af te keeren, "spreek zoo niet tegen mij,
niet op dien toon van wegslepend geweld, niet met dien gloed in
't oog; niemand heeft ooit zóó tot mij gesproken; niemand heeft mij
hartstochtelijk liefgehad; gij brengt mij buiten mij zelve; gij leidt
mij in verzoeking; maar ik moet u weerstaan want ik mag uw ongeluk
niet kiezen, al zou het mij nòg zooveel kosten;" hare stem sidderde van
heftige ontroering, een hoog rood overtoog hare wangen, en hare oogen
weerkaatsten iets van dien eigen gloed die de mijnen deed fonkelen.
Ik nam beide hare handen in de mijne en sprak met vastheid:
"Als de scheiding u iets kost, Francis! scheiden wij _niet_!"
"Het is bedwelmend, Leo! de.... de.... mogelijkheid dat ik.... ik
nog gelukkig zou kunnen zijn," stamelde zij.
"Het is genoeg, Francis! gij zijt de mijne. Ik laat u niet meer
los. Leg uwe hand in de mijne voor het leven."
"Voor het leven!" herhaalde zij nu vast en besloten, maar met
trillende lippen; zij werd bleek, zoo bleek, dat ik opsprong om haar
te ondersteunen. Zij was eene bezwijming nabij.
"Leo! ik ben de uwe! Ik vertrouw mij aan u, ik heb u lief zooals
ik nooit.... nooit heb liefgehad," stamelde zij, terwijl ik haar in
mijne armen hield opgericht.
"Eindelijk!" juichte ik, en drukte den eersten kus der liefde op
hare lippen.
Het spreekt vanzelf dat wij te laat kwamen om aan het _luncheon_
deel te nemen; maar wij hadden er ook geen behoefte aan.
Wij hadden in het teruggaan elkaar zooveel te zeggen gehad, dat
wij er geene woorden voor hadden gevonden, en alleen zwijgend naast
elkaar waren voortgegaan, zij leunende op mijn arm, of zij behoefte
had aan steun; wij liepen langzaam, altijd meer langzaam, hoe meer
wij het kasteel naderden, als kinderen die uit spelen zijn en geen
haast hebben om thuis te komen. En zoo was het werkelijk. Francis
vooral scheen daar tegen op te zien. Toen wij reeds de oude brug in
't gezicht hadden, werd haar tred zoo slepend en aarzelend, dat ik
haar vroeg of zij vermoeid was?
"Ik geloof ja!" sprak zij, "ik zou nog wel wat op dat mos onder dien
grooten eik willen rusten, eer wij de vesting weer binnengaan. Het
wordt mij angstig om het hart; het is mij of alles wat daar ginds
mij tergt en drukt nu weer in volle zwaarte op mij neervalt. Ik kan
zóó nog niet scheiden van mijn geluk!"
"Wij zullen rusten, liefste, en ik gevoel mee iets van 't geen waar
gij tegen op ziet; maar het moet niet te veel zijn; ons geluk gaat
ontluiken, er is nu geen kwestie van scheiding, dan voor een korte
poos; welhaast zult gij de Werve met gansch andere oogen aanzien!"
"Och, Leo! ik wenschte dat wij er niet meer moesten binnengaan; ik
wenschte, dat ik nu zóó met u kon wegvluchten, en dat er niets of
niemand zich meer stellen kon tusschen u en mij!"
"We zullen wegvluchten, allerliefste dweepster; maar er moeten eerst
eenige formaliteiten plaats vinden, die ons het recht geven met
opgeheven hoofd te keeren."
"Dat is wel jammer, want ik zie tegen dat alles op als tegen een
onbeklimbaar rotspad. Al die convenances waar gij zoo aan hecht en
die men in 't oog moet houden...."
"Ik hecht er waarlijk niet zooveel meer aan dan gij. Formalisme is
gansch mijn zwak niet, maar toch.... men mag zekere vormen niet al
te zeer in het aangezicht slaan; juist in ons geval...."
"En dan al die laffe en valsche menschen, die met gehuichelde
glimlachjes hunne felicitaties komen mompelen, terwijl zij in stilte
uwe dwaasheid bespotten, dat gij _Majoor Frans_ uwe hand durft reiken."
Ik liet haar niet toe dien laatsten volzin uit te spreken.
Zij moest boete doen met een kus voor die lasterlijke onderstelling.
"Wij zullen het zoo eenvoudig aanleggen als gij maar wenschen kunt,
Francis! maar wij moeten voldoen aan de eischen van 't sociale
leven, en naar mijne innigste overtuiging ook aan de eischen der
consciëntie. Een verbond voor het leven van zulken ernstigen aard,
als het huwelijk moet niet gesloten worden zonder kerkelijke wijding."
"Dat ben ik volkomen met u eens en zelfs zal ik u bekennen, dat ik
mij altijd geërgerd heb aan die mannen en vrouwen die zoo luchtig
en lichtzinnig over die plechtigheid spreken, die er mee kunnen
railleeren of het alleen een representatie pro forma gold, eene
exhibitie van prachtige toiletten. En toch, de vrouw brengt daarbij
en voor altijd een onmetelijk offer; het offer van haar naam, van
haar wil, van zich zelve, een offer, waartegen ik, zoolang ik _u_
niet heb gekend, steeds heb opgezien als iets onmogelijks voor mij."
"En nu?" vroeg ik, in het mos aan hare voeten neerknielend om haar
beter in de levendige sprekende oogen te kunnen zien, die nu van
geest en gevoel tintelden.
"Nu zie ik daar niet meer tegen op," antwoordde zij met een zachten
glimlach. "Maar ik bid u, Leo! blijf niet in die houding voor mij;
het is eene onwaarheid _en action_ en zal het meer en meer worden; ik
voorzie dat, want ik voel nu, gij zult mijn heer en meester zijn. Ik
ben niet als de 'dames,' die laf en oneerlijk als ze zijn, in haar _for
intérieur_ glimlachen over den eed van trouw en gehoorzaamheid, dien
zij bij het huwelijksverbond uitspreken, terwijl zij reeds bewijs geven
dien niet te zullen houden, eer nog de bruidsbouquet verwelkt is. En
de mannen, die bij het huwelijksformulier de schouders ophalen, als
hechten zij gansch geene beteekenis aan hunne rechten, zijn evenzeer
in hun _for intérieur_ besloten, eenmaal af te dwingen, wat hun niet
uit besef van plicht wordt geschonken. In de wittebroodsweken knielen
zij aan hare voeten, zooals gij daareven aan de mijne, al was dat met
anderen zin, en stellen zich aan of zij hun leven lang de onderdanige
dienaren zullen blijven; maar als de vrouw hen bij 't woord vat, leert
zij 't anders; dan steekt de binnenlandsche oorlog op, de strijd over
't meesterschap. De schranderen en behendigen onder ons zoeken door
list te veroveren wat ze niet door geweld hebben kunnen verkrijgen,
en meenen gewonnen te hebben als die toeleg haar is gelukt. De anderen
bukken als overwonnelingen, maar die te ieder stond tot rebellie gereed
zijn. Dit maakt den huwelijksband tot eene zware keten, waaraan beiden
beurtelings rukken en die ieder voor zich met onwil torst, tot men
zich eindelijk uit afmatting resigneert, _als_ men zich resigneert."
"Gij maakt mij haast ongerust, Francis!" viel ik glimlachend in.
"Neen, gij behoeft niet ongerust te wezen, want wij zullen anders
beginnen. Gij hebt mij geen oogenblik in 't onzekere gelaten
omtrent uwe intentiën, en ik zal woord houden als ik eene belofte
heb gedaan. Ik zei u dit alleen om u te bewijzen dat Majoor Frans de
'heeren en dames' goed in de kaart heeft gekeken, terwijl zij over haar
de schouders ophaalden, en dat ik mij zelve aan hen leerde spiegelen
en het vaste voornemen vatte mijne onafhankelijkheid te bewaren,
tenzij ik den man vond, dien ik zóó kon achten en liefhebben, dat
hij geen recht en geen wet behoeft te laten gelden, omdat mijn hart
hem als mijn meerdere heeft erkend."
"En van wien gij wel gelooven zult, Francis! dat zijne belofte van
liefde en trouw hem diepe, heilige ernst zal zijn."
"Ja, Leo! dat geloof ik van u. Gij zult noch een tiran, noch een
slaaf wezen, en ik, dit moet ik u bekennen, ik zou nooit de slavin
kunnen zijn van een man."
"Slaafschheid van zin is, bij mannen en vrouwen beiden, grootheid van
ziel, ontwikkeling en volmaking van 't karakter in den weg. Ieder onzer
moet zichzelf blijven en in elkaar zich zelf eeren en liefhebben. Het
moet tusschen ons zijn als Tennyson zegt:
Sit side by side, full summed in all their powers
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Self reverend each and reverencing each
Distinct in individualities;
But like each other even as those who love."
"Dat is 't juist, dat is 't!" juichte zij, in verrukking mijne hand
vattend en die aan hare lippen brengende. "Maar nu, _dearest!_ Laat
ons gaan, want anders slaan ze alarm in het kasteel!"
Die gissing bleek waarheid. Rolf en Frits stonden met angstige
gezichten naar ons uit te kijken toen wij aankwamen; maar de generaal
was niet uit zijn humeur, zooals wij vermoed hadden; integendeel hij
was druk bezig met zijne papieren toen wij binnentraden; arm in arm,
zooals Francis het gewild had, om hem terstond op de hoogte te brengen
van onze verhouding. Maar hij lette daar niet op; hij gunde ons den
tijd niet om hem iets te zeggen.
"Francis!" riep hij, een brief in de hoogte houdende, met stralende
oogen en een gelaat of hij verjongd ware. "Waarom zijt gij toch zoo
lang uitgebleven, nu ik u zulk goed nieuws heb mee te deelen."
"En ik u, grootpapa! Maar wat is er? Gij ziet er zoo triomfantelijk
uit, en dat midden in die deftige akten! De erfenis van tante Roselaer
is toch niet gekomen?"
"Dat scheelt niet veel, mijn beste kind; althans het komt op hetzelfde
uit. De erfgenaam van tante Roselaer vraagt u ten huwelijk. Het blijkt
dat hij er door haar testament toe verplicht is, maar ik twijfel
er niet aan, of het is eene verplichting waaraan hij van ganscher
harte voldoet."
De generaal zag mij aan; ik glimlachte en knikte hem toe, maar ik vond
toch dat Overberg en van Beek zich wel wat veel gehaast hadden om
die zaak zoo officieel te behandelen. Ik ware liever zelf de eerste
geweest om haar met deze mededeeling te verrassen. Zij liet mijn arm
los, en den generaal naderend, sprak zij luid en vast:
"Het spijt mij, grootvader! dat ik u teleurstellen moet, omdat het
u zoozeer schijnt te verblijden; maar die mijnheer komt te laat,
want ik wilde u juist vertellen dat ik mijn woord gegeven heb aan
mijn neef Leopold van Zonshoven."
"Nu, kindlief! zooveel te beter, want de erfgenaam van tante Roselaer,
de heer van den Runenberg, zooals hij in deze akte wordt genoemd,
en uw neef Leopold van Zonshoven zijn een!"
"Dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is, Leo!" riep zij in heftige
ontroering, mijn arm vattende.
"Dan zou ik eene onwaarheid zeggen, Francis!" sprak ik lachende,
"want het is niet anders, die gelukkige ben ik. Het verschil voor u is
alleen, dat gij uw woord gegeven hebt aan een armen drommel, en dat hij
als de betooverde prins in het sprookje optreedt als millionair! Mij
dunkt, dat verschil kan geene onaangename verrassing zijn voor u."
"Geene onaangename verrassing voor mij!" riep zij uit met bliksemend
oog en hooggekleurde wangen. "Als ik verneem, dat gij mij zóó
lang een masker hebt voorgehouden, dat ik voor uw gelaat nam! Gij
hebt mij achting weten in te boezemen door die fiere waardigheid,
waarmede gij uwe armoede wist te dragen, door dien nobelen zin,
die werkzaamheid en de zware worsteling met het leven koos boven
laagheid! En zoozeer kunt gij u in mij vergissen, dat gij meent mij
eene aangename verrassing te bereiden als gij zegt dat dit alles
maar vermomming is geweest en dat de bedelaarsmantel slechts den
betooverden prins heeft verborgen tot de comedie aan de ontknooping
was. _Fair! fair indeed!_" ging zij voort met smartelijke bitterheid,
terwijl er tranen opwelden in de fonkelende oogen. "En dat is nu een
edelman, een man onder duizenden, dien ik meende gevonden te hebben,
dien ik mijn meerdere achtte, dien ik mijn onbegrensd vertrouwen
heb geschonken.... en die doet mij dit aan! En gij meent dat ik het
luchtig zal opnemen. Gij hebt u vreeselijk misrekend, jonker Leopold
van Zonshoven! Ik heb mijn hart gegeven aan den jonker zonder fortuin,
in wiens eerlijkheid en oprechtheid ik geloofde als in mij zelve,
beter dan in mij zelve, want ik rekende op zijne vastheid en kalmte
om mijne woeste en ongeregelde schreden te besturen. Maar voor den
schatrijken erfgenaam van tante Roselaer, een intrigant, die eene
erfenis accapareert en daartoe de vrouw trouwt die men hem aanwijst,
voor dezen heb ik niets dan..... mijne verachting."
Ik had er wel niet op kunnen bedacht zijn, dat zij het zóó zoude
opvatten, dat zij in mijne handelwijze zou zien, wat ik met de hand
op het hart kon verklaren, dat ik er niet in had gelegd. Maar nu zij
het zóó opnam, kwam het mij het beste voor, haar alles wat er in haar
omging te laten uitspreken. Ik wist immers dat ik mij zegevierend
kon rechtvaardigen als ik haar slechts den brief van tante Roselaer
voorlegde; ik wist dat het mij niet al te zwaar zou vallen mijn _not
guilty_ te pleiten; alleen, dit was het oogenblik daartoe niet. Maar
er was wat te hoog kon loopen en wat mij die zelfbeheersching kon
doen verliezen, die ik juist zoo noodig had. De gloed der bitterheid,
der verontwaardiging steeg ook mij naar het voorhoofd, toen ik dat
laatste woord hoorde.
"Uwe verachting, Francis! Bezin u, eer gij zulke uitdrukkingen
bezigt tegen mij! Ik weet het, gij zijt heftig in uwe opvattingen en
hartstochtelijk in uwe uitingen; ik weet ook, dat zij u diep berouwen
als gij er later van terugkomt; maar toch, wees voorzichtig en bedenk
u wel, eer gij den man dien gij uwe liefde hebt geschonken benamingen
toevoegt, die nog wel nimmer op hem zijn toegepast en die hij niet
voornemens is van wie ook straffeloos aan te hooren."
"Straf mij, als ik u bidden mag, met een aanzoek in te trekken dat
ik toch moet afwijzen," sprak zij hoonend. "Als er kwestie is van
beleediging, dan ben _ik_ de beleedigde; want gij hebt mij bedrogen;
gij hebt gehuicheld; gij zijt hier binnengeslopen als een spion;
gij hebt uw goochelspel zoolang voortgezet tot gij zeker waart
van uwe prooi, in den onzinnigen waan dat ik niet zou kunnen, niet
zou durven terugtreden, als gij mij eens tot de bekentenis mijner
zwakheid hadt gebracht. Gij zijt slim geweest, jonker van Zonshoven
en behendig op uwe wijze, en toch verbaast mij uwe verblinding, dat
gij zoo weinig inzicht hebt gehad van mijn karakter. Eene misleiding
vergeef ik nooit."
"Ik heb u niet willen misleiden, Francis!" sprak ik op zachten,
bedaarden toon. "Ik heb alleen de waarheid verzwegen, omdat ik uw
persoon, uw karakter wilde leeren kennen eer ik mij uitsprak. Ik
heb uwe liefde willen verwerven eer ik het officieel, het beslissend
aanzoek waagde, ziedaar alles!"
"Gij zijt valsch geweest, gij hebt voorgewend dat gij mij liefhadt; dat
geloof ik niet meer. Gij kwaamt hier een zaak doen, dat is alles! Gij
kwaamt de hand zoeken die u een millioen moest aanbrengen. Het is waar,
ik heb u mijne achting, ik heb u mijne liefde geschonken; maar niet aan
u, zooals gij daar nu voor mij staat. Dit alles berust op een valschen
grond, en nu die tooneeldecoratie wegvalt, stort ook al het overige
mee in, en, ik herhaal het, gij zijt voor mij te dieper gevallen,
naarmate ik u hooger heb gesteld. Wees zeker, dat ik niet over mijne
hand laat beschikken, door anderen, dooden of levenden, en, versta
mij wel.... gij zijt afgewezen! Afgewezen! afgewezen!" herhaalde zij,
telkens luider en scherper; en toen zij het laatste "afgewezen!" bijna
gillend had uitgeroepen, viel zij bleek als eene doode in een
armstoel neer.
Ik zelf stond gedurende dit tooneel tegen een stoel te leunen, een
steun dien ik hoog noodig had om niet te wankelen. Levenslang zal het
mij heugen, wat ik doorstond in die vreeselijke ure, en toch is het mij
onbeschrijfelijk; ik kan alleen zeggen, dat ik eene gewaarwording had
of mijn hart verkilde, en of het daar binnen in mij doodsch en ledig
werd op eenmaal. Ik ook had mijne smart wel willen uitgillen zooals
Francis, maar ik moest mij zelven beheerschen, ik moest het. Mij
dunkt, zooals het mij ging, moet het den soldaat gaan in den slag,
onder den kogelregen, bij 't gebulder der kanonnen. Hij weet dat
hij staande moet blijven en strijden, of verachtelijk vluchten;
en zij mocht mij verachtelijk noemen, _verachtelijk_ zijn in hare
oogen wilde ik niet. De goede Rolf had zich teruggetrokken op den
achtergrond van 't vertrek en had tranen in de oogen. De goedhartige
ziel, die van haar alles kon verdragen en het lakoniek langs zich
neer liet glijden, sidderde van angst dat ik het zou opnemen zooals
het klonk. De generaal, wien het angstzweet op het voorhoofd parelde,
zat handenwringend van schrik en spijt in den armstoel waaruit hij
niet kon oprijzen.
"Francis, Francis!" viel hij nu in. "Laat u toch niet zoo ver vervoeren
in uwe dwaze gekrenktheid. Sla uw eigen geluk, óns aller welvaart
niet zoo roekeloos onzinnig den bodem in, nu gij het in uwe macht
hebt. Bedenk, dat de Werve verhypothekeerd is tot den laatsten steen,
dat de renten in de laatste zes maanden onbetaald zijn gebleven, dank
zij de tusschenkomst van jonker Leopold die Overberg heeft gesust;
dat het kasteel bij een publieken verkoop niet een derde zou opbrengen
van de schuld waarmee het bezwaard is, en dat wij het alleen danken
aan de edelmoedigheid van onzen neef van Zonshoven, als er van zoo
iets geen sprake zal zijn. Hij wil de Werve met al hare bezwaren van
mij overnemen, en mij daarvoor een vast jaarlijksch inkomen toestaan,
dat mij een rustigen ouderdom waarborgt, maar.... gij moet zijne vrouw
worden, anders valt dat gansche plan in duigen; begrijpt dat toch en
beleedig den man niet, die het zoo goed met ons voorheeft! Ons lot is
geheel in zijne handen, en gij werpt hem verwijtingen naar het hoofd,
die bijkans onvergefelijk zijn. Toch zal hij nog kunnen vergeven,
indien gij niet volhardt bij uwe onzinnige afwijzing, ik ben er zeker
van, want hij heeft u lief, ik heb dit lang geraden. Maar wij hebben
hier niet alleen met hem te doen, wij hebben te doen met een uitersten
wil, met executeurs, met een procureur, met alle eischen en vormen
die de wet voorschrijft. Hier is een ernstig, verstandig antwoord
noodig en kan men niet volstaan met invectieven en exclamaties. Wat
zal ik aan den heer Overberg schrijven?"
Francis had zeker maar half naar zijne toespraak geluisterd; zij
was hem alleen niet in de rede gevallen, omdat zij nog worstelde met
hare eigene aandoeningen, die zij trachtte te bekampen; nu echter,
gesommeerd tot eene beslissing, rees zij op en sprak met eene stem die
eenigszins dof en schor klonk, maar die helaas geene vastheid miste:
"Mij dunkt, grootvader! daar is maar één antwoord. Schrijf aan
dien Overberg, dat freule Mordaunt hare hand niet laat weggeven bij
testamentaire dispositie van wie ook; dat zij zich zelve te hoog schat
om voor een millioen verkocht te worden, en dat zij het aanzoek van
jonker van Zonshoven formeel heeft afgewezen."
Ik wil u wel bekennen, Willem! dat ik mij in dien oogenblik zóó
gekrenkt en geschokt voelde, dat ik er aan dacht haar bij het woord
te vatten; maar op eens viel het mij in, met wie ik te doen had, dat
zij nog altijd Majoor Frans was, die in zekere gevallen alleen zoude
zwichten voor _plus fort qu'elle_; daarbij, er lag in hare weigering
zelf eene grootheid van karakter, eene waardeering van het mijne,
al miskende zij mijne handelwijze in dit oogenblik, die mij wel
moed gaf op de toekomst, wel moed om tot het uiterste te volharden
zooals de overledene van mij had verlangd, zooals bovenal het hart
mij ingaf, dat nog voor haar sprak. Ik begreep, dat ik al wat er
beleedigends was in hare uitingen langs mij moest laten neerglijden,
tot zij in staat zou zijn mijne handelwijze uit een ander oogpunt te
beschouwen. Ik twijfelde er niet aan of ik zou haar eenmaal daartoe
brengen. Ik wist mij niet vrij van alle schuld; ik had meer openheid
moeten gebruiken, waar zij zelve zooveel rondborstigheid had getoond;
maar, ik wist mij toch vrij van de schuld die zij mij toedichtte,
ik wist niets gepleegd te hebben wat haar tot minachting recht gaf.
"Francis!" sprak ik met al de kalmte en de vastheid die ik bemachtigen
kon over mijne innerlijke geschoktheid, "gij doet mij onrecht,
grootelijks onrecht; maar gij zijt nu niet in een gemoedstoestand
om dat in te zien; ik zal mij over zeker gebrek aan openheid met u
verantwoorden, als ik u in staat acht zulke verantwoording met kalmte
aan te hooren; ik zal mij echter nooit verlagen zulke betichtingen als
gij daar even uitspraakt op te vatten of te weerleggen. In een gewoon
geval zou zulke afwijzing als de uwe voldoende zijn om een man af te
schrikken voor altoos, en zoo wij zeker gesprek niet hadden gevoerd
op de heide bij onze eerste ontmoeting, zou eene enkele weigering
afdoende zijn geweest voor immer; maar ik moet u herinneren aan mijne
verklaring, dat ik voor geene hindernissen zou terugwijken, als ik
mij voorgesteld had _zeker_ doel te bereiken; het geschil liep toen
reeds over het verkrijgen van uwe hand.... ik liet u mijn ernst als
scherts opvatten, want ik kon in dienzelfden oogenblik eene dame die
geene dame wilde zijn, eene jonkvrouw die zich zonder spijt Majoor
Frans liet noemen, niet zonder nadere kennis mijne hand bieden. Ik
ook, freule Mordaunt, heb achting genoeg voor mij zelven, om niet zoo
roekeloos eene verbintenis voor het leven aan te gaan. Ik wilde zien,
zien uit eigene oogen, en niet in den blinde rondtasten.
"Als gij het bespieden noemt, naar uw zin, naar uw aard, naar uw
verleden te vorschen, ja dan heb ik u bespied; maar het is niet geweest
dan met het oog op uw geluk en op het mijne. En nu, ik heb de zekerheid
gekregen, dat gij mij liefhebt, zooals ik u, dat wij elkander waardig
zijn, dat onze verbintenis voor ons beiden eene levenskwestie is;
gij hebt mij geen uur geleden vrijwillig en met blijdschap uw woord
gegeven; zoo acht ik uwe afwijzing voor een uitval waaraan ik mij
niet zal storen, want ik zal niet dulden, dat gij door eene verkeerde
opvatting in een oogenblik van drift baldadig dàtgene verbreekt,
dat gij zelf uw levensgeluk hebt genoemd, en waaraan ook het mijne
hangt. Ik heb de zekerheid uwer liefde, ik heb uw _woord_! Ik houd u
bij dat woord, ik zal u dwingen gelukkig te zijn. Generaal! schrijf
aan Overberg, aan van Beek, dat Freule Mordaunt mij hare hand heeft
toegezegd, en dat de overdracht van de Werve kan doorgaan."
"Daarvoor is _mijne_ toestemming noodig," sprak Francis, die bleek
maar roerloos met strakken blik en onbewogen trekken naar mij had
zitten luisteren. Maar dat is niet juist; zij had zich afgewend,
als ging datgene wat ik sprak haar niet meer aan. Nu eerst toonde
zij weer deelneming in 't geen er voorviel, maar om ons tegen te staan.
Ik was vast besloten den strijd niet op te geven.
"Volstrekt niet, Freule," beet ik haar toe. "Uw grootvader is de
eenige rechthebbende op het kasteel, en zijn testament, dat u zijne
rechten overdraagt, is niet van kracht bij zijn leven!"
"En dan nòg," verzuchtte von Zwenken. "Och! of zij den toestand inzag
als ik...."
"Welaan, Oom! laat u niet door haar weerstand afschrikken; schrijf
aan die heeren zooals ik u opgaf, en stoor u niet aan al het overige;
gij weet te goed wat er volgen gaat, zoo gij het tegendeel deedt."
"Hij geeft u leugens in de pen, hij hecht aan zijn millioen, dat is
duidelijk!" riep Francis tergend.
"Zoo doe ik, Freule!" hernam ik, haar fier en vast in de oogen ziende,
"en allermeest om u. Gij zijt mijne verloofde en wij hebben geen
tweeërlei belang."
"Francis! Francis!" vermaande de generaal, wien het hachelijke van den
toestand tot een ongekende hoogte van moed opvoerde, "gij raast tegen
een man die de edelmoedigheid zelf is, die ons allen in het verderf kan
storten en die niets wil dan ons redden, als gij de reddende hand maar
wilt aangrijpen.... Vergeet het niet, hij kan de Werve laten verkoopen,
als wij die niet bij vrijwillige overeenkomst in zijne handen stellen."
"'t Is mogelijk! 't is mogelijk, dat hij in 't geheim de macht heeft
weten te verkrijgen om ons als bedelaars van de Werve te verjagen,
maar hij kan mij toch niet dwingen zijne vrouw te worden," voegde
zij hem toe.
Och, zij was toch verschoonlijk; allerlei smart en teleurstelling trof
haar tegelijk; twijfel aan mij en de zekerheid dat haar grootvader
haar bedrogen en geruïneerd had! Moest een karakter als het hare niet
tot woestheid toe geprikkeld worden? Maar zoo mild en verschoonend
toonde ik mij niet aan haar in dien oogenblik.
"Dat zullen we zien!" antwoordde ik vast, en zeker wat forscher dan ik
zelf had gewild, want zij liep op mij toe met een drift, die waarlijk
erger dan snerpende woorden te duchten gaf.
"Dwang, dwang! Mij dwang aandoen?" riep ze heftig en forsch; maar toch
trad zij terug voor den blik dien ik op haar richtte, die blik waarvan
men mij gezegd had, dat hij mij op den tempelheer gelijken deed.
"Gij, Leo!" mijn naam ontsnapte haar als een diepe weeklacht; zij
deinsde af tot in den uitersten hoek van het vertrek en bleef staan
zoo stijf gedrukt tegen het goudleeren behangsel, of zij zich daarmee
vereenzelvigen wilde.
Ik wist dat ik haar verslagen had, maar zij was daarom niet verzoend.
"Dwang, Francis! als het moet," hervatte ik; "maar ik ben er zeker
van, er zal geen andere dwang noodig zijn dan die van uwe eigene
consciëntie, die u zeggen zal, dat gij mij voldoening schuldig
zijt. Vaarwel! ik ga heen om u rust te laten tot kalm beraad, maar
toch, bedenk u niet te lang, want.... ik ben maar een mensch en mijne
lankmoedigheid is, vrees ik, niet grenzenloos. Gij hebt mij in mijn
eergevoel gekwetst; gij hebt mijn hart gewond; laat die wonden niet
te lang bloeden; want ze zouden ongeneeslijk kunnen zijn."
Ik wierp nogmaals een blik op haar, nu met zacht verwijt, maar zij zag
mij strak en wezenloos aan, of zij niets meer begreep. Ik schudde den
generaal de hand, die zwijgend het hoofd boog met tranen in de oogen,
en ging langs Francis voorbij, zonder meer naar haar om te zien.
Rolf liep mij na en smeekte mij, niets van alles wat Francis mij
aangedaan had ernstig op te vatten, en bovenal het kasteel niet
te verlaten.
"Zoo is zij, als er eens iets bij haar inslaat," sprak de goede
stakkerd; "maar over een uur zal zij berouw hebben, ik ben er zeker
van; de bui was te hevig om lang aan te houden."
Doch mijn besluit was genomen. Ik beval aan Frits, die mij met
stomme verbazing aanstaarde, het wagentje van de Pauwelsen te
laten voorkomen, en ging naar mijne kamer om mijn koffer te pakken,
langzaam en werktuigelijk, dat beken ik, en altijd luisterend of
ik ook een welbekenden stap de trap hoorde opkomen, of niet een
driftige tik op de deur mij Francis zou aanmelden, berouwvol en
gereed ter verzoening. Maar die hoop werd deerlijk teleurgesteld;
zij kwam niet; zij was nog niet ontnuchterd uit den roes, want bij
haar was in waarheid de toorn eene kortstondige dronkenschap.
Zoo de hoop mij niet eenigszins opgericht had gehouden zou ik
verpletterd zijn geweest. Het was ook schrikkelijk, in de haven te
zijn en nòg schipbreuk te lijden! Zóó wakker geschud te worden uit
den zaligsten droom der liefde; neen! geen droom, de werkelijkheid
werd verdrongen, in het uiterste contrast met de liefelijke beloften
der eerste. Wie mij dat een uur te voren geprofeteerd had, zou ik
helder hebben uitgelachen! En toch, dat was dezelfde vrouw, dezelfde
die als aan mijne voeten had geknield, en mijne hand had gekust in
de verrukking der liefde, zij die nu als eene furie tegen mij woedde
en mij zoo onbarmhartig verstiet.
En dat was geene coquette, die met valsche teederheid mijn hart
had verwonnen, om het met koele wreedheid te vertreden in hetzelfde
uur. Neen! zij was waar in de overgave der liefde als in de wilde
smart van haar toorn; zij leed zelve; zij leed mogelijk meer nog dan
ik; zij was ondanks alles achtenswaardig in hare verontwaardiging, al
berustte die ook op eene misvatting. Bij later, kalmer zelfonderzoek
moest ik bekennen, dat ik rechter, opener weg had kunnen gaan, bij
een karakter als het hare, dan dien ik had ingeslagen; maar toen
ik den eersten stap deed moest ik ook bij haar nog in den blinde
tasten en voorzichtig zijn, en later volgde uit de eerste schrede
iedere andere. Ik heb dit alles geboet met bittere zielesmart, met
een lijden, dat ik nu niet meer herdenken of beschrijven wil.
Ik wist wel hoe ik op staanden voet hare achting had kunnen
herwinnen: met afstand te doen van de erfenis; en ik beken u, dat ik
er eene wijle aan dacht; maar beter beraad zeide mij dat het een don
Quichotisme zou zijn, waardoor niemand ware gebaat en dat ons allen
aan armoede en ellende prijs gaf. Zeker is het, dat alle schatten van
tante Roselaer mij niet zooveel geluk kunnen aanbrengen als Francis
alleen, zoo zij zich eindelijk gewonnen geeft; maar even zeker is
het, dat zij die fortuin niet ontberen kan, als zij voldoen moet aan
alle verplichtingen, die zij nu eenmaal onafwijsbaar acht. Zij heeft
gezond verstand genoeg om dit zelve in te zien als zij kalmer zal zijn;
daarom is het noodig dat zij den geheelen toestand en mijne handelwijze
daarin helder kan overzien. Daartoe zond ik haar, zoodra ik te Z--
was aangekomen en mij eenigszins had hervat, den brief van tante
Sophie, dien ik kieschheidshalve had willen terughouden. Ik voegde
er slechts enkele woorden bij, overtuigd dat de waarheid voor zich
zelve zou spreken. Zij kon er ten minste uit leeren dat ik zoomin
om de erfenis had geïntrigeerd als zij, en dat zoo de testatrice de
middelaarster was geweest van onze kennismaking, het verkrijgen van
hare hand voor mij niet was het middel om in 't bezit der erfenis te
geraken, en dat mijn volharden tot het uiterste geschiedde om harentwil
en om dien van haar grootvader, geenszins uit lage belangzucht waarvan
zij mij zou moeten vrijpleiten.
Daar het omslachtig schrijven van Tante R-- een pakket vormde dat
te zwaar was voor de post, vertrouwde ik het aan den kellner om het
met den vrachtrijder mee te geven, die elken dag geregeld op de Werve
verscheen. Gerust op de bezorging, gaf ik mij over aan de hoop op een
goede uitkomst en verkeerde dien dag in eene vreeselijke spanning,
die met ieder uur klom en, toen er tegen den avond noch brief noch
bode verscheen, mij alle verwisseling van hoop en vrees tot volslagen
wanhoop deed doorgaan. Ik bracht den bangsten nacht van mijn leven
door, en toen de morgen daagde, en een deel van den middag verliep
zonder dat er eenig bericht van de Werve kwam, overviel mij eene
gewaarwording van leegte en onverschilligheid; de uiterste graad van
mismoedigheid; in dien toestand had ik maar één verlangen: te Z--
alles af te doen wat nog door mij verricht moest worden, en naar den
Haag terug te keeren.
Overberg wilde met alle geweld dat ik nog blijven zou. Ik weet niet of
hij iets begreep van mijn toestand, maar ik verzweeg hem mijn _échec_
en wendde voor, dat ik om eene dringende zaak naar huis moest. Om
hem te voldoen teekende ik alle stukken, die hij mij voorlegde, gaf
hem de volmacht die hij begeerde en nam afscheid met de verzekering,
dat ik terug zou keeren zoo ras de aangelegenheden in den Haag het
mij vergunden.
Inderdaad riep er mij niets dan mijn eigen verlangen en die
onweerstaanbare begeerte om thuis te zijn, als men zich onwel
gevoelt. Zoodra ik maar weer terug was in mijne eigene rustige kamer,
zou ik beter worden, en alles zou goed gaan, stelde ik mij voor;
desnoods zou ik weer werken om mij te retrempeeren! nam rijtuig tot
aan het eerste station, en kwam in den laten avond waar ik zijn wilde,
waar ik genezing hoopte te vinden.
Z-- Juni 186....
"Als gij mij schrijft, Willem, na de ontvangst van mijn laatsten,
adresseer dan uw brief te 's Hage aan het gewoon adres, want ik ga
reizen; ik weet vooreerst nog niet waarheen ik zwerven ga, en ik heb
mijn appartement aangehouden als een _pied à terre_ in de residentie.
In plaats van in mijn _sweet home_ de kalmte te herwinnen die ik zocht,
werd ik ernstig ziek, reeds den eersten nacht van mijn thuiskomst. Het
was eene zenuw-zinkingskoorts, die mij zeker reeds door de leden
woelde, toen ik zoo onstuimig, zoo ondanks alles naar de rust van
mijne eigene kamer verlangde; maar die zich eerst in volle kracht
openbaarde, toen ik daar eenzaam nederlag.
Wat er verder met mij gebeurd is, weet ik niet; ik weet alleen, omdat
mijne hospita, die mij trouw heeft opgepast, het mij heeft verteld,
dat er nog weer veertien dagen verliepen, eer ik het tijdperk van
convalescentie intrad. Ik hoorde van haar dat tal van vrienden naar
mij waren komen vragen en kaartjes hadden afgegeven. Ik vond er zelf
een van mijn oom den minister, die in persoon naar mij was komen
informeeren, en die de juffrouw op het hart gedrukt had mij toch trouw
te verzorgen en moeite noch kosten te sparen; hij stond voor alles
in, de edelmoedige!--het gerucht dat ik millionair was geworden had
zich heinde en ver verspreid. Toen ik weer lust had de brieven in
te zien die er voor mij gekomen waren, vond ik allerlei berichten
en bescheiden van Overberg en van Beek, die mij reeds wee maakten
bij den eersten oogopslag en die ik met walging ter zijde schoof;
maar ik schrikte toen ik een strikt beleefd, maar zeer officieel
briefje vond van Willibald, die mij het overlijden meldde van mijn
oud-oom von Zwenken, en uitnoodigde om den overledene de laatste eer
te komen bewijzen. Uit de dagteekening berekende ik, dat het nu al
ruim drie weken geleden was. Hoe was het intusschen Francis gegaan?
Zeker was zij nog altijd tegen mij ontstemd; zij scheen niets van
mijne ziekte te weten, dat zij mij dit verzoek liet doen; en ik.... ik
had haar geen woord van troost en bemoediging kunnen toespreken. Wat
moest zij van mij denken? Wie weet hoe die mannen van de wet haar
intusschen gekweld hadden en.... ik had niets kunnen verhinderen! Ik
wachtte het bezoek van mijn dokter, ik wilde hem vrijheid vragen naar
Z. terug te keeren. Daar hoorde ik gehaspel op de trap, de juffrouw
die iemand wilde tegenhouden, die blijkbaar doorging, haars ondanks en
de kamer binnenstormde zonder complimenten. Ik schrikte, ik vloog op,
den komende te gemoet.
Rolf stond voor mij, zelf ontdaan en blijkbaar wat verlegen dat hij
mij zoo overviel. Ik dacht aan niet anders dan aan de zekerheid dat
hij tijding kwam brengen van Francis. Wij drukten elkander de hand,
beiden met tranen in de oogen.
"Moeten wij elkander zoo weerzien, mijn goede kapitein?" begon ik,
hem een stoel wijzende.
"Mijn generaal overleden," snikte hij, "in mijne armen; Francis was
er niet eens bij."
"En uw Majoor?" vroeg ik, om hem weer op dreef te brengen.
"Och spreek er niet van...."
"Spreek Rolf, zij is toch wel?"
"O, ja! wat de gezondheid aangaat dat schikt nog al, zij is sterk,
zij kan wat verdragen; overigens...."
"Wat dan! hoe gaat het tegenwoordig op de Werve, dat gij hier zijt?"
"Zoo slecht als het maar gaan kan. Ik ben hier omdat zij mij weggejaagd
heeft!"
"Weggejaagd, Rolf! Ik dacht niet dat zij tot zoo iets in staat was."
"Zij heeft mij ook niet verjaagd uit boosheid, maar omdat zij zelve
toch ook niet blijven kon."
"Niet blijven kon? Is zij dan niet meer op het Kasteel?"
"Neen, zij is zoolang bij de Pauwelsen...."
"Hoe lang? waar wil zij heen?"
"Dat weet ik niet, dat weet ze denkelijk zelve niet; mij althans
heeft ze 't niet willen zeggen."
"Ze gaat zeker haar intrek nemen bij Willibald!"
"Neen, dat geloof ik niet; want dien heeft ze laten wegtrekken zonder
hem iets te zeggen; daarbij, die is majoor geworden, en zijn garnizoen
is in Noord-Brabant. Neen; die is er buiten."
"Maar ik bid u, vertel mij geregeld wat er gebeurd is."
"Och! de generaal heeft niet den moed gehad het tegen haar vol te
houden en zoo decisief aan de heeren Overberg en van Beek te schrijven
als gij dat hadt aangeraden. Daar alles dus zoo wat in 't ongewisse
bleef, en er ook geen antwoord kwam op hunne brieven aan u, ik begrijp
nu wel waarom, schenen die praktizijns niet langer geduld te willen
nemen, en heeft Overberg, zeker daartoe door den Utrechtschen collega
opgezet, zich rechtstreeks tot de freule gewend om te weten of zij
zich al dan niet met u verloofd achtte? Gij begrijpt jonker, wat haar
antwoord is geweest; ik heb het zelf voor haar overgeschreven, want
zij had het zoo wild en ruw gekrabbeld, dat het onleesbaar was. Het
was zeer droog en kortaf, maar er kwam geen woord in voor om u te
blameeren, dat kan ik u verzekeren."
"Ben ik dan nu gerechtvaardigd in hare oogen?"
"Dat zou ik niet kunnen zeggen; ik weet alleen dat zij zich zelve
bittere verwijten doet, en dat het uitgekomen is zooals ik zeide,
reeds denzelfden dag."
"Reeds denzelfden dag nadat zij mijn pakket heeft ontvangen?"
"Zij heeft niets van u ontvangen, dat weet ik zeker."
"Dat is vreemd!"
"Neen! dat is niet vreemd, want alles is bij ons zóó in de war geraakt
op dien noodlottigen Vrijdag! maar.... ik zie daar sherry staan,
mag ik zoo vrij zijn?"
"Welzeker, kapitein! schenk u zelven maar in, en ga dan voort als ik
u verzoeken mag."
"Nu dan, toen gij weg waart is zij flauw gevallen, en dat is haar
leven lang nog nooit gebeurd! Ik schaamde mij haast over mijn cordaten
majoor; maar zij had u zoo lief; ze heeft het mij later onder tranen
bekend; en toen wij haar hadden bijgebracht en meenden dat zij wat
uitrustte in hare kamer, is ze stillekens ontsnapt, naar de Pauwelsen
geloopen, heeft haar Tancred laten voorkomen en is uitgereden! Uren
ver, naar wij dachten; maar dat kwam toch anders uit."
"Zulke wijze van zich te hervatten lijkt op haar."
"Niet waar? zoo is ze; maar wij werden vreeselijk ongerust toen ze
niet aan tafel verscheen; nu, wij hadden zelven ook geen eetlust,
de generaal en ik; maar toen het begon te schemeren, en toen de
jonge Pauwels kwam waarschuwen dat Tancred alleen thuis gekomen was,
schuimbekkend en zonder zadel...."
"Een ongeluk!" viel ik in; "zeg eerst hoe zij er afgekomen is."
"Nogal zoo erg niet, Jonker! een verstuikte voet en schrikkelijk in
de war toen wij haar vonden bij den grooten eik dicht bij 't kasteel,
waar zij naar toe gekropen was om op het mos uit te rusten."
"O! ik ken dien boom!" riep ik smartelijk; "ik voel zoo hoe het dáár
geweest moet zijn."
"Heel slecht, zooals ik zeide; zij riep ons toe dat wij haar dáár
moesten laten sterven, en dat wij het u moesten zeggen."
"Zij heeft mij nóg lief!" juichte ik.
"Wat dat betreft, jonker, dat's maar al te waar, en dat is erg genoeg
na alles wat er verder gebeurd is. Het bleek dat zij in een wilden
galop voortgejaagd had tot dicht bij de stad; dat ze toen van richting
was veranderd en door het bosch heen naar huis had willen rijden,
maar dat ze Tancred wat te forsch heeft aangezet, of wel de teugels
in hare mijmering heeft laten vallen, zij weet het zelve niet meer;
genoeg, dat het brave beest, aan haar vaste en ferme hand gewoon,
zijne meesteres niet meer herkend heeft in hare beurtelings woeste
en achtelooze luim; 't is hem gaan vervelen, en hij heeft het naar
zijn eigen zin op een loopen gezet; zij, uit den zadel gevallen,
schijnt een tijdlang bewusteloos gelegen te hebben, gelukkig niet al
te ver van huis. Pauwels en ik beurden haar op en brachten haar in
't salon op de canapé. De chirurgijn verklaarde het geval voor niet
heel beduidend maar het hield haar toch verscheiden dagen aaneen op
diezelfde plek geboeid."
"En waarom mij dat niet terstond bericht?"
"Hm! zóó als gij vertrokken waart.... eigenlijk ik wilde wel, en
zij ook, ja; ik mag het niet zeggen, maar zij heeft u een briefje
geschreven."
"Dat mij niet bezorgd is?"
"Neen, want de jonge Pauwels was belast het in uwe eigene handen
te geven, en toen hij te Z-- aankwam, werd hem gezegd dat gij reeds
vertrokken waart, en dat alle brieven en berichten voor u bij Overbeek
moesten bezorgd worden, maar daartoe had Pauwels geen order; hij kwam
met het briefje terug."
"Te laat!" sprak Francis met een bitteren lach. "Ik dacht wel dat
het zoo zijn moest; ik heb niet beter verdiend; nu is het uit!" en
zij verscheurde het biljet.
"O, had ik dat alles kunnen voorzien!" riep ik, de handen voor de
oogen houdend; ik wilde nog mijne zwakheid verbergen.
"Ik had u geraden te blijven; waarom zijt gij ook zoo spoedig
weggevlucht?"
"Ik voelde dat ik ziek zou worden, ik was al ziek; ik ook had haar
een pakket gezonden en verbeeldde mij, dat zij terstond antwoorden
zou op dat schrijven, of nooit. Het duurde tot den derden dag; ik
kon het niet langer uithouden."
"En gij zegt dat het haar goed gedaan zou hebben als zij dien brief
las?"
"Zij zou er ten minste uit geleerd hebben mij met andere oogen
te zien."
"Die verwenschte verwarde boel bij ons, toen zij eens van de been
was, is er oorzaak van dat zij 't niet gekregen heeft. Frits legt
maar stompweg alles bij de papieren van den generaal."
"Die zou het haar zeker overhandigd hebben."
"Neen; want hij zelf zat als verlamd in zijn armstoel, en hij gromde
als de post of de bode iets van brieven of pakketten aanbracht. Frits
durfde hem met niets meer aankomen. Daarbij was hij vergramd op de
freule en had bijkans geen deernis met haar ongeval. En toen zij
nog maar even weer op de been was, begon dat lieve leventje met
die verduivelde practizijns, die tegen den generaal begonnen te
ageeren en met executie dreigden. Toen moest hij wel kennis nemen
van deurwaardersexploiten en al dat gerei, en, helaas; de freule ook,
want haar ongelukkige grootvader was al bij den eersten schok door eene
herhaling van de vroegere attaque overvallen en lag er nu toe. Francis
moest voor alles staan en had er volstrekt geen verstand van en ook
geen geduld. Dit alles heeft mijn armen vriend den dood gedaan, en ik,
ongelukkige brekebeen, ik kon niets verhinderen!"
De kapitein vergat te zeggen, wat ik later vernam, dat hij, door
zijn vriend een glas ouden cognac toe te dienen om hem moed te geven,
het zijne bijgedragen had tot den snellen afloop.
"Het weinigje dat ik bezit in den zinkput te werpen van al die
schulden, zou eene stommiteit zijn geweest, en die beging ik ook
niet. In 't kort, toen wij, Willibald en ik, met nog een paar
oude krijgsmakkers den generaal de laatste eer hadden bewezen (wij
hadden op u al niet meer gerekend, schoon gij voor den vorm waart
uitgenoodigd), toen moest er nog weer een andere bureaurot worden
ingehaald: de notaris uit Arnhem, die het testament van den generaal
onder zijne berusting had en die in 't eerst aan Francis raadde,
geene concessies te doen aan den erfgenaam van freule Roselaer, die
als eerste en voornaamste crediteur opkwam; maar na ampele discussies
tusschen hem en Overberg kwam hij weer met een ander advies voor den
dag en raadde haar, de minnelijke schikking aan te gaan, die opnieuw
werd voorgesteld; maar gij begrijpt wel hoe weinig zij daarin konde
treden, te eer daar alles wat men tegen haar grootvader had gedaan
geschiedde als uit uw naam, door uw last."
"Ik ongelukkige, die bewusteloos op mijn ziekbed neerlag."
"Dat wisten die farizeën ook wel, maar zij hadden zooals bleek,
uwe volmacht, en Francis kon niet anders denken dan dat men haar
vervolgde met uwe voorkennis, naar uwe bedoeling. Dat juist was haar
onverdragelijk. "Dit is nu die dwang waarmee hij mij gedreigd heeft;"
sprak zij met bitterheid; "en hij meent, dat hij mij daardoor zal
overwinnen! Nooit! Hij kan mij alleen dwingen van mijn ouderlijk
erfdeel afstand te doen en hem het veld ruim te laten."
Haar notaris sprak wel van den boedel te aanvaarden onder benefice
van inventaris, maar zij had daar geen ooren naar; zij wilde goed en
kort van alles af zijn en de praktizijns onder elkander laten haspelen
en stukken opmaken zooveel zij wilden. Eén oogenblik heb ik haar zwak
gezien. Dat kantoorvolk was gekomen om alles op te schrijven wat er in
huis te vinden was. Ik schaamde mij innerlijk om het armelijk boeltje,
maar de freule bleef kalm, waardig en laatdunkend, zooals zij zijn
kan als zij hare koppige buien heeft, en alles ging goed totdat wij
aan de groote logeerkamer naderden. Toen zag ik haar bleek worden
(de kapitein werd zelf bleek en schonk zich weer een glas sherry in
om zich op te frisschen) en zij wierp mij de sleutels toe, terwijl
zij mij toefluisterde: "Ik kan daar niet meer binnen gaan!" en ze
liep ijlings heen.
"Zooveel teerheid van gevoel!" verzuchtte ik, "en toch...."
"Zoo uitvallen als zij eene opvatting heeft, niet waar?" viel hij
in. "En dat tegen u, die anders zoo goed met haar terecht kon! Jammer,
eeuwig jammer dat het misverstand niet terstond weer is bijgelegd."
"Het zal nog bijgelegd worden, ik verzeker het u."
"Ik vrees dat het nu te laat zal zijn."
"Zeg dat niet! Dat kan ik niet hooren, dat wil ik niet gelooven."
"Ik wil 't ook liever niet gelooven, maar ik vrees toch dat wij het
zullen zien; zij is zoo koppig als zij hare onverzettelijke buien
heeft, en zoo slim daarbij. Wilt gij weten hoe zij 't aangelegd heeft
om mij met een zacht lijntje te verwijderen?"
"Heel graag!"
"Rolfie!" zei ze, want ze weet je zoo te vangen als ze wat met
je voorheeft; "Rolfie! biecht nu eens eerlijk op: heb je niet het
grootste deel van je erfenis met mijn grootvader doorgebracht?"
"Wis en zeker niet, ma .... freule!" mocht ik zoo zeggen. "Wat we samen
verteerd hebben was maar een sommetje, dat ik er zoo stilletjes voor
apart hield en dat mij om zoo te spreken in den schoot was geworpen;
want het kwam van een gelukkig lot in de loterij. Jammer dat het
maar een achtste was en dat wij het nog met ons beiden hadden, de
generaal en ik. De generaal beproefde of hij met zijn deel niet nog
betere zaken kon doen, wat hem helaas nooit is gelukt. Ik koos de
partij om van het mijne samen maar eens goed te leven."
"En de erfenis was dus maar een fabeltje?" vroeg zij streng.
"Wel neen, freule! Die bestaat in eene kleine boerderij in 't
Noordbrabantsche, waar ik de rente van trek en waar ik mij dacht te
retireeren als de freule eens.... ik durfde niet meer zeggen: kwam
te trouwen; ik zei dus: als de freule mij niet meer gebruiken kan."
"En kunt ge daar dan goed leven kapitein?"
"Dat zal heel wel gaan; mijn pensioen er bij.... Mocht de freule nu
maar besluiten kunnen daar met mij heen te gaan, dan zouden wij al
een heel lief leventje kunnen hebben samen.
't Is in die streken nogal goedkoop, en al is het geen kasteel,
daar zou nog wel een goede kamer zijn voor de freule."
"Dank je hartelijk, brave kapitein! maar zoo is 't niet gemeend. Als
gij het er maar vinden kunt voor u zelf is het genoeg. Maak dan maar
gauw dat ge er komt."
"Maar freule! van u scheiden! U hier alleen laten?"
"Ik blijf hier ook niet, en bij 't geen ik te doen heb zoudt gij mij
maar in den weg zijn."
"Maar wat wilt gij dan doen?"
"Waar vraagt gij naar? Als ik het zeggen wilde wist gij het immers
al! kreeg ik toen, en of ik hoog of laag sprong, zij wilde mij
kwijt zijn en ik moest gaan." En de karaf met sherry werd nogmaals
aangesproken om het verdriet te verzetten dat maar al te duidelijk
op zijn vervallen gelaat te lezen stond. "En zóó ben ik heengegaan,"
ging hij voort; "maar ik dacht zoo bij me zelve: ik zal den weg nemen
over den Haag, toen ik hoorde dat de jonker ziek was en mogelijk van
niets wist."
"Een mooie omweg, beste kapitein!"
"Het doet er niets toe, ik heb zoo'n haast niet. Zij had haast om
mij weg te zenden, en dat beduidt niets goeds."
"Dat vrees ik ook. Weet gij wat gij doet, Rolf?"
"Neen, jonker! Wat raadt ge mij?"
"Dat ge hier nog een uurtje uitrust en dan ijlings naar de Werve
terugkeert."
"Maar zij is er denkelijk niet meer, en die verfoeielijke praktizijns
zijn er nu zeker al de baas."
"Ja, maar ik ben er meester, en ik zal u een brief meegeven, om hen
te doen berusten in 't geen ik verlang. Gij zijt commandant van de
vesting tot nader orde, en Frits moet er ook blijven."
"Ja, die is er nog als huisbewaarder."
"Ik volg zelf morgen of overmorgen, als ik het met mijn dokter kan
vinden. En gij maakt er intusschen werk van om dat pakket terug
te krijgen."
"Het zal met al de papieren en brieven van den generaal bij Overberg
zijn beland."
"Informeer u daarnaar en houdt Francis in 't oog; zie haar naar
de Werve terug te lokken, maar zeg niet dat ik kom, dat mocht haar
afschrikken. Ik ga daarbij weer te Z. logeeren."
Ik had nog niet uitgesproken of mijne hospita meldde zich aan met een
telegram, waarvan ik het reçu had te teekenen. Het was van Overberg
en van den volgenden inhoud:
"_Tegenwoordigheid onverwijld noodig: geene schikking te
treffen. F. M. kasteel verlaten._"
"Daar heb je 't al," zei Rolf, terwijl hij zijn laatste glas sherry
ter zijde zette.
"Weet gij wat, kapitein! ik zal mijn dokter vóór zijn; hij mocht
mij eens de reis niet toestaan. Help mij maar wat pakken, en we
gaan samen."
Onder die reisaanstalten werden wij toch overvallen door mijn
Esculaap, die wel wat voorzichtigheid raadde, maar toch begreep,
dat er toestanden zijn waarin de zwakheid des lichaams vergeten moet
worden voor den aandrang des harten. Ik had hem wel iets van mijn
hartsgeheim moeten opbiechten.
In het logement te Z. aangekomen, vond ik een briefje van Rudolf, die
nog altijd in de provinciën Gelderland en Overijsel rondreisde met zijn
gezelschap en nu te L., waar het kermis was, eenige representaties
gaf. Hij scheen te onderstellen dat ik niet weg geweest was en dat
alleen de _brouille_ met Francis mij van de Werve terughield in de
laatste weken. Hij schreef mij het volgende:
"Zoo gij Francis terughouden wilt van de grootste dwaasheid, die zij
nog heeft begaan, zorg dan morgenochtend omstreeks negen uur met mij
samen te treffen in het logement te Halfweg tusschen L. en Z. Gij
zult daar vernemen wat zich moeielijk laat schrijven.