ditmaal toch ook voor mij--ja, glimlach maar, ik wil het u toch zeggen,
dat ik mij aan tafel over u geërgerd heb, al is het waarschijnlijk,
dat gij deze ergernis hebt beoogd."
"Gij zijt vindingrijk, Leo."
"Gij hebt zoo even met mijn gebrek aan scherpzinnigheid gespot,
ge zult mij nu toestemmen, dat ik u doorzien heb."
"_À peu près_; gij zijt zoo gul met mij lessen te geven, dat ik u op
mijne beurt wilde doen verstaan...."
"Dat ik u eigenlijk niet welkom ben...."
"Gij weet wel beter...."
"Eene gastvrouw, die zulk eene opzettelijke nonchalance toont...."
"Wil er mee zeggen, dat zij van alle coquetterie heeft afgezien."
"Coquetterie is ook zoo uitsluitend eene eigenschap van 'de dames,'
dat ik die bij Majoor Frans nooit gewacht zou hebben," hernam ik;
"maar de zucht voor betamelijkheid is eene mannelijke eigenschap,
die men met recht van dezen zou mogen eischen; of moet ik Majoor
Frans aan de strikte eischen der militaire tenue herinneren?"
"Als gij het nu zoo kras opneemt met mijn majoorstitel!" sprak ze met
zekere gekrenktheid, terwijl haar kleine voet opnieuw met ongeduld
trappelde.
"Ik althans ben het niet, die hem u gegeven heb--maar in elk geval
moet gij kiezen: Majoor Frans, die _en règle_ behoort te zijn, welke
uniform hij zich ook kiest, of Freule Francis Mordaunt, die geene
vrijheid heeft om zich aan een neef, een gast, met opzettelijke
achteloosheid te vertoonen."
"Met er die uitlegging aan te geven, Leo, brengt gij mij waarlijk
in groote verlegenheid; want al wilde ik--ik kan u in dezen niet
voldoen. Sinds wij hier op de Werve zijn, heb ik niets nieuws laten
maken."
"Maar dat is toch zoo lang nog niet."
"'t Is reeds het derde voorjaar, en...."
"Dan zijn uwe toiletten niet meer naar de mode, dat wil ik toegeven;
maar zij kunnen toch smaakvol zijn. En ik ben er zeker van, dat gij
u vroeger elegant hebt gekleed."
"Dat geloof ik zelve, hoewel ik niet zelden het verwijt kreeg van
bizarrerie, omdat ik zoo mijne eigene ideeën had op dit punt, en er
zekere modes waren, die ik niet verkoos na te volgen."
"Nu, ik houd van originaliteit. Kies uit uwe kostumes er een waar de
uwe het sterkste in uitkomt, en ik geloof, dat gij er even gracieus
als interessant zult uitzien."
"En ik ben zeker, dat het juist andersom zou zijn; gij hebt mij gezien
in het kleed, waarin ik mij het meest mij zelve gevoele, en herinner
u welk eene figuur ik in uwe oogen heb gemaakt!"
"Neen, dat rekent niet meê, gij hadt u toen zoo toegetakeld...."
"Als de guurheid van dit seizoen het eischte."
"Al verbergt gij u nog zoo voor mij, Francis, ik heb toch al reeds
te veel echt vrouwelijke kwaliteiten bij u waargenomen om mij te
laten wijsmaken, dat gij juist in uwe amazone het meest op uw gemak
zoudt zijn."
"Als gij mij zoo kwelt, dringt gij mij tot de bekentenis, dat ik
alles weggegeven heb, wat ik te missen had, in dien winter, dien
ik alleen op de Werve doorbracht; eene arme officiersdochter, die
als gouvernante in eene deftige familie moest optreden, en die geen
voldoende _trousseau_ bijeen kon brengen, wendde zich tot mij, die
zij rijk waande, om hulp. Ik kon geen geld missen; maar ik had toch
wat te geven. Ik berekende dat ik hier al heel weinig kleedij noodig
had, en behield niets dan eene enkele zijden japon als zondagskleed,
en mijne baltoiletten, die haar evenmin te pas kwamen als mij, doch
waar ik nog aan hechtte als souvenir. En nu, Leo! zijt gij ingewijd in
't geheim mijner ledige garderobe. Oordeel nu zelf, wat ik in dezen
voor u doen kan; gij zult toch niet van mij vergen, dat ik hier in
danskostuum aan tafel zal verschijnen."
"Hm! hm! wie weet waar ik u nog om plagen zal,
als wij eens op de Werve feest vieren!"
"Men viert geen feest op de Werve, daartoe hebben we geene gelegenheid
en geene aanleiding," sprak zij wat knorrig en kortaf.
"Druk er niet te veel op, Francis!" plaagde ik, "gij kunt niet vooruit
weten wat er nog gebeuren kan; ik ben een stijfkop, zooals gij zelve
hebt gezegd, en een origineel op mijne wijze zoowel als gij; maar om
te beginnen zal ik mij tevreden houden met dien zekeren zijden japon,
die u goed zal staan, dat weet ik vooruit; mits gij wat werk maakt
van dat prachtige haar en u de moeite geeft de eene of andere parure
aan te doen!"
"Gij moet weten, Willem, dat ik _à tout hasard_ de sieraden die zij bij
Overberg te pand had gegeven, in mijne reistasch had gestoken; maar ik
bemerkte wel dat zij nog vooreerst niet te pas zouden komen. Zij vloog
op of eene wesp haar gestoken had; hare oogen fonkelden van toorn,
en al kon ik hare trekken niet meer onderscheiden, ik ben zeker dat
een gloed van verontwaardiging haar op het voorhoofd steeg, terwijl
zij op heftigen toon uitviel:
"Ik heb geene parures meer: en ik _wil_ ze niet hebben, verstaat
gij Jonker van Zonshoven! en dit zeg ik u: als 't u schelen kan of
wij vrienden blijven àl of niet, vervolg mij dan nooit weer met uwe
zotte invallen. Ik mag wel eens railleeren; dat geeft wat zout aan
de conversatie, maar het moet geen bijtend loog worden; en dit is
kwetsende ironie, mij van mijne diamanten te spreken, terwijl ik bezig
ben u te vertellen, dat ik alles aan mijne relatiën heb opgeofferd." Ik
begreep dat ik werkelijk eene pijnlijke wonde had aangeraakt. Ik had
niet van diamanten gesproken, maar zij herdacht aan de hare die voor
haar verloren waren, en zij betreurde ze, dat was zeker! Ik had te
veel deernis met haar om met hare zwakheid mijn voordeel te doen en
te toonen hoezeer zij zich verraden had; ik antwoordde koeltjes:
"Maar, beste freule Mordaunt! hoe kon ik dat raden? Al vertelt gij mij
dat gij uwe garde-robe hebt geplunderd ten behoeve van een behoeftig
jong meisje, dan volgt daaruit immers nog niet.... dat alles wat gij
mij daar in één adem mededeelt."
"Gij hebt gelijk; met u moet men _les points sur les I_ zetten, zult
gij verstaan, en ik was er aan bezig; maar gij hebt mij zelf van
het droevig relaas afgebracht. Grootpapa dan, vond het zorgeloos en
tegelijk weelderig leven bij zijn vriend te A. zeer naar zijn smaak en
bleef er tot in het voorjaar; hij kwam tot mij terug, geheel genezen
van zijne melancholie, maar toch, het bleek dat de kuur wat heel veel
had gekost, meer dan hij eigenlijk gerechtigd was er voor te geven. Het
leven onder rijken en aanzienlijken is duur, zelfs al geniet men de
ruimste gastvrijheid. De generaalsuniform had hij zich niet behoeven
aan te schaffen, daar hij nooit als zoodanig in werkelijken dienst
was geweest, maar de kolonelstenue was beneden zijn rang, dus hadden
wij moeten voorzien in allerlei politieke kleeding, voor ochtend en
avond, voor groot en klein diner.... en dan, wat er aan handschoenen
en fooien opgaat, als men met de groote wereld moet meedoen! Gij,
die in de residentie woont, gij zult er alles van weten, Leo!"
"Zoo goed, beste Francis, dat ik mij eens voor al van uitgaan heb
onthouden...."
"Grootpapa kon dat natuurlijk niet, en daarbij kwam dan nog het spel,"
ging zij voort, terwijl zij hare stem nog dieper liet dalen, "het
spel waarbij men in één winteravond onder gelach en gejuich sommen
verliest, waarmee een gezin voor het gansche seizoen had kunnen
onderhouden worden. Helaas! iets dergelijks was met hem gebeurd,
zoodat hij keerde met bezwaren die.... oogenblikkelijk voorziening
noodig hadden. Ik, die anders nog al raad wist, stond hem als eene
verwezene aan te zien, bij die bekentenis. Hij zelf gevoelde veel
leed over de zorg en 't verdriet dat hij mij op den hals had gehaald,
en hij redde zich door de boerderij onder de hand te verkoopen, die
ons echter, ik weet niet uit welke oorzaak, niet veel meer opbracht
dan het effenen van de gemaakte schulden. En ik! die de stille hoop
had gevoed, dat wij hier door zuinigheid en goed overleg wat zouden
sparen om de noodige herstellingen aan 't kasteel te laten doen. Och
Leo!" zij drukte mij de hand in hare smartelijke gemoedsbeweging,
"dit hoort onder de bitterste teleurstellingen van mijn somber
leven. Vol zelfverwijt, en zich bewust dat hij te zwak was om zekere
verzoekingen weerstand te bieden, zwoer hij alle verkeer met de
wereld af, en hij heeft woord gehouden; maar welhaast verviel hij
opnieuw tot de diepste neerslachtigheid, en ik vreesde dat hij van
verdriet zou verkwijnen onder het régime dat ik hem moest opleggen,
sinds hij mij bekende, dat hij maar twee derden van zijn pensioen in
handen kreeg; op het overige was door een onbarmhartigen schuldeischer
beslag gelegd. Toen kwam de man ons te hulp, die ik u niet meer behoef
te noemen. Luitenant Rolf had zijn pensioen gekregen, en kwam zijn
ouden chef opzoeken eer hij zich ergens voor goed vestigde. In de
laatste jaren was hij door verandering van regiment van ons verwijderd
geweest, maar hij was niet van ons vervreemd. Mijn grootvader had hem
geprotegeerd en vele goede diensten gedaan, zonder welke hij nooit
tot den officiersrang had kunnen bevorderd worden, ondanks zijne
bravoure in den tiendaagschen veldtocht. Al vóór mijne geboorte
bekleedde hij in ons huis alle mogelijke functiën die met zijne
dienstplichten te vereenigen waren. Zijne zuster was mijne min, en
meer, veel meer dan dat; zij bleef mij bij tot in lateren leeftijd,
en daar mijne moeder weinige dagen na mijne geboorte bezweek, deed
zij al wat in hare macht was om mij moederliefde en moederzorge te
betoonen. Ongelukkig ontbrak het haar aan beschaving, aan geestkracht,
om de opvoeding van een kind zooals ik was te leiden. Ook heeft zij
met de beste intentiën ter wereld mij ridderlijk bedorven, daarin
dapper geholpen door sergeant Rolf, die geen grooter pleizier had dan
op mijne wenken te vliegen, en die eerder insubordinatie zou hebben
begaan tegenover zijn kolonel, dan te weigeren iederen dollen inval
van zijn 'kleinen Majoor,' zooals hij mij noemde, te gehoorzamen. Is
het vreemd, dat ik nog tegen hem den despoot speel?"
"Neen! maar nu gij dat zelve toch zoo inziet...."
"Zou er betering kunnen zijn, meent gij, doch.... wat zal ik u zeggen;
_c'est plus fort que moi_.... nu, hij heeft het er wel naar gemaakt om
wat van mij te lijden.... In vollen ernst, zoo ik hem niet van tijd
tot tijd op zijn voorman zette, zou het niet lang duren of hij zou
ons naar zijne hand stellen, en het is juist daarop dat ik komen wilde.
Zijn bezoek was grootpapa eene welkome afleiding; nu tot kapiteinsrang
geklommen, en niet meer in werkelijken dienst, evenals deze zelf,
was de distantie genoegzaam weggevallen, om op zekeren voet van
gelijkheid met elkaar om te gaan. Ik begreep hoezeer een derde
persoon de gezelligheid zou aanbrengen; een persoon meer was zoo'n
groot verschil niet bij onze nu eenvoudige leefwijze, een kamer in de
dichte nabijheid van grootpapa's appartement was licht te arrangeeren;
als Rolf van zijn pensioen moest leven, kwam die schikking hem zeker
te stade; wij sloegen het hem voor en het werd dadelijk aangenomen. Ik
hernam mijn commandement over hem, zooals hij zich uitdrukte; hij
trachtte zich nuttig te maken op iedere wijze, en zijne goede luim
vervroolijkte den generaal, al waren zijn aardigheden noch frisch
noch fijn van gestalte; genoeg, ik was tevreden met deze uitkomst:
een winter die zich bezwaarlijk had laten aanzien, ging nu vrij rustig
en zonder al te groote verveling om; daar kreeg Rolf de tijding, dat
hem eene niet onbelangrijke erfenis te beurt was gevallen van een
zijner Noord-Brabantsche verwanten. Na eene korte absentie keerde
hij tot ons terug en stelde voor te blijven, mits hij zijn aandeel
mocht bijdragen tot de menage. Hij was nu bemiddeld en kon geen
genadebrood eten, zooals hij het noemde; integendeel, de generaal
moest hem toestaan, zoo eens het zijne te doen ter veraangenaming van
het leven. Dit scheen billijk, en ik moest wel toestemmen, daar ik
wist hoezeer grootpapa, die een verfijnden smaak heeft en op zijne
aisances gesteld is, zekere ontberingen met heimelijk leedgevoel
droeg; ik gaf dus toe, dat Rolf op zijne eigene hand zekere luxe zou
invoeren, maar ik had niet kunnen voorzien welke proportiën deze zucht
om het zich goed te maken zoude aannemen. Rolf had nooit levensgenot
gekend, en hij achtte nu zijn tijd gekomen om te genieten; de eenige
genietingen waarvoor een man op zijn leeftijd, en die voor geenerlei
intellectueel genot zin had, nog vatbaar was, waren die van de tong,
en grootpapa was het in dezen volkomen met hem eens. Zoo zeer zelfs,
dat hij hem in allerlei dwaze verkwistingen liet begaan, zonder zich
daar tegen te stellen, ja, die aanmoedigde zooals gij gehoord hebt,
zoodat ik hier dagelijks smulpartijen en zwelgerijen moet bijwonen
_à deux_, die mij onuitsprekelijk tegenstaan; ik behoef u niet te
zeggen, hoe mijn grootvader zich daarbij verlaagt en vernedert op
eene wijze die...." Zij zweeg plotseling; de porte-brisée ging open;
Frits, die de tafel had afgenomen in de eetzaal, trad nu binnen en
zette de lamp klaar.
"Heeft de freule niet om het theeblad gescheld?" vroeg hij.
"Is het al zeven uur, Frits?"
"Kwartier er over, Freule, en de Generaal is wakker...."
"Goed, breng dan het theewater binnen!" Francis keek mij aan met een
bitteren lach en beet zich op de lippen over de teleurstelling, dat
zij voor 't oogenblik hare ergernis moest inhouden. Welhaast ook kwam
de kapitein binnenrukken; de conversatie aan de theetafel vlotte niet
best; de heeren waren wat dof; Francis wat stug en onwillig om aan
't gesprek deel te nemen, en de kapitein, op hare los neerhangende
lokken wijzende, maakte de opmerking, dat de leeuwin hare manen
schudde, om ons schrik aan te jagen.
"'t Is waar ook!" zei Francis koeltjes; "ik heb verzuimd mijne vlechten
in het net te arrangeeren; excuseert mij, heeren!" en weg was zij naar
hare kamer; zeker om er hare opgekropte aandoeningen lucht te geven.
"'t Is toch zonderling, hoe Francis soms hare buien heeft van
nonchalance," bromde de generaal binnensmonds, haar naziende, toen
zij de kamer verliet.
"En juist nu er een gast is," stemde de kapitein in, "dien zij zelve
heeft ingehaald! Dat's onbegrijpelijk!"
"Zij weet, dat het eene impolitesse is, en dat zij mij er mee ergert,
en toch volgt zij haar eigen hoofd, zonder iets te ontzien," knorde
de generaal nu met luider stem.
"Zooals we dat van haar gewend zijn, Excellentie!" zei Rolf lachend;
"maar daarvoor is zij ook onze commandant."
Ik wilde met dat koor niet instemmen, zooals gij denken kunt, en toen
men dit onderwerp in 't gesprek liet vallen, zaten wij met ons drieën
alles behalve gezellig bijeen, en de generaal had geen ongelijk, toen
hij, na nog eene mislukte poging om het discours gaande te houden,
een partijtje proponeerde.
Ik achtte het voorstel eene uitkomst, en de kapitein had het
_fiche_-doosje al klaar gezet en Frits gescheld, die het theegoed
wegnam, eer ik mijne toestemming had gegeven. Er werd een massief
mahoniehouten speeltafeltje uit een hoek gehaald, de lamp in 't midden
gezet, daar volgens Frits "de freule geene waskaarsen had uitgegeven,"
en ons spel ving aan; het sprak vanzelf dat wij ombre speelden,
en de generaal stelde den prijs van het _fiche_ nog al hoog, naar
't mij voorkwam.
Gij weet, Willem! dat ik volstrekt niet van het spel houd, en dat ik
er mij nooit toe laat bewegen, dan op het uiterste. Sinds den dood
mijner moeder, die mij nog wel eens in haar whistpartijtje betrok,
had ik geene kaarten in handen gehad; ik kan mij dus niet beroemen
een geoefend speler te zijn; maar toch eens aan den slag, ben ik niet
onverschillig voor de satisfactie, die men heeft van eene moeielijk
behaalde overwinning, en ik zag terstond dat ik tegenspelers had,
die mij elke zegepraal duur zouden betwisten, en met iedere distractie
of onhandigheid lustig hun voordeel zouden doen.
Ik behoefde hen maar een paar trekken te zien maken om te weten,
dat zij niet slechts geoefende spelers waren, maar ook, dat het
spel hun iets anders was dan de uitspanning, die men aangrijpt in
een verlegen oogenblik; dat het spel hun ernst was, ja, meer nog
dan dat: hun hartstocht was geworden. De generaal vooral bleek zoo
gecharmeerd op het spel, dat ik mijns ondanks het mijne verwaarloosde
om hem te observeeren, eene belangrijke, maar smartelijke studie,
die mij tegelijk een licht deed opgaan over veel wat mij raadselachtig
was geweest.
De grijsaard onderging als eene gedaanteverwisseling, toen hij
de kaarten in handen had. Zijne doffe, slaperige oogen glansden
van intelligentie en schoten vonken van geestdrift. Alles aan hem
vibreerde; zijne vingertoppen trilden, en toch hielden zij met vaste
hand zijn spel gevat, dat hij als met valkenblik overzag en er de
leemte van het onze met geometrische zekerheid uit berekende. Zijne
fletsche wangen kleurden zich met een flammend rood: zijne neusvleugels
zwollen op en trokken zich in, naar de wisseling der kansen, en de
zwakke, fijne man, die als gedrukt en gebogen neerzat, was plotseling
als aangegrepen door een geest van overmoed en vermetelheid, van
waaghalzerij, waaraan hij niet zelden een schitterend succes dankte,
en die mij denken deed aan het devies: de fortuin is met den stoute,
ook met den stouten speler!
"Zeer zeker!" luidde het antwoord van von Zwenken, "de fortuin is
eene vrouw die men overheerschen moet, zal ze u dienen."
In het gewone leven merkte ik niet, dat hij dezen regel in praktijk
bracht: want blijkbaar vreesde hij Francis, daar hij zich alleen
zijdelings durfde beklagen over 't geen hem in haar mishaagde; maar
bij het spel maakte hij dien tot waarheid, en met goed geluk.
De kapitein, die bij evenveel routine minder vermetelheid had,
en vooral minder passie, liet niet na, hem van tijd tot tijd zijne
waagstukken te verwijten, maar zij gelukten, en dat was zijn triomf.
Ik begreep nu waarom een toertje naar Wiesbaden hem zoo zeer
aangelachen had en waarom Francis er zich zoo heftig tegen had
verklaard. Het hazardspel aan de groene tafel, de groote winsten door
eene enkele wending van het rad, moest zulk een man aantrekken en hij
zou er meer voor willen wagen dan hij te missen had. Mij ging nu ook
een nieuw licht op over het lijden van Francis, die zeker gedoemd was,
elken avond de derde te zijn bij deze overprikkelende uitspanning van
haar grootvader, en die dat zeker jammerlijke tijdverspilling achtte;
want zij hield van lectuur, dat had ik reeds opgemerkt.
Gij kunt berekenen, Willem! dat ik onder deze aanmerkingen en
bijgedachten niet altijd zoo scherp op mijn spel lette, of ik beging
fouten en _bévues_, terwijl de heeren mij uitlachten en beknorden,
maar niettemin hun voordeel deden met mijne distractiën en mijne
inferioriteit, 't geen ik hun niet ten kwade konde duiden, en de
belangwekkende studie, die ik maakte, was mij dat verlies wel waard;
dit alles spande mij zoo in, dat ik niet eens over de langdurige
afwezigheid van Francis dacht, toen de deur openging en zij zelve
binnentrad in groot toilet, en met een glimlach van voldoening mijn
uitroep van verbazing, van bewondering, beantwoordend.
Onwillekeurig wierp ik mijn kaarten neer en stond op, haar te
gemoet. De generaal, die rugwaarts naar de deur zat, keek mij
verbaasd en wrevelig aan, niet radend, waaraan mijne onbeleefdheid
toe te schrijven; de kapitein zag om, en stiet een _gros mot_ uit
van verrassing, eer hij sprak:
"Onze Majoor in gala tenu?"
"Gij vergist u, kapitein," repliceerde Francis, "de freule Mordaunt
die ter eere van haar neef haar avondtoilet heeft gemaakt."
"Chère cousine, welk eene verrassing! Sta mij toe, u de hand te kussen
voor die allerliefste inschikkelijkheid."
"Wel zeker; behandel mij maar eens als eene dame, daarbij vindt uwe
courtoisie zich het meest op haar gemak."
"Als gij mij dat toestaat, zal ik mij de eer geven u naar de canapé
te geleiden," sprak ik, haar den arm aanbiedend, dien zij ditmaal
niet afwees.
"Ik hoop nu maar, dat ik goed in mijne rol zal blijven," zei ze met
een malicieus lachje.
"Wat wonderlijke gril is dit nu weer?" bromde de Generaal, grimmig
van spijt, want hij had juist een vole in de kleur te declareeren,
waarop nu geen acht werd geslagen; "den geheelen dag hebt ge hier
rondgeloopen als asschepoester, en nu...."
"Is de toovergodin tusschenbeide gekomen, en ik verschijn als
prinses! Dat's de geleidelijke gang van het sprookje, niet waar Leo?"
"En het fameuse glazen muiltje ontbreekt zeker niet," gaf ik ten
antwoord naar hare snoezige salonschoentjes ziende, die ik reeds
vroeger had opgemerkt, "en 't is blijkbaar, dat het niemand zal passen,
dan onze gracieuze Cendrillon zelve."
"Dat is zoo, maar zij zal zorgen het niet te verliezen."
"Waarom niet?" vroeg ik stoutweg, haar diep in de oogen ziende.
"Omdat het ongeraden is den roman van een uur tot eene levenskwestie
te maken voor u en voor mij," gaf zij ten antwoord, terwijl zij
zich afwendde.
Een levenskwestie! zij wist niet hoezeer zij de waarheid raakte.
"Als gij op zulk eene schrale ontknooping denkt, is het dan wel de
moeite waard de eerste bladzijde op te slaan?" vroeg ik zacht en mij
even tot haar buigende.
"Och, waarom niet? 't is maar eene scène om den avond te korten,
die anders geheel aan de speeltafel zou gesleten zijn."
De speeltafel? Het viel mij in, dat ik die voor mijn part in staat
van failliet had verlaten; de generaal liet mij niet lang tijd om
over dit gebrek aan de orde na te denken.
"Dat alles moge nu heel galant en heel geestig zijn, neef! wat gij
daar met Francis praat," riep hij mij toe op knorrigen toon; "maar
't is geen manier, om zoo van de speeltafel op te staan."
"Excuseer mij, generaal, hier ben ik tot uwe orders," en met een wenk
aan Francis, die mijn leedwezen genoeg uitdrukte, nam ik mijne plaats
weer in.
"Als de Freule nu mee wilde doen, konden wij precies een partijtje
quadrille maken," sprak Rolf.
"Dankje kapitein. Ik wil wel eens vrij van dienst wezen; bepaal
liever toertjes; ik ga wat muziek maken in de eetzaal; dat zal
niemand hinderen."
Frits had de porte-brisée opgeschoven en er was licht bij de piano. Ik
had een Vandaal moeten zijn, zoo ik niet opnieuw eene échappade
van de speeltafel had gemaakt om Francis op te leiden. Zij had mij
gewaarschuwd, dat onze roman maar kort zoude duren, en ik mocht geen
scène van de voorstelling laten verloren gaan. Blijkbaar was zij
dat met mij eens; de capricieuse, die voorgaf van alle coquetterie te
hebben afgezien, kwam geheel in mijne bedoeling; zij liet zich door mij
wegvoeren, en terwijl zij met zekere bevallige achteloosheid haar arm
in den mijnen liet rusten, sprak zij op een toon van vertrouwelijkheid,
die mij als echte damesgeveinsdheid in de ooren klonk:
"Gij ziet nu, hoezeer mijn toilet uit den smaak is."
"Maar toch naar een zeer goeden smaak," kon ik mij niet onthouden te
antwoorden; "en dat weet gij wel, grillige Célimène, al wilt gij mij
wijsmaken, dat de vrouw bij u onder gegaan is in...."
"Ik weet wat gij meent; spreek het niet uit," viel zij met zekere
gejaagdheid in, en leunde met hare hand op mijn arm om mij te doen
zwijgen; "ik zeg u dat ik een oogenblik wil vergeten.... ben ik zoo
naar uw zin, dat is alles wat ik wil weten."
Een gul antwoord lag mij op de lippen, maar nog intijds hield ik het
terug bij de overweging dat men met haar op niets rekenen kon en dat
wijze terughouding in dezen noodzakelijk was.
"Ik zou wel moeielijk moeten zijn zoo ik het tegendeel zei," bracht
ik uit, mij zelven tot laconisme dwingende, "want gij hebt u waarlijk
gekleed als voor een hofbal, op het decolleté na."
Inderdaad, bij al de élégance van haar toilet, dat uit roze gaze
de chambéry bestond, met schitterende zilverlovertjes bezaaid,
was haar kleed maar even om den hals vierkant uitgesneden, en nog
door eene witte blonde pelerine gedekt, terwijl de wijde mouwen tot
over den elleboog hingen en daar weer in witte blonde eindigden, met
rosestrikken bezet; een tweede rok van dezelfde luchtige schitterende
stof hing in losse plooien als een peplum over den eersten en gaf wat
gevuldheid aan het slepende gewaad, die niet door eene crinoline werd
opgehouden. Zij had het prachtige haar met zorg gekapt in vlechten,
en eenige loshangende lokken, een paar grisanticums die er losjes
waren ingestoken, maakten de eenige parure uit; zij droeg geen enkelen
diamant, hetzij zij werkelijk niets van dien aard meer bezat, hetzij
ze zulken opschik versmaadde. Zeker is het, dat die mengeling van
élégance en zedigheid, dat versmaden van sieraad bij zooveel pracht,
een fijnen tact verrieden,--of de behendigste coquetterie. Bij
vollen dag zou haar toilet zeker het effect hebben gemist: het rose
moest wat verflenst zijn en de glimmende lovertjes waren stellig
tot koper verkleurd; zelfs bij avond was het op te merken, dat er
wat frischheid aan ontbrak, dat zekere met één woord, wat de nuffige
dames doet zeggen dat een balkleed geen tweemaal gebruikt kan worden,
omdat het reeds bij de eerste maal gechiffoneerd is, en hetgeen de
heeren zulke lange gezichten doet trekken, bij de rekeningen der
modiste. Bij daglicht zou Francis er gewis hebben uitgezien als
eene actrice bij een repetitie in kostuum, zonder de voetlichten
en als de zon op het tooneel schijnt; maar het was nu avond, en er
was niet te veel licht, en men moest òf kwaden wil òf alleen zucht
tot kritiek hebben, om niet voldaan te wezen met den eersten indruk,
die allerbekoorlijkst was. Toch merkte ik nu op, juist nu zij voor 't
eerst in een elegant vrouwentoilet, voor mij stond, wat mij bij haar
vroegere wonderlijke manier van zich te kleeden ontgaan was: dat hare
schoonheid iets bijzonders karakteristieks had, zooals maar zelden
bij blondines wordt waargenomen. Ik spreek van schoonheid, ik moest
eigenlijk bevalligheid zeggen, want de trekken waren niet geregeld,
maar zoo fijn en sprekend, dat ze, vooral bij zekere schraalheid van
't gelaat, iets scherps hadden. Zoo de groote blauwe oogen het niet
goed gemaakt hadden door hunne liefelijkheid, men zou er te veel
vermetelheid, te veel beslistheid in hebben opgemerkt, maar dat toch
weer vergoed werd door de bewegelijkheid die een opgewekte geest,
voor allerlei indruk ontvankelijk, aan het vrouwelijk gelaat kan
mededeelen. In hare slechte gewoonte om bij iedere aanleiding met
opzet de houding en manieren aan te nemen die haar martialen bijnaam
rechtvaardigden, al was die er niet van afkomstig, lag mogelijk meer
dan in haar oorspronkelijken aanleg de schuld van die zekere stoutheid,
die hare vijandelijke _vriendinnen_ met den naam van impertinentie
bestempelden. Levensomstandigheden en opvoeding, men zou liever moeten
zeggen: gebrek aan opvoeding hadden haar in zekeren zin misvormd tot
hetgeen zij niet had moeten zijn; zooals vruchtboomen worden geleid
en verwrongen tegen hunne natuurlijke richting in. Hoe dat ook zij,
gij begrijpt wel, dat dit alles meer reflexies zijn _après coup_,
toen ik 's avonds rustig op mijne kamer de voorvallen en indrukken
van den dag kon recapituleeren, dan dat ik ze maakte in de zeer korte
oogenblikken, waarin dat onvergetelijk tooneeltje tusschen ons werd
afgespeeld; en toch duurde het veel te lang, althans voor den generaal,
die mij toeriep:
"Als gij bij de piano blijft, jonker Leopold, wees dan zoo goed het
ons te zeggen, want uwe partij zoo in den steek te laten is toch wel
wat al te onbeleefd."
"Verschoon mij, generaal!" in een wip was ik weer op mijn post bij
de speeltafel, na Francis een blik te hebben toegeworpen, waaruit
zij mijn leedwezen moest verstaan.
"Als gij plan hebt om nog eens te deserteeren, moest gij liever verlof
vragen," sprak de kapitein lachende, "dan zullen wij u behoorlijk uw
paspoort geven."
Maar de aardigheid scheen niet in den smaak te vallen van den generaal,
want ik zag dezen verbleeken bij het woord deserteeren, en hij wierp
den armen Rolf een blik vol verwijt toe over zijne jovialiteit.
"Ik beloof den heeren, dat ik mijn best zal doen om mijne geheele
aandacht bij het spel te bepalen," antwoordde ik met meer goeden wil
dan vast geloof in 't volbrengen, want Francis speelde harerzijds
een spel, dat mij vrij wat meer interesseerde dan de matadors van
den generaal, die een _sans prendre_ had in de "favorite!"
Francis fantaseerde; het was een wilde, bonte fantasie, als had zij al
de warrelingen harer strijdige indrukken en gedachten in tonen willen
uitspreken; het was schril en onharmonisch, zooals het daar zeker in
haar toeging, maar het bewees zekere meesterschap op het instrument.
Hoezeer men hare opvoeding ook mocht hebben verwaarloosd, aan
leermeesters scheen het haar toch niet te hebben ontbroken. Want dat
zij veel wist, veel had gelezen en onderscheidene talen machtig was,
had ik reeds opgemerkt, en zij moest van een goed musicus geleerd
hebben, dat zij bij machte was over de difficulteiten te zegevieren,
die zij zich zelve schiep. Langzamerhand scheen het onweer in haar
binnenste af te trekken bij de verluchting die zij zich gaf in die
forsche, bijna woeste tonen, en begon zij zich in liefelijker melodieën
te uiten, die van zachten weemoed getuigden en daartoe stemden.
"Als ze nog maar eens wat aardigs wilde spelen," fluisterde de
kapitein mij toe, "zoo'n marsch uit Robert le Diable of eens iets uit
de Muette; in mijn jongen tijd moest ieder die gaan hooren, daar was
nog wat aardigheid aan, maar...."
"Francis! om 's Hemels wil, schei uit, _of wij_ moeten er uitscheiden,"
riep nu de generaal als in wanhoop; "ondanks mijne hardhoorendheid,
word ik er toch wee van. Is dat een getik en geklinkel! Eerst die
akelige snijdende tonen, en nu dat sentimenteel gesuis en getril;
de kapitein wordt er roesig van, en wat het ergste is, het geeft den
jonker zulke distractie, dat hij allerlei flaters begaat, en zijn
eigen, ja, ons beider spel bederft. Neen! _mon cher_, ik spreek niet
te sterk," zei hij, mij aanziende met zulk een _sérieux_ en zulk een
wrevelig hoofdschudden, dat ik moeite had een glimlach te bedwingen
toen hij voortging: "de kapitein heeft daareven een _sans prendre_
gewonnen, die hij had _moeten_ verliezen, als gij u maar de moeite
gegeven hadt op te letten, welke kleur ik uitspeelde."
Ik moest het bekennen: ik beging fout op fout; het was voor mij geen
spel meer; het was eene marteling.
Francis had het begrepen; zij kwam mij te hulp.
Zij staakte haar spel, voegde zich bij de speeltafel en sprak tot
den generaal:
"Willen wij een compromis sluiten, grootpapa? Gij staat mij Leo af,
om mij te accompagneeren; ik zal wat zingen, en gij continueert met
den kapitein uw gewoon partijtje piquet."
"Hm, hm, ik zou u dat genoegen willen doen, Francis, maar de jonker
heeft zooveel verloren; hij dient toch in de gelegenheid gesteld te
worden, om zijne revanche te nemen."
"Gekheid! daar komt toch niets van, dat weet gij vooruit,
grootpa!" duwde Francis hem toe, met zekere hardheid.
"Om de waarheid te zeggen, generaal, ik hecht er niet aan," sprak ik,
"als het mij gegund wordt, in dezen mijne opinie te zeggen; maar mijn
heele doosje is leeg, laat ons afrekenen."
"Afrekenen, onder ons, dat's malligheid, dat zal niet gebeuren,"
viel Francis in, met iets gedecideerds in stem en houding dat mij
tegenstond.
"Als _ik_ gewonnen had, zou ik er aan hechten _mijne_ winsten te
berekenen, Freule!" zei ik, tot haar gewend, op een toon, die haar
ongepast voorkwam.
"Nu! gijlieden zult ook wel niet om een gulden het fiche hebben
gespeeld," hernam zij wat gedwongen, en trad een stap of wat terug.
Dat was waar, maar toch hoog genoeg, om mijn verlies bij guldens te
berekenen. Ik reikte den kapitein een muntje toe en verzocht de zaak
voor mij met den generaal en hem zelven in orde te maken. Francis zag
dit aan met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van misnoegen. Zij
drukte de lippen opeen en werd gloeiend rood, om terstond weer te
verbleeken; zij fronste onheilspellend de wenkbrauwen; zij trad opnieuw
toe en strekte de hand uit om het papier aan Rolf te ontweldigen, maar
ik wierp haar een blik toe, die haar van deze intentie deed afzien.
"Mij dacht, freule, dat gij reeds begrepen zoudt hebben hoe
onwelvoegelijk in dezen uwe tusschenkomst is," voegde ik haar toe op
korten, strengen toon.
"Ook goed! mij is 't wel, als gij geplunderd wilt worden!" viel zij
uit en keerde zich af naar hare piano.
De roman van een uur, was al aan de ontknooping, en geen schitterende
voorwaar! De generaal was onder dit alles merkwaardig om aan
te zien. Hij zweeg; hij zweeg, waar alle convenances hem geboden
hadden te spreken; hij zweeg, maar met eene uitdrukking van gelaat,
met eene flikkering in het oog, die mij een pijnlijken blik gaven te
werpen in zijn karakter. De man van opvoeding, van geboorte, die een
eervollen rang in het leger had bekleed, was een speler, een speler
niet slechts uit liefhebberij in het nietige spel, maar een speler,
wien het om winst was te doen, op welke wijze ook verkregen, klein
of groot, van wien ze hem ook toekwam; voor hem was ik een _arme_
verwant, het deed er niets toe, hij had gewonnen! hij moest zijne
winst opstrijken, de lage hartstocht moest zijne voldoening hebben!
Ik voelde wel hoe zeer het fier en onbaatzuchtig gemoed van Francis
hieronder lijden moest, maar zij zelve had mij op hare wijze
ontstemd. Zij had zich zoo meesterachtig aangesteld met over mij te
beschikken als over iets, waarmee zij handelen kon naar welgevallen,
dat ik het noodig vond haar te toonen, hoezeer zij zich in dezen in
mij had vergist.
Ik volgde haar wel naar de eetzaal, maar ik stelde niet voor haar
te accompagneeren, en zij, die er vast op rekende, dat haar wil te
verstaan en te gehoorzamen voor mij hetzelfde moest zijn, vroeg het
mij niet.
Eindelijk mij aanziende met zekere mengeling van spijt en
laatdunkendheid: "Dus speelt gij niet?"
"Ja wel, op mijn tijd, als ik er toe gedisponeerd ben."
"En dat zijt ge nu niet?" hernam zij op een toon, waaruit verrassing
en gekrenktheid spraken.
"Juist nù niet!"
"O zoo!" bracht zij uit, keerde mij den rug toe en sloeg de toetsen
zoo forsch aan, dat wij opnieuw wilde, stormachtige klanken moesten
verduren.
Ik greep eene oude krant en wijdde daaraan geheel mijne opmerkzaamheid;
daar liet zij de handen weer lusteloos in den schoot rusten, en nam
den spiegel te baat om mij aan te zien, zonder dat ik het merkte,
maar ik wilde haar die satisfactie niet geven, en wij fixeerden elkaar
nu om strijd, of er niets beters in de wereld te doen viel.
Eindelijk preludeerde zij weer, zong het groote alt van Betly, uit de
_Châlet_, en accompagneerde daarbij zich zelve. Zooals ik wel vermoed
had, bezat zij een diepe, volle altstem, maar zij deed volstrekt niet
haar best, om die te doen uitkomen; zij zong met tergende bravoure
het refrein:
Liberté chérie,
Seul bien de la vie,
Règne toujours là!
Tra la, la, tra la, la, la, la!
Tant pis pour qui s'en fâchera!
Ik begreep heel goed waarom; ik wist, hoe haar te vergelden.
Ik wierp mijn krant weg, ging bij haar staan naast de piano en
fluisterde haar in: "Denkt ge er wel aan hoe de aardige operette
afloopt?"
"Heel goed! zooals dat altijd geschikt wordt in de komedie; maar in
't werkelijke leven is het juist omgekeerd, en ik.... ik hecht aan
de realiteit!"
Juist kwam Frits binnen, om het avondbrood klaar te zetten; er werd
gelukkig niet gesoupeerd.
De beide heeren waren opgeruimd, de kapitein was luidruchtig en op
zijne wijze aardig, al waren zijne aardigheden juist niet van den
besten smaak; ik trachtte met hem in te stemmen, al ging het niet
van harte, want Francis bleef droog en kortaf tegen ons allen, en
toonde mij haar humeur, zelfs nog in de wijze, waarop zij mij even
hare vingertoppen toestak, toen wij elkaar goedennacht wenschten.
Huis de Werve.
Hoe weinig romanesk het ook klinken moge, Willem! ik sliep dien eersten
nacht heerlijk in het overruime ledikant en op het overzachte bed,
waar wie weet welke mijner moederlijke voorzaten hunne leden op
hadden uitgestrekt. Daar er geen oude familie-portretten hingen,
wier gestalten kwamen rondspoken, stoorde niets mijne nachtrust dan
wat geknaag van ratten en muizen, dat ik waarnam tusschen de bonte
en verwarde droomen in, waarin Francis onder allerlei gedaanten de
hoofdrol speelde, en vreemd, de slaap was mij overvallen, terwijl ik
mij in gissingen verdiepte over dit zonderlinge wezen, dat mij toch
aantrok ondanks, neen, zelfs door hare gebreken, die mogelijk slechts
de overdrijving waren van degelijke kwaliteiten.
Toen ik ontwaakte drong het daglicht in ongetemperde kracht tot
mij door; want ik had een der blinden niet willen sluiten, om zoo
vroeg mogelijk iets te genieten van het ongewone schouwspel dat mij
hier wachtte: een Geldersch landschap, door een lente-ochtendzon
verlicht. Zonder er op te durven rekenen, hoopte ik zelfs de zon te
zien opgaan, iets wat bij drukken, nachtelijken arbeid in den Haag
niet precies tot mijne gewoonte behoort. Maar dit mislukte; want zij
stond reeds hoog aan den hemel en schoot grillige lichttinten uit over
het eerwaardige Smyrnasch tapijt, toen ik de oogen uitwreef om mij te
bezinnen waar ik mij bevond. Toen alles mij weer helder voor den geest
stond, maakte ik mij op om eens eene fiksche wandeling te doen in de
buurt van het kasteel. Ik wist, dat men niet matineus was op de Werve;
het ontbijt althans was op geen al te vroeg uur bepaald. De vraag was
dus maar, hoe naar buiten te komen zonder den goeden Frits in zijne
rust te bekorten; dan, mijne bezorgdheid bleek ijdel, want reeds zag
ik hem in de vestibule bezig. En de groote dubbele deur, die op het
perron uitkwam, stond wagenwijd open. Zwijgend bracht hij de hand aan
de muts, toen ik voorbijkwam, en op mijne vraag hoe ik tot de boerderij
moest komen, die ik uit mijn raam in de verte had zien liggen, wees
hij mij lakoniek maar afdoend den weg dien ik te nemen had.
Ik genoot van de frissche, nog wel wat scherpe ochtendlucht, onder
de hooge denneboomen, waarlangs mijn pad ging. Toch kon ik niet,
zooals ik mij voorgesteld had, de schoone natuur geheel genieten;
te veel bijgedachten drongen zich aan mij op. De pachthoeve die ik
wilde bezoeken behoorde reeds aan mij, krachtens de beschikkingen van
tante Sophie, sinds de generaal die had moeten verkoopen en Overberg
gezorgd had er de kooper van te zijn; maar dezelfde bewoners waren
er gebleven, voor welke niets was veranderd dan alleen dat zij de
huurpenningen moesten brengen bij den procureur, en dat zij betere
reparatie kregen dan onder het beheer van von Zwenkens ontrouwen
rentmeester. Overberg had mij aangeraden er eens heen te gaan en
met de goede lieden kennis te maken; als gast van de Werve kon ik
er licht een glas versche melk vragen en een praatje aanknoopen,
dat mij mogelijk een en ander omtrent Francis deed te weten komen,
wat ik deze zelf niet kon vragen.
Eens op 't chapitre van Francis, raakte ik zoo aan 't mijmeren, aan
't fantaseeren, aan 't berekenen der kansen vóór en tegen, dat ik
niet meer op of omzag, maar alleen met een gejaagden stap voortliep,
nauwelijks wetende dat ik zoo deed, toen ik op eens Francis zelve
zag aankomen. Zij kwam reeds van de zijde waar de pachthoeve lag,
en zij moest er geweest zijn; zij hield een mandje in de hand. Zij
scheen een oogenblik te aarzelen of zij een anderen weg zou nemen,
mogelijk wel omdat zij, in eene oude grijze sjaal gewikkeld en met
een ongracieusen tuinhoed op, zich bewust was weer geen goed figuur
te maken, mogelijk ook omdat zij mij nog rancune hield. Hoe dit zij,
hare weifeling duurde maar zeer kort, en zij kwam snel en beslist naar
mij toe met een opgewekten morgengroet en reikte mij gulweg de hand.
"Zoo, zijn we weer vrienden?" vroeg ik, die hartelijk drukkende en
haar half lachend, half ernstig in de oogen ziende.
"Ik wist niet dat wij een oogenblik opgehouden hadden dat te zijn,"
hernam zij, toch wat kleurende, en niet met hare gewone cordaatheid.
"Hm, hm! op het laatst van den avond hebt gij mij geboudeerd, trots
het beste nufje."
"Zeg dan liever: trots het slechtste, want die vrouwengrillen staan
heel leelijk, dat ben ik volmaakt met u eens. Maar geloof mij,
neef Leo!" hier legde zij vertrouwelijk hare hand op mijn arm, "ik
stelde mij niet knorrig aan uit grilligheid; ik was bezorgd en had
verdriet. Ik zag wel, dat gij boos op mij waart, en dat mijne wijze
van doen u ongepast voorkwam, maar, ziet gij, ik kan geen onrecht en
geene laagheid zien zonder daartegen op te komen. Ik vreesde dat gij,
om het zwak van mijn grootvader te vleien, u zelf tot dupe liet maken,
en.... en...."
"Al ware dat, gij hebt toch notie genoeg van ons _point d'honneur_
om te begrijpen, dat ik hier niemands tusschenkomst kon aannemen."
"Gij hadt mij bekend dat gij arm waart, dat gij u zelven ontberingen
moest opleggen, en nu zulke nuttelooze verspilling, hier in ons
huis! Het was bijna een _guet-apens_."
"Neen, neen, dat was het niet; maar al zou het dat geweest zijn,
voelt gij niet dat het beneden mijn karakter zou zijn om hier gratie
aan te nemen van wie ook! Ik ben er zeker van, gij hebt tact genoeg
om mij te begrijpen."
"Gij hebt gelijk; wij zijn het beiden veel te veel eens om zoo te
harrewarren. Maar ik heb het immers vooruit gezegd dat ik slechte
manieren heb!"
"Om u de waarheid te zeggen, hier zijn minder slechte manieren in
het spel dan wel zekere aanmatiging, zekere heerschzucht."
"Welnu! vergeef mij dan die aanmatiging, die heerschzucht!" sprak
zij schertsenderwijs, maar er trilde iets in hare stem, dat mij
aanmoedigde om mijne overwinning in dezen voor goed te constateeren.
"Als gij maar bekennen wilt, dat het mijnerzijds geene onjuiste
opvatting is...."
"Dat kon toch wel zijn, zoo gij er mijn goed hart in hebt miskend;
want ik begreep dat gij u wildet opofferen om den generaal te believen,
en ik wilde u vrijmaken."
"Juist, door over mij te beschikken als over iets, dat het uwe was,
en dat gij naar willekeur kondet draaien en wenden; verschoon mij,
zoo _iets_ ben ik niet, noch zal dat ooit zijn voor wie ook, en gij,
die als vrouw zoo fier zijt, en zoo zelfstandig, dat het u tegen is
ook maar den arm van een man aan te nemen, die u als de meest gewone
beleefdheid geboden wordt, wat zoudt gij denken van den man die, om aan
eenige verveling te ontkomen, zich liet beschermen door eene vrouw?"
"Dat is waar!" sprak zij ras en levendig, "zoo'n man.... zou mij.... te
veel op de anderen lijken om hem niet te minachten; maar nu blijkt
het mij, dat gij nog rancune houdt van zekere weigering, doch als
ik nu toestem, dat gij in uw recht waart, en dat ik deze correctie
verdiend heb, zult gij dan ook niet erkennen, dat gij dat kleine
vergrijp wel wat hoog opneemt?"
"Niet te hoog, Francis; het plantje onzer vriendschap is nog zoo teer
en daarbij zoo kostbaar, dat het wel waard is met wat zorg gekweekt
te worden, en als wij het eens eene verkeerde plooi laten nemen,
zou het nooit gezond en krachtig kunnen opgroeien."
"Als gij het zóó ernstig opvat met die vriendschap," hernam zij,
terwijl een vluchtige blos hare wangen kleurde, "wil ik toegeven dat
gij in uw recht waart met mij te kapittelen; maar na zulke concessie
moet het kibbel partijtje van gisteravond óók vergeten en vergeven
worden, zonder arrière pensée, niet waar?"
"Geene andere nagedachte dan die...... aan uwe echt vrouwelijke
beminnenswaardigheid, die de oprechte verzoening verzekert," riep ik
uit, verrukt, weggesleept door den indruk dien zij in dat oogenblik op
mij maakte, en hare hand vattende, die ik met innige teederheid kuste.
"Leo! wat doet gij!" riep zij, bleek en met tranen in de oogen;
hare trekken hadden iets lijdends, of ik haar pijn had gedaan.
"Onze vriendschapsbond verzegelen; laat u dat niet verschrikken noch
ontrusten; van nu aan neem ik de leiding daarvan op mij, en--ik ben
een eerlijk man; daar kunt ge staat op maken!"
"Leo! Leo! gij weet niet wat gij doet," sprak zij zacht en dof, de
beide handen op het hart drukkende, als wilde zij dat verbieden te
kloppen, "gij vergeet aan wien gij dat alles zegt, ik ben--Majoor
Frans."
"Ik wil van Majoor Frans niet meer hooren; mijne nicht Francis Mordaunt
moet mij toestaan haar den steun van mijn arm te geven," en hare hand
nemende, schoof ik met zacht geweld haar arm in de mijne. Zij liet mij
zwijgend begaan, er was iets mats en kwijnends in hare meegevendheid,
of zij den tegenstand moede was, of haar de rust der lijdelijkheid
behoefte was voor het oogenblik, want ik gevoelde wel dat ik hier
niets had behaald dan de zege in een voorpostengevecht, en dat er
nog gansch anders slag zou moeten geleverd worden, eer ik in eene
volkomen overwinning kon roemen; ik begreep het reeds uit de wijze
waarop zij hervatte:
"Ik ben het met u eens, Leo! het zal mij goed zijn, zoo eens met u te
wandelen en te praten, zij het dan ook voor de eerste en eenige maal,
maar.... weet gij al waar gij met mij gaan zult?"
"Naar gindsche boerderij; die was het doel van mijn tocht."
"Ik kom er vandaan, maar dat doet er niets toe; 't is een aangename
weg en wij kunnen er rusten; het zijn boerenlieden, waar ik zoo goed
als thuis ben."
"En waar gij uw eieren vandaan haalt, naar ik zie; laat mij dat
mandje dragen...."
"Volstrekt niet, het zou ons kunnen gaan als Pierrette in de
fabel. Ik had er niet op gerekend versche eieren mee te krijgen,
maar de goede zielen drongen ze mij op; ik was er eigenlijk naar een
patiënt gaan zien."
"Een patiënt? speelt gij voor docteresse?"
"Ik doe zoo wat van alles; maar de patiënt in kwestie is een hond,
een lief, trouw dier, mijn arme Veldheer, die zijn poot heeft gebroken,
en die van niemand geholpen wil zijn dan van mij alleen! Nu, ik ben er
ook de naaste toe; het wakkere beest heeft het ongeluk gekregen toen
het mij volgde op een wandelrit; ik kreeg den inval met mijn paard over
een heg te springen, en hij wilde mij na; maar ongelukkig had hij den
sprong niet zoo goed berekend, als ik den mijne met Tancred, en ziet,
hij brak een der voorpooten waarop hij neerkwam; het gebeurde dicht bij
de hoeve, en 't was maar best dat hij daar bleef tot zijn herstel; de
veearts geeft er hoop op, schoon hij zal blijven hinken! Dat's alweer
een verdriet, dat ik mij zelve heb berokkend.... en toch.... kon al
het andere nog zoo terecht komen! maar.... helaas!"
Zij zuchtte diep.
"Bij zoo sprekend zelfverwijt mag men u niet hard vallen.... anders
zou ik zeggen, zijt gij niet wat al te stout en overmoedig bij het
rijden? Ik heb u te paard gezien, of eigenlijk, ik heb slechts de
stofwolk gezien, die uw wilde vaart opjoeg."
"Zoo is 't; ik weet maar al te goed: ik ben een razende Roeland te
paard; 't is me dan of al wat er van gloed en kracht in mij zit, zich
gelden doet en tot zijn recht wil komen. 't Is of mijn bloed sneller
en gunstiger vloeit, ik gevoel mij leven, ik geniet, ik vergeet,
en toch, Leo! toch," voegde zij er in diepe zwaarmoedigheid bij,
"toch had ik bijna de gelofte gedaan, nooit weer een teugel in handen
te nemen, want.... Gij spreekt van zelfverwijt, wat zoudt gij zeggen
als het met veel zwaarder woord moest genoemd worden, wat ik mij door
mijne onbedwingbare hartstochtelijkheid voor het leven op den hals
heb gehaald...."
"Ik zou zeggen, dat erkenning van schuld reeds berouw insluit en een
aanvang is van beterschap, van herstel."
"Spreek zoo niet, Leo!" viel zij in met smartelijke bitterheid, "ik
word verscheurd door wroegingen die nooit, nooit zullen uitslijten."
"Dàt neem ik nog niet aan, wroeging, die tot niets leidt dan tot
wanhopige berusting, is onvruchtbare zelfkwelling; beter is het naar
genezing te trachten; er is immers niets onherstelbaars gebeurd?"
"Ja, 't is onherstelbaar; en 't zal mij altijd blijven drukken als
eene zware schuld, en toch.... God weet dat er geen opzet bestond
en.... dat ik er toe gekomen ben mijns ondanks."
Ik raadde waarop zij doelde; een smartelijke twijfel, eene vreeselijke
onrust overviel mij, eene vraag brandde mij op de lippen, maar ik
verloor den moed die te uiten, toen ik haar aanzag; zij was doodsbleek
geworden, hare lippen sidderden, en, als gejaagd, haar arm uit den
mijnen trekkende, bleef zij even stilstaan en liet zich toen neervallen
op een omgehouwen boomstam, terwijl zij de beide handen voor de oogen
drukte als om de tranen te weerhouden die mildelijk vloeiden. Ik bleef
voor haar staan: "Spreek het uit Francis," drong ik met zachten ernst,
"dat zal u verlichten."
"Ja, dat zal het," hernam zij kalmer; "eens moet ik het meedeelen
aan iemand, wat ik geleden heb, maar niet nu. Ik wil mij nu dezen
vriendelijken morgenstond niet bederven met mij dat afgrijselijk
tooneel voor den geest te halen, en dat zou ik toch moeten doen om
u.... begrijpelijk te maken, wat ik zelf nauwelijks begrijp, hoe dat
mogelijk is geweest, dat ik, ik, die met al mijn drift geen beest
kan zien lijden, schuldig ben aan den dood van een mensch!"
"Het schrikkelijk beeld staat u nu toch voor den geest; werp het van
u, door het aan mij toe te vertrouwen," smeekte ik met al den drang
van het diepste meegevoel.
"Neen! niet nú!" riep zij opspringende; "waartoe zou het baten! het
kan alleen maar deze korte oogenblikken samenzijns vergallen."
"Indien het alleen deze ure van samenzijn betrof, zoudt gij gelijk
hebben, Francis! maar.... gij begrijpt toch wel, dat ik mij niet
met zóó voorbijgaande kennismaking tevreden stel, en daarom hecht
ik er aan, alles van u te weten, ook datgene, waarover gij smart
of.... berouw voelt. Mag ik uitvinden wat u moeite schijnt te
kosten uit te spreken; is er niet zeker ongelukkig voorval met uw
koetsier....?"
"Precies, dat is het!" sprak zij nu, op eens weer stout en met
bitterheid, mij fier en uittartend aanziende, haar arm weer uit den
mijnen losmakende, zonder dat ik nu lust gevoelde mij daartegen te
verzetten. "Heel goed; als gij daar meer van weten wilt hebt gij het
maar aan de boerenlieden te vragen waar wij heengaan; zij weten er
alles van."
"Ik zal mij wel wachten, Francis! naar uwe geheimen te vorschen achter
u om...."
"Mijne geheimen!" viel zij nu uit, met eene stem die van toorn en
gekrenktheid trilde. "Hoe komt het in u op, dat daar een geheim
achter zou steken? Het betreft immers een schrikkelijk ongeluk op
den publieken weg, dat maar al te veel gerucht heeft gemaakt, en dat
in een oogwenk menigte van toeschouwers had. Maar," ging zij voort,
met den voet stampend van ergernis, "ik begrijp wel dat men niet zal
nagelaten hebben, zelfs op hetgeen klaar was als de dag, sprookjes en
lasteringen te bouwen, om daarmee de publieke opinie tegen mij op te
hitsen; het geldt immers maar Majoor Frans, die de dingen niet doet
zooals iedereen; Majoor Frans, de vogelvrije; en 't zou jammer zijn
geweest, zoo men de occasie niet bij de haren had gevat, om wie weet
met welke lasteringen nog hare fout zwarter te maken, alsof het al
niet genoeg was dat hare woestheid en overmoed een mensch het leven
hadden gekost, en een andere de eer en het levensgeluk! Hoe kon ik
zoo onnoozel zijn, te wanen, dat u daar niets van zou zijn ter oore
gekomen, dat men u niet daarvan eene voorstelling zou gegeven hebben,
die genoeg was, om u zóó nieuwsgierig te maken, dat gij mogelijk
alleen herwaarts heen zijt getrokken om de heldin van zoo'n romanesk
avontuur eens in al haar doen en laten te leeren kennen. Welnu! het
zou jammer zijn, dat zoo'n nobele kruistocht geen doel trof. Daar
vóór u ligt de boerderij, ga daar botweg aan de lieden vragen, wat
er is van het geval met Majoor Frans en den koetsier Blount; de man
en de vrouw zijn er beiden getuigen van geweest, zij kunnen u op de
hoogte brengen of liever op de laagte van die gansche jammerlijke
geschiedenis, en daarna, Jonker van Zonshoven, keer terug naar de
Werve om afscheid te nemen."
Al sprekende wees zij met een gebiedende geste naar het boerenerf dat
voor ons lag, en terwijl ik er het oog op richtte, ijlde zij weg en
liet mij staan in eene onbeschrijfelijke verwarring en beschaming. Ik
wist niet meer wat ik er van denken moest; slechts kwam het mij
voor, dat zij voor mij verloren was. Ik stond besluiteloos.... haar
volgen.... inhalen.... was het verstandig, zou het niet vruchteloos
zijn? Zij scheen zoozeer beslist om mij niets meer te zeggen. Toch
moest ik weten. In deze verhouding tot haar kon ik niet op de Werve
blijven, en ik kon evenmin heengaan met zulken twijfel in het hart.
Ik zou dan maar doortasten, hare aanwijzing volgen en daarna zien wat
mij te doen stond. Het was niet te verwonderen, dat zij haar mandje
met eieren, bij den boomstam neergezet, in hare driftige vlucht had
vergeten. Ik nam het op, bij wijze van introductie in de boerderij;
ik kon mij zelven daar toch niet voorstellen als den aanstaanden
landheer, en ik wist niet of Francis van haar gast had gesproken;
binnen eenige minuten was ik er tegenover de boerin gezeten, die
mij een glas schuimende melk aanbood, dat ik hoog noodig had na de
wandeling met hindernissen in den vroegen morgen.
"Ja, zij wist al van den Jonker! en zij vond het niemendal vreemd dat
de freule hem naar de boerderij had verwezen om uit te rusten en melk
te drinken, en haar jongen zou maar eens vlugjes naar de Werve gaan met
het mandje; 't was er weer een van de freule om dat te laten staan,"
voegde zij er hoofdschuddend bij, "toch een goed mensch, daar was er
geen tweede zoo onder den heelen adel, zoo gemeenzaam en goedhartig,
maar.... als ze der buien had, br, dan was er geen houden aan, dan
stoof ze door als een 'leukemetief,' zel ik maar zeggen." Ik vond
de vergelijking heel juist, maar ik zal me niet vermoeien met het
patois van de Geldersch-Overijselsche boerin weer te geven; ik had
moeite genoeg om het zelf te verstaan. Eens daar, kon ik het niet
over mij verkrijgen eene vraag te doen. Nu ik Francis persoonlijk
kende, stuitte het mij, achter haar om anderen uit te vragen over
't geen haar kennelijk tegen was uit te spreken. En boerenlieden,
al waren zij aan haar gehecht, konden zoo grof zijn in hunne wijze
van zich uit te drukken; ik was zwak in die ure, Willem! ik voelde
dat ik de ruwe, naakte waarheid niet zoo plompweg uit den mond eener
vreemde kon hooren. Daarbij de toon waarop Francis mij had gezegd,
dat ik bij het terugkomen afscheid had te nemen, klonk niet slechts
als eene dreiging; er was eene diepte van weemoed in gemengd, die uit
de bitterheid zelve sprak; ik voelde het aan mijn eigen tegenzin,
dat zij onheelbaar gegriefd zoude zijn, zoo ik haar bij het woord
vatte en geen geduld, geen vertrouwen genoeg toonde, om hare ure van
expansie af te wachten; neen, ik wilde niet meer vragen, ik wilde
evenmin door een omweg mededeelingen uitlokken. De lust om de hoeve
rond te loopen en te bezichtigen met een _air de propriétaire_ was mij
nu ook vergaan. Ik ging den hond zien, een prachtigen bruingevlekten
jachthond, die mij met zijne schrandere melancholieke oogen aankeek
of hij mijne belangstelling in zijne meesteres raadde. Hij liet zich
streelen, draaide mij den kop toe, en kreunde alleen zachtjes, toen ik
mij verwijderde, alsof het hem speet mij niet te kunnen volgen. Vrouw
Pauwels, die mij steeds bijbleef, had intusschen haar hart opgehaald
met praten. "Ja! het speet haar wel dat de generaal haar landheer niet
meer was, maar mijnheer Overberg was lang geen kwaad eigenaar; hij had
heel wat aan het huis laten doen en zelfs eene nieuwe schuur beloofd,
iets wat de generaal maar niet had willen toestaan. Jammer van den
man! een goed heer, maar hij had geen hart voor het boerenbedrijf;
de hoeve zou deerlijk vervallen en verminderd zijn (want wij konden
ook al niet meer doen, als de grond je eigen niet is....), zoo de
generaal niet tot verkoopen was overgegaan, eer het te laat was:
de Freule had er wel spijt van, want zij mocht er wel over, ze had
zelve wel willen melken, en ze praat met de koeien of het menschen
waren, en de paarden dan! Ja jonker: al zijn het maar boerenpaarden,
die op der tijd voor den ploeg moeten, zij is er niet te grootsch
voor om er mee om te gaan! Mijn man is in zijn jonkheid palfrenier
geweest bij der grootvader; ik zie nog de appelgrauwe schimmels,
dat haar grootste pleizier was die zelve te mennen, en dan Blount de
koetsier! die den koning te rijk was als hij naast haar zat met de
armen over elkaar! of hij de mijnheer was wien het spul toe kwam! Och
ja, mensch! en al die grootheid is nou verdwenen als de dauw bij
zonneschijn, de mooie koetspaarden verkocht, en de freule heeft niets
meer dan haar Engelschen vos, dien mijn man nog oppast, en als de
generaal rijden wil, spannen wij onzen bles voor het tentwagentje.
"Wat een zonde en jammer als de heerschappen zoo in verval raken! En
de familie is al van oudsher de eerste geweest in deze streken, en
ze waren goed voor hun volk. Mijne ouders en grootouders hebben er
altijd mee te doen gehad; maar och, och! sinds het huwelijk van de
oudste freule Roselaer is er geen rust en geen zegen meer geweest;
wat zal men zeggen.... een huis dat tegen zich zelf verdeeld is,
kan niet bestaan, zooals de Schrift zegt. De Jonker heeft er zeker
ook wel van gehoord."
"Genoeg, vrouw Pauwels! meer dan genoeg," viel ik in, niet zonder
wat humeur; want het doorrammelen der goede vrouw, die ieder
oogenblik de _corde sensible_ aanraakte, welke ik besloten had
te laten rusten, veroorzaakte mij een zelfstrijd, die mij norsch
en verdrietig stemde. Ik kon haar het zwijgen niet opleggen;
ik kon alleen _heengaan_; en dat werd tijd ook, wilde ik niet als
achterblijver beschouwd worden bij 't ontbijt. Zoo nam ik wat gehaast
mijn afscheid, met een "tot weerziens," dat haar eenigszins verbaasd
deed opkijken. Blijkbaar had Francis over mij gesproken als de gast
van één dag.
In mijne gejaagde gemoedsstemming had ik zeker wat hard geloopen,
want ik trof Francis nog alleen in de ontbijtkamer, druk bezig met
thee zetten; maar zoodra ik binnenkwam, wilde zij de kamer verlaten,
onder pretext dat het water niet goed kookte.
"Heeft de kleine Louw u de eieren gebracht?" vroeg ik, om haar te
doen blijven.
"Ja, in orde," sprak zij, terwijl een vluchtig rood even hare wangen
kleurde en zij wilde doorgaan.
"Blijf, Francis; ik meen recht te hebben op eene betere ontvangst."
Zwijgend trad zij naar de tafel terug; toen, mij fier en uittartend
aanziende, bracht zij uit met een doffe stem:
"Waarop grondt gij dat recht; omdat gij nu naar hartelust uwe
nieuwsgierigheid bevredigd hebt?"
"Het was geen nieuwsgierigheid, freule Mordaunt; het was
belangstelling."
"Dat's een bescheiden woord, waardoor iedere onbescheidenheid wordt
gerechtigd. En zijt gij nu voldaan, nu gij alles weet?"
"Ik weet niets, want ik heb niets gevraagd."
"Niets gevraagd! waarlijk niets? op uw woord als edelman?" vroeg zij
op eens met levendigheid.
"Ik heb geen tweeërlei woord, Francis! ik heb niets gevraagd, ik heb
zelfs niet willen hooren."
"Hm! dat is voorwaar meer zelfbeheersching dan ik van een man had
kunnen verwachten."
"Zijn de vrouwen dan zoo sterk op dit punt?" repliceerde ik, niet
zonder wat bitterheid.
"Als het noodig is _kunnen_ wij zwijgen," gaf zij ten antwoord met een
zijblik op den kapitein, die nu binnentrad met een luid en joviaal
"goedenmorgen!" niet vermoedend hoezeer hij _fâcheux troisième_
was in dezen oogenblik.
"Zijne Excellentie volgt immediaat," ging hij voort, zich heenzettend
over de weinig toeschietelijke wijze waarop zijn ochtendgroet werd
beantwoord, daar Francis het bijzonder druk had met het theewater, "dat
niet kookte," en ik hem op zijn: "Wel geslapen, Jonker?" afscheepte
met een: "Uitmuntend, kapitein en gij?" natuurlijk om niet te luisteren
naar zijn antwoord.
Intusschen kwam de generaal binnen, en wij gingen ontbijten. Francis
was stil en zelfs wat gedwongen. Mij toonde zij zekere ootmoedige
goedwilligheid, als wilde zij mij stilzwijgend verschooning vragen voor
haar wantrouwen en hare heftigheid, en ik zag mij beloond voor mijne
onthouding door den blik vol diepe verslagenheid, dien zij soms op
mij wierp, terwijl zij mij steelsgewijze aanzag. Zij wilde voor mij en
voor ieder verbergen dat er iets in haar omging dat haar neerslachtig
maakte, maar zij was te zeer eene expansieve natuur om met goed gevolg
te veinzen. Zij was daarbij zoo verstrooid, dat zij allerlei _bévues_
beging bij de bezorging van het ontbijt. De generaal kreeg dubbel
suiker in zijne thee, 't geen hem een uitroep van ergernis ontlokte;
de kapitein moest het doen met een kopje zonder melk, eene omissie
waarin hij de vrijheid nam op eigen gezag te voorzien, zonder dat
Francis het bemerkte, die zich naar het buffet had gekeerd.
"Onze Majoor is met het verkeerde been uit bed gestapt," fluisterde
hij mij in. "Wij mogen wel koest zijn, anders komt er een strenge
dagorder, die...."
"Maar Francis! gij zijt vandaag niets _en veine_; de eieren zijn te
hard," gromde de generaal.
"Hoe jammer! juist nu we een gast hebben," verzuchtte de kapitein;
"ze zijn anders precies van gaarte."
"À propos Leo! tegen wanneer is uw rijtuig besteld?" viel de
generaal in.
"Wel oom! dat moet ik zelf aan den kapitein vragen?" hernam ik,
mijn best doende om den onaangenamen indruk van die herinnering
te verbloemen.
"'t Is waar ook, gij hebt het op Francis en den kapitein laten
aankomen! Wat is er bepaald, Rolf?"
Terwijl hij nog sprak hoorde men een rijtuig over de brug rollen en
't voorplein oprijden. Ik zag tersluiks naar Francis; zij werd bleek
en vloog op om voor het raam te gaan uitkijken.
"Nu al! dat is toch veel te vroeg," sprak de generaal verwijtend
tot Rolf.
"Niets te vroeg, Excellentie! dat zult gij mij zoo aanstonds
toestemmen," antwoordde Rolf met een snaakschen glimlach, terwijl ik
mij naar Francis begaf, die in de vensterbank was gaan zitten.
"Moet ik zóó heengaan?" vroeg ik haar zacht en bewogen.
"Gij kunt niet blijven; dat weet gij zelf wel," gaf zij ten antwoord,
met eene stem, die zij vast trachtte te doen klinken, doch waarin
hare aandoening trilde.
"En toch kan ik zoo niet heengaan...."
"Waarom niet?" riep zij op eens, terwijl een gloed haar voorhoofd
overtoog, en zij mij weer met fierheid en vastheid aanzag.
"Omdat.... ik het niet wil! Zal ik weerkeeren, Francis?" vroeg ik,
haar een smeekenden blik toewerpend.
"Zeker neen! waartoe zou dat dienen....?"
"Laat mij dan het rijtuig wegzenden...."
"Neen! neen!" riep zij hard en met heftigheid, als om op eens een
eind te maken aan eene onbeslistheid, die haar beklemde: "neen, een
kort en goed vaarwel, dat is voor ons beiden het beste," en zij stak
mij de hand toe.
Daar reed een wagen het voorplein op; het was een vrachtkarretje met
mijn eigen, dommen koetsier tot voerman.
Francis deed een forschen uitroep van verbazing hooren; de kapitein
lachte luid en zegevierend.
"De Jonker heeft het aan mij overgelaten, en ik was zoo overtuigd
van zijn goeden wil om te blijven, dat ik eenvoudig zijn koffer heb
laten komen."
"Laat gij zoo met u spelen?" verweet Francis mij.
"Waarom niet? als het spel den loop neemt dien ik wensch?"
"Gij blijft mijns ondanks, bedenk dat wel," fluisterde zij mij in.
"Het zij zoo! Ik vraag maar wat de generaal er van zegt," sprak ik,
mij tot dezen keerende, die zich vergenoegd de handen wreef.
"Wel neef, gij zijt de gast van den kapitein," sprak hij lachend.
"Grootpapa zegt de waarheid; _gij zijt de gast van den kapitein_,"
herhaalde Francis met nadruk. "Denkt gij er nu nog aan te blijven?"
"Toch, Francis, toch! Ik ben een weinig als Columbus; ik laat den
ontdekkingstocht niet varen om een bezwaar meer, of wat tegenwerking
van vriend of vijand."
Zij schudde zwijgend het hoofd en keerde zich van mij af. Ik liep
naar buiten om met mijn voerman af te rekenen.
Als een waardige _majordomo_ was de kapitein al in de weer om mijn
koffer te helpen afladen; maar er waren nog allerlei stukgoederen,
pakjes, fleschjes en blikjes, die de vrachtrijder uit de stad
meebracht en die de goede Rolf triomfantelijk neerlegde, niet aan
de voeten van Francis, maar op een tafel waarbij zij stond in zeker
geanimeerd gesprek met haar grootvader. De laatste kreeg een glans
van vergenoegen op het gelaat bij het zien van de rijke provisie,
die hem de eenige genietingen beloofde, welke nog onder zijn bereik
waren. De kapitein, tevreden met dat welgevallen, liet zelfs met de
tong een smakkend geluid hooren, als genoot hij reeds in verbeelding
de kostbare lekkernijen, die hij had weten machtig te worden, en
klopte den generaal gemeenzaam op den schouder, met een blik van
zelfvoldoening, terwijl hij sprak:
"Nu, wat zegt Zijne Excellentie er van; heb ik niet kostelijk
gefourageerd?"
"Excellentie nu maar zoo niet, dat's weergasche malligheid,"
barstte Francis los, terwijl haar oogen flikkerden en een vlammende
gloed hare wangen kleurde. "Gij voelt wel dat gij hier niet meer
de inferieur zijt, _damned rascal!_ anders zoudt gij hier niet
zoo te werk gaan. _Bless me!_ wat een dolle verkwisting is dit nu
weer! _Perdrix rouges_, _pâté de foie gras_, allerlei visch in gelei,
allerlei vruchten _en compôtes!_ Het lijkt hier wel eene uitstalling
van comestibles. Wat al nuttelooze lekkerbekkerij is dat nu weer?" En
zij sloeg met de vuisten op tafel dat alle potten en flesschen er van
rinkinkten. "'t Is waarachtig of we hier de bruiloft te Camacho gaan
vieren! De generaal moest je de deur wijzen voor goed, dolle Sancho
Pança als gij zijt; en hij zou het doen, zoo zijn tong zijn eergevoel
niet had verstompt."
"Francis, Francis!" stamelde de generaal met eene klagende stem.
"Neen, grootpapa!" ging zij voort, altijd luider en ruwer, "'t Is
een schandaal zooals het hier toegaat, dat zeg ik; en gij moest er
een eind aan maken, als gij nog hart genoeg in uw lijf hadt om een
cordaat besluit te nemen."
"Majoor, Majoor!" viel Rolf in op smeekenden toon, om haar te bedaren.
"Zwijg, ellendige lekkerbek! Ik ben uw majoor niet; ik heb genoeg van
die kwasie aardigheden om mij te paaien. Als hier op mijn wil en wensch
geacht werd, zou het heel anders toegaan; maar ik heb hier niets meer
te zeggen, dat's klaar als de dag; jelui laat mij praten en...."
"Schreeuwen meent gij," verbeterde von Zwenken met bevende stem.
"En gij blijft uw gang gaan," hervatte Francis met nog meer
stemverheffing, altijd tegen den ongelukkigen Rolf gewend, "of ge hier
alleen het commando hadt! Ik heb je in 't eerst te veel voet gegeven,
dat zie ik te laat in; maar ik zal die infamie niet langer dragen,
noch dulden dat mijn grootvader die draagt; en zoo hij zelf er geen
order op stelt, en je de deur wijst met al je kostelijkheden op den
koop, zal ik er voor zorgen dat je hier als schelm uit het vaandel
wordt gejaagd."
"Infamie!" herhaalde de kapitein langzaam, terwijl hij zeer bleek
werd en een veel beduidenden blik wierp op de plaats waar--gelukkig
zijne Willemsorde _niet_ aanwezig was, omdat de grijze ochtendjas er
geene gelegenheid toe liet. "Uit het vaandel jagen! mij? Waarachtig,
Majoor, dat noem ik doordraven! Mij dacht, dat ik het mijne deed om
hier op de Werve de eer van het vaandel op te houden; die anderen...."
"Zeg om den schoorsteen te doen rooken! Ja! dat is waar, daar heb
je weergaasch goed den slag van, dat erken ik; maar de eer van
het vaandel, de eer van onzen rang, om de zaak bij haar naam te
noemen, die op te houden, daar heb je zoomin besef van als de domste
boerenslungel die in de conscriptie valt. Zelf stelt gij uwe eer in
't geen uwe schande is. Het zal nog zoo ver met je komen, dat gij
uwe Willemsorde in den lommerd zet om een lekkeren schotel."
"Neen, freule Mordaunt! wees er gerust op, eer het zoo ver komt,
zal ik u waarschuwen," antwoordde Rolf, nu ook bits en toornig.
"Ik zeg dat we dien weg opgaan; ons eigen oud-modisch zilver is er al,
dat weet gij wel, om van al het andere niet te spreken."
"Om 's hemels wil, Francis!" smeekte von Zwenken, "bind toch uw tong
in; bedenk dat jonker van Zonshoven getuige is van uwe onwelvoegelijke
uitvallen."
"Zooveel te beter! De jonker verkiest onze huisgenoot te zijn, dan
moet hij ook maar weten wat een beroerde gemeene boel het hier is. Ik
wil niet, dat men hem een blinddoek over de oogen zal trekken."
"Tusschen dit of zoo ruw de windsels losscheuren, die de bloedende
wonden van een gezin bedekken, is nog een groot verschil, freule
Mordaunt!" sprak ik met nadruk.
"Wel mogelijk, jonker! maar voor zulk een menagement ben ik niet
berekend. Ik behoor niet tot hen, die onwelvoegelijke dingen onder
mooie woorden weten weg te sluiken. Ik zeg ronduit waar het op staat,
en wie dat ergert heeft zich te schamen, niet over de woorden maar
over de zaken, en te eer daar de ergernis in dezen licht was weg te
nemen. Als wij maar moeds genoeg hadden om commiesbrood te eten en
water te drinken, zouden wij fatsoenlijke lieden zijn, al golden wij
dan ook bij iedereen voor arme stakkers."
"Ik meende, Francis!" sprak nu de generaal met eene zachte, trillende
stem, "dat gij zelve u in de overeenkomst met den kapitein had
geresigneerd."
"Ja, zooals men zich resigneert als men de schurft heeft; maar het
krabben kan men toch niet laten!"
Dat was de slag op den vuurpijl, en met dit knaleffect trok zij af,
mij in 't voorbijgaan een uittartenden blik toewerpend, als vreesde
zij dat ik de bedoeling van haar grove uitvallen zou misverstaan. Ik
beantwoordde dien blik met een zwijgend hoofdschudden en zag haar
aan op eene wijze, die van mijne afkeuring en tegenzin getuigde.
Terwijl wij mannen elkaar wat verbluft stonden aan te kijken, stak
zij nog even het hoofd door de deur.
"Kapitein! gij kunt vandaag voor de menage zorgen; ik ga paardrijden!"
"Tot uwe orders, commandant!" gaf Rolf ten antwoord, de hand aan de
muts brengende.
Ik was er verbaasd over, dat hij dit alles zoo koeltjes opnam, en
kon niet nalaten het met een woord uit te drukken.
"Wat zal ik u zeggen, jonker! Ik heb zulke buien meer bijgewoond. Ik
zag het van ochtend al, dat de barometer op storm stond. Hoe sneller
en heftiger de bui aankomt, zooveel te eerder is hij over; en ziet ge,
een oud soldaat is tegen regen en onweer gehard."
"Ik ben blij dat ik u vooruit gewaarschuwd heb, neef! dat mijn
kleindochter wat heftig van aard is," sprak nu de generaal met eene
diepe verzuchting, zonder het hoofd naar mij op te heffen. "Als zij
eens een opvatting heeft, is er niets tegen in te brengen; dan holt
zij maar door op haar stokpaardje; zij redeneert niet."
"Zij redeneert wat al te logisch voor u," zei ik bij mij zelven,
en hij voelde dit zeer zeker, want hij was staande de scène met een
gebogen hoofd blijven zitten, altijd maar zijn ring zenuwachtig heen
en weer schuivende met bevende vingeren.
"Komaan, generaal! wees niet al te mismoedig," sprak de kapitein
goedhartig. "Wij zullen onze alliantie handhaven tegen den algemeenen
vijand, en de wind zal later wel weer omslaan."
Al sprekende was hij er in geslaagd een langwerpig in wasdoek gewikkeld
pakket los te krijgen. "Ik vrees wel dat het oogenblik slecht gekozen
is om haar een van deze fraaie karwatsen aan te bieden; en toch,
zij zal er om verlegen zijn, want zij heeft de hare verloren. Wie
weet of zij er niet nog toe komt dit aan te nemen!"
"Ik hoop van neen," dacht ik; "dat zou mij tegenvallen."
"Ze had eigenlijk verdiend dat men er haar eens ferm mee kastijdde,"
viel de generaal uit, nù de opgekropte woede lucht gevende die hij
zoolang verbeten had.
"Ja, Excellentie! dat hadden we twintig jaar vroeger moeten doen. Ziet
ge, we hebben haar tot commandant bevorderd vóór zij als recruut de
discipline had geleerd; dat's een groote fout geweest, maar daar is
nu niets meer aan te verhelpen."
"Ja, wèl een groote fout!" verzuchtte de generaal in de diepste
neerslachtigheid.
Rolf ging zich bezighouden met het plaatsen der provisie, die zulk
een storm had doen opsteken; de generaal vroeg mij of ik een plan
had voor mijne morgenuren.
"Ik wenschte mij te installeeren, en ik moet brieven schrijven,"
antwoordde ik. Al ware het slechts een pretext geweest, ik was
gelukkig het gevonden te hebben, want ik verlangde alleen te zijn,
om over de ontvangen indrukken te kunnen nadenken.
Zoover was ik gekomen met mijne confidenties op het papier, beste
vriend, toen ik vernam dat er weer een mail gaat, die dit pakket zal
medenemen als ik zorg dat het nog hedenavond te Z. op de post wordt
bezorgd. De vorige moest ik laten passeeren, omdat ik geen tijd en
rust had om 't geen ik inderhaast dag voor dag opgeteekend had, in den
vorm van een brief over te schrijven. Nu zend ik dit gedeelte maar al
vast weg en beloof u het vervolg, zoodra ik van u zelf vernomen heb,
dat het journaal van den kluizenaar op de Werve u niet verveelt.
Inmiddels als altijd de uwe.