"Neen! de van Zonshovens waren nooit haatdragend, maar fier, en ziet
gij, generaal! al heb ik in de wieg niet met tientjes kunnen spelen,
ik heb geleerd dat er betere trots is dan adeltrots; ik heb geleerd dat
men geen Cresus behoeft te zijn om zijne onafhankelijkheid te bewaren,
die ik had moeten opgeven als ik mij in de armen geworpen had van
dien oom, maar die ik nu heb behouden door eigen werkzaamheid, door
sober te zijn en met overleg te handelen, door mij geene behoeften te
scheppen dan die ik met mijn matig inkomen wist te voldoen. Zoo ben
ik nu vrij man gebleven tot hiertoe, en, om u mijne volle meening te
zeggen, dat is mij meer waard dan mijn adeldom."
"Bravo! Bravissimo!" Het was de diepe volle altstem van Francis, die
zich achter mij hooren liet, en de handen die mij zoo dapper hadden
toegejuicht, legden zich nu vertrouwelijk op mijne schouders. Door de
half geopende porte-brisée, die het groote salon van de ruime eetzaal
scheidde, onopgemerkt binnengekomen, daar wij met den rug naar die
deur toegewend zaten, was zij stil blijven staan om ons gesprek niet
te storen, maar toen zij hoorde wat hare instemming vond had zij,
die zoo geheel _de premier mouvement_ was, zich niet kunnen onthouden.
"Gij ziet het, jonker!" sprak de generaal wat verdrietelijk met
gefronste wenkbrauw, "met zóó te spreken hebt gij mijne kleindochter
in haar zwak getast. Zij droomt van onafhankelijkheid; het is hare
illusie niets of niemand noodig te hebben."
"Niet mijne illusie, grootpapa! Mijn _beginsel_ is het: liever vrij
en arm te zijn om mij zelf te blijven; liever ontberingen te lijden en
offers te brengen, dan laagheden te doen om behoeften en begeerten in
te willigen die men mannelijk behoort te overwinnen. Ik zeg mannelijk,
Leopold! al is hier kwestie van mij zelve, want wat vastheid van wil
en kloekheid van daad betreft, op punten als deze--daar behoort eene
vrouw voor geen man te wijken, ja, ik houd mij verzekerd, dat wij
daarin de meesten uwer vóór zijn."
Von Zwenken beet zich op de lippen, sloot de oogen en dook neer in zijn
armstoel of hij een knodsslag ontvangen had, maar verslagen achtte
hij zich toch niet, want na eenige oogenblikken hief hij zich weer
op en sprak tot Francis: "Ik geef het u toe dat gij het mij afwint in
kracht om ontberingen te dragen; maar gij zoudt toch niet kwalijk doen,
u van tijd tot tijd toe te leggen op eenige zelfbeheersching. Op mijn
leeftijd valt het hard, onder iederen vorm zekere beschuldigingen te
moeten hooren, als men toch al zooveel geleden heeft en zulke harde
slagen van het noodlot had door te staan. Zeker had het hier anders
kunnen en moeten zijn, maar ik.... ik zie helaas! geen kans meer op
redres. Ik ben niets meer dan een gebogen grijsaard, onmachtig zich op
te heffen uit het stof der vernedering waarin wij zijn weggezonken; ik
kan nu eenmaal niet anders leven, al weet ik dat gij u om mijnentwille
getroost, wat gij niet behoordet te dragen."
"Kom, kom, grootpa! gij weet wel dat mijne uitvallen harder klinken
dan ze gemeend zijn; gij weet wel dat ik veel wat mij tegen is
met luchtigheid drage om uwentwil; maar van mij te eischen dat ik
goedkeuren zoude wat mij ergert, of niet toejuichen wat zoo geheel
mijne instemming heeft als Leo's uitspraak van daareven, dat is te
veel gevergd, zulke zelfbeheersching zal ik nooit kunnen oefenen."
"Dat's wel ongelukkig," viel de generaal in, niet zonder wat
bitterheid; "want wat zal neef Leopold van ons denken, als hij u bij
iedere aanleiding zekere verwijten hoort uitspreken?"
"Hij zal denken, oom! dat hij in eene familie is gekomen, die zich
niet voor hem tracht te vermommen, en dat acht hij eene eer en een
voorrecht."
"Hm! dat's een avantage dat gij ruimschoots zult genieten, jonker! als
gij hier wat lang blijft," viel nu de kapitein in, die weer binnen was
gekomen; "onze Majoor vooral heeft de loffelijke gewoonte, iedereen
zonder aanziens des persoons terstond te zeggen waar het op staat;
hare opinies, van welken aard ze ook zijn, onverwijld lucht te geven,
en als er iets wordt gezegd of gedaan dat Haar Hoog Edel Gestrenge
niet bevalt, parate executie hoor! evenals bij de vonnissen van
den krijgsraad."
Het was von Zwenken aan te zien dat deze plompe aardigheid over zijne
kleindochter hem hinderde, maar toch weer sloot hij de oogen en klemde
de lippen opeen, als wilde hij er liefst niet mee te doen hebben.
"Mij dunkt, kapitein! dat er toch wel eens gratie wordt bewezen,
anders zoudt gij immers al lang uw congé hebben gekregen," zei Francis
schertsend; maar toch getuigde die scherts meer van bitterheid dan
van vroolijke luim.
"Dat bewijst alleen maar mijne lankmoedigheid, freule Majoor. Gij
weet wel dat ik mij door u laat troeven als een conscrit door zijn
korporaal. Ik zou van den Prins-Veldmaarschalk niet hebben afgewacht
wat ik van u verduur."
"Gij begint er zwak en vervallen uit te zien van al dat lijden en
die mishandelingen," spotte Francis.
"Kapitein!" sprak nu de generaal, die met gebogen hoofd, en in zekere
zenuwachtige verlegenheid, naar dit katjesspel had zitten luisteren,
niet zonder onrust zeker hoe het zou afloopen, "kapitein! ik had u
meen ik mijn wensch te kennen gegeven om _en famille_ te blijven."
"En ik, Excellentie, niet radende dat het onderhoud _en famille_
zooveel aantrekkelijks voor u zou hebben, kwam het gewone middel
tegen melancholie voorstellen: een partijtje piquet."
"Dank je, kapitein, nù geen kaarten. Ik wensch van het gezelschap
van mijn neef te profiteeren."
"En gij komt als een spelbreker invallen, terwijl deze juist op
het propos was van zijne _Lebensbekentnisse_, die mij groot belang
inboezemen," beet Francis hem toe. "Gij zoudt veel beter doen met eens
rond te zien naar mijne rijzweep, die ik ergens op de hei verloren
heb--aan den zoom van het bosch. Toen ik neef Leo ontmoette, had ik
haar nog."
"'t Is geen lichte corvée, zoo'n ding weer te vinden in het zand,"
bromde Rolf.
"Maar gij weet wel.... ik ben er zoo mede ontriefd, en als gij haar
weerbrengt.... doet gij mij pleizier."
"Nu! daar ik niet van dienst behoef te zijn bij den generaal, zal ik
het probeeren...."
"Malicieuse despoot!" kon ik niet nalaten tegen Francis te zeggen,
haar met den vinger dreigend.
Zij kleurde even en glimlachte.
"Och Jonker! dat is nog zoo erg niet," zuchtte de deemoedige vazal;
"toen freule Majoor nog een kind was, hadt gij het eens moeten
bijwonen: in die dagen heb ik wel wat anders te doen en te lijden
gehad."
"Precies!" zei Francis, "toen hebt gij mij mee bedorven en meer dan
de anderen; zachts dat ge er nu ook wat harder voor boet."
"Als ik zoo zware penitentie doe, moet ik ook absolutie hebben,"
sprak hij deemoedig.
"Absolutie nooit! maar wapenschorsing, voor den geheelen dag; mij
dunkt dat is mooi genoeg; ziedaar mijne hand daarop."
Hij nam die met een zacht hoofdschudden en een aarzelenden blik, als
had hij geen groot vertrouwen in de overeenkomst. Ik zag iets vochtigs
in zijn oog schitteren, dat mij met zijne brutale gemeenzaamheid
verzoende, maar waarover hij zich blijkbaar schaamde, want hij onttrok
zich aan onze opmerkzaamheid door een schielijken aftocht; toch keerde
hij terug op het oogenblik zelf, dat wij ons voor een vertrouwelijk
onderhoud hadden gezet, en wendde zich rechtstreeks tot Francis:
"Ik weet wel dat ik u weer storen kom, freule! maar het is, geloof
ik, nog beter ik--dan Frits. Ik ontmoette aan de brug den koetsier
van den Jonker, die vragen komt, wanneer hij vóór moet zijn?"
Ik aarzelde met mijn antwoord, in 't ongewisse of mijn wensch om
zoolang mogelijk te vertoeven niet in strijd zou zijn met de inrichting
van het huis, toen ik den kapitein halfluid tot Francis hoorde zeggen:
"Ik heb al eens naar de kalkoenen omgezien; daar is er wel één klaar
voor de keuken, maar.... niet voor vandaag, daar moet gij op rekenen,
't is jammer voor _le cher cousin_, maar...."
"_Le cher cousin_, als gij mij daarmee bedoelt," viel ik in, dit punt
van overleg aangrijpende, "zou ik niets liever wenschen dan den dag
hier te mogen doorbrengen; alleen, hij maakt niet de minste aanspraak
op een fijn _diner_."
"Wel! het spreekt vanzelf dat gij blijft eten, neef Leopold, _à la
fortune du pot_," sprak de generaal, na Francis te hebben aangezien,
die nog altijd scheen te aarzelen eer zij instemde met de uitnoodiging.
"Het kan niet anders!" sprak zij eindelijk besloten, "wie komt er
voor een paar uur naar de Werve; daarbij, wij hebben nog zoo weinig
aan elkaar gehad, maar eigenlijk moest het niet zijn, wij behoorden
niemand aan onze tafel te nooden...."
"De vraag is maar of gij mij den geheelen dag hier houden wilt,
Francis," viel ik in, onderstellende dat zij over een schraal menu
tobde. "Het overige beteekent niets, ik kan het desnoods met een koud
maal doen...."
"Nu ja! ik ken dat, gij zijt gerust dat men u niet bij het woord
zal vatten."
"Heusch, Francis, ik...."
"Als gij het meent zijt gij een phenomeen," riep zij lachend, "maar
genoeg, het blijft er bij. Kapitein wilt gij het eens goed overleggen
met den koetsier, want het zal noodig zijn dat de jonker niet te laat
door het bosch rijdt."
"Waarom toch, er zijn hier geen roovers, denk ik? Of vreest ge mogelijk
dat ik den wilden jager in werkelijkheid zal zien verschijnen?"
"Neen, dat wel niet, maar er zijn doolwegen en...."
"Als gij mij voor zoo _bête_ houdt, rijd ik niet weg vóór midden in
den nacht...."
"Waartoe die fanfaronnade. Wij zullen vroeg eten en.... om zeven ure
het rijtuig, kapitein!" sprak Francis met gezag.
"Gij beschaamt mij, Francis, met zoo povere hospitaliteit," viel de
generaal in, "is 't niet veel beter, dat neef van Zonshoven dezen
nacht hier logeeren blijft, om morgen op zijn tijd terug te rijden?"
"Een logeergast! grootpapa, gij weet dat zoo niet, maar.... daar zijn
wij waarlijk niet op ingericht."
"Nota bene!" riep de kapitein met een luiden lach, "wij zouden eene
halve compagnie kunnen herbergen."
"Uwe compagnie zeker!" viel Francis uit, meer bits dan edelmoedig
tegenover den man, die als 1ste luitenant was gepensionneerd.... Het
bleek wel dat hij ontzag had voor zijn Majoor, want hij werd bleek
van ergernis, maar hij verbeet zich de lippen om een antwoord terug
te houden en zweeg. Francis scheen toch te goedhartig om de krenking
niet weer goed te maken: "ik meende, kapitein, dat er plaats genoeg
zoude zijn voor een half regiment, maar zooals men soldaten huisvest;
terwijl de Jonker van Zonshoven, aan Haagsche weelde gewoon..."
"Gewoon aan een kamer met alkoof op de tweede verdieping in een
burgerhuis," repliceerde ik. "Luister, Freule Francis! als gij
Jonker van Zonshoven niet herbergen wilt om redenen, die voor
u hare wettigheid kunnen hebben, zeg het dan maar ronduit. Maar
maskeer ze niet onder zulke uitvluchten; kamers zijn er genoeg,
dat is onwedersprekelijk, en nu, ik slaap op de eerste stroomatras
de beste die gij ergens laat neerleggen."
"Ik schaam mij voor u, Francis," sprak de generaal met zachte verlegene
stem; "dat is weer een van die caprices...."
"Als gij dan volstrekt blijven wilt," sprak Francis, mij aanziende met
een koel en verdrietelijk gezicht, "zal ik trachten eene slaapkamer
uit te zoeken waar de ruiten heel zijn. Kom, kapitein, arrangeer
dat met den koetsier. Van de corvée om de rijzweep te zoeken zijt
gij verschoond; vandaag fungeert gij als _maréchal de logis_;" en
haar slaaf bij den arm nemende, zonder een blik op mij te werpen,
verliet zij met hem het vertrek.
De generaal scheen zijn best te willen doen om den ongunstigen indruk
weg te nemen, dien hij meende dat ik van Francis moest hebben opgevat.
"Geloof toch," sprak hij, toen wij alleen waren, "dat zij het
wezenlijk goed met u meent, maar.... er wordt hier niet meer op
logeergasten gerekend; gij treft haar _au dépourvu_, en dit hindert
haar, daar zij er zich zeker een genoegen van maken zou, het hier
recht comfortable voor u in te richten. Eene andere zou den schijn
weten te bewaren, en u zekere particulariteiten trachten te verbergen,
die u konden doen twijfelen, of gij hier welkom waart; maar ziet gij,
dit juist kan Francis niet; mijne kleindochter heeft een uitmuntend
verstand, een goed hart, een vast karakter, maar zij heeft zoo hare
eigenaardigheden, die haar veeltijds in een ongunstig licht stellen."
"Welke dame heeft niet hare caprices, hare opvattingen?" viel ik in.
"Ja, maar anderen weten die te kleuren en te dekken met wat blanketsel
en wat fijn vernis. Francis verstaat niets daarvan; zij heeft
ongelukkig geene opvoeding gehad zooals die had moeten zijn voor eene
jonge dame van haar stand. Sergeant.... ik wil zeggen kapitein Rolf
en zijne zuster hebben haar van jongs aan een weinigje bedorven. Zij
heeft hare moeder niet gekend, mijn schoonzoon was vreemdeling en
begreep niets van de eischen eener deftige Hollandsche éducatie. Ik
was in effectieven dienst en zelden lang genoeg in zijn huis om veel
acht te kunnen geven op mijne kleindochter, maar er zijn oogenblikken
waarin ik mij zelf verwijt dat ik, aan zekere rancune toegevende,
het voorstel niet heb aangenomen van hare oud-tante, die voor hare
opvoeding wilde zorgen; zij zou dan wel geene vroolijke jeugd hebben
gehad, dat is waar, maar zij zou ook niet als een wilde rank zijn
opgeschoten, ongesnoeid en onbuigzaam zooals wij haar nu zien, en
daarenboven zou hare toekomst verzekerd zijn. Voor dat alles had ik
mijne persoonlijke grieven moeten ten offer brengen," en de generaal
liet in diepe moedeloosheid het hoofd op de borst zinken.
Tante Sophie zou zeker hare satisfactie hebben gehad, zoo zij die
bewijzen van leedgevoel en naberouw bij den gebogen grijsaard had
kunnen gadeslaan. Ik, als haar representant, meende hem troost te
mogen geven.
"Kom, Generaal! niet zoo mismoedig. Van eene jonge dame even
in de twintig is toch waarlijk het laatste woord niet gezegd;
dat de edele plant wat in 't wilde is opgeschoten, maakt haar te
frisscher en krachtiger, dat's beter dan de broeikastplanten die onze
gedistingueerde kostscholen leveren; mogelijk zal de hand van een
welmeenend echtgenoot nog veel kunnen ombuigen en ten goede leiden...."
"Dat's juist een der groote bezwaren, Jonker; Francis zal nooit
hare hand leggen in die van een man, dien zij van zulke voornemens
verdacht hield."
"Juist gezien, grootpapa! Majoor Frans zal te geener stond het commando
afstaan aan haar mindere; zij wil niets om zich zien dan slaven en
vazallen, en Jonker Leopold zal wel doen zich naar dit gebruik te
schikken, zoo hij lust heeft hier conspiraties tegen hare vrijheid te
smeden," sprak nu Francis zelve, gansch niet op schertsenden toon,
maar met koelen, bijna minachtenden ernst; en mij een allesbehalve
vriendelijken blik toewerpende, ging zij voort: "dat is tegen onze
conventie, neef, dat gij hier het zwak van mijn grootvader vleien
zoudt met onuitvoerbare plannen te vormen."
"Ik verzeker u, nicht, dat er geen opzet lag in 't geen ik zeide,
en dat het alleen volgde uit den loop van mijn gesprek met uw heer
grootpapa, hoewel ik blijf volharden in mijne meening dat een degelijk
echtgenoot, die zich weet te doen achten, gansch geen verwerpelijke
gave is voor iedere vrouw in 't algemeen en bovenal voor Majoor
Frans in 't bijzonder. Als gij dit comploteeren noemt, ben ik hier
een samenzweerder."
Al sprekende zag ik haar aan met een vasten, uitdagenden blik,
dien zij fier en vermetel beantwoordde, terwijl een gloeiend rood,
als van toorn, voorhoofd en wangen overtoog; maar op eens zag ik haar
bleek worden, het gelaat afwenden, en 't was alleen met een gedwongen
lachje, dat zij ten antwoord gaf:
"Een samenzweerder die te minder gevaarlijk is, daar de generaal u
bij de eerste aanleiding de beste zeggen zal, dat freule Mordaunt
geen anderen dan een schatrijken echtgenoot kan aannemen, en zooals
gij zelf ons hebt medegedeeld, staan de van Zonshovens niet op de
lijst der hoogstaangeslagenen in de belasting."
"Maar Francis?" viel de generaal in.
"Wel ja, bon Papa! dat is immers de standmeter waarnaar de heeren
elkander heden ten dage schatten, en dit zult gij met mij eens
zijn: als Majoor Frans verkocht moet worden, dan moet het zijn tot
den hoogsten prijs. En nu, neef Leo! gij valt gelukkig niet in de
termen, wij kunnen vrienden blijven; loop eens met mij naar buiten,
ik zal u wat van het terrein laten zien; grootvader kan mee wandelen,
de wind is gaan liggen, de zon is doorgeschoten, het is bijna zacht
lenteweer; ik heb ter eere van onzen gast mijn tuinhoed opgezet,
en hier is uwe muts, grootpa; de chambercloak maar wat toegeknoopt,
mijn arm genomen en opgemarcheerd. Die donkere, vochtige zaal geeft
maar muffe en sombere denkbeelden," en reeds sleepte zij den generaal
mee, terwijl ik in alle gewilligheid volgde. En ziedaar het waar en
waarachtig verslag van mijne installatie op de Werve, die ik sinds,
het zal nu al drie weken zijn, niet weer verlaten heb!"
Francis had gelijk, het was zacht lenteweer geworden, en de
bijkans tegen zijn wil naar buiten gevoerde grijsaard ondervond den
verkwikkenden invloed van frissche lucht en een ruim uitzicht, toen
wij achter het kasteel om langs de volière voortwandelden, de generaal
door den arm zijner kleindochter gesteund, en ik naast haar gaande,
luisterend naar haar opgewekten kout en de malicieuse reparties die
zij altijd klaar had, als er iets gezegd werd wat die uitlokte. Met
eene oprechtheid die aan onvoorzichtigheid grensde, gaf zij de wonde
plekken van de Werve bloot.
"Neef Leo was nu toch huisgenoot en zou deze zelf gauw genoeg opmerken,
al wees men hem die niet aan," gaf zij den generaal ten antwoord,
die minder gulle bekentenissen had gewenscht.
"Het is nu eenmaal niet anders, neef! Wij zijn hier niet rijk, en men
moet het zijn om een landgoed als dit te bewonen en te onderhouden;
daarbij is het voor grootpapa geen tijd meer om te laten timmeren en
verven, hier en daar wat glazen laten maken zou juist geen luxe zijn,
maar wat zal ik u zeggen, wij zien tegen het werkvolk op."
De volière, die voorheen aangelegd was op eene grootsche schaal en
met haar verguld netwerk het voorkomen had, eenmaal eene menigte van
kostbare en zeldzame bewoners te hebben geherbergd en den pluimgraaf
handen vol werk gegeven te hebben, was nu, zooals Francis niet naliet
mede te deelen, op verlangen van den kapitein in eene simpele kippenren
herschapen, terwijl er tegelijk kalkoenen in opgesloten waren,
bestemd om voor de tafel te dienen, "eene liefhebberij van Rolf,
die er zelf voor zorgt."
Wij gingen langs eene zachte glooiing opwaarts tot aan een voormaals
prachtigen steenen koepel, geheel in den rijken stijl van de 18de
eeuw, maar die ruwe witte muren toonde in plaats van het voormalig
schilderwerk; de vocht en de achteloosheid der bedienden hadden het
geheel bedorven, bekende de generaal, "en daar het onze tijd niet
was om zoo iets op te knappen," voegde Francis er bij, "liet ik
een brocanteur uit Arnhem komen, die voor de rafelende lappen nog
een redelijk sommetje bood. Toch is het hier mijn lievelingsplek,
al biedt het dak geen schuilplaats meer tegen regen en sneeuw; maar
hier op die rustige bank, die ik er heb laten zetten (gij moet weten,
de kapitein kan zoo wat timmeren), zijn wij toch nog door de muren
beschut; kom hier wat zitten, grootvader! Neef Leo moet het heerlijke
uitzicht genieten over de hoogten en laagten der heidegronden, door
het prachtige dennenbosch ter eener zijde begrensd."
Het was werkelijk een verrukkelijk uitzicht, en als de zon nu en
dan door de wolken schoot en er hare lichttinten op wierp, waren er
effecten die een schilder in geestdrift zouden hebben gebracht.
Francis scheen met volle teugen en met de zorgeloosheid van een
onnadenkend kind het verrukkelijke schouwspel te genieten; maar de
generaal werd blijkbaar aangegrepen door smartelijke bijgedachten. Ik
raadde ze, al sprak hij ze niet uit.
Alles wat hier het oog aanschouwde, de rijke landerijen ingesloten,
die maar even aan den horizont, links opdoemden, had eenmaal tot de
bezittingen van de Werve behoord; hij zelf had het goed onbezwaard in
handen gekregen, en nú, geen duimbreed gronds, geen strookje lands,
geen enkelen boom kon hij in waarheid meer het zijne noemen, en daar
zat zijne kleindochter, wie dit alles had moeten ten goede komen,
in argeloosheid neer, en hij kon haar niet anders nalaten dan eene
ruïne, indien nog maar eene "ruïne!" moest hij zich zelf zeggen, als
hij moed had om tot in de diepte van zijn ongeluk neer te dalen. Dat
mijn raadvermogen mij niet bedroog, bewees mij niet slechts zijn
somber zwijgen, de weemoedige blik, dien hij op Francis wierp, na het
vergezicht een tijdlang te hebben aangestaard, maar ook de vraag aan
mij, waarmee hij zijn stilzwijgen afbrak, en die, schijnbaar doelloos,
mij zelf in het hart mijner overpeinzingen trof.
"Apropos, neef! wat is er van die zes meisjes geworden?"
Francis lachte luid. "Grootpapa, die op eens belangstelling toont in
het lot van zes jonge meisjes tegelijk, dat's nogal sterk!"
"Spot niet, kind!" gromde hij, en hervatte met zekeren ernst tot mij:
"ik bedoel de zes freules d'Hermaele, die zusters uwer moeder."
"Gij wilt weten of Leo misschien door den tijd nog kans heeft om rijk
te worden," viel Francis weer in, met de haar eigene clairvoyance
en vermetelheid; "dat's mis, grootpapa, daar is niet één erftante
bij. Heb ik het geraden, Leo?"
"Maar al te goed. Twee harer zijn sinds lang overleden, twee anderen
zijn redelijk goed gehuwd, daar zij niet tegen eene _mesalliance_
opzagen, maar zij hebben kinderen; tante Sophie alleen leeft nog en
wordt zoo wat door de familie onderhouden, waartoe ik, in tijd en
wijle dat het lijden kan, ook het mijne bijdraag."
"Tante Sophie!" herhaalde de generaal. "Hadden de Hermaeles de
handigheid om Sophie Roselaer tot peettante te verkiezen?"
"Denkelijk wel, maar ik weet er waarlijk het fijne niet van te zeggen;
mijne goede moeder sprak mij zelden van de familieomstandigheden?"
"Maar zou die tante Sophie dan ook de uitverkorene kunnen zijn van
onze oude kwelgeest freule Roselaer."
De generaal kwam op een voor mij zeer onveilig terrein. Ik kon, ik
mocht niet oprecht wezen, en ik huiverde tegen dubbelheid, onder de
eerlijke opene oogen van Francis; zelve kwam zij mij onwillens te hulp.
"Zeker niet!" riep zij met hare gewone levendigheid, "want dan zou
Leo het ons terstond wel gezegd hebben."
"Dat is waar, kind, en gij, Leo, heeft men u behandeld zooals ons,
en u zelfs geen kennis gegeven van haar overlijden, zelfs niet
uitgenoodigd om hare begrafenis bij te wonen?"
"Ik weet met zekerheid dat niemand van de familie daartoe uitgenoodigd
is, en dat zij met den uitersten eenvoud door haar dokter en haar
notaris ten grave is geleid."
"Dan is het ook niet twijfelachtig hoe wij door haar behandeld zijn,"
sprak de generaal, met ergernis zijne kleindochter aanziende en nu zijn
onderzoek bij mij opgevend. "Ik voor mij had niet anders verwacht;
wij zijn in vijandschap elkaar niets schuldig gebleven, maar ik
begrijp mij niet hoe zij het over zich heeft kunnen verkrijgen,
om het eenige kleinkind harer zuster zóó te berooven."
"Maar is het dan zoo zeker dat zij dit gedaan heeft?" waagde ik aan te
merken; "in Utrecht is het bekend dat hare testamentaire beschikkingen
minstens drie maanden moeten geheim worden gehouden."
"Maar toch zeker niet voor de erfgenamen," viel de generaal in;
"neen! als zij Francis bedacht had zouden wij er al iets van weten
en dan zou zoo'n notaris zich niet verstouten ons zóó achteloos te
behandelen; neen! het is maar al te zeker dat zij de familiehaat zoo
ver heeft gedreven, dat mijne arme kleindochter, die daaraan volkomen
onschuldig is, er dus onder lijden moet."
"Zonder dat ik een oogenblik op zoo iets als een legaat heb gerekend,"
viel Francis in, "moet ik u toch bekennen, dat het mij eenigszins
verwondert, dat tante Sophie ook mij in die familie-_rancune_ heeft
begrepen."
"Waartoe verwondert u dat?" vroeg von Zwenken, haar aanziende;
"gij hebt immers nooit iets van haar gezien of gehoord?"
"Dat heb ik juist wel; zeer toevallig, dat is waar, maar toch had
zij bij die gelegenheid geen reden om zich persoonlijk over mij te
beklagen, hoewel het mogelijk is dat zij, zooals 't mij meer gebeurt
bij eene eerste ontmoeting (de ondeugende zag mij even schalks aan),
een kwaden dunk van mij heeft gekregen."
"Dat lijkt op u," gromde de generaal, "de eenige kans die u mogelijk
gegeven was om de fortuin bij de haren te grijpen, willens te
veronachtzamen."
"Maar grootpapa! gij verschiet daar uw kruit in het wilde; gij
weet immers niet eens wat er tusschen de oude freule en mij is
voorgevallen?"
"Als het iets goeds ware geweest, zoudt gij het mij wel hebben
medegedeeld."
"Ik zweeg er van, omdat ik wist hoezeer het noemen van dien naam
reeds uwe drift placht gaande te maken, en omdat ik het onnoodig vond
u opnieuw te verbitteren."
"Wat zal ik u zeggen, kind!" hernam de generaal met eene zachte
bewogene stem, "ik zelf voelde mij te oud en te stram om nog voor
dat hatelijke wijf eene kniebuiging te maken, en ik geloof dat ik
liever mijne hand had zien verdorren, dan die haar toe te reiken ter
verzoening; maar toch gij, ja 't is een zwakheid, ik beken het voor u
als voor neef Leo, als gij persoonlijk uw pays met haar hadt kunnen
maken, en ik daardoor wat meer rust had gekregen over uwe toekomst,
dan zou mij dat zeer verheugd, zeer verlicht hebben."
"Jammer dat ik dit niet geweten heb," zei Francis met een luchtig
schouderophalen, "want wie weet, zoo ik de kennismaking had voortgezet
en eens mijn best had gedaan, hoe schitterend Majoor Frans er in haar
testament ware afgekomen!"
"Maar weergasche spotster! vertel ons dan toch waar en wanneer gij
die oude hebt gezien en gesproken?"
"Och, 't is nog zoo heel lang niet geleden. Het was in het begin van
dit jaar; gij weet wel dat ik de reis naar Utrecht moest maken om
zekere treurige oorzaak, waarmee Leo niets noodig heeft."
"Zij wil 't nooit weten als zij wat goeds doet!" viel de generaal in.
"Och, het was niets dan een zware plicht dien ik te vervullen had;
ik moest den bekenden dokter D. raadplegen over eene ongelukkige
krankzinnige, die in een gesticht werd verpleegd. Niet al te best
onderricht van de uren waarop hij te spreken was, en bovenal omdat het
met mijn tijd uitkwam, draafde ik, met mijne parapluie onder den arm,
naar het huis van den grooten man, maakte mij een weinigje boos op
zijn bediende, die goed vond mij voor den volgenden dag te bescheiden,
onder pretext dat het spreekuur voor heden verloopen was, en zijn
meester nu _en famille_ dejeuneerde, waarbij hij niet gestoord wilde
zijn. Ik voor mij vond, dat er voor iemand van zijn vak dringender
plichten konden zijn dan een familie-dejeuner; ik dreigde, ik drong
er op aan gehoord te worden, en dwong hem met mijn kaartje binnen te
gaan, hetgeen zeer onwillig, zeer schoorvoetend geschiedde; de trouwe
man wist misschien beter dan ik kon vermoeden, welke inspanning zijn
heer, nà zulke stonde verpoozing, wachtte; genoeg, mijn aanhouden
zegevierde over zijn tegenstand, ik werd ten gehoore toegelaten,
tot mijne bevreemding echter in de huiskamer waar de beroemde man
als een gewoon mensch zijn boterham zat te eten. Ik werd uitgenoodigd
mee aan te zitten en mij wat te verkwikken; straks zou men _en tête
à tête_ besogneeren. Een goed ontbijt ziende, voelde ik zelve dat ik
gespoord en gereden had, zonder aan eene behoefte te denken die zich
nu deed gevoelen; ik liet mij niet lang nooden en nam de plaats in
die mij geboden werd tusschen twee dames van leeftijd, die mij werden
voorgesteld als des dokters zuster en hare vriendin. Daar het mij
volstrekt onverschillig was hoe de vriendin van juffrouw D. heette,
en ik niet voornemens was mijne geheimen aan de ontbijttafel uit te
storten, bekommerde ik mij niet over die onwetendheid, en toch de
dame, die mij met hare scherpe doordringende zwarte oogen voortdurend
gadesloeg, begon mijne nieuwsgierigheid te prikkelen. Zij scheen van
eene opgewekte levendige natuur en railleerde zeer aardig over personen
en zaken van den dag; haar oordeel kwam mij voor heel helder te zijn,
maar onbarmhartig. Hare geestigheid had iets bitters en inhumaans,
dat ik geen recht had haar te verwijten, omdat ik zelf juist zoo
zacht niet ben uitgevallen als het de dwaasheden en de gebreken
mijner medemenschen geldt; maar hoe dat ook zij, het prikkelde mijn
strijdlust; van _repartie_ tot _repartie_ liep het bijkans op een
twist uit en...."
"Daar heb je 't al!" riep de generaal; "die oude juffrouw zal zeker
een vriendin van freule Sophie zijn geweest, en het werd aan deze
niet op de vriendelijkste manier overgebriefd."
"Wees niet zoo voorbarig, grootpapa! Gij neemt de _pointe_ van mijn
relaas af eer het er aan toe is; het was tante Roselaer zelve met
wie ik dus in discussie was geraakt; zij, de slimme feeks, wist wie
ik was en had mij, naar ik dacht, zoo eens willen schatten. Zij had
de _malice_ gehad van haar eigen naam en persoon in 't gesprek te
mengen en scheen mijn opinie daarover te willen uitlokken. Voor die
verzoeking echter bezweek ik niet. Ik viel in met de mededeeling,
dat mijne familie aan freule Roselaer geparenteerd was en dat ik,
meer dan mij lief was, gehoord had van de vijandelijke stemming der
familieleden onder elkaar, maar dat ik mij toch niet gerechtigd achtte,
over eene dame die ik niet kende met eene andere die mij niet eens
bij name bekend was te railleeren, allerminst omdat ik het deloyaal
achtte eene vijandin te bestrijden achter haar rug."
"Ik dacht niet dat freule Francis Mordaunt zoo bang was voor een duel,"
werd mij toegevoegd.
"Integendeel!" viel ik uit, "het duel is eene onmisbare zaak in eene
maatschappij als de onze, het is eenigermate een veiligheidsmaatregel
tegen leugen en laster. Als ik freule Roselaer in persoon had ontmoet,
zou ik haar mogelijk mijn cartel zenden." Die wakkerheid scheen de
andere te voldoen. Zij gaf toe dat ik gelijk had en dat zij maar een
spiegelgevecht had willen uitlokken, omdat zij van mijne uitvallen
had gehoord. Het compliment werd gereciproceerd; dokter D. en zijne
zuster schenen daarbij niet op hun gemak te zijn; de eerste hief de
séance op, mij uitnoodigend hem in zijn kabinet te volgen. Toen ik hier
had afgedaan en mij wilde verwijderen ontmoette ik de mij nu bekende
dame in de vestibule; zij vroeg mij of ik haar een eind weegs wilde
vergezellen; zij had nog een bezoek te brengen bij een vriend, waar
het rijtuig haar zou komen afhalen. Ik gaf toe aan haar verlangen,
maar eenmaal wetende met wie ik te doen had, was ik op mijne hoede,
en dat gaf zekere strakheid, vooral toen ik op hare noodiging om een
dagje bij haar door te brengen, een afwijzend antwoord gaf.
"Dat was onbeleefd en onvoorzichtig!" viel de generaal in met een
hoofdschudden.
"Ik meende geheel in uw geest te handelen, grootpapa! door als excuus
aan te voeren, dat ik geen uur langer te Utrecht kon blijven dan de
schikkingen die ik te treffen had noodig maakten."
"Als de generaal u zóó slecht missen kan, is het gelukkig voor hem
dat gij niet trouwt," voegde zij mij toe; "of heb ik het mis, en is
er reeds een pretendent?" ging zij voort, mij met hare scherpe zwarte
oogen aanziende of zij tot mijn binnenste wilde doordringen.
Het antwoord dat ik haar geven kon was, zooals gij wel raden kunt, bon
papa! zeer geruststellend voor u," voegde Francis er met een ondeugend
glimlachje bij; "hoe zij het opvatte weet ik niet, want wij raakten
op dat oogenblik in een moeielijk parket. Een troepje jongelui van
die soort, die meer op de sociëteit studeert dan in de collegiekamer,
kwam arm in arm gestrengeld op ons aanhorten, onder niet al te vleiende
toespraak, hetzij freule Roselaer in Utrecht eene bekende en weinig
beminde persoon was, hetzij iets in haar of in mijn voorkomen den
spot- of plaaglust opwekte dier onwaardige muzenzonen. Waarheid is,
dat haar hoed eenige modes ten achter was, en de mijne ook niet naar
het laatste plaatje; daarbij zij met haar ouderwetschen _boiteux_,
ik met mijn regenmantel, beiden zonder crinoline; zij, omdat haar
leeftijd haar ontsloeg aan zulke dwaasheid mee te doen, ik, omdat ik
nooit iets navolg dat ik belachelijk vind en niet verkoos mij door
een cage te laten omsluiten, zagen wij er, ik moet het erkennen, niet
uit als zulke élégante dames, die voor diergelijke jongelui genoegzaam
_attraits_ hebben om hunne courtoisie uit te lokken. Toch hadden ze ons
gemis aan élégantie, dat hen niet deerde, als eene zeer verschoonlijke
fout kunnen overzien en ons ongemoeid laten voorbijgaan, maar het
omgekeerde scheen hun meer piquant. Zij stelden zich in onzen weg,
sloten een kring om ons heen onder het toewerpen van allerlei ongepaste
benamingen, waarvan "ohé! slappe juffrouw!" "ohé! _mamsel boiteux!_"
en "hoed! hoed!" nog de minst onwelvoegelijke waren. Ziet gij, neef
Leo! ik ben geen prude, die een vies mondje trekt als zij een hartig
woordje zou moeten spreken: _je nomme un chat, un chat_, als het er
op aankomt, maar lafheid en zoutelooze aardigheden ergeren mij op het
hoogste, vooral van jongelieden uit den zich noemenden beschaafden
stand. Ik verkoos hier geen lijdelijk slachtoffer te blijven, en ware
ik alleen geweest, ik had er mij met mijne parapluie onder den arm
wel doorgewerkt, maar ik mocht eene dame van tantes leeftijd niet
blootstellen aan hunne represailles. Gij zegt altijd, grootpapa,
dat ik zoo onbesuisd te werk kan gaan als men mij driftig maakt, en
ik beken het gaarne, daar is wat van aan; maar in dezen verdien ik uw
lof. Ik bleef uiterlijk kalm tegenover hen staan, trof hen niet dan
met den gloed mijner verontwaardiging die uit mijne oogen lichtte,
en begon hen dapper de les te lezen over de weinige humaniteit die
zij, wetgevers, litteratoren en theologanten in dop, betoonden jegens
personen die hun niets in den weg hadden gelegd. Ik zei hun ronduit
dat zij zich schamen moesten over zulke manieren, die men op zijn best
in _gamins_ kon verschoonen; enfin, ik weet niet recht meer de juiste
termen die ik gebruikte bij mijne allocutie; maar het bleek dat zij
doel troffen. Enkelen dropen zwijgend af, anderen weken beschaamd ter
zijde, een hunner zelfs begon zijne excuses te maken en bood zich
aan, ons geleide te geven tot onze woning, eene hoffelijkheid die
wij dankelijk afsloegen, zooals gij denken kunt; daarbij hadden wij
maar eene straat over te steken om bij den notaris van Beek te zijn,
waar de freule wezen moest; zij dankte mij met zekere warmte voor mijn
bijstand, prees mijne kloekheid en tegenwoordigheid van geest, doch
hield mij voor, dat zulke overwinningen op den publieken weg eigenlijk
niet te pas kwamen voor eene jonge dame van mijn stand. "_Encore une
victoire et me voilà perdue!_" antwoordde ik lachend. "Het ware zeker
welvoegelijker geweest, zoo ik het op mijne zenuwen had gekregen,
maar aan die farces doet Francis Mordaunt niet!" en hierop scheidden
wij. "Had ik geweten, grootpapa! dat mijn relaas u zoo zou geamuseerd
hebben als ik nù zie, dan zoudt gij het al drie maanden eerder gehoord
hebben, maar ik vreesde dat het u slechts verbitteren zou, dat ik
met tante Sophie in aanraking was gekomen, en daarom zweeg ik er van."
"En daarna nooit weer iets van de freule Roselaer vernomen?" vroeg
von Zwenken met eene verdrietelijke uitdrukking op het gelaat.
"Neen, maar ik heb toch een vermoeden dat zij mij heeft willen
verplichten. Hetgeen mij nog te Utrecht ophield, waren schikkingen
die ik had te maken om de goede verpleging van mijne patiënte te
verzekeren. De geldkwestie was ook in dezen hoofdzaak, zooals dokter
D. mij had doen inzien. Welnu, in den loop van den dag kreeg ik een
briefje van hem, waarin hij mij berichtte, dat dit bezwaar voor mij uit
den weg geruimd was door een zijner vermogende vrienden, die onbekend
wilde blijven en geen dank verlangde. Ik onderstelde dat die onbekende
mijne nieuwe kennis was van dien morgen, en ik verzuimde niet in den
aangegeven toon het billet van den dokter te reciproceeren. Ziedaar,
grootpapa! wat er is van mijne kennismaking met oudtante Sophie, en
waarom het mij eenigszins verwondert, dat zij naar uwe onderstelling
ook mij in haar wrok tegen de familie heeft begrepen."
De generaal fronste het voorhoofd en mompelde tusschen de tanden:
"Och van dat wijf kan men alles verwachten."
Maar voor mij was deze mededeeling een lichtstraal. Tante had haar
testament veranderd na dit voorval, een paar maanden voor haar dood,
in 't _belang van Francis_ en _niet_ om zich te wreken, dit bleek mij
duidelijk; zij had zoo nauwkeurig naar mij geïnformeerd om mij tot haar
mandataris te maken, en ik begreep nu beter dan ooit, dat ik Francis
moest winnen, moest trouwen; en ik moet u bekennen, Willem! dat die
noodzakelijkheid mij niet zoo heel hard meer voorkwam. Het is waar,
Francis had veel zonderlings, er was in haar verleden allerlei
dat mij nog opgehelderd moest worden eer ik haar met gerustheid,
met vertrouwen mijne hand kon bieden, maar toch zij had een flink
karakter, dat bleek mij uit alles; zij was geen onbeduidende nuf, geen
koud zelfzuchtig wezen, dat aan niets dan aan haar opschik dacht en
naar allerlei ijdelheid joeg. Zij had mannelijke deugden, en het kwam
mij voor dat zij zekere vrouwelijke gebreken miste; maar hare zucht
tot onafhankelijkheid, hare zelfgenoegzaamheid zouden mij geducht in
den weg staan bij mijn veroveringsplan, dit zag ik reeds nu in. Den
generaal tot bondgenoot nemen, die zich daartoe wel zou leenen, indien
hij alles wist, was zeker de zaak verkeerd aangrijpen. Ik had liefst nu
op ditzelfde oogenblik volkomen oprechtheid willen gebruiken en tante
Roselaer gerechtvaardigd, die het waarlijk zoo kwaad niet met Francis
had gemeend; maar ik kon mij nog niet voorstellen veel bij Francis
gewonnen te hebben, en als ik dan na die gulle bekentenis eens een
even gul antwoord ontving, dat mij van alle verdere moeite ontsloeg,
wat dan? Wat moest er dan van dien ongelukkigen grijsaard worden
en van Francis zelve? Neen, ik moest eer ik sprak eenige zekerheid
hebben dat ik mijn pleidooi zoude winnen; ook eenige zekerheid voor
mij zelven, dat ik geen zaak aanvaardde die vooruit verloren was;
maar al ware ik tot het besluit gekomen om eens eene eerste poging
te wagen, het goede moment daarvoor was verloopen. Frits kwam op een
drafje naar ons toe en zei tot Francis, na zijn gewonen militairen
groet: "Freule! de kapitein laat vragen of u wel aan de saus voor
de pudding denkt, en of de freule den sleutel wil geven voor de
provisiekamer? want er is nog geen dessert klaargezet."
"Heel goed, Frits! zeg aan den kapitein dat ik voor alles zal
zorgen." Toen tot mij: "Excuseer mij, Leo! plicht gaat vóór genoegen,
en mijn waardige adjudant herinnert er mij aan, dat ik nog keukendienst
heb." Meteen vloog zij op en was in een wip uit mijne oogen.
"En voor mij zal het tijd worden om een weinig toilet te maken,"
sprak de generaal opstaande. "Ik dineer nooit in mijne kamerjapon,
tenzij bij ongesteldheid; gij, neef! zult mogelijk uwe logeerkamer
wel willen zien? Holà Frits! Frits!"
Frits, die met deftigen militairen stap Francis volgde, was nog
genoeg in de buurt om de stem van zijn meester te hooren en keerde
tot ons terug.
"Frits! weet jij waar de jonker logeeren moet?"
"Zeker generaal! Ik heb de reistasch van mijnheer al boven gebracht."
"Zoo! hadt gij een reistasch bij u?" vroeg de generaal met een
glimlach, mij met eenig opzet aanziende.
"Wat zal ik u zeggen oom! Was het al te onbescheiden, bij goede
ontvangst op een paar dagen gastvrijheid te rekenen?"
"Wel, volstrekt niet, mijn jongen!" viel hij met gulheid uit; "en wat
mij aangaat, wat afwisseling is mij zeer welkom; alleen zie dat je
't met Francis...."
"De freule heeft mij opgedragen Jonker van Zonshoven zijne kamer te
wijzen," sprak de trouwe Frits, als om zich te verontschuldigen dat
hij ons volgde.
"Dat's juist wat ik je ook had te zeggen. Leo, verschoon me zoo ik
niet zelf de trappen met je oploop," en hiermede scheidden wij, daar
wij in de groote vestibule waren gekomen en Frits mij voorging links
af, een breede eikenhouten trap op, die naar de eerste verdieping
voerde van den linkervleugel, juist die welke mij had toegeschenen
in niet zeer bewoonbaren staat te zijn; toch was het eene ruime,
oogenschijnlijk goed gemeubelde kamer, die Frits voor mij opende, waar
een groot ouderwetsch ledikant met rood moré gordijnen mij het eerst
in 't oog viel. Overigens moest ik mij eene wijle aan de duisternis
gewennen die er heerschte, eer ik onderscheiden kon met welke soort van
behangsel het vertrek gestoffeerd was, want zeker uit gewoonte had men
van de drie hooge ramen slechts een der blinden opengemaakt, en nog wel
slechts ten halve; ook toen Frits vroeg of ik nog iets had te belasten,
wees ik op die bijzonderheid en gelastte hem wat licht te maken.
Hij verroerde geen vin en bleef stokstijf staan, terwijl hij sprak:
"Jonker! de freule heeft gezegd dat de blinden gesloten moeten blijven,
anders komt er te veel licht.... want er zijn geen gordijnen...."
"O! dat zegt niets, doe maar open."
"Ja maar, ook om de tocht, want, ziet u, omdat er nooit logés komen,
is dat bij ongeluk vergeten, en, maken gaat nu zoo gauw niet.... hier
op het dorp is geen glazenmaker."
Ik begreep hem: er waren wel wat veel ruiten stuk. "Nu, dan is het
goed, Frits. Ik zal mij behelpen met het licht van dit eene raam,"
en ik liet den goeden man gaan, wiens trouw aan de zaak zijner
meesteres uit zijne verlegenheid sprak. Het eene blind, geheel
geopend, liet genoeg licht door, en de enkele ruit die er stuk was
had men zorgvuldig met wit papier beplakt, zoodat het niet te veel
tocht doorliet. Het bleek mij nu dat er een geschilderd behangsel
was, in vakken verdeeld, met vergulde baguettes omlijst, terwijl
de _boiseries_ en de _dessus de porte_ mede geschilderd en verguld
waren, alles _style Louis XV_, maar kennelijk door geene meesterhand
uitgevoerd, en sinds zonder eenige zorg voor het onderhoud aan vocht
en bederf overgelaten, die er dan ook alle denkbare schade aan hadden
toegebracht, in vereeniging met ratten en muizen, die hier en daar
gaten in het doek hadden gebeten. Met de meubels was het eveneens
gegaan. Het rood damast en de zijden koorden en kwasten van eene
prachtige sofa, die in een hoek stond, was niet slechts verbleekt,
maar op menige plek zoo verscheurd en versleten, dat het paardenhaar
er door kwam; daarbij waggelde zij op drie pooten, terwijl er van de
hooge, antiek gebeeldhouwde stoelen, eveneens met roode zijde bekleed,
niet één was waar men met volkomen gerustheid op kon gaan zitten;
daarentegen stond een tafel met een marmeren blad zoo goed op zijn
drie berenpoten met vergulde klauwen, of hij u uittarten wilde hem te
verzetten; maar het blad zelf was overal gebarsten en miste hier en
daar stukken uit het mozaïk ornament dat eene ster moest voorstellen.
Tegen deze prachtige maar verwaarloosde antiquiteiten vloekte een
hoogst eenvoudige moderne waschtafel, van grijs geschilderd hout, met
lichtgroene randen, die hier zeker _à mon intention_ was neergezet,
vlak onder een ovalen spiegel in rococostijl, die echter zooveel
geleden had van den invloed der vochtige dampen, dat hij geheel
onbruikbaar was. Gelukkig had ik een zakspiegeltje in mijne tasch,
dat mij voldoende hulp verleende om mij een weinigje op te knappen
voor het diner, sinds ik gehoord had dat de generaal aan die étiquette
hechtte; Francis had mij gewaarschuwd dat er een etensbel werd geluid,
en dat men stipt op het appèl moest zijn, wilde men den Generaal
en zijn staf! geene ergernis geven. Ik was in een oogwenk gereed,
en daar ik mijne kamer niet nauwkeurig behoefde rond te kijken om
te weten dat zij het symbool was van de gansche Werve: _Vervallen
Grootheid_, verkwikte ik mij met het heerlijke uitzicht dat men genoot,
reeds uit het eene raam dat met schik kon geopend worden. Heenziende
over den vijver rondom het kasteel, die bijkans tot een moeras was
uitgedroogd, breidde zich een prachtig Geldersch landschap voor het
oog uit. Rechts op eenige minuten afstands, lag de ruïne van het
alleroudste kasteel die ik mij voornam eens te bezoeken. Er stond
nog een zware, vierkante toren, die bewoonbaar was.... voor kraaien
en uilen, welke daarvan zeer dapper gebruik maakten; de bogen die
vroeger de gekleurde glasruiten hadden omsloten, waren nog in hun
geheel; guirlandes van klimop wonden zich er om heen, dat nu met
de lente aanving nieuw blad te maken. Het moest eene statige ruïne
zijn, die ik mij zou aantrekken om haar in wezen te houden als mijne
rechten op de Werve eenmaal verzekerd waren. Want ondanks alles kon
ik niet nalaten, het kostbare landgoed aan te zien met de oogen van
een aanstaanden eigenaar. Ik was het reeds in zekeren zin, en niets
kon mij hinderen het te aanvaarden als.... Francis maar wilde.... Daar
luidde de etensbel; ik haastte mij aan de noodiging te gehoorzamen. Ik
was zeer nieuwsgierig hoe Francis er uit zou zien als zij een weinig
toilet had gemaakt, hetgeen te onderstellen was uit de exigenties
van den generaal; maar tegelijk zou ik er voor mij zelf een goed
voorteeken in zien, na ons gesprek van dien morgen.
De generaal was reeds gezeten, en wees mij de plaats naast hem aan
de langwerpig vierkante tafel, een meubel dat zeker al diensten had
verleend onder het souvereine beheer van oud-tante Sophie, zonder
iets van zijne soliditeit te hebben verloren, en waaraan met gemak
een twintigtal gasten had kunnen plaats nemen, en wij zouden met ons
vieren zijn! Ik stelde mij de gezelligheid voor van een groote table
d'hôte, waaraan men met zijn vieren dineert. De kapitein, ook present,
nam zijne plaats in over mij, en Francis, die in zekere gejaagdheid
kwam binnenstormen, zette zich naast hem neer! Daar zat zij dan in
dezelfde verflensde pensée blouse, die al terstond haar rijkleed
had vervangen, de prachtige lokken met meer haast dan bevalligheid
in een koordzijden net gestopt, dat zwaar neerhing onder dien rijken
last. Een verkleurd sjaaltje was losjes om den hals geknoopt, als om
diens slanken vorm en blankheid te verbergen, zelfs het eenvoudige
heldere boordje ontbrak, dat dit genegligeerde toilet nog eenige
frischheid had kunnen bijzetten. Zeker, ik had niet kunnen verwachten
dat zij zich in dit oogenblik als eene prinses in een tooverballet
zou hebben opgesierd; maar dat volslagen afwezen van alle coquetterie
scheen mij van zoo slechte beduidenis, dat ik, na haar even te hebben
aangezien, den blik teleurgesteld en ontmoedigd van haar afwendde. De
ondeugende moet iets van die misrekening hebben opgemerkt, want een
malacieus glimlachje plooide zich even om haar mond, terwijl zij haar
levendige blauwe oogen uittartend op mij richtte, als had zij mij
willen zeggen: "Reken er op dat het mij niet schelen kan hoe gij mij
vindt!" Overigens wijdde zij zich aan hare plichten van gastvrouw met
voorbeeldigen ijver en groote bedrevenheid. Zij diende de soep voor,
sneed de vleeschen en zorgde zelfs voor schoone borden, daar Frits
zijn zaak als afgedaan scheen te beschouwen, zoodra hij de gerechten
had opgebracht. De beide heeren, en ik op hun voorbeeld, moesten zich
lijdelijk schikken naar deze tafelorde, en zoo had zij het dan ook druk
genoeg. Maar.... een middagmaal voor drie, met een onverwachten gast
meer en buiten op een afgelegen kasteel, bij lieden die zelf bekennen:
"_qu'ils sont pris au dépourvu_," en die daarenboven in _gène_ leven,
kon toch zooveel dienens niet eischen, zult gij zeggen; en gij zoudt
gelijk hebben, want ik zelf had het mij zoo voorgesteld, maar op de
Werve gaat alles.... zooals het niet gaan moest, althans zooals men
het niet had kunnen wachten.
Werkelijk was het niet dan hun gewone tafel, en toch was er een
overvloed en eene verscheidenheid van spijzen en zulke jacht op
delicatesse, dat het zeer goed voor een fijn diner kon passeeren. Wij
hadden, behalve de soep en een gerookte runderrib, fijne geconserveerde
groenten, "het surrogaat van de primeurs," zooals de generaal zich
uitdrukte, nog patrijzen in gelei, een schotel _poulet au riz_,
waarmee wij ons maal hadden kunnen doen, en jonge kropsalade met
gebakken paling, waarvan de kapitein lachend vertelde "dat hij hem
in de fuik was geloopen, expresselijk om mij te fêteeren."
Voor plat-doux een pudding met de fameuse saus, in welks belang Francis
zelve naar de keuken was opgeroepen, en voorts een compleet dessert.
De verschillende wijnen, die de kapitein, permanent tot schenker
gepromoveerd, met al te veel gulheid en snelheid elkander deed
opvolgen, voltooide die tafelweelde. Zij waren van de fijnste merken,
en onze gastheer zoowel als zijn _aide de camp_ zorgden wel dat ik
deze bijzonderheid niet overzag. Met kennelijke voorliefde werden mij
de kwaliteiten en de jaartallen der extraatjes aangewezen, en hoewel
ik mijn best deed om niet al te veel onverschilligheid te toonen en
mijne soberheid te verontschuldigen met de gewoonte van onthouding,
die ik mij van jongs aan had eigengemaakt, zag ik wel dat mijn gebrek
aan geestdrift op dit punt hen eenigszins teleurstelde.
Aan die luxe der spijzen beantwoordde echter noch het servies,
noch het tafellinnen. Het eerste, Fransch porselein, uit hetzelfde
tijdperk als de meubelen en 't goudleer behangsel, had blijkbaar veel
aanstoots geleden van de ruwe hand des tijds of der bedienden, en was
niet slechts gekramd, maar ook niet meer voltallig, en 't ontbrekende
was vervangen door gewoon aardewerk, hetgeen den luister en helaas! ook
de leemte van het geheel te sterker deed uitkomen. Het groote damasten
tafellaken, dat het huwelijk van eene Spaansche infante voorstelde,
had zeker dezelfde dienstjaren als het servies; het was keurig fijn,
maar versleten, en niet altijd met goed geluk gerepareerd; en wat het
zilver betrof, uit zekere wenken door Francis met de heeren gewisseld,
uit de haast waarmee ze de gebruikte vorken en lepels naar de keuken
zond en terug liet brengen, bleek het duidelijk dat er geen vol dozijn
aanwezig was; daarentegen was er overvloed van keurig glaswerk, waarop
de kapitein mij attent maakte, als vreesde hij dat deze bijzonderheid
mij zou ontgaan, terwijl hij er bijvoegde: "Ik voor mij hecht niet
aan al die fraaiigheid. In den tiendaagschen veldtocht heb ik bier
gedronken uit een melknap en champagne uit boeren theekommetjes,
en het smaakte er mij niet slechter om."
"Mits de kommetjes maar niet te klein waren," vulde Francis aan.
"Maar de generaal," ging Rolf voort, zonder de hatelijkheid te
releveeren, "de generaal is zoo gesteld op alles wat exquis is, dat
hij liever geen _IJquem_ zou drinken, als hem geschonken werd uit
een schellings glas! en daar onze majoor.... ik wil zeggen de freule
oppergebiedster, steeds eene verregaande onverschilligheid toont op
dit punt, heb ik mij eens en voor altoos belast met de zorg om het
buffet van Zijne Excellentie in goede orde te houden."
Ik kon niet anders dan hem een compliment maken over zijn _zêle_ in
dezen, maar toch was er iets in de wijze waarop hij soms den generaal
zijn titel gaf, dat mij niet beviel, iets sarcastisch dat den grijsaard
treffen moest, naar ik mij voorstelde, hoewel deze zich hield of de
speldeprik hem niet raakte. De inferioriteit van zijn middelen bij
zijne superieuren rang, die vermoedelijk de heimelijke jaloezie opwekte
van zijn voormaligen krijgsmakker, werd hem dus voelbaar gemaakt op
eene wijze waarbij elk ander met verontwaardiging zou zijn opgesprongen
of zich door een scherpe repartie hebben gewroken; maar het scheen dat
aan von Zwenken daartoe geest- of wilskracht ontbrak, of dat hij uit
rustliefde het hoofd daaronder boog en de lichte kwetsuur ontveinsde.
Francis daarentegen was meer fijnvoelend en gansch niet gezind zulke
lankmoedigheid te oefenen; ook liet zij niet na telkens represailles
te nemen op eigenaardige wijze.
"Foei, kapitein!" viel zij in, "gij moet dat niet zoo aan de klok
hangen, dat gij hier foeriersdienst doet! Zijt gij misschien bang
dat Jonker van Zonshoven niet zal opmerken hoe gij u verdienstelijk
maakt! Maar ziet gij, als iedereen hier zich wilde getroosten mijn
régime te volgen en zich wist te vergenoegen met ons kristalhelder
bronwater, dan zouden al die ijver en zorg voor kelderprovisie en
kostbaar drinkgeschir overbodig zijn."
Werkelijk had ik opgemerkt dat Francis niets dan water dronk en dat er
op dit punt tusschen haar en den kapitein meermalen een geheimzinnig
gebarenspel plaats vond, waarna hij telkens met kennelijk verdriet en
teleurstelling zich onthield. Nu geprikkeld door haar rechtstreekschen
aanval, viel hij uit: "Precies, freule! daartoe zoudt gij het graag
willen brengen, opdat welhaast keldermeester en foerier zelf als
overcompleet op retraite kon worden gesteld, en dan zou het hier de
volmaaktheid wezen, niet waar?" eindigde hij met eene mengeling van
bitterheid en weemoed, waarbij zijne lippen trilden.
"Gij weet wel dat het zoo niet gemeend is, kapitein!" gaf Francis
ten antwoord met zekere norschheid, waarin toch goedhartigheid den
boventoon had. "Gij weet wel dat wij u hier niet kunnen missen, en
dat ook niet wenschen, al blijf ik er bij dat het ons allen goed zou
zijn zekere overdaad te besnoeien."
"_Le luxe c'est le nécessaire_," verzuchtte von Zwenken. "Mij ten
minste, dat wil ik wel erkennen, neef!" ging hij voort, tot mij gewend;
"en ongelukkig is Francis dat in 't geheel niet met mij eens; of 't
al niet erg genoeg ware, hier op de Werve in volstrekte afzondering
te leven, zou zij mij ook wel willen beduiden, dat ik het recht niet
meer heb op eene tafel naar mijn smaak en rang, sinds ik mijn pensioen
heb genomen."
"Het recht daarop, grootpapa! betwist ik volstrekt niet," viel Francis
in met een pijnlijken glimlach; "alleen...."
"Als we onzen commandant in dezen lieten begaan," hervatte kapitein
Rolf met eene poging om door scherts eene afleiding te maken, "dan
zoudt gij zien, dat wij welhaast op half rantsoen gesteld werden. Zij
verbeeldt zich altijd dat de Werve eene omsingelde vesting is, die
een hard beleg zal hebben uit te staan, en dat men niet spaarzaam
genoeg kan zijn met de vivres, alsof zij niet een actief adjudant had,
die er goed slag van heeft om de noodige fourage binnen te brengen."
"Ik ontzeg u zoomin goeden wil als behendigheid, kapitein!" hernam
Francis, zijne intentie steunende; "ik zeg alleen: men moet met de
krijgskas te rade gaan, en dan...."
"Ah bah! wij hebben een Minister van Oorlog die het zoo uitmuntend
met de Kamer kan vinden, dat er een schitterend budget te gemoet
wordt gezien," viel de kapitein in; "ik verwed er mijn eerste
luitenants-pensioen onder, dat er met nieuwjaar voor hoofdofficieren
verdubbeling van tractement en verhooging van pensioen is te wachten."
"Zoudt ge 't waarlijk denken, Rolf?" vroeg de generaal met eene naïeve
levendigheid, die ons allen glimlachen deed.
"Wel zeker, Uwe Excellentie! en als de Majoor mij dan maar met de
administratie laat begaan, sta ik er voor in, dat er nog wel een
toertje naar Wiesbaden op over zal schieten."
Het diner had den generaal wat geanimeerd; reeds waren zijne bleeke
wangen meer gekleurd en stonden zijne oogen minder dof; nu schenen ze
op eens als van onnatuurlijken gloed te schitteren; het bloed steeg
hem naar het voorhoofd en de aderen zwollen op.
"Nu, kapitein," ving hij aan, "als gij dat mirakel wist te
bewerken...."
Maar plotseling zweeg hij, verbleekte en sloeg de oogen neer voor
den scherpen, bestraffenden blik, dien Francis hem toewierp, terwijl
zij inviel:
"Dankje kapitein, ik houd niet van kunstmiddelen, en mijn grootvader
is niet meer van den leeftijd om te reizen...."
"Dat zoudt gij wel beter zien, Majoortje, als wij maar eens
zoo ver waren.... want gij zoudt het bataillon toch wel willen
begeleiden...." plaagde Rolf.
"Dat zou een waar genot voor me zijn, het toezicht te houden over
een paar groote kinderen, die niet wijs genoeg waren om alleen te
loopen...." beet Francis hem toe, maar op gedempten toon, zoodat de
generaal bij zijne hardhoorendheid de woorden niet verstond; doch
hij raadde den zin, en zich tot mij keerende sprak hij wrevelig:
"Mijne kleindochter heeft de manie om mij altijd ouder en zwakker voor
te stellen dan ik werkelijk ben," en in één teug ledigde hij zijn glas,
dat de kapitein onverwijld weer vulde, terwijl von Zwenken voortging:
"niet om mijn ouderdom, maar om haar drijven heb ik mij uit den
dienst teruggetrokken!"
"Grootpapa!" sprak Francis gekrenkt, maar toch met kennelijke
zelfbeheersching, "ik zou daar veel op kunnen antwoorden.... zoo wij
alleen waren, maar, wij zijn _niet_ alleen en het is beter dit chapitre
maar te laten rusten, dat alles behalve amusant is voor neef Leopold."
"En ik moet Zijne Excellentie herinneren, dat wij nog niet eens de
gezondheid gedronken hebben van onzen gast...." viel de kapitein in,
zichtbaar in onrust over de wending die het discours had genomen.
Ik voor mij dacht aan de uitspraak, dat een droge bete en rust daarbij
beter is dan een huis vol geslachte beesten met twist.... en tegenover
hunne délices herinnerde ik mij de spinasie van mijn kok met slechte
boter en een dor stukje vleesch en de kalmte die ik daarbij genoot
in mijne eenzaamheid; maar toch gaf ik Francis in mijn hart gelijk
dat zij zich ergerde aan een overdaad en verfijning van tafelgenot,
die zoo weinig voegde bij dit in puin zinkend huis.
De toast, door den kapitein als _pare-tonnerre_ voorgesteld, bleef
toch niet achterwege.
Ik moest mij dit laten welgevallen en mijn glas aan de lippen brengen,
ware 't ook alleen om de goede intentiën van Rolf te steunen. Francis
knikte mij vriendelijk toe, legde met zekere drift hare hand op den
arm van den kapitein, die deze gelegenheid wilde aangrijpen om haar in
te schenken, en achtte zich nu gerechtigd op te staan, daar zij geen
deel wilde nemen aan het dessert, ondanks het wrevelig hoofdschudden
van den generaal; zij schelde Frits, die sigaren presenteerde, en
trok zich terug in de _suite_, waar ik haar, juist omdat ik vlak
tegenover den spiegel zat, kon gadeslaan, zonder dat zij het bemerkte.
Zij wierp zich in een hoek van de breede oud-modische canapé en wrong
beide handen boven haar hoofd samen, terwijl zij zich de lippen verbeet
om geen kreet te slaken. Door de snelle en forsche beweging, waarmee
zij het hoofd liet neervallen, gleed het zijden net af, en de zware
lokken vielen weer in vollen rijkdom neer over hals en schouders,
bijkans tot op den grond; zij scheen het niet te bemerken, maar bleef
in dezelfde houding liggen met gesloten oogen en samengeklemde lippen,
een beeld der diepste mismoedigheid; ik wendde mijn blik niet van haar
af, terwijl ik voorgaf naar den kapitein te luisteren, die nu eerst
recht op zijn praatstoel geraakte en mij een glorieus tafereel ophing
van zijn krijgstocht naar Hasselt en Leuven, waarbij hij de Willemsorde
verdiende, en dientengevolge in lateren tijd tot den luitenantsrang
werd bevorderd; hij had een geduldig, maar niet zeer opmerkzaam
toehoorder in mij, terwijl de generaal zachtjes aan indommelde, als
onder het snorren der kogels en den kruitdamp van de _mélée_, waarbij
Rolf zijne lauweren won, en die hij zoo plastisch mogelijk voorstelde.
Francis lag daar intusschen kennelijk worstelend in een zwaren
innerlijken strijd, die voor mij veel meer beteekenis had dan de
heldendaden onzer dapperen, die al dertig jaren in 't verleden
lagen. Juist toen Rolf een Belgisch vaandel aan flarden reet en een
hoop "muiters" op de vlucht joeg, scheen de zielesmart van Francis
tot haar hoogste punt gekomen; zij barstte in tranen uit, en hield
haar zakdoek voor 't gelaat, als om haar snikken te smoren. Ik kon
het niet langer uithouden; gekomen in het vaste denkbeeld dat ik
eene Xantippe zou moeten temmen, zag ik meer en meer in, dat er een
slachtoffer was te redden. Ik liet den kapitein aan de oude cognac,
die hij zeide noodig te hebben tegen de verkoeling van de vruchten,
zag even naar den generaal, die de hoorbare bewijzen gaf van de
diepste ruste, en liep met zachte, snelle schreden naar Francis toe,
terwijl ik mijne sigaar wegmoffelde.
Snel hief zij zich op, blijkbaar wat onthutst door mij in hare
mismoedige bui verrast te worden; maar zij hervatte terstond haar
_aplomb_.
"Gij kunt gerust rooken, neef, als gij met mij praten wilt," voegde
zij mij toe, met eene poging om te glimlachen.
"Dat is mijne gewoonte niet tegenover...." dames mocht ik niet zeggen,
ik bleef in mijne phrase steken.
"Kom! gekheid, zoo'n nuf ben ik niet, dat weet gij nu wel. Wilt gij
dat ik koffie voor u zal zetten? De heeren dáár gebruiken die niet,
zij blijven rooken en drinken tot dat...."
Op hare beurt was zij wat verlegen om te voleinden, dus viel ik in:
"Ik wil niets dan een oogenblik vertrouwelijk met u spreken; gunt
gij mij dat?"
"Wel zeker, dat zal mij pleizier doen; neem dien fauteuil en ga over
mij zitten, dat praat het gemakkelijkst."
Ik volgde hare aanwijzing en zij ging voort:
"Zeg me allereerst of gij nu begrepen hebt, waarom ik hier geen gast
wil hebben?"
"Zoo ongeveer.... ik onderstel dat gij vereenvoudiging wenscht, die
de heeren niet goed vinden, en den omslag dien gasten noodzakelijk
maken liefst wilt vermijden."
"Nu, voorwaar! gij zult niet weer eerst raden, dat's slim van u, dàt
uitgevonden te hebben na 't geen gij hier reeds hebt bijgewoond!" en
de ondeugende lachte mij helder uit; maar zij was weer in goede
luim geraakt, en dat was altijd iets; hetgeen ik giste durfde ik
niet uitspreken.
"Ik zie wel, ik moet u zelve op de hoogte brengen, anders komt gij
er niet. En dàn studeeren de mannen voor rechters en advocaten! en
zien niet verder dan hun neus lang is! Wat Shakespeare gelijk had,
dat hij Portia gebruikte om een pleidooi te winnen, waarbij het op
menschenkennis en scherpzinnigheid aankwam."
"Ondanks mijn respect voor Portia en mijne bewondering voor
Shakespeare, moet ik u toch doen opmerken, dat ik _niet_ heb
gestudeerd, hoewel ik overtuigd ben dat mijn gebrek aan doorzicht in
dezen daarmee niet in verband staat."
"Niet gestudeerd! 't is waar ook, hoe komt dàt? gij zoudt mij dat
verteld hebben?"
"Dat zal ik u vertellen, Francis; maar laten we eerst van u zelve
spreken; hoe kortzichtig gij ook meent dat ik ben, toch heb ik
doorzien, dat gij niet gelukkig zijt, en dat grieft mij; schenk mij
uw vertrouwen; mogelijk vinden wij samen het middel om uit den weg
te ruimen, wat u tegen is...."
"Met de lamp van Aladin in de hand, en het _Sésame ouvre toi!_
als parool, niet waar?" sprak zij met een minachtenden lach, waarin
bitterheid school. "Neen, beste Leo, onderneem dat maar niet, gij
zoudt menschen en toestanden beiden moeten veranderen, en nòg! Neen,
vertel mij liever van u zelven; dat zal mij afleiding geven, en die
heb ik allereerst noodig. Eilieve! zie ginds die heeren der schepping,
mijn dagelijksch gezelschap, mijne eenige omgeving," ging zij voort,
even den blik naar de eetzaal wendende; "zij zijn op het hoogtepunt
van hun levensgenot gekomen, de generaal is met de sigaar in den
mond in slaap gevallen, en de kapitein heeft genoeg van zijn cognac;
hij stopt zijne groote duitsche pijp en waggelt naar de billardkamer
om in zijn eentje te smoken! Zij komen niet weer bij vóór de thee;
wij hebben een goed rustig uurtje voor ons. Kom aan, biecht eens
op," ging zij voort, nu tot mij op een gansch anderen toon dan
die van laatdunkende bitterheid, waarmee zij over "die heeren der
schepping" gesproken had, "en zeg mij waarom gij geen advocaat zijt
geworden?" Zij vestigde al sprekend hare groote blauwe oogen op mij,
met eene mengeling van belangstelling en wantrouwen, of ze mij verdacht
een gesjeesde student te zijn.
"Eenvoudig omdat mijn goede vader al te vroeg gestorven is...."
"Een _goede_ vader sterft altijd te vroeg voor iedereen," hernam zij
met een licht schouderophalen; "zelfs een slechte, die zich niet om
zijn kind bekommert, is nog een verlies; de uwe liet dus niets na?"
"Dan eene weduwe die gewoon was van een vrij goed tractement te leven,
en die nu plotseling op een pensioen werd gesteld dat slechts een
derde daarvan bedroeg. Wij bezaten niets daarnevens dan een titel
en antecedenten, die allerlei eischen stelden, waaraan wij niet meer
konden voldoen. Mijne moeder, Brusselsche van geboorte en sinds haar
huwelijk in den Haag overgeplant, voelde zich daar recht thuis, en
had zich een schrikbeeld van Leiden gemaakt, dat ik haar niet uit het
hoofd konde praten; zich bekrimpen, zich behelpen wilde ze, desnoods op
eene kamer van eene derde verdieping, maar den Haag te verlaten om te
Leiden samen te gaan wonen met mij, dat scheen haar eene ondragelijke
ballingschap. Ook wachtte ik mij wel het haar voor te stellen, want
zij zou het om mijnentwille hebben aangenomen; en zwak en teergevoelig
als zij was, kon het haar dood zijn geweest. Zij verbeeldde zich dat
ik toch wel kon blijven studeeren; zij wilde zoo graag heel zuinig
zijn voor mij, en ik had immers nooit zulke groote sommen noodig
gehad. Dat was waar. Met de bewustheid, dat er geene fortuin voor mij
was weggelegd en dat mijne ouders het hunne best konden gebruiken,
had ik altijd getracht hen het minst mogelijke te kosten, en had met
copieeren en werken voor anderen aangevuld wat er aan mijne toelage te
kort kwam. Maar nu! de kosten van tweeërlei huishouding konden niet
bestreden worden met haar schraal pensioen, zelfs al leefde ik te
Leiden zooals ik geleefd had. Er werd nu veeleer van mij gevorderd
te werken voor haar, zou zij niet allerlei lasten en ontberingen
lijden. Zoo gaf ik er de studie aan en wendde voor dat ik den lust
tot studeeren verloren had, allereerst tegen mijne moeder zelve en
hield die rol vol zelfs tegenover vrienden en academie-kennissen. Ik
wilde niet, dat men haar verwijten zoude doen, evenmin dat men mij
zoude beklagen! Ik beproefde wat ik met mijne nog weinig geoefende
talenten als auteur vermocht. Ik begon met vertalen, en de hemel
weet wat al onbeduidende romans ik op boekverkoopers-bestelling in
den kortst mogelijken tijd heb afgeleverd; intusschen klopte ik hier
en daar aan om aan een ambt of in eene betrekking te geraken, die wat
betere uitzichten voor de toekomst beloofde; tevergeefs: altijd stiet
ik het hoofd omdat ik geen Mr. voor mijn naam kon zetten. Zoo tobde ik
een tijdlang, eer ik zekere litterarische connexiën had aangeknoopt,
die mij op weg hielpen; maar toen eens mijn pseudoniem een goeden
klank had gekregen, ging het vrij goed; niet zonder inspanning,
niet zonder offers, dat is zoo, maar toch geene die mij te zwaar
vielen. Mijne moeder leed geene al te groote ontberingen, behoefde
zich niet op eene derde verdieping te verschuilen, noch aan alle
gezellig verkeer te onttrekken, en ik kon haar van tijd tot tijd
laten deelen in genoegens en uitspanningen, die haar tot behoefte
waren geworden. Toch bleek het dat hare zwakheid niet bestand was
om den schok te dragen, dien zij had moeten doorstaan; tevergeefs
trachtte zij het voor mij te verbergen dat zij leed, ik bemerkte
het aan alles dat zij de smart van haar verlies niet te boven kon
komen. Zij verviel langzamerhand tot eene diepe melancholie, waaruit
niets haar meer konde opwekken, die haar geest benevelde, hare krachten
ondermijnde, ondanks alles wat er beproefd werd tot hare herstelling,
en na enige maanden van dit aandoenlijk lijden bezweek zij, zonder in
eigenlijken zin ziek geweest te zijn. Hoezeer verblijdde ik mij toen,
dat ik haar het zwaarste offer niet had gevergd en die teedere plant
niet om mijnentwille had losgerukt uit den grond waar zij wortelen
had geschoten. Haar afsterven, reeds in den vroegen herfst des levens
zou mij dan als eene zware schuld op het geweten hebben gedrukt. Nu
had ik ten minste het mijne gedaan om haar te behouden, ik kon haar
nastaren met stille berusting, al was het met diepen weemoed. Zoo is
het gekomen, Francis, dat ik geen Mr. voor mijn naam kan zetten...."
"Nu! gij zijt er mij te liever om," viel zij onbedacht uit; "een
man die geen egoïst is en zijne ambitie ten offer kan brengen aan
de zwakheid van eene moeder, van eene vrouw, is eene zeldzaamheid;
laat mij u daarop goed in de oogen zien, Leo! om de uitdrukking van uw
gelaat in mijn geheugen te prenten; dus zal ik u in gedachten houden,
en dat zal mij goed zijn; want om de waarheid te zeggen, ik heb mijne
redenen om geen al te hoogen dunk te hebben van uwe soort."
Wonderlijk schepsel! op het oogenblik zelf, dat zij zich betuigingen
liet ontvallen die een onvoorzichtige tot eene declaratie zouden
hebben verleid, die ik althans had kunnen opvatten om er haar mee in
de war te brengen, de geweldige mannenhaatster! gaf ze mij te verstaan,
dat zij vast op mijn heengaan rekende, zonder aan weerzien te denken.
"Hebt gij dan zooveel haast om mij weg te zenden, dat gij nu al op
een afscheid peinst?" vroeg ik, haar verwijtend aanziende.
"Maar, Leo! gij hebt immers zelf wel begrepen, dat gij hier niet
blijven kunt, nu gij gezien hebt hoe het hier toegaat?"
"Wat zal ik u zeggen. Ik begrijp wel dat het voor u geen stichtelijk
schouwspel is, een paar heeren van leeftijd, die zich eene fijne flesch
goed laten smaken, maar toch, wat mij aangaat, niet zóó afschrikwekkend
om er mij terstond door te laten verjagen."
"Het kwam mij toch voor, dat gij bij exempel de uiterste matigheid
hebt gepredikt."
"Niet vreemd. Ik kan niet zoo in eens met mijne gewoonte breken,
maar als ik luxe hebben kan, zal ik er mij zoo goed in schikken als
een ander; ik zal hier wel gewennen," sprak ik koeltjes, al zag ik dat
zij van ongeduld trappelde met de kleine voeten, tot mijne verrassing
elegant geschoeid.
"Gij houdt van schertsen," sprak zij, na mij even te hebben aangezien,
kennelijk zich zelve beheerschend om niet een van die uitvallen te
doen, die de kapitein _parate executie_ noemde, "maar ik vraag u in
vollen ernst, of gij gelooft dat men de Werve bewonen kan met een
kolonelspensioen en er zulk eene tafel op nahouden?"
"Wat mij betreft, het is niet aan mij om mijn gastheer en vrouwe de
rekening te maken; ik kan alleen zeggen, dat ik het jammer zou vinden
als gij zooveel omslag zoudt maken om mij, al scheen de generaal er
pleizier in te hebben om mijne welkomst wat te fêteeren; ik heb u
immers terstond gezegd, dat ik met een schotel groente en wat koud
vleesch tevreden ben."
"Gij! dat is wel mogelijk, maar vraag eens wat de kapitein daarvan
zeggen zoude?"
"Wat doet dat er toe? Zijt _gij_ het niet die hier de huishouding
bestuurt? De generaal heeft toch niet het voorkomen van zoo'n tyran
te wezen."
"Helaas, neen! het is niet zijne geweldenarij, maar zijne zwakheid,
zijne jammerlijke zwakheid, die mij zoo diep ongelukkig maakt,"
viel zij in, met een smartelijk hoofdschudden; "geloof niet dat ik
den grijsaard geen goed hart toedrage, dat ik hem niet iedere sier
des levens zou gunnen,--zou willen geven met opoffering van al het
mijne,--maar dat is de groote grieve, die ik tegen hem heb, dat hij
zich zoo afhankelijk heeft gemaakt van den kapitein."
"Het komt mij toch voor dat gij waarlijk nog al cavalièrement met uw
kapitein omspringt; hij zelf noemt u immers zijne gebiedende vrouwe,
zijn majoor! En gij zoudt zijne toestemming noodig hebben om hier
bezuinigingen in te voeren die gij noodig acht; op dit punt geloof
ik dat iedere vrouw het recht heeft hare autoriteit te laten gelden."
"Ziedaar juist wat ik niet kan, niet mag; maar het schijnt wel dat gij
mij niet met een half woord wilt verstaan. Zoo zal ik u den sleutel
van dit raadsel in handen geven! dat zal mij tegelijk verlichten; want
ik ga onder door verdriet en ergernis, die ik altijd moet verkroppen,
en ik heb niemand, niemand waaraan ik mijn hart eens kan uitstorten;
gij, gij schijnt mij toe een oprecht, een edelmoedig mensch te zijn;
't is waar, ik heb mij in mijne opinie van een man wel eens meer
bedrogen, maar toch, met u wil ik het er nog eens op wagen,--eene
teleurstelling meer komt er zooveel niet op aan."
"Schenk mij gerust uw vertrouwen, Francis! Wees er zeker van, dat
ik een eerlijk man ben, die een oprecht verlangen heeft uw leed
te verlichten."
"Dat verlang ik niet van u; het zal mij genoeg zijn zoo gij het kunt
begrijpen en mee gevoelen; maar trek even de porte-brisée toe, dan
kan niemand in de schemering binnenkomen, zonder dat wij het bemerken."
Ik volgde haar wenk, en toen ik mij weer tegenover haar had nedergezet,
ving zij aan: "Ziet gij, Leo! toen mijn grootvader zijn pensioen
had genomen en wij ons hier op de Werve terugtrokken, was het ons
dringend noodig op bezuiniging bedacht te zijn. Voormaals hadden wij
een rijkelijke en omslachtige huishouding gehad; de eischen van zijn
rang, de verplichting als commandant van de kleine vestingstad om
de autoriteiten, zoowel als zijne officieren, bij zich te ontvangen,
en, laat ik het bekennen, ons beider gewoonte om in zekere ruimte en
gulheid te leven, waren oorzaak dat wij bijkans open tafel hielden en
er altijd op gasten gerekend was; maar door verschillende oorzaken,
door smartelijke familieomstandigheden niet het minst, was onze
fortuin in de laatste jaren zoo geslonken, dat het niet mogelijk
was op dezen voet voort te gaan. Grootpapa zag het toenmaals in
zoowel als ik; zich verminderen en in werkelijken dienst te blijven
ging niet, maar hier buiten konden wij leven zooals wij wilden. Wij
behoefden niemand te zien, wij sneden in één houw alle parasieten
af, en hoewel het eene hachelijke onderneming was, een kasteel als
dit te gaan bewonen met eene enkele dienstbode en een oppasser,
besloten wij toch daartoe, omdat wij slechts twee of drie kamers in
gebruik zouden nemen en het mij niet te veel was, zelve de handen
uit de mouw te steken. Bedrijvigheid was mij noodig; ik rekende op
den moestuin en den boomgaard, op de boerderij, die toen nog bij de
plaats behoorde, om in bijna al onze behoeften te voorzien, en ik had
in stilte de bijgedachte om bij zoo zuinige leefwijze zekere bezwaren
weg te ruimen en de Werve te eenigen tijd uit haar staat van verval
op te richten. In den eersten tijd ging alles vrij goed; wij waren
hier in den zomer gekomen; de rust, waaraan wij beiden behoefte
hadden, de prachtige natuur vol afwisseling, die ons verlokte tot
gezamenlijke rijtoertjes, alles werkte mee om ons de afzondering te
veraangenamen. Maar helaas! toen de herfst kwam met hare gure dagen en
lange avonden, toen de generaal, door zijne rheumatiek gekweld, niet
meer te paard kon stijgen, kwam de verveling over hem als een gewapend
man, eene plaag, waartegen ik te vergeefs trachtte te strijden door
lectuur en muziek. De laatste trok hem weinig aan, hij hield niet van
lezen en zag zelfs niet graag boeken in de handen van anderen dan de
prachtwerken die in een salon worden tentoongesteld. Als de courant
gelezen was, waren wij uitgepraat. Iederen avond het dominospel of
een _piquet à deux_; mij was het haast onuitstaanbaar, en hem was het
nog niet genoeg. Wij hadden hier niemand, waaraan wij ons konden of
wilden aansluiten. Wie hier de notabelen genoemd worden, zijn plompe
lieden, die daarenboven tot de partij van den burgemeester behooren;
de dominé is geen man voor ons, en al ware dat, het genot dat men
vindt in datgene wat men een degelijk discours noemt, valt niet in
den smaak van grootpapa, al placht hij bij uitnemendheid de man te
zijn voor het gezellige leven in ruimen kring; en nu hij dat alles
miste, werd hij knorrig, lusteloos, ving aan te kwijnen en wist
zich hoe langer hoe minder te schikken naar de eenvoudige leefwijze,
die ik had ingesteld. Zelve werd ik bijna moedeloos hem dus te zien,
zonder de middelen te hebben om hem te helpen. Toen noodigde een zijner
vroegere krijgsmakkers, die eveneens zijn pensioen had genomen, maar
met het oogmerk om eens recht van zijne fortuin te kunnen genieten,
hem uit, om eenigen tijd bij hem te logeeren; dat zou afwisseling
geven, dus zou hij zonder eenige bekommeringen kunnen ademen in een
atmosfeer naar zijn smaak. De bedoelde kolonel had zich te Arnhem op
schitterenden voet ingericht en behoorde tot den kring, die er den
toon gaf. Grootpapa was er volkomen in zijn element; hij bleef er de
drie wintermaanden."
"En gij?"
"Ik! o, ik bleef hier, dat sprak wel vanzelve; men had vergeten 'Majoor
Frans' te inviteeren, en toen men er aan dacht, was het zoozeer eene
invitatie _du bout des lèvres_, dat ik niet zou aangenomen hebben,
al ware dat mogelijk geweest, maar het kon toch niet, al had men mij
met nog zooveel gulheid gevraagd. Gij begrijpt wel, Leo! dat ik, mij
hier verschuilende, eens vooral alle overbodige luxe van toilet had
afgeschaft; en zonder eene kostbare uitrusting zou ik geen winter in
de stadswereld kunnen doorbrengen."
"Dat stem ik toe, Francis; maar toch, zelfs hier zou een weinigje
toilet maken niet overbodig zijn," viel ik in, de gelegenheid
aangrijpend, om haar op dit chapitre mijn gevoelen te zeggen, om eens
te zien _hoe_ zij het opnam.
"Och! voor mij komt het er niet meer op aan."
"Foei! zoo moogt gij niet spreken; gij zijt nog jong, gij moet zelve
weten, dat gij bevallig kunt zijn, als gij maar wilt."
"Daar wil ik niet eens aan denken. Ik zeg met zekere Fransche coquette:
'_du temps que j'étais femme_' had ik zekere eischen voor mijn
uiterlijk, dat's voorbij: het komt er niet meer op aan, hoe Majoor
Frans er uitziet."
"Dat ben ik volstrekt niet met u eens, al wilt gij nog zoo'n Amazone
zijn. De Amazones zelven weten hare gratie in 't volle licht te
stellen. Gij maskeert die met opzet; gij doet alles wat gij kunt om
er onbehagelijk uit te zien, en ik moet u ronduit zeggen, dat gij er
ditmaal volkomen in geslaagd zijt. Eene jonkvrouw van uwe geboorte
moest zoo niet aan tafel gaan; gij zaagt er letterlijk uit als...."
"Nu toch niet als een boschwachter," viel zij in met een ondeugend
lachje; "eerder als eene keukenprinses, die maar even uit haar
werk is geloopen om inderhaast mee te eten, en dat is maar weinig
bezijden de waarheid; ik moet tot het laatste oogenblik zorgen voor
de délicatesses, die noodig worden geacht, en zoo ontbreekt mij de
lust zoowel als de tijd om toilet te maken."
"Niet eens tijd om een frisch kraagje om te doen, Francis? Dat is
toch wat sterk."
"Zijt gij zoo'n fat, Leo, om daarop te letten? Nu ja! ik wil het wel
bekennen, aan _lingeries_ doe ik niet veel meer, 't is hier buiten
zoo lastig en zoo kostbaar, het is al veel als ik de exigenties
van den generaal in dezen kan bevredigen; daarbij, voor wie zou ik
mij opknappen? De heeren daar ginds"--zij wees met een gebaar van
minachting naar de zaal--"vragen het allereerst of de ommelet goed
is gesauteerd en of de farci van den kalkoen genoeg _haut goût_ heeft."