Daar het Zondag was, ving het feest aan met "kerkparade" zooals
Francis het noemde. De generaal, in zijn kwaliteit van _seigneur
de village_ en bij zijne gezetheid op 't geen een goeden klank
had, was een voorstander van den publieken godsdienst, en had tot
vaste gewoonte, zich iederen Zondagmorgen met zijne kleindochter
in de ambachtsheerlijke bank te vertoonen, ten bewijze dat hij tot
de gemeente behoorde en de behoorlijke reverentie had voor hare
instelling. Of hij er gesticht werd, is twijfelachtig, maar dat
hij de toeschouwers stichtte door zijne waardige houding is bijna
zeker. Als oud-militair beschouwde hij het als dienstplicht, en of
hij zich verveelde of ergerde, men zag het hem niet aan. Rechtop, met
het gelaat naar den spreker gewend, zat hij te luisteren, onwrikbaar,
onbewegelijk; of hij aan wat anders dacht stond niet op zijn gelaat
te lezen. Tegen het midden van de predikatie vielen zijn oogen wel
eens toe; maar daar de grootste helft van 't gehoor in denzelfden
toestand van slaperigheid geraakte, ergerde het niemand, zelfs niet
den predikant, die aan deze uitkomst gewoon was en inderdaad ook niet
het recht had zich daarover te verwonderen. Althans op dien ochtend,
toen ik in dit verplicht kerkbezoek begrepen was, vond ik er, met
den besten wil om gesticht te worden, geene de minste opwekking, en
alleen de ergernis dat een man, wien de zorg voor eene gemeente was
toevertrouwd, zoo weinig consciëntie had om hare hoogste belangen op
zulk eene schrale wijze te behartigen. In het gebed zelfs tintelde
geen sprank van gloed of leven, en het was of de man een paskwil
op zich zelf had willen maken, toen hij tot tekst had genomen de
vermaning van Paulus, die tot geestdrift behoorde te ontvlammen:
"Zijt vurig van geest," want zelf was hij noch heet noch koud; hij was
lauw, akelig lauw, een ware Laodiceër, aan wien de apostel met zijn
strengste woord zou hebben toegevoegd: wees liever een bestrijder dan
zulk een bondgenoot. En de langzaamheid, de onnatuurlijke deftigheid
waarmee tot ijveren werd aangemaand, was zoo opvallend strijdig met
het enthousiasme dat zulk een onderwerp vorderde van hem die het koos,
dat men zeer zeker een acteur zou gesouffleerd hebben, die zoo slecht
in zijne rol ware geweest. Maar men was in eene kerk, men moest zich
onthouden, en de ongeschikte dienaar kon zonder stoornis zijn gang
gaan, zoolang zijn eigen geweten hem niet waarschuwde.
Het verheugde mij evenzeer als het mij verraste, dat de gemeente nog
in zich zelve leven genoeg scheen te hebben om met opgewektheid den
psalm te zingen, die gelukkig door een niet al te slecht bespeeld orgel
werd begeleid. Ik zal niet zeggen dat Francis zich goed hield, want de
ergernis, de verveling, ja zekere droefheid en verontwaardiging stonden
op haar gelaat te lezen, en zij scheen geen rust te kunnen houden. Ten
laatste sloeg zij haar kwarto Bijbel open en ging daarin zitten lezen
als ware zij alleen geweest. Ik zag dat zij evenzeer de aandacht als
de ergernis wekte; het was kennelijk dat zij de publieke opinie tegen
zich had. Ik werd natuurlijk aangegaapt als eene vreemde verschijning,
die op allerlei wijzen werd gecommenteerd en geëxpliceerd. Ik zag de
lieden fluisteren en de hoofden bijeensteken zooveel maar doenlijk
was. Rolf, die zich eens voor altijd van die corvée had verschoond,
onder pretext dat hij "een vrijgeest was en er niemendal van geloofde,"
had mij geraden thuis te blijven, daar ik er toch niets aan hebben zou;
maar ik was geen vrijgeest, vond geen reden om mij te onttrekken, en
achtte de gelegenheid gunstig om Francis onder godsdienstige indrukken
te observeeren; ik hoopte er daarbij op, bij het terugkeeren nog een
woordje te spreken over Rudolf; maar dat viel tegen. Wij waren in
't wagentje van de Pauwelsen naar de kerk gereden, en de generaal
zou op gelijke wijze terugkeeren; dus sloeg ik Francis voor samen
terug te loopen; het was even een kwartiertje, het zoogenaamde
kerkpad en de groote laan--maar zij had te veel haast op de Werve
terug te zijn, bij al de drukte die haar daar wachtte. Ik kon haar
alleen mijn teleurstelling te kennen geven, dat de stichting, in de
stille dorpskerk, waarvan ik mij nogal iets voorgesteld had, zoozeer
bedorven was door den man zelf die moest voorgaan.
"Ja, dat's het zwakke punt bij onzen protestantschen godsdienst;
er hangt te veel af van een enkele; en als 't nu heel mooi is, dan
is 't ook weer niet goed, want dan zie je alles voorbij om hem,"
was haar antwoord. "Ik kon er niet bij blijven, en te minder daar
ik het kostelijk stuk al meer had gehoord; 't is zeker met te veel
moeite samengesteld om maar ééns te dienen. Om nu te zeggen dat wij
slaperig volkje de vermaning niet hard noodig hebben, dat's wat anders;
maar dan moest het spiritus zijn en geen lauw water en melk."
"Gij moet dominé niet zoo hard vallen, Francis!" zei de generaal,
die begreep waarover zij knorde; "de man staat hier al dertig jaar,
en door de afgelegenheid van het dorp heeft hij haast geene aanraking
met de collega's."
"Daarbij een troep kinderen en zoo'n saaie vrouw.... Het lot van den
man is te beklagen, dat geef ik toe; alleen, ik vraag: waarom is hij
dan niet wat anders geworden--glazenmaker bij voorbeeld? wij konden
er hier best een gebruiken."
"Ja, Francis! nu gij daarop komt, de katten moeten van nacht weer
deerlijk hebben huisgehouden in den onbewoonden vleugel," zei de
generaal. "Volgens Rolf gaan ze maar door de gebroken ruiten in en uit,
en Frits heeft glasscherven gevonden tot in de perken."
"Wel grootpapa; wij mogen de arme dieren wel dankbaar zijn dat zij
die moeite nemen, want het leeft daarbinnen van de ratten en muizen,"
zei Francis gevat, maar al redde zij zich door eene aardigheid, wij
waren op een gevaarlijk terrein geraakt, en 't was maar gelukkig dat
wij de Werve opreden en al terstond door Rolf werden ontvangen met
het bericht dat kapitein Willibald reeds was gearriveerd. Hij had nog
niet uitgesproken, of de persoon in kwestie kwam ons te gemoet en bood
den generaal zijn dienst om hem bij het uitstappen te helpen. Francis
was er met hare gewone vlugheid al uit gesprongen, eer ik of iemand
anders zich kon aanbieden.
"Wel, Willibald, dat's goed van je gedaan, ons kluizenaars eens te
komen opzoeken," sprak Francis op luiden gullen toon, terwijl zij
gemeenzaam zijn arm nam; "en nog wel in groot tenue."
"Het feest van mijn kolonel, freule; en daarbij, ik ben om dienstzaken
te Z. geweest en kon niet nalaten mij zelven het genoegen te geven
bij het terugkeeren de Werve te bezoeken!"
"Braaf! Maar gij treft het nu zoo slecht met de drukte. Daar komen
waarlijk de Pauwelsen al aan, en de meester met de schoolkinderen. Ik
moet toch even mijn hoed en mantille afwerpen. Maak intusschen kennis
met mijn neef Leopold van Zonshoven, die ook op de Werve is aangeland,
omdat hij te Z. moest zijn--echter niet voor dienstzaken, zoover ik heb
kunnen nagaan." En met die voorstelling in 't wilde liep zij het huis
in, terwijl wij met den generaal en Rolf langzaam volgden. Kapitein
Willibald, in zijne onberispelijke militaire tenue, was een man van
eene fijne, slanke gestalte en een innemend voorkomen. Hij was in
vollen zin wat men noemen kan _un bel officier;_ zijne manieren,
zijn toon, zijne houding, alles in hem was onberispelijk; zoo men
iets had willen aanmerken zou het dit zijn, dat hij te mooi was voor
een man. De fijne, lichtbruine kneveltjes, de als met een penseel
afgeteekende wenkbrauwen, die de heldere bruine oogen eer sierden
dan beteekenis gaven, de blozende kleur, afgewisseld door een wit
dat haast aan een damestint deed denken, de volkomen regelmatigheid
zijner trekken, alles was zoo zacht, zoo harmonieus, dat het een waar
genoegen was dit menschelijk gelaat aan te staren; en toch, er ontbrak
iets aan, iets waarom een schilder van talent mogelijk geweigerd zou
hebben zijn portret te maken. Het had geene uitdrukking dan die van
joviale bonhomie; er was niets marquants in, niets waaruit men een
karakter kon opmaken; of het moest zijn iets weekelijks, dat mogelijk
eene neiging tot sentimentaliteit verraadde, iets dat teringlijders
eigen kan zijn, en zijn geheele voorkomen deed er aan denken; maar
hij scheen den leeftijd te boven waarin de noodlottige kwaal het
liefst hare offers kiest.
"Ik mocht u immers wel een kistje sigaren meebrengen, generaal?" sprak
hij, hem dit aanbiedende. "Ik weet zoo precies wat u graag rookt."
"Wel zeker, beste jongen! Je doet er mij pleizier mee; men mag hier
buiten wel wat provisie hebben. Wat zegt gij er van, Leo?"
"Ik schaam mij, omdat ik zoo niets voor u wist te bedenken; maar
later hoop ik mijne revanche te nemen."
"Ik wil niets van u, dan.... dat gij u verzoent met uw oom, den
minister," fluisterde hij mij in, en ik begreep maar al te goed
de bedoeling van dien eisch; maar ik behoefde niet te antwoorden,
want Francis kwam binnen en aanvaardde met handigheid hare taak als
gastvrouw. Zij had nu de fameuse zwart zijden japon aan, die haar
perfect kleedde, al was het merkbaar, waaraan zou ik niet eens kunnen
zeggen, dat zij er eenige modes mee ten achteren was. Rolf stond haar
getrouw bij in het voordienen van het déjeuner; want Frits had zijn
post bij de deur, en die was geen sinecure. Het programma liep af,
zooals Francis had voorzegd. De schoolmeester, ook nog een oudje, die
de voormalige traditiën volgden, kwam met een paar jongens verzen
opsnijden, die niet beter noch slechter waren dan in den regel
diergelijke feestrijmen zijn, maar die hier minder dan gewoonlijk
de _mérite de l'à propos_ hadden, want juist was er geen het minste
rapport tusschen den jubilaris en hen, die hem dus kwamen fêteeren. De
generaal bekommerde zich nooit om de school, en 't was Francis alleen,
die, zooals ik later vernam, den armen ouden schoolmeester nog wel eens
iets toestopte. Voorts kwamen de Pauwelsen, man, vrouw en kinderen,
met gulhartige luidruchtigheid hem, dien ze nog altijd "den landheer"
noemden, geluk wenschen. Grootje was thuis gebleven; anders eene
curiositeit, die het huis van de Roselaers nog in vollen glans had
gekend, en voorts enkele dorpelingen, die om de eene of andere reden
den generaal nog erkenden en dit op deze wijze toonden. Dit alles
moest van waterchocolade en broodjes worden voorzien.
Francis had het druk, maar zij was kennelijk in haar schik de
_chatelaire_ te kunnen spelen, en ik vond het een kansje haar zoo eens
te kunnen gadeslaan. Complimenteus was zij met niemand, zelfs niet met
den burgemeester, die zich per extra-ordinaire ditmaal vertoonde, zeker
om den logeergast wat meer van nabij te zien; die banale beleefdheid,
die sommige menschen drijft om charmant te zijn tegen iedereen en het
tegendeel te zeggen van 't geen zij meenen, wist zij niet te oefenen,
noch wilde dat; maar zij bezat _la politesse du coeur_, en daarom ging
alles haar natuurlijk en ongekunsteld af. De generaal pruttelde, want
zijn gewoon déjeuner was een weinigje gemankeerd; hij moest het met
de algemeene tractatie, den kolossalen boerentulband en de broodjes
doen. Francis maakte er haar excuus over aan Willibald, terwijl zij
er bij voegde, dat het diner alles goed zou maken, zoo zij hoopte.
"'t Is perfect zooals het is, freule! maar wat het diner betreft,
ik kan niet blijven."
"Gekheid! ik sta niet toe, dat gij heengaat."
"Te vier ure komt het rijtuig om mij te halen; ik mag niet later dan
zeven uur te A. terug zijn."
"Daar is hier nog wel een stal; wij eten vroeg en gij komt maar een
uurtje later te A.; of zijn 't dienstzaken."
"Ik kom van Z.; de dienstzaken zijn van ochtend afgedaan, maar om
de waarheid te zeggen, ik heb met mijne vrouw eene uitnoodiging voor
eene soirée bij den kolonel!"
"Gij zult mij ernstig boos maken als gij niet blijft."
"Dat zou mij spijten, want ik ben juist gekomen om u eene gunst te
vragen die ik hoop dat gij zult inwilligen."
"Ik willig niets in, dat weet gij vooruit, als ik mijn zin niet krijg."
"Ja, gij zijt eene aartsdespote, dat weet ik nog vanouds; zoo zal
ik er mijn hoofd maar onder buigen, want ik wil u in een goed humeur
brengen voor mijn aanzoek."
"Dat's dan afgesproken; en nu, laat me vooreerst aan de zorg voor
alle deze goede lieden."
Ik hoorde die twee samen haspelen zonder er mij in te mengen. De
onrust die ik een oogenblik gevat had, toen ik haar dien Willibald
zoo hartelijk en gemeenzaam zag verwelkomen, was reeds voorbij: iemand
waar Francis zoo mee omsprong, kon voor mij niet gevaarlijk zijn. Ik
heb geen lust, Willem! u die jolige en woelige feesture verder te
beschrijven; tegen drie uur trok alles af; de jubilaris had wat rust
noodig en zocht zijne kamer. Rolf had nog van alles te bezorgen voor
het diner, Francis daarentegen beweerde, dat zij nu adem kon scheppen
en dat zij nog een rustig half uurtje had te geven aan haar vriend
Willibald, dien zij, zooals vroeger, gemeenzaam onder den arm nam,
als ware hij de dame en zij de cavalier geweest; ik wilde mijns
weegs gaan, maar zij riep mij toe dat de kapitein haar niets kon te
zeggen hebben wat voor haar neef Leopold een geheim moest zijn. Ik
vond de onderstelling gewaagd, maar de kapitein verzekerde mij dat
ik volstrekt geen _fâcheux troisième_ zou zijn, en zoo wandelde ik
mee op naar den vervallen koepel, een uitgezocht rustpunt.
"En nu, _what's the matter?_" zei Francis, zich tusschen ons in
plaatsende. "Ik verleen audiëntie."
"Het is allereerst een verzoek van mijn vrouw," sprak hij met eenige
verlegenheid.
"Nu! als ik daaraan voldoen kan...."
"Heel gemakkelijk. Zij wenschte zoozeer uwe kennis te maken, en vraagt,
wanneer het u convenieert eens eenigen tijd bij ons te komen logeeren."
"Het spijt mij dat ik het eerste verzoek van uwe vrouw moet afslaan,
Willibald; maar het convenieert mij in 't geheel niet," sprak zij
ernstig; "ik laat mijn grootvader nooit meer alleen."
"Welnu! wat verhindert den generaal...."
"Onmogelijk, wij hebben ons niet geretireerd om weer in de wereld
te gaan."
"Maar wij leven niet in de wereld; wij hebben ons ingericht op een
goeden voet, dat is alles. Mijne vrouw houdt er niet van en.... ze is
nog altijd een weinig _timide_, en ik beloof u, dat gij geen menschen
zien zult als gij niet wilt...."
"En de generaal! zou die ook geen menschen willen zien, denkt
gij? vergeet niet dat gij te A. in garnizoen zijt en dat hij er in
een kring heeft verkeerd, waarin.... wij nu niet meer passen."
"Och Francis! het grieft mij zoo dat gij u zelve zoo in de laagte zet,"
zei de goedhartige man met tranen in de oogen.
"Ik zet mij waar 't lot ons geplaatst heeft. Ik ben geresigneerd,
Willibald! maak mij niet week door regrets op te wekken. Maak het
uwe vrouw duidelijk dat er geen onwil achter steekt; zeg alleen dat
ik niet meer uitga en geen toilet meer kan maken."
"Geen toilet! en gij ziet er zoo elegant uit," sprak hij, haar met
zeker welgevallen aanziende.
"_Elégance démodée_; denk maar eens! ik had dezelfde zwart zijden
japon aan toen ik voor het laatst met u gedanst heb, geheel _à contre
coeur_, want ik had heel wat anders in het hoofd."
"Of het mij heugt! En hoe de dames zich daarover ergerden, die er
later, naar ik vernam, eene amazone van gemaakt hebben!"
"_Connu_, de dames maken er al van wat zij willen, als zij eens aan 't
brodeeren zijn! Liegen schijnt geen kwaad als men zich maar amuseert,
en de politie bemoeit er zich niet mee. Maar 't geen gij nu ziet is
ten minste genoeg om u te doen begrijpen, dat het nu niet meer gaat."
"Maar Francis!" kon ik mij niet onthouden in te vallen; "als 't nu
alleen op een toilet aankwam,--en gij het graag deedt,--dan zou ik
daar wel raad voor weten. In den Haag is men er zoo vlug mee...."
"Dankje, Leo! Als men het niet kan betalen, moet men het niet nemen,
zelfs niet in den Haag! Ik vergenoeg er mij mee, en mijn vriend
Willibald moet er ook in berusten, want de weigering valt mij al hard
genoeg, zonder dat er nog bij komt het verdriet om er met hem over
te discussieeren."
Dit klonk beslissend. En de goede Willibald bleef verslagen
zwijgen. Hij zuchtte en zag weer op haar met een droevig
schouderophalen.
"Ik ben rijk, Francis, ik ben rijk omdat gij het zóó hebt
gewild. Gevoelt gij dan niet welk een genoegen het mij zijn zou als
gij eens de _comfort_ van mijn huis, van mijne fortuin mede wildet
genieten?"
"_Brisons!_" zei Francis; "ik dacht dat gij mij heel wat anders hadt
te vragen...."
"Ik heb ook nog wat anders te vragen, maar ik durf er nu haast
niet mede voor den dag komen; mijne vrouw had u eene confidentie te
doen...." en de fijn voelende jonge echtgenoot werd eenigszins bleek.
"_Le secret de la comédie!_" riep Francis glimlachend; "mag ik er
eens naar raden.... eene interessante positie; er is een doopjurk
noodig. Ongelukkig borduur ik zoo slecht; ik kan op zijn best mijn
dienst presenteeren om de luiers te zoomen."
"Dat komt allemaal terecht zonder u, freule; maar.... er is eene
peettante noodig, in de verte altijd.... en die mag geene andere zijn
dan gij; mijn kind zal Francis heeten, of het een zoon dan wel eene
dochter is; dit moet gij mij toestaan."
"Wat zal dat arme kind aan zoo'n poovere peettante hebben!"
"Iets dat voor ons zeer veel beteekent. Het zal een naam voeren dien
wij altijd in 't geheugen wenschen te houden en die door ons steeds
met achting en dankbaarheid zal worden genoemd," sprak Willibald met
gevoel, haar de hand toestekende.
"Och! gij zijt een sentimenteele dweper, Willibald, dat heb ik altijd
gezegd; maar ik wil niet alles weigeren.... het zij zoo; alleen ik
moet u waarschuwen dat mijn naam geen geluk aanbrengt."
"Daar waag ik het op; ik ben niet bijgeloovig, maar--dan moet gij
mij toch beloven het zelve ten doop te houden; daar hecht ik aan,
al zou ik met moeder en kind naar de Werve komen, om in uwe kerk...."
"Neen! neen! op één dag heen en weer zal ik het er nog wel uitbreken;
wij moeten den zuigeling en het jonge moedertje niet dérangeeren;
ik voel nù al, dat tante zijn mijne vocatie is...." Zij sprak dat
laatste lachende, maar het was een zwaarmoedig lachje, en kennelijk
voelde zij er meer bij dan zij uitsprak.
Willibald ook vatte het zoo op. "Francis! hoe zou ik wenschen u nog
eens recht gelukkig te zien!"
"Welnu! wie zegt u dat ik niet recht gelukkig ben; oude freules,
als zij goede tantes worden, hebben toch ook nog haar nut."
"In elk geval zijt gij nog geen oude freule, Francis! al hebt
gij altijd over mij voogdij willen oefenen als ware ik uw jongere
broeder...."
"Majoor Frans heeft geen leeftijd."
"Dat wil zeggen, dat zij altijd kind is gebleven," voegde ik haar toe;
"en een kind dat altijd haar zin moet hebben of--zij raakt uit haar
humeur, niet waar kapitein Willibald?"
"Ah," riep Francis lachend; "daar hoor ik weer mijn deftigen neef,
jonker van Zonshoven, een allerlastigst mensch, Willibald, waarmee
ons garnizoen nu sinds eenige dagen is versterkt; hij ziet nergens
tegen op; hij zou mij heel graag het commando ontnemen, en hij heeft
al zijn best gedaan om mij van mijn majoorsrang te degradeeren."
"Integendeel! hij wil u verheffen en u op de plaats stellen waar gij
hoort!" viel ik in. "Heb ik daar geen gelijk aan, kapitein Willibald?"
"Groot gelijk! althans als gij slaagt," zei Willibald nu ook lachend.
"Maar dat zal hij niet!" riep Francis; "ik verweer mij zoo goed als
ik kan; wij haspelen den heelen dag, dat onderhoudt de vriendschap
en dat breekt zoowat de eentoonigheid."
"Wij spelen _qui perd gagne_," zei ik; "maar de freule neemt het spel
averechts op, zij is bang voor 't verlies!"
"En de jonker zou mogelijk al heel weinig gebaat zijn met de winst!"
"Mij dunkt, dit is iets waarover hij toch zelf het best kan oordeelen,"
zei Willibald.
"Neen! want hij tast in den blinde; zoo alles afgedaan ware met Majoor
Frans te verslaan, laat ik het nog daar; maar daarmee is nog niet uit
den weg geruimd wat er mee samenhangt, en.... dat's een Herculeswerk,
waarbij ik, ik beken het voor u, Willibald, die er genoeg van weet,
waarbij ik mijn moed en kracht zie bezwijken." Zij sprak in ernst,
en ik begreep waarop zij doelde.
"Du courage
Dans l'orage;
Les amis sont toujours là,"
zong ik, haar met intentie aanziende.
"Ik geloof waarlijk dat hij het ondernemen zou als men het hem
toestond!" zei Francis.
"Hij zou het ondernemen, zelfs al stond men het hem _niet_ toe!" viel
ik in.
"Nu, dan laat ik u in goede handen! Kapitein Willibald is mijn ridder,
die desnoods den degen voor mij trekt," riep Francis, terwijl zij
hard wegliep, want zij zag Frits naar haar toekomen, die haar door
een wenk beduidde dat hij haar iets te zeggen had.
"Ik ben allermeest haar overwonneling," zei Willibald met een
zucht; "en om u de waarheid te zeggen, jonker! dat komt mij heden
al heel slecht te pas, want als ik dat diner hier moet bijwonen,
kom ik te laat op die soirée en mankeer ik mijn kolonel. En tegen u
in vertrouwen gezegd, er is sprake van belangrijke mutatiën bij ons
kader en ik heb eenige hoop majoor te worden, een weinigje vóór mijn
tijd zeker, en ik zou 't als eene gunst moeten considereeren; maar
toch zou ik ontzaggelijk graag hoofdofficier zijn, te eer daar het
eene verplaatsing ten gevolge zou hebben, die ook voor mijne vrouw
zeer te pas zou komen."
"Maar mijnheer! waarom dat alles dan niet aan freule Mordaunt gezegd;
ik meende dat gij u slechts voor den vorm eenig geweld liet aandoen."
"Neen! ik meende het zeer ernstig; ik had alleen op een vluchtig
bezoek gerekend, maar het zou onkiesch zijn geweest dit te zeggen nu
zij er zóó op aandrong."
"Mijn beste Mijnheer Willibald, dat is eene zwakheid."
"Dat weet ik maar al te goed; ik ben jammerlijk zwak als het haar
geldt, en daarom is het heel gelukkig dat mijn vurige wensch om haar
tot vrouw te hebben niet is vervuld. Wij zouden elkaar ongelukkig
gemaakt hebben. Zij heeft zoozeer de gewoonte aangenomen om niet te
cedeeren, en ik heb mij altijd voor haar gekromd; ik schaam mij niet
het voor u te bekennen, want gij hebt het zelf ondervonden,--als men
haar niet toegeeft...."
"Om de waarheid te zeggen, die ondervinding heb ik nog niet gemaakt,
en denk ik ook niet te maken...."
"Nu, dan moet gij op uw _qui vive_ wezen, jonker! dat waarschuw ik u;
en ik maak u mijn compliment, als het u gelukt dien weg met haar te
gaan, want zij voedt minachting voor zachtmoedigheid, die zij voor
zwakheid aanziet, en zij heeft hare redenen om toch al geen hoog
gevoelen te hebben van ons geslacht. Wat mij betreft, zij houdt
wel van mij, maar telt mij heel weinig; de positie die ik had bij
haar grootvader, wien zij om goede redenen eenigszins bestuurt, de
verplichtingen die ik aan haar had, alles heeft er toe geleid om haar
een overwicht te geven op mij, waarover ik, ook door de eigenaardigheid
van mijn karakter, nooit heb kunnen zegevieren. Maar geloof daarom
niet van mij, dat ik zoo'n sukkel ben in den regel. Alleen met Francis
moet men eene uitzondering maken, ik ten minste. Ik ben haar veel
verschuldigd; zij is van eene edelmoedigheid, van eene opofferende
goedheid, die maakt dat men haar liefhebben moet, zelfs al valt zij
ruw uit; ik had arme familie, waarvoor ik als luitenant, al wilde ik
mij zelven nog zoo behelpen, niets kon doen; maar Francis, die toen
nog meende fortuin te bezitten, had intusschen voor de mijnen gezorgd
zonder dat ik er iets van wist...."
"O! nu verwondert het mij niet meer dat gij goede vrienden met haar
gebleven zijt, al heeft zij u afgewezen."
"Zij heeft mij niet afgewezen. Zij heeft er voor gezorgd dat ik haar
niet kon vragen! Het is hare gewoonte niet, de lieden een blauwtje
te laten loopen. Daarom werd er wel eens gezegd, toen zij nog in de
wereld verkeerde, dat niemand haar _au sérieux_ nam. Dat is niet waar;
maar zij zelve was serieus genoeg om 't geen zij voelde komen den pas
af te snijden, zoodat men ter zijde gaat, _battu et content_. Wat mij
betreft, zij heeft mij den weg gewezen, dien ik gaan moest, precies
den tegenovergestelden van dien ik toen wenschte te nemen. Ik ben
dien gegaan, omdat ik niet tegen haar op kon, en nu..."
"Hebt gij er berouw van?"
"In oprechtheid gesproken, neen! Ik ben gelukkig met mijne zachte
jonge vrouw, die mij eene groote fortuin heeft aangebracht zonder er
zich iets op te laten voorstaan, en die mij tot een gelukkigen vader
zal maken naar ik hoop."
"Als gij uw kleine Francis dan maar niet bederft, zooals gij het hare
peettante hebt gedaan!"
"Dat's heel wat anders: maar excuseer mij, jonker, ik stel te veel
belang in mijne vriendin, mijne zuster zou ik haast moeten zeggen,
om mij niet eene vraag te permitteeren aan u."
"Vraag, mijn besten kapitein! ik zal u in oprechtheid antwoorden."
"Gij zegt, dat gij _qui perd gagne_ speelt met Francis; daar heb ik
niets tegen; alleen, laat het spel niet te ernstig worden, of zóó
ernstig dat gij uw levensgeluk zoowel als het hare er bij inlegt. Gij
hebt blijkbaar haar vertrouwen, hare achting gewonnen; dat is zeer
zeker de weg naar haar hart. Speel daar niet mee, ik smeek het u
om harent, om uws zelfs wil. Daar is tusschen u en haar een losse,
coquette toon, die haar bevalt, dat weet ik wel, al kon ik dien niet
tegen haar voeren, maar die mij eenigszins ongerust maakt."
"Gij kunt gerust zijn, mijnheer! ik ben een eerlijk man en heb de
zuiverste bedoelingen. Francis bedriegen! wie daartoe in staat ware zou
een laaghartige zijn. Zij is de oprechtheid en rondborstigheid zelve!"
"Ja, dat is zij; en daarom is alles wat naar _cache-cache_ lijkt haar
tegen. En nu, vergun mij iets te zeggen."
"Wat toch?"
"De generaal zei mij zoo _en passant_ met een enkel woord, dat
gij geene fortuin hebt, maar groote verwachtingen, mits gij eenige
_souplesse_ wist te toonen voor zekeren bloedverwant."
"Dat is mogelijk. Waar bemoeit de generaal zich toch mee!"
"Met de toekomst van zijne kleindochter; en dat is hem wel te vergeven,
dunkt mij. Gij moet weten, mijnheer! dat ik mij zoo pas een paar dagen
in het stadje Z. heb opgehouden. Ik heb daar over u hooren spreken."
"Dat is niet te verwonderen. Men is, geloof ik, nogal praatziek in
dat stadje," bracht ik uit; maar ik voelde dat ik bleek werd. Mijn
geheim mogelijk reeds verraden! "Wat vertelt men daar eigenlijk van
mij?" vroeg ik, te stouter naarmate ik meer ongerust was.
"Dat gij iemand zijt die reeds fortuin bezit, want men fluistert
elkander in (ik laat die kleinsteedsche babbelarij en bemoeizucht in
hare waarde, dat spreekt vanzelf), dat gij hier in de provincie reeds
groote possessies hebt en hier zijt om er nog meer aan te knoopen. Nu
vraag ik u, waarom weet men daar niets van op de Werve?"
"Ik ben hierheen gekomen om mijne nicht Francis te leeren kennen;
gij zult mij toestemmen dat men het in zulk geval moeielijk op hooren
zeggen kan laten aankomen, vooral waar het freule Mordaunt geldt."
"Dat is waar, en zelfs behoort er moed toe om zich heen te zetten
over zekere anecdotes, die omtrent haar circulairen. Maar ik verzeker
u dat het verfoeielijke leugens zijn."
"Ook heb ik niemand willen gelooven dan haar alleen. Maar mijnheer
Overberg, dien ik daar ginds tot vriend had en die mijn voornemen
toejuichte, deed mij opmerken dat men in het stadje alles wilde weten
van iedereen; als men niets te weten kon komen, vond men uit. Ik moest
bijgevolg eene reden opgeven voor mijn verblijf in deze streken. De
ware, die Francis was, kon en wilde ik niet avoueeren; ik liet het
dus aan hem over iets te bedenken, dat aannemelijk was. Ik weet
nauwelijks welk verdichtsel hij uitvond. Moest ik dat ook hier nog
colporteeren? Als ik eens met hoop van goede uitkomst de hand van
Francis zal vragen, behoeft het ook voor niemand meer een geheim te
blijven, wat ik al of niet bezit. Is haar vriend met deze inlichtingen
tevreden?"
"Hij zou neen zeggen om toch geen andere te krijgen, denk ik," hernam
hij met een melancholiek glimlachje. "Zij voor zich is volkomen
belangeloos, zij zal er niet op zien! maar toch is het waarheid
dat zij geen man zonder vermogen kán trouwen. Hoe dat ook zij, maak
haar gelukkig als gij haar hart kunt verwerven, dat is alles wat ik
verlang, en.... zij verdient het. Ondanks den schijn, die soms tegen
haar getuigt, is het een der edelste karakters die ik ooit heb leeren
kennen, zelfs onder mannen en zij heeft daarbij niet _les défauts
de son sexe_, al mist zij dan ook zekere beminnelijke zwakheden,
die er mee gepaard gaan. Ik ben adjudant geweest van den kolonel,
van 't oogenblik af dat deze het commando te Z. aanvaardde, en ik
was spoedig in zijne intimiteit. Zoo heb ik Francis onder allerlei
omstandigheden leeren kennen; en, ik mag het zeggen, haar mogen ter
zijde staan in lief en leed, en nooit heb ik haar zwak gezien, nooit
bezield door ijdelheid of zelfzucht, nooit haar zien terugtreden waar
het een zwaren plicht gold."
"_Messieurs allez plus loin, l'empereur vous entend!_" declameerde
Francis op schertsenden toon, terwijl zij van achter een vervallen
muur optrad. "Ik heb niet willen luisteren, maar ik heb toch
verstaan.... Dat was eene heel mooie phrase, Willibald, die gij daar
met zooveel emphase hebt uitgegalmd; het scheelde niet veel of ik
had u geapplaudisseerd zooals het publiek zeker Hollandsch acteur
als hij zijne _phrases à effet_ debiteert."
"Gij weet het wel, freule, dat ik niet dan oprecht kan zijn, en zoo
ik iets heb gezegd tot uw lof, ter waardeering van uw karakter...."
"Was het zeker omdat onze vriend Leopold zijne bezwaren daartegen had
ingebracht. Gelukkig is hij iemand die er aan hecht uit eigen oogen te
zien," ging zij voort, haar sprekenden blik op mij vestigend, "en hij
weet dat hem door mij althans geen blinddoek zal worden voorgedaan;
hij weet al genoeg van mij en heeft hier al het noodige bijgewoond om
uwe panygeriek op hare waarde te schatten. Doch ik heb er vrede mee;
het is noodig voor de vriendschap dat men elkaar van alle zijden goed
leert kennen. Het spijt mij, dat ik ulieden zoo kom overvallen en twee
minuten mijns ondanks voor luistervink speelde, maar ik kom u zeggen,
Willibald, dat uw rijtuig voor is; wanneer wilt gij nu dat het terug
zal komen?"
"Wanneer laat gij mij vrij?" vroeg hij eenigszins verlegen, en mij
aanziende.
"U vrijlaten! _c'est fort_, die getrouwde mannen verleeren alle
galanterie."
"Kapitein Willibald ziet er tegen op u te bekennen, Francis! dat hij
eigenlijk niet blijven kan," viel ik in. "Hij vreest zijn kolonel te
mankeeren en tegelijk zijne bevordering mis te loopen."
"Is 't een inval van Leo?" vroeg Francis, Willibald aanziende met
haar snellen, onderzoekenden blik.
Hij kleurde waarlijk als een jong meisje.
"Neen freule! er zullen belangrijke mutatiën bij het kader plaats
grijpen. 't Is mij ingefluisterd dat ik wat kans heb majoor te worden,
bij keuze, want ik ben eigenlijk nog niet aan de beurt; alleen als
ik de gelegenheid mis waarbij de kolonel mij aan generaal H. zou
presenteeren, dan...."
"Spreekt het vanzelf dat er geen kwestie kan zijn van u gunst te
verleenen. Mijn hemel, Willibald! waarom hebt gij dat dan ook niet
gezegd toen ik u preste om te blijven?"
"Ik zag zoo duidelijk dat het u contrarieerde...."
"_Frailty thy name is man!_" declameerde Francis; "en dat bazuinde
nog wel mijn lof, terwijl er zulk een offer werd gebracht!" riep zij
met een licht schouderophalen. "Wat een egoïstisch despootje moet ik
zijn in uw oog, Leo!"
"Het komt mij voor dat mijnheer Willibald hier zelf de schuldigste is."
"Daarvoor zal hij dan ook boeten!" riep Francis. "Hij zal niets
meer genieten van al de delicatessen, die Rolf heeft weten samen
te brengen om zijn generaal te fêteeren. En gij, jonker! die zijn
bondgenoot zijt, gij zult met mij de corvée deelen om den dominé
en den notaris aan tafel te amuseeren. Kom aan, Willibald! maak nu
geene complimenten meer; een kort en goed afscheid, uw woord dat gij
eens weerkomen zult, en dan.... uitgerukt eer de generaal het merkt,
anders komt die u ook nog ophouden."
"Maar freule! zoo te échappeeren...."
"Dat neem ik op mij. En nu, _en avant marche!_"
En zij liep alleen vooruit om Willibald tot spoed te dwingen. Wij
bereikten dan ook _sans encombre_ het voorplein, waar Willibald in
een allerliefst laag rijtuigje stapte, door een koetsier in livrei
bestuurd. Toen hij weg reed, bleef Francis naast mij op het perron
staan en sprak met kennelijke voldoening:
"Ja wel, men heeft livrei! en wat een prachtige moorkop! Als de arme
jongen zijn zin had gehad, zou hij nu geen équipage houden en mijn
slaaf zijn geworden."
"Hij verdient werkelijk beter! Een door en door goed mensch,
Francis!" sprak ik met een tintje van verwijt.
"Een engel van een mensch, dat weet ik beter dan gij;
alleen.... engelen kan men in onze maatschappij zoo slecht
gebruiken. Men moet _a little devilish_ wezen om er zich door te
slaan. Toch Leo! ik zou hem te kort doen als ik u niet verzekerde dat
er één punt is, waarop hij vastheid weet te toonen: militaire eer. Ik
heb eens tevergeefs getracht hem van een duel te weerhouden, en nog
wel een duel om mij. Ik had eene dame gebrutaliseerd, eene barones,
eene gescheiden vrouw, die zich de airs gaf van slachtoffer en in ons
huis had weten binnen te dringen. Zij had mijn grootvader zoo ingepakt,
dat de goede man er niet aan wist te ontkomen. Zij had tot _compère_
zekeren Duitschen ridder, aan wien zij zeide geparenteerd te zijn; en
dat paar leende elkaar de hand bij het spel. Grootpapa werd afgezet,
deerlijk afgezet. Ik raadde dat en begreep dat eene executie moest
plaats vinden, _en pleine société_ om dat onkruid uit te roeien,
en ik aarzelde niet die te volvoeren. Willibald stond mij trouw ter
zijde, maar had gewild dat ik het voorzichtig zou aanleggen; dan, gij
begrijpt, voorzichtigheid en ik... _Je n'y allais pas de main morte!_
Ik betrapte de valsche spelers op heeterdaad en ontdekte ze voor aller
oog, zoodat de dame in kwestie woest kwaad op mij werd, maar zich moest
retireeren. Haar vriend de chevalier, een soort van matamore, achtte
het zijn plicht hare partij te nemen en iemand uit te dagen. Die iemand
was Willibald, omdat deze zich _carrément_ in zijn weg gesteld had,
toen hij mij wilde beleedigen. Ik smeekte, ik drong Willibald, zich
niet met den intrigant in te laten, die stellig geen eerlijke partij
zoude zijn. Het hielp niets, hij was onverzettelijk. Grootpa zelf,
die liefst geen _esclandre_ had gewild, moest berusten; de militaire
eer scheen het te eischen. Ik stond doodsangsten uit en betichtte mij
zelve dat ik altijd ongeluk toebracht aan mijne vrienden. Willibald
kwam op het terrein met zijne secondanten en vond er den geduchten
tegenstander niet. Het voorgenomen duel had natuurlijk veel opzien
gebaard en de aandacht der politie gevestigd op den 'Herr Ritter;'
er werd door haar naar zijne antecedenten geïnformeerd, en hij
werd nu herkend als een _chevalier d'industrie_ waarmee zij reeds
vroeger had te doen gehad. Zoo ontkwam Willibald aan de eer om met
dien bretteur den degen te kruisen; maar hij had er door gewonnen in
mijne achting. Men zou gedacht hebben, dat de _beau monde_ mij nu dank
zou geweten hebben voor de uitdrijving van zulke intriganten uit zijn
kring; toch niet. Het was Majoor Frans, die het bedreven had, en _sans
égards_ voor eene barones, die, al had zij zich met een _chevalier
d'industrie_ gecompromitteerd, toch eene vrouw was van goeden toon,
met uitstekend fijne manieren. Het was goed dat het gedaan was, maar
het had zóó niet moeten geschieden; en bovenal had Francis Mordaunt
er zich buiten moeten houden, alsof er onder al die fijn beschaafde
heeren en dames één was, die den zedelijken moed zou gehad hebben om
eene valsche speelster in de kaart te zien, om niet te zeggen dat
ik er de naaste toe was, die mijn armen grootvader zag misleiden,
zag plunderen.... Maar wat doe ik die oude histories op te halen! Ik
hoor al een rijtuig rollen; daar komen de gasten. Ziedaar Rolf in
groot tenue, die zich in postuur stelt om voor ceremoniemeester te
spelen. Bravo, kapitein! neem het maar voor mij waar, want ik moet
nog een weinig aan mijn toilet verschikken."
En weg was zij, het huis weer binnen.
Daar de kapitein werkelijk in uniform was, met zijne Willemsorde op
de borst, achtte ik mij verplicht om mij ook nog wat op te knappen
en maakte mij uit de voeten eer de gasten uitstegen.
Het diner was zooals men dat verwachten kon na de aanstalten die
Rolf en Francis er te zamen voor hadden gemaakt. Eene bijzonderheid
trof mij: er was nu zekere ruimte van tafelzilver, zwaar ouderwetsch
en met wapens voorzien. Ik begreep dat Francis met den kapitein
had samengespannen om het familiezilver terug te krijgen. En het
goedhartige schepsel durfde er voor zich zelve geen nieuwe zijden
japon van nemen, die zij bepaald noodig had! Welk een genot zou
het voor mij zijn, haar eens voor al die opofferingen schadeloos te
kunnen stellen; en zij, die wel niet droomde van zulke uitzichten,
zat daar toch uiterlijk zonder smartelijke préoccupatie en zelfs door
hare vroolijkheid, door hare gulheid het gezelschap opwekkende om
de vormelijke stijfheid te breken, die sommige dezer lieden meenden
te moeten aannemen. De verveling, waarmee zij mij gedreigd had,
kwelde mij niet. Zij had zich neergezet tusschen den dominé en mij;
de notaris kreeg de eereplaats naast den generaal, en de ontvanger,
die tegelijk als postbeambte fungeerde, zat aan diens linkerhand;
daarbij sloten zich een paar stevige heerenboeren aan, ouderlingen en
leden van den gemeenteraad, de eenigen onder de notabelen die tegen den
burgemeester en vóór den generaal partij trokken, zoo vaak er punten
van verschil oprezen in hunne lilliputsche maatschappij! Kapitein
Rolf zat tusschen hen in, en verzuimde niet hen aan te moedigen den
wijn eer aan te doen en hen opmerkzaam te maken op de exquise merken
welke hun werden voorgezet.
Dominé was meer opgewekt als gast aan tafel dan als prediker tegenover
zijne gemeente. Hij bleek een drukke anecdotenkramer, die Francis nogal
eens stof leverde voor een uitval. Dames waren er niet: Francis had
het vrouwelijk personeel in den ban gedaan; of deze haar, dat weet
ik niet recht uit te maken.
De zoon van de Pauwelsen, dezelfde die palfreniersdiensten deed bij
het rijpaard van Francis, assisteerde nu Frits bij het dienen. De oude
knecht droeg ditmaal een livreirok, die mij aan een gemetamorphoseerde
officiersjas deed denken. Was het dit of iets anders, dat den goeden
man ditmaal zoo stijf en plechtig maakte dat het mijne aandacht
trok! Hoe dat zij, grijs geworden onder de discipline, verzuimde hij
zijne dienst niet, en alles liep flink en geregeld af, zooals in een
huis waar orde en goed beleid voorzitten. En toch was er veel wat mij
pijnlijk aandeed en stof gaf tot nadenken. Een huis dat in puin dreigt
te storten en waar men feest viert! De zoon des huizes, die uitgedreven
was en toch weergekeerd, zonder dat er een plaatsje voor hem was aan
den feestdisch van zijn vader; die mogelijk nu alweer in 't gareel
draafde van zijn halsbrekend beroep,--en die vader, die hem niet miste,
die hem bovenal niet terugwenschte! Ik kon niet nalaten den generaal
aan te zien met de bijgedachte aan Rudolf. De fijne egoïst was weder in
zijn humeur geraakt. Zijn spijt over het echappeeren van Willibald,
had hij spoedig verzet bij het genot zijner lievelingsgerechten,
waarmee hij werd gefêteerd, en hij bleek bij uitnemendheid de man
voor het weelderige, gezellige leven. Het scheen hem niet in 't
minst te preoccupeeren hoe de luxe van het onthaal was daargesteld;
hij genoot die _en fin connaisseur_ en sprak er over met zijne gasten
zonder eenige _gêne_. Wat Francis betreft, zij kent hare plichten als
gastvrouw en zij behoort tot die gelukkigen, die met buitengewone
veerkracht bedeeld, even gemakkelijk op een gegeven oogenblik haar
last en leed weten te verzetten en van zich af te werpen, als die in
den regel met kloekheid te dragen. Zij was _en veine_ van plaagzucht
en wij kibbelden prettig, zij stootte aan met Rolf, die, zonder haar
den titel te geven, een toast had geïmproviseerd op zijn majoor. In 't
eind, wij amuseerden ons ieder op zijne wijze, en tot mijne voldoening
tafelde men niet al te lang. Omstreeks zeven uur liet Francis
ons aan de sigaar. Ik durfde nu niet met haar ontsnappen. Zij liet
koffie dienen, en daarop noodigde Rolf ons in 't priëel in den tuin;
hij had kruidenwijn gemaakt, dien moesten wij proeven. Dat voorstel
werd met toejuiching begroet, en het was zoo kwaad niet gevonden. De
gasten waren plakkers; de heerenboeren hadden hun wagentjes besteld
tegen acht ure. De generaal had zoo iets gemompeld van een partijtje
billard, maar zij excuseerden zich; en dat was gelukkig, want het
billardlaken was in een deerlijken staat. Francis had vooruit elk
spel geprohibeerd, en.... de tijd moest toch worden omgebracht. Ik had
altijd hoop Francis te zien opdagen, maar daar zij niet te voorschijn
kwam, begreep ik dat zij zich teruggetrokken had om uit te rusten. De
dominé, die het eerst en te voet heenging, klaagde dat hij tevergeefs
naar haar gezocht had om afscheid te nemen. Eindelijk kwam Frits in
alle plechtigheid aandienen dat het rijtuig vóór was, een zoogenaamd
speelwagentje, met solide leeren huif overdekt, waarin voor allen
plaats was en dat aan een der notabelen behoorde. Daar de generaal
een weinigje zat te soezen, al wilde hij er niet voor uitkomen, was
ik met Rolf mee gegaan om het gezelschap uitgeleide te doen. Daarop
excuseerde de kapitein zich bij mij en ging volgens gewoonte in de
billardkamer zijne welverdiende rust nemen. Ik bleef nog wat op het
binnenplein rondloopen, besluiteloos of ik al dan niet het huis weer
zou ingaan, toen ik op eens Francis zag aankomen door de oude poort,
die nooit meer gesloten werd.
Haar te gemoet te gaan en mijne blijdschap te betuigen dat ik het zoo
trof, haar voor te stellen nu nog te zamen eens rond te wandelen,
was even schielijk gedaan als gedacht; maar voor eene wandeling
was het te laat, voerde zij tegen. Zij zelve was maar eens naar de
boerderij geloopen om het grootje van de Pauwelsen wat lekkernijen
van het diner te brengen; dát was hare rust geweest. Maar zij wilde
graag nog wat met mij den tuin in en een poosje praten op de bank van
den vervallen koepel, waar men zulk een mooi vergezicht had. Alleen
moest zij eerst even omzien naar grootpapa.
"Die zit nog in 't priëel te dommelen, en mij dunkt hij zit daar goed."
"Ja, maar de avond is luchtig en.... Is Rolf bij hem?"
"Rolf haalt de schade in van de verloren siësta."
Francis fronste de wenkbrauwen. "Grootpapa moest vandaag niet alleen
zijn." En zij verhaastte haar tred. "Zoudt gij gelooven, dat ik den
heelen dag zekere onrust heb gehad?"
"Gij! Men zag het u niet aan."
"Dat moest er nog maar bijkomen!"
"En waarom die onrust?"
"Hebt gij dan niet wel eens aan Rudolf gedacht? Dat zou mij
verwonderen."
"Ik? Heel veel! Juist aan het diner, waar ik zijn vader zoo opgewekt
zag, kwam hij mij telkens voor de verbeelding."
"Maar ik dacht aan hem eer met onrust dan met medelijden, dat wil ik
u wel bekennen. Ik vrees nog altijd een _coup de tête_ van hem.... Gij
zijt zeker dat hij vertrokken is, niet waar?"
"Hij is zijn eigen weg gegaan, terwijl ik nog sliep en heeft zijne
portefeuille laten liggen. Ik ga morgen naar A. om hem uit te vinden."
"Doe dat maar niet, want nu ben ik er zeker van dat hij weer zal
keeren. Hij is mijn _cauchemar_...."
"Dat blijkt uit alles. Ik weet het, gij hebt er reden voor; maar toch,
zoo hard te zijn jegens een ongelukkige!"
"Zoo gij voor hem geleden en gestreden hadt zooals ik, zoudt gij
denkelijk niet zachter over hem oordeelen. Men kan niet op hem aan,
ziedaar wat mij het meest in hem tegenstaat."
"Dat is ook een leelijk gebrek, maar toch...."
"Dat mankeert er nog maar aan, dat wij samen kibbelen over dien
man!" viel zij in met zoo zichtbaar verdriet en ongeduld, dat ik mijn
pleidooi opgaf, omdat ik haar juist nu niet meer wilde prikkelen. Mijn
zwijgen echter nam zij als verwijt, en daar had zij ook geen vrede mee.
"Zeg mij liever," sprak zij op geheel anderen, bijna vleienden toon,
"of mijn diner u bevallen is?"
"Gij zijt eene gastvrouw bij uitnemendheid, Francis! Ik zou u willen
zien aan het hoofd van een huis dat perfect gemonteerd was en...."
"En waar men het tafelzilver niet eerst behoefde te lossen als men
gasten wacht," viel zij in, wel wat ruw en bitter; maar de bitterheid
was bij haar wel te verklaren en te vergeven.
"Arme lieve! dat heeft u zeker een geducht offer gekost?" vroeg ik
met deernis, want zij had tranen in de oogen.
"Wat vernedert kost altijd," hernam zij. "Maar helaas! ik ben er al
over heen; en wat het overige betreft, mijn zomertoilet is er eene
luchtspiegeling door geworden," ging zij luchtiger voort. "Maar dat
is het minste; ik was het den ouden man schuldig. Ik had hem, gij
herinnert het u nog wel, Leo! wat al te hard de waarheid gezegd over
zekere zwakheden, en nu, op zijn verjaardag, wilde ik daarvoor boete
doen en hem eene verrassing bereiden, die wel doel getroffen heeft;
grootpapa was er bewogen door, en Rolf, goede ziel als hij is! heeft er
het zijne toe gedaan; hij is er voor naar de stad gereden en wij hebben
het samen in stilte gepoetst. Frits mocht het natuurlijk niet merken."
"Men zou wenschen u in de schuld te zien vervallen, om de
beminnelijkheid waarmee gij die herstelt. Mij Francis! wien gij niets
schuldig waart, hebt gij zoo allerliefst verrast...."
"Beter gemeend dan uitgevoerd; het eerste het beste dat ik grijpen
kon. Een souvenir aan den dag waarop gij voor goed mijn vriend zijt
geworden."
Wij waren door het huis den tuin ingegaan; het was er reeds
schemerdonker. Ik werd aangegrepen door een moed, die veel op
overmoed geleek; ik wilde op eens aan alle mijne aarzelingen een eind
maken. Als ik schrijf: _ik wilde_, is dat niet juist uitgedrukt;
er was iets onwillekeurigs, iets onoverlegds in mijne handelwijze,
toen ik zacht mijn arm om haar heen sloeg en alleen zeide:
"Uw vriend geworden voor goed? ik dank u voor dat woord,
Francis! maar.... het is mij niet genoeg; sta mij toe meer voor u te
zijn, sta mij toe."
"Meer zou te veel zijn," viel zij in met zichtbare agitatie. "Ik
bid u, Leo! wil berusten in 't geen wij voor elkaar zijn kunnen,
en bederf die verhouding, die mij, als u, dierbaar is, niet door
meer te willen, want dat kan toch niet zijn. Daarom, beloof mij,
beloof mij ernstig Leo! dat gij daar nooit weer van spreken zult!"
Zeker dat klonk als eene afwijzing en.... het scheen ernst. Maar de
toon waarop zij die woorden uitsprak, getuigde van eene ontroering,
die zij niet kon of niet wilde verbergen; dit was toch heel wat
anders dan hare koele, besliste verklaring op de hei, waarmee zij
den vreemdeling had willen afschrikken.
Ik vatte er moed uit om te vragen: "en waarom dan toch niet,
Francis?" maar ik kreeg geen antwoord, zij trok driftig haar arm uit
den mijnen, en liep ijlings vooruit naar het priëel. Hetgeen zij daar
zag deed haar een kreet slaken, en zelf stond ik roerloos van schrik
toe te zien, zoodra ik naderbij was gekomen.
Wij zagen Rudolf! Rudolf, geknield aan de voeten van zijn vader en
diens handen kussende zonder dat deze het scheen af te weren.
Wij meenden getuigen te zijn van eene verzoening, wij hadden ons
deerlijk vergist. Rudolf zelf sprong op met een uitroep van schrik en
vertwijfeling, en sloeg zich voor het hoofd als een wanhopige. Francis,
die in één vaart tot het priëel was doorgegaan, riep hem toe:
"Ik heb u gewaarschuwd! gij hebt uw vader den dood berokkend."
"Neen, Francis! neen! hij is bewusteloos, hij is koud als een lijk;
maar ik vond hem zóó; ik bezweer u bij alles wat mij lief is, dat ik
hem zoo gevonden heb."
Werkelijk zat daar de generaal, stokstijf en onbewegelijk als een
doode; zijn hoofd was op gedwongen wijze naar ééne zijde gekeerd, en
zou mogelijk dieper zijn neergevallen, zoo het latwerk van het priëel,
nog maar weinig door de dunne bladeren bedekt, het niet tegengehouden
had; zijn gelaat zag blauw bleek, als ware hij geworgd; zijne oogen
stonden strak en wijd open, maar het was blijkbaar dat zij niet zagen;
zijne gelaatstrekken waren akelig verwrongen; de armen hingen als
verlamd langs het lichaam; de hand die Rudolf losliet viel roerloos
neer en was ijskoud, toen ik die vatte om te onderzoeken of de pols was
te vinden. Francis maakte zijn das en boord los, ontblootte den hals
en wreef de slapen met eau de cologne, het eerste wat zij terstond
bij de hand had. Het bleek dat er nog leven was! de inwrijving
met het scherpe geurige water scheen de reukzenuwen aan te doen,
er was geene volstrekte gevoelloosheid. Maar, er moest hulp zijn,
oogenblikkelijke hulp. "Is er geen geneesheer in de buurt?" vroeg ik.
"Niet ver het dorp in woont de chirurgijn die hier pas gekomen
is!" antwoordde Francis.
"Dan vlieg ik er heen!" riep Rudolf met levendigheid.
"'t Is veel beter dat Frits gaat," besliste Francis.
Zij had gelijk, en ik liep het huis binnen om den ouden getrouwen
Frits op te zoeken, en aan hem het geval mede te deelen! Ik begreep
nu wat hem den ganschen dag zoo strak en somber had gemaakt.
"De generaal een attaque!" riep hij met tranen in de oogen, "dan is hij
geschrikt of heeft zich boos gemaakt, en--dat, dat is mijne schuld!"
"Maar Frits!"
"Neen jonker, het is zooals ik zeg; ik had het niet moeten toelaten,
maar kon ik.... ik, mijnheer Rudolf wegjagen, verklagen?"
"Neen, goede trouwe man, dat mocht gij niet; maar nu--weet te zwijgen
en haast u."
"Dàt zult gij zien!" en hij ijlde weg met een spoed of er jeugdige
kracht was gevaren in zijn oude beenen.
Toen ik terugkeerde lag de generaal nog altijd zonder kennelijk
bewustzijn in dezelfde houding; er had zeker eene heftige
woordenwisseling plaats gevonden tusschen Francis en Rudolf, waarbij
deze de nederlaag had geleden, want ik vond hem achter het priëel
verscholen tegen een boom geleund, en zich het gelaat bedekkend in
stomme, radelooze smart.
"Tranen en handenwringen baten nu niet," duwde Francis hem toe,
"help mij liever om hem te vervoeren!"
"Mag ik?" riep hij als opgewekt uit zijne vertwijfeling.
"Het kwaad is immers nu toch geschied! Breng hem over, eer hij bijkomt;
Leo zal u wel helpen."
"Dat is niet noodig; hij is _mijn_ vader en het is mijn recht,"
riep hij bijna woest, trad toe en vatte den grijsaard op met de
omzichtigheid, maar tegelijk met de zekerheid van iemand voor wien
het een lichte last moest zijn. Hij nam hem op de beide armen, en hij
liep er zoo vlug en vast mee voort, dat wij moeite hadden hem bij te
houden. Bleek als de patiënt zelve volgde Francis en wees de groote
zijkamer aan als de voorloopige rustplaats.
"Ware het niet beter in eens door, naar zijne slaapkamer, op zijn
bed?" vroeg Rudolf, en hij besteeg alreeds den eersten trap.
"Maar dat zal u onmogelijk zijn!" voerden wij beiden tegen.
Rudolf antwoordde alleen met voort te gaan en bereikte de eerste
verdieping, waar van ouds de generaal zijn logis had. Francis haastte
zich de deur van de slaapkamer open te doen, en binnen eenige minuten
lag de bewustelooze op zijn bed, nog altijd met de starende oogen,
die niet schenen te zien.
"God lof, we zijn er!" sprak Rudolf met zijn heesche stem, nu op een
stoel neerzinkende. "Ik heb wel sterker _tours de force_ gedaan,
maar geen waarbij mij het hart zoo heeft geklopt." Francis dankte
hem voor zijne hulp.
"Mag ik hier blijven tot hij weer bijkomt?" vroeg hij
ootmoedig. "Verscholen aan deze zijde van het ledikant, kan hij mij
onmogelijk zien."
"Gij kunt nu niet heengaan, dat gevoel ik; maar wij moeten Rolf laten
roepen, en als die komt en u ziet...."
"Als hij opschudding maakt, draai ik hem den hals om; doodeenvoudig."
Ik vond het eenvoudiger Rolf vooruit te gaan waarschuwen en tot
stilzwijgen en toegeefelijkheid te stemmen; ik had medelijden met den
armen man, dat ik hem met zulke tijding uit zijne feestelijke stemming
moest opschrikken. Ik vond hem nog zoo dommelig en zoo beneveld, dat
ik moeite had hem aan 't verstand te brengen wat er gaande was. Toen
hij mij eindelijk begreep, meende ik dat hij zelf eene beroerte zou
krijgen van smart en ergernis, en zonderling, de laatste was nog
heftiger dan de eerste.
"Wat doet _die_ hier? Hij brengt altijd ongeluk aan. Maar dat kan hem
niet schelen; hij ontziet zich toch niet zijn dwaze invallen uit te
voeren, al zou hij er ook Francis ongelukkig door maken en zijn vader
vermoorden." Ik bracht hem onder 't oog dat een man op den leeftijd
van den generaal, na een copieus diner zooals het zijne was geweest,
nog gevolgd door het druk gebruik van kruidenwijn in de open lucht,
heel licht een aanval van beroerte had kunnen krijgen, zonder verdere
bijkomende omstandigheden; maar evenals Francis hield hij vol dat er
zonder Rudolf niets gebeurd zou zijn; daarenboven beweerde hij dat
hij zijn krijgsmansplicht verzuimde, zoo hij geen kennis gaf aan de
bevoegde autoriteiten en "den deserteur" liet arresteeren!
Het kostte mij werkelijk eenige moeite hem van dit _idée fixe_ af te
brengen en te doen verstaan dat er een hoogere plicht was, die der
menschelijkheid, en dat deze hem gebood, den zoon niet te weren van
zijns vaders ziekbed, dat mogelijk een sterfbed kon zijn; dat freule
Mordaunt zelve haar oom gastvrijheid had verleend, en dat het aan ons
was om het smartelijk familie-geheim te eerbiedigen en te zorgen dat
master Smithson weer in veiligheid kon aftrekken. Deze voorstelling
bleek doel te treffen, en Rolf was toch innerlijk te goedhartig om
te doen wat hij overluid riep dat zijn militaire plicht was, tenzij
de generaal zelf het uitdrukkelijk begeerde.
Toen ik nu, vergezeld van Rolf, weer de ziekenkamer binnenging,
vonden wij er reeds den dorpsgeneesheer, die van een patiënt in de
nabuurschap terugkeerde en dien Frits gelukkig had ontmoet.
Hij achtte den toestand zorgelijk en een lating hoog noodig, had zijn
lancet bij zich en wenschte de operatie onverwijld te volbrengen. De
patiënt moest ontkleed worden; Frits en Rolf strekten hem gewoonlijk
tot kamerdienaar. Ik leidde Francis ter zijde in een kabinetje waar ook
Rudolf zich verscholen hield in ademlooze spanning over de uitspraak
van den chirurgijn. Francis liet ons samen, om haar zijden japon te
verwisselen met een négligé. Door de deur, die wij op een kier hadden
gelaten, konden Rudolf en ik alles waarnemen wat er met den patiënt
voorviel. Toen hij bijkwam, vroeg hij met eene zonderling veranderde
stem, met eene stamelende tong, naar Francis; toen zij kwam, nog voor
men haar had kunnen roepen, deed hij haar op verwarden en verwilderden
toon vragen, die de geneesheer voor koortsachtig ijlen aanzag, maar
waaruit het voor ons overigen duidelijk bleek, dat hij Rudolf gezien
en herkend had en ook nu bij zijne kennis was, daar hij ondanks alles
zorgde geen naam te noemen.
"Men moet den patiënt de meest mogelijke rust verzekeren, anders
krijgen wij hersenkoorts," besliste de jonge geneeskundige eer hij
heenging, door Frits vergezeld, die ter wille van den spoed op de
medicijnen zou blijven wachten.
"Zou het u rust geven den persoon te zien dien ge straks hebt
aangeduid?" vroeg ik den generaal, toen wij alleen onder huisgenooten
waren.
"Neen, neen! ik weet dat hij er is, hij moet gaan, hij moet mij niet
onder de oogen komen, of ik vervloek hem!"
Het werd stamelende en met moeite uitgebracht; maar toch bitter en
dreigend, kennelijk met volkomen bewustheid. Wij hoorden een luiden
snik; Rudolf had verstaan!
Het werd noodig hem te verwijderen.
Rolf zou dien nacht met Francis blijven waken; ik voerde Rudolf weg;
de forsche man wankelde op zijne voeten, ik moest hem steunen.
Toen wij mijne kamer bereikt hadden, viel hij als een verslagene op
de sofa neer! "'t Is gedaan, ik had niets beters te hopen noch te
wachten, niets beters verdiend ook!" en hij schreide als een kind.
"Francis had toch gelijk, gij hadt niet moeten weerkeeren tegen
uwe belofte."
"Ik ben niet weg geweest! Frits heeft mij betrapt toen ik den tuinmuur
wilde overklimmen, en ik moest mij bekend maken om alarm te voorkomen,
want hij hield mij in 't eerst voor een dief. Daarop bood hij zich
aan, mij in een der ongebruikte benedenkamers te verbergen, die
op den tuin uitzag. Ik zou er mijn vader mogelijk kunnen gadeslaan
zonder dat deze het bemerkte, en zoo is het ook geschied. Toen zijne
gasten heengingen en gij zelf hem alleen liet, nam ik de gelegenheid
waar om uit mijn schuilhoek weg te sluipen en hem te naderen, daar ik
meende dat hij ingeslapen was. Het blijkt dat hij mij heeft herkend,
en dat alleen de machteloosheid van zijn toestand hem belet heeft
mij te verdrijven. Nù heb ik er genoeg van, nu ga ik voor goed. God
zegene hem, dat hij nog moge herstellen! God sterke Francis."
Maar ik liet hem zoo niet gaan. Ik hield hem dien nacht bij mij,
bij de mogelijkheid dat er verandering kwam in den toestand, in de
gezindheid van den patiënt; ook wij brachten dien nacht te zamen
wakende door. Van tijd tot tijd ging ik informeeren naar den lijder;
tegen den morgenstond, toen wij de zekerheid hadden dat er een diepe,
rustige slaap was gevolgd, kon Rudolf meer gerustgesteld aftrekken;
ik deed hem een eind wegs uitgeleide en beloofde hem op de hoogte te
houden van 't geen op de Werve voorviel; hij gaf mij 't adres van
Mr. Richard Smithson en hij scheidde van mij met hartstochtelijke
uitdrukkingen van dankbaarheid voor het weinigje belangstelling dat
ik hem had kunnen betoonen.
Ik had van Rudolf von Zwenken wel niet mijn vriend willen maken,
maar ik beklaagde hem diep en ik had de overtuiging gekregen,
dat hij bij een forsch lichaam een zwak karakter had, maar gansch
geen kwaad hart, en op dat punt de betere was van den vader, die
hem uitstiet. Francis had gelijk: die zwakheid en dat gebrek aan
wilskracht, waardoor men niet op hem rekenen kon, waren tegelijk de
hoofdoorzaken van zijn diepen val. Hetgeen den generaal overkomen was,
kon eene waarschuwing genoemd worden, waarvan hij welhaast weer goed
bekwam, doch er bleef zwakte en verlamming van armen en beenen na en
de convalescentie vorderde langzaam. Ik moest in die dagen van kommer
en onrust Francis ter zijde blijven en mocht haar menigen last helpen
verlichten. Ik mocht wel eens een nacht wakens voor haar overnemen,
of den lijder gezelschap houden als zij afgetobt rustte of zich wat
verfrischte in de vrije lucht. Een van beiden moesten wij altijd
in de ziekenkamer zijn, want Rolf was meer een goedhartig vriend
dan een verstandig ziekenoppasser. Op straffe van instorten was den
herstellende onthouding opgelegd van datgene waar hij als een groot
kind naar hunkerde, en de kapitein was onverstandig genoeg om hem
in te willigen wat niet diende. Er moest iemand wezen om beiden in
't oog te houden, en Francis was mij innig dankbaar dat ik bleef, al
begreep zij nauwelijks hoe ik deze afzondering voor lief nam, hoe ik
het met mijne bezigheden schikte om weken aaneen uit mijne woonplaats
afwezend te zijn. Zij kon wel niet weten dat ik geen gewichtiger
bezigheid had dan haar gade te slaan en haar hart te winnen. Ik wendde
voor dat mijn schrijfwerk overal evengoed was te verrichten. Daar zij
mij soms pakketten zag verzenden, hield zij zich met die uitlegging
tevreden, en bewonderde zeker in stilte meer dan ik het verdiende mijne
zelfverloochening. Zelve was zij subliem van vrouwelijk devouement; zij
had ondanks alles haar grootvader lief, zij vergat alle groote offers,
die zij hem had gebracht, en had gemoedsbezwaren over de lichtere
grieven die zij hem had aangedaan. Toen hij in levensgevaar verkeerde,
trof ik haar soms geknield voor zijn ziekbed, hem vergiffenis
smeekende voor hare hardheid en onwillekeurige vergrijpen, en toch,
toen hij herstelde zag zij zelve in, dat zwakheid en toegevendheid
hem niet dienden. Gedurende zijne ziekte raakte ik beter op de hoogte
van zijne zaken en zijn bedrijf, dan het door jaren samenlevens had
kunnen geschieden. In een helder oogenblik had hij mij opgedragen
brieven en berichten die er voor hem komen mochten in te zien. Ik
kreeg de zekerheid van gevaarlijke speculaties, de zekerheid dat hij
nòg schulden maakte achter Francis om. Toen hij begon te herstellen,
achtte ik het mijn plicht hem in eene rustige ure daarover ernstig te
onderhouden en te doen inzien welke jammer hij over Francis bracht als
hij dus voort ging. Hetzij dat het de overblijvende zwakte was die hem
week en gevoelig maakte, hetzij hij werkelijk in de lange slapelooze
nachten, waarin hij roerloos, maar toch met volle bewustzijn, neerlag,
bij zich zelven reeds zulke overwegingen had gemaakt, hij beleed
schuld; al schoof hij zijne verkeerde handelwijze op den wensch om
Francis langs dien weg eenige fortuin na te laten; maar hij beloofde
mij dat alles voor goed af te snijden en wist geen ander redmiddel
dan het verkoopen van de Werve op de meest gunstige voorwaarden. Het
begon dan ook hoog tijd te worden voor dit einde. Overberg, door
mij telkens tot geduld aangemaand, had nog uitstel gegeven tot de
generaal weer op de been was; maar van Beek in zijne kwaliteit van
executeur drong op definitieve beslissing aan; en ik was nog altijd
niet zeker van Francis, ik had nog altijd het beslissende voorstel
niet durven wagen! Zwakheid, zult gij zeggen. Neen! toch niet,
kieschheid, verschooning, opzien daarenboven tegen een einde dat
haar en mij scheiden kon, terwijl ik wist haar nog zoo noodig te
zijn. Er stak niets vreemds in, dat ik mijne nicht bijstond in de
ziekte van mijn oudoom; maar zoo haast die nicht mijne verloofde zou
zijn, gebood de convenance dat ik mij verwijderde; en juist omdat
het Francis Mordaunt gold, wilde ik niet tegen dien vorm zondigen,
al haalde ik als zij over kleingeestigheid de schouders op; daarbij,
hoezeer ik nauwelijks twijfelde of zij mij liefhad, hoezeer ik mijn
invloed op haar als met den dag zag toenemen, hoezeer ik hare achting,
haar volle vertrouwen genoot, er kon iets in den weg zijn dat haar
deed opzien tegen een huwelijk, met wien ook; en zoo haar: "Spreek er
niet meer van," ernstig gemeend was omdat zij zelve eene beslissende
weigering wilde voorkomen, dan moest ik mijn tijdstip om dit verbod
te overtreden, en op een "ja" of een "neen" aan te dringen, wèl goed
kiezen; want zoo het _neen_ ware, de gedachte alleen, dat het "neen"
zou kunnen zijn, bracht mij eene rilling over de leden. Als het neen
ware, moest ik troosteloos heengaan en haar reddeloos opgeven! daarom
bleef ik aarzelen en zwijgen, al spraken ook mijne blikken, al wilde,
al kon ik mijne genegenheid voor haar niet verbergen, al kostte het
mij strijd mij niet door hartstocht te laten overweldigen! Daarbij,
wij waren in zekeren zin gelukkig, zooals het nù was, en er was iets
verlokkends in, zich zoo op den stroom te laten afdrijven, en zonder
omzien of vooruitzien het tegenwoordige te genieten. De generaal zag
vooruit op zijne wijze, ik kreeg er de zekerheid van; hij gaf mij
telkens met zekeren aandrang te verstaan, dat ik mij met mijn oom den
minister behoorde te verzoenen en dat ik daartoe naar den Haag diende
terug te keeren zoo haast ik Francis had voorbereid op den verkoop
van de Werve aan den bezitter van de Runenberg. Ik verzekerde hem dat
ik wel kans zag Francis te doen berusten in het _fait accompli_; maar
dat ik het niet goed achtte de kwestie vooraf met haar te overwegen,
dat ik dien dag naar Z. moest voor mijne eigene zaken, en als hij
't goed vond zijne schriftelijke toestemming aan Overberg zou ter
hand stellen, opdat deze verder die zaak kon regelen, en dat ik
daarna voor korten tijd naar den Haag zou terugkeeren in mijn eigen
belang. Nader verkoos ik mij voor dat oogenblik niet te verklaren. Ik
had zijne vergunning niet te vragen om mij aan Francis te declareeren,
en was vooruit overtuigd van zijne toestemming als haar antwoord aan
mijn wensch voldeed. Hij scheen mijne bedoeling te vatten en stak mij
de hand toe met ongewone hartelijkheid; ik zag tranen in zijne oogen.
Een voorwendsel voor mijn toertje naar Z. behoefde er niet gezocht te
worden tegenover Francis. Zelve begreep zij, dat ik, nu de generaal
weer op de been was en aan haar arm reeds een paar malen door den
tuin had gewandeld, mijne onmisbaarheid niet langer kon aanvoeren
als motief om op de Werve te blijven, en tegelijk dat ik vóór mijn
vertrek nog wel een en ander in de naburige stad had te doen. Eerst
in den laten avond kon ik naar de Werve terugkeeren. Overberg was
zeer in zijn schik mij te zien en met mij te kunnen aboucheeren. De
wettische van Beek stond gereed om het opgeheven wraakzwaard te laten
neervallen en was nauwelijks meer daarvan terug te houden. Er lagen
bij Overberg stapels van gezegeld papier ten laste van den generaal:
de verschenen renten van de verschillende hypotheken, die sinds zes
maanden onbetaald waren gebleven. Het was een desolate toestand,
waarvan ik u het tafereel kan besparen. Overberg zou nu aan van
Beek schrijven, dat de afstand van de Werve zou doorgaan, hoogst
waarschijnlijk tegelijk met het huwelijk, en ik, in de verwachting
dat de praktizijns ons nu wel een paar dagen met vrede zouden laten,
keerde terug naar het kasteel, dat ik nu met heel andere oogen aanzag
dan bij mijne eerste komst.
Ik bracht eenige kleinigheden thuis, waarmee ik den generaal en Rolf
wist pleizier te doen, en had eene eenvoudige _parure_ voor Francis
gekocht, daar de diamanten die ik haar als bruidstooi wilde aanbieden
nog niet _de raison_ waren.
Ik meende mijn cadeautje te gebruiken als een aanloopje om dat
belangrijke onderhoud met haar te hebben, dat mij al zoo lang op
het hart lag. Maar ik vond haar dien avond zóó gedrukt en zij zag er
zóó bleek uit, dat ik, om een glimlach en een blos op dit strak en
droevig gelaat terug te brengen, het _écrin_ nu maar _sans façons_
voor haar neerzette als eene welkomst uit de stad, in 't bijzijn van
den generaal en Rolf; zoo was het eene aardigheid _sans conséquence_,
die zij in geen geval behoefde af te wijzen. De blos kwam werkelijk
even, maar de bedruktheid nam dermate toe, dat ik tranen zag blinken
toen zij mij de hand drukte. Daarop verliet zij ijlings het vertrek,
en wij zagen haar niet weder terugkeeren; de generaal ging nog vroeg
ter ruste, en om niet met Rolf alleen te blijven zitten, volgde ik
hem onverwijld; maar ik voelde mij zoo beklemd, of de neerslachtigheid
van Francis op mij afgaf. Waarom had zij mijn geschenk niet vroolijk
en schertsend opgenomen, zooals zij meest alles opvatte? Zij, die
zich zoo kloek en kalm wist te houden onder de meest schokkende
omstandigheden! Ik kon niet inslapen van al de waaroms, die bij mij
opkwamen, waarop ik geen antwoord wist te geven, en die mijn moed
verlamden, mijne hoop deden versagen. Eerst laat in den nacht sliep ik
in en had zware bange droomen, waarin Francis onder allerlei gestalten
tergend rondom mij zweefde, zonder dat ik haar toespreken of bereiken
kon. Vast besloten niet weer zoo'n nacht door te brengen, trad ik de
ontbijtkamer binnen. Allen waren reeds bijeen. Ik vond Francis iets
meer opgewekt; zij vertelde aan den generaal, dat zij een brief had
gekregen uit U, van Dr. D., met het bericht, dat de patiënt waarvoor
zij zich interesseerde in beterschap toenam en dat er hoop was op
herstel. Al sprekende vouwde zij de beide handen op de borst en hief
de oogen ten hemel, als met eene onwillekeurige beweging van dankbare
blijdschap; maar haar grootvader was vrij wat minder getroffen.
"Het lijkt wel naar u daarover zoo verrukt te zijn," sprak hij, de
schouders ophalend, en om schielijk van 't apropos af te stappen,
vroeg hij aan Rolf, of hij niet uit visschen dacht te gaan en of er
kans was op een zoodje waterbaars.
Francis was al opgestaan zonder naar het antwoord te luisteren. Ik
had haar te veel te zeggen om nu onverschillige woorden met haar te
wisselen en liet haar aan 't geen zij de "menage" noemde, vast besloten
haar daarna uit te noodigen om samen eene fiksche wandeling te doen,
en daarbij dat onderhoud met haar te voeren, dat beslissend moest
zijn. Zij hield van de frissche lucht, en wij waren nergens vrijer
en meer zeker ongestoord te blijven dan in het bosch op de gronden
rondom het kasteel.
Ik verbeeldde mij, dat ik een weinigje toilet moest maken; maar toen
ik beneden kwam vernam ik van Frits, dat de freule zich kleedde en
uit zou rijden.
Werkelijk zag ik den jongen Pauwels met haar gracieus rijpaard
voorkomen, en eenige oogenblikken later verscheen zij zelve in
amazone, zooals ik haar het eerst had gezien; maar nu droeg zij
toch een bevallig rond hoedje met eene donkerblauwe voile, dat haar
allerliefst stond.
"Offer mij voor ditmaal uw wandelrit op!" vroeg ik haar met die zekere
forschheid, waaronder ik mijne zenuwachtige gejaagdheid trachtte te
verbergen, zonder daarin goed te slagen.
Zij zag mij aan met wat schuchtere verbazing, verbleekte en zweeg,
terwijl zij met haar karwatsje speelde.
"Gij kunt immers een uurtje later uitrijden," voegde ik er bij,
een weinigje meer dringend.
"Neen, want ik heb een verren toer te doen, zoodat ik mij zelfs
haasten moet, wil ik dien voor den eten afleggen."
"Dan moet gij dien verren toer uitstellen tot morgen Francis!" sprak
ik ernstig, "'t Is voor het eerst dat wij weer eens rustig samen kunnen
uitgaan na de ziekte van uw grootvader; weiger mij dit nu niet." En de
blik waarmee ik haar aanzag moet mijns ondanks iets uitgedrukt hebben
van de hoop en vrees die mij bezielden, want ik zag haar weifelen,
toen zij antwoordde met wat gedwongen spijtigheid:
"Gij hebt er altijd pleizier in mijne plannen te derangeeren."
"Niet uit willekeur, Francis, geloof mij; maar ik heb er eene goede
reden voor: ik zal het u morgen misschien niet meer kunnen vergen."
"Zoo; dat klinkt dreigend," hernam ze met een poging om te glimlachen,
die haar niet al te goed gelukte. "Welnu, het zij zoo!" En zij wierp
haar karwats weg met dien zekeren onwil van een officier die zijn
degen aflegt om zich gevangen te geven; "maar dan moet gij wachten
tot ik eene andere japon heb aangetrokken, want in amazone wandelen
met u dat gaat niet."
Daarop gaf zij order om Tancred op stal te brengen en liep het huis in.
Zoo zij bezield werd door de gewone vrouwelijke kwelzucht, liep ik
groot gevaar lang te wachten! Eene coquette had zeker niet gemankeerd
den onvoorzichtige, die haar in een voornemen dwarsboomde, daarvoor
duchtig te laten boeten; maar het bleek wel, dat zij boven die
kleingeestige damesmanieren verheven was, want zij kwam heel spoedig
terug en had alleen den lastigen sleependen amazonerok verwisseld
voor een kort, licht kleedje, dat minder hinderlijk was bij de
wandeling. Het hoedje en het jackertje had zij behouden, en zij trad
vlug en besloten naar mij toe, terwijl zij vroeg:
"En waar gaan wij nu heen?"
"Maar.... mij dunkt het bosch in."
"Gij hebt gelijk, het is er nu heerlijk; wij kunnen wandelen tot het
_rond-point_ en daar rusten."
Zoo gingen wij een eind weg de groote laan door die naar het bosch
voerde; zwijgend, juist omdat wij elkaar zooveel te zeggen hadden.
Ik was besloten te spreken, maar nog niet met mij zelven eens hoe ik
zou aanvangen, toen zij begon:
"Ik kan u mijn wandelrit wel opofferen, Leo! maar niet de plichten
die er mee in verband staan."
"Geloof van mij, Francis! dat ik u nooit in den weg zal zijn als
het de vervulling van plichten geldt; integendeel, gij kunt op mij
rekenen om u daarbij te steunen en te sterken."
"Ik heb daartoe geene hulp noodig. Ik heb alleen maar noodig mijn
eigen weg te gaan."
"Dat klinkt forsch, Francis! daar ik u ditmaal van uw weg heb
afgevoerd. Maar het moest zijn, want ik heb noodig u ongestoord te
spreken. Ik kan niet langer hier blijven; allerlei belangen roepen
mij naar den Haag terug."
"Ik heb dit zien komen, Leo!"
"Spijt het u?"
"Ik moest neen zeggen, om die dwaze vraag even dwaas te beantwoorden."
"Maar ik zal weerkeeren, als gij het goed vindt."
"Neen, Leo! dat vind ik _niet_ goed, en 't ware zelfs beter geweest
dat gij heengegaan waart toen ik u dat het eerst heb geraden."
"Dat zie ik niet in. Ben ik u tot overlast geweest?"
"Gij weet wel van neen; gij weet wel dat ik u veel heb te danken; maar
't is juist dáárom. Gij hebt mij in bange dagen ter zijde gestaan; gij
hebt allerlei leed en bezwaren met mij gedeeld; wij hebben daarenboven
zoo prettig samen gekibbeld, in één woord, gij hebt mij verwend. De
eenzaamheid zal mij nu zwaarder drukken dan voorheen."
"Niet lang toch, want ik ga slechts heen om spoedig terug te komen?"
Zij antwoordde niet, maar bleef langzaam zwijgend naast mij voortgaan.
"Wat wilt gij dat ik uit den Haag voor u mee zal brengen?" vroeg ik,
om het onderwerp niet te laten varen.
"Gij hebt mij reeds een souvenir geschonken, Leo! en ik ben er
dankbaar voor. Gij ziet dat ik het al gebruik; dat is genoeg, ik heb
niet anders noodig."
"Ook geen élégant zomertoilet, Francis? Gij hebt mij bekend dat het
uwe in den steek gebleven is."
"Ik heb nu geen toilet meer te maken, Leo! dat begrijpt gij wel."
"Nu goed! Als gij mij zoo weinig voorthelpen wilt, dan zal ik zelf
weten wat mij te doen staat."
"Wat hebt gij voor? Gij maakt mij waarlijk nieuwsgierig," sprak zij met
zekere gejaagdheid in de stem, die zij niet machtig was te beheerschen.
"Ik zal een _trousseau_ voor u bestellen."
"Een _trousseau!_ waarvoor een _trousseau?_" riep zij luid
lachend. "Het schijnt dat mijn verstandige neef Leopold ook al zijn
ure heeft om _folies_ te zeggen, zoo al niet te doen."
"Of wilt gij liever eene _corbeille de mariage?_"
"Zijt gij wezenlijk bij uw zinnen, Leo? eene _corbeille de mariage!_
In 's hemels naam, voor wie?"
"Mij dunkt voor niemand anders dan voor mijne allerliefste weerbarstige
nicht, Francis Mordaunt!"
"Dat's geene fijne aardigheid, jonker! gij weet wel dat uwe nicht
Francis niet trouwen zal."