"Even bekend als de excentrieke _allures_ van _Majoor_ Frans. Wat

kapitein Sanders ook zeggen moge, wij vonden niets uit op dit punt,

wij geven het zooals wij het hebben beschouwd."

Ik begreep maar al te goed wie er door majoor Frans bedoeld werd,

om opnieuw eene vraag te durven doen.

"Dat moet men toestemmen," sprak eene oude dame, die tot hiertoe

gezwegen, maar met schitterende oogen toegeluisterd had. "Denk maar

wat een opzien het gaf, toen zij zich zoo compromitteerde voor dien

vreemdeling die in de 'Gulden Zalm' logeerde, wien het huis van

den kolonel was ontzegd en dien zij _rendez-vous_ gaf buiten diens

weten. Heeft zij niet ons aller blaam getrotseerd door op klaarlichten

dag met den onbekende in de plantage te wandelen? Ten laatste,

't is mij voor vast verzekerd door iemand die het weten kon, heeft

zij hare diamanten spelden beleend om de kosten van zijn verblijf te

betalen. Ze heeft ze zelfs willen verkoopen, want ze zijn iemand van

mijne kennis gepresenteerd."

De vroolijke blos op het frissche, volle gelaat van Overberg verschoot

tot een vaal bleek; maar hij zeide niets; de kapitein daarentegen

viel in:

"Het is maar al te waar dat zij alles risqueerde als zij zich iets in

't hoofd had gezet."

"En dat om een persoon, die in 't geringste logement herberg nam,

niet eens zijn waren naam opgaf, zooals later verteld werd, en die

stellig een oplichter of valsche munter is geweest."

"Indien dat gebleken ware, zou de politie er zich mee hebben bemoeid,"

bracht Overberg in 't midden.

"Zoo komt het mij ook voor," sprak de kapitein, "en ik houd voor

waar, wat Wilibald Smeekens er van geloofde: dat het iemand was,

die zich vroeger in den dienst niet goed had gedragen en dien zij

uit medelijden naar het buitenland wilde voorthelpen."

"Hm! uit medelijden!" sprak de oude mevrouw. "Eene jonge dame

behoorde zich toch waarlijk in acht te nemen voor zulk soort van

medelijden. Zich met intriganten in te laten! Ik verzeker u, dat

er destijds algemeen sprake van was, haar uit onze conversatie te

verbannen."

"Maar men waagde het niet, dat banvonnis uit te voeren om den wille

van den kolonel, die 't in zijne macht had het casino onmogelijk te

maken en de militaire muziek te weigeren aan de buiten-sociëteit, en

die 't zeker zou gedaan hebben als hij maar iets had geraden van 't

geen er tegen zijne kleindochter broeide," sprak de kapitein. "Maar de

dames legden het voorzichtiger aan; zij executeerden de arme Francis

achter haar rug en.... _en détail_...."

"Met dat gevolg," voegde de oude juffer er bij, "dat zij zich weldra

uit haar zelve terug trok."

"Neen, dàt had eene andere oorzaak," zei nu het weeuwtje met een

veelbeteekenend hoofdschudden; "dat kwam niet door onze bejegening,

maar omdat hare eigene consciëntie tegen haar getuigde na dat geval

met haar koetsier."

"Ja, dat's waar; dat was eene fatale historie," stemde de kapitein toe,

tot mijne smartelijke verbazing.

De loyale man, die blijkbaar tegen lasterzucht en verkeerde

uitleggingen kampte, moest hier zwijgen.

Wat was er dan toch gebeurd? vroeg ik bij mij zelven; maar de stem

stokte mij in de keel, toen ik de vraag luide wilde herhalen. Zij

werd mij gespaard.

"Maar wat is er dan toch gebeurd met die dame en haar koetsier?" vroeg

een gebrild heertje, dat, nieuwelings aangekomen, met het ambt van

postdirecteur was belast.

De tongen der dames trilden van ongeduld om te antwoorden.

"Ongelukkig weet men er het rechte niet van," hief de oude juffer

aan, wier schrille, scherpe stem haar de gelegenheid gaf het woord

te bemachtigen, "maar algemeen wordt geloofd, dat zij zich door haar

koetsier wilde doen schaken. Mogelijk zou dat gelukt zijn, doch.... de

man had eene bruid, en toen dat uitkwam...."

"Heeft zij hem op een woesten rijtoer van den bok geworpen," viel de

oude dame in met een glimlach van demonisch genot.

"Anderen, die 't meenen te weten, zeggen, dat zij hem met de karwats

heeft doodgeslagen," voegde het weeuwtje er bij, dat er toch ook het

hare van hebben moest. "_Horrible, most horrible!_" kwam er met een

gemaakt sentimenteel oogverdraaien achter.

Ja, wel _horrible!_ dacht ik, dat jonge en oude vrouwen al te zamen

wedijveren in boozen lust om eene van haar die gevallen is, of mogelijk

slechts gestruikeld, met de tong den genadeslag toe te brengen.

Ik kan u wel zeggen, Willem, dat ik in dien oogenblik overmeesterd

werd door afschuw en walging tegen heel het vrouwelijk geslacht,

en dat het mij nauwelijks de moeite waard was verder te luisteren,

toen nog weer eene andere in zijde en kant gedoste harpij uitviel:

"Ik heb hooren zeggen, dat zij met hem gevochten heeft en dat de

paarden toen zijn doorgegaan, waarbij het slachtoffer onder de voeten

zou zijn geraakt."

"Hoe dat ook zij, de waarheid zal wel nimmer uitkomen, de man ligt

op het kerkhof."

"Ja, dat is hier zonder beeldspraak de waarheid," schertste de weduwe,

"en daarmee is de misdaad voor goed bedekt."

"Met uw verlof, dames! Als er van zoo iets kwestie ware geweest, zou

immers de justitie er zich mee bemoeid hebben," merkte Overberg aan;

"en ik weet voor _zeker_, dat er van zoo iets geen sprake is geweest."

"Dat wil ik wel gelooven," repliceerde de weduwe. "De officier van

justitie was een goed vriend van den kolonel, die dagelijks met

hem aan de ombretafel zat, en hij heeft, om de zaak te bemantelen

en tegelijk aan het publieke wraakgeschrei iets toe te geven, eene

officieuse visite afgelegd bij den commandant. Francis Mordaunt moet

toen in 't verhoor zijn genomen, en, zooals vooruit te berekenen was,

is zij er zwaanwit uitgekomen; naar 't getuigenis van den rechterlijken

ambtenaar althans," eindigde zij met een satyriek schouderophalen.

"Maar, mevrouw!" viel Overberg in met zichtbare ergernis, "als men

nu zelfs de onpartijdigheid van de justitie gaat verdenken!"

"Och, ik verdenk niet, ik vertel slechts hoe 't afgeloopen is, namelijk

dat de zaak gesmoord is en aan de familie van den ongelukkige het

stilzwijgen werd opgelegd. Lieden van dat slag laten zich licht

bang maken. Enfin, hoe het daar ook mee zij, Majoor Frans heeft

zich na dat avontuur niet weer in onze côterie durven vertoonen,

en haar grootvader schijnt er aanleiding uit genomen te hebben om

zijn ontslag uit den dienst te vragen."

"Hij had den leeftijd," voegde de kapitein er bij; "en zoo hij zijn

ontslag kreeg, was het met eervolle onderscheiding: bevordering tot

generaal, vergunning tot het blijven dragen van de uniform."

"Waarvan wel niet druk gebruik zal gemaakt worden; want de generaal

retireerde zich naar het huis de Werve," merkte de oude dame aan.

"Waar nu Majoor Frans het commando heeft," liet de oude dame er

op volgen.

"En zich den tijd verdrijft met paardrijden en jagen," voegde het

weeuwtje er bij, met een opgetrokken neusje.

"Wat het laatste betreft, dat kan ik, als onjuist, tegenspreken,"

hernam Overberg; "want de generaal heeft geene jachtakte genomen,

dat weet ik zeker, en het jachtrecht over zijne velden en bosschen

is sinds lang overgedragen op.... een van mijn cliënten, die echter

hazen en patrijzen in vollen vrede laat."

Hierdoor kwam het praatje tusschen de heeren op de jacht en visscherij;

terwijl de dames hare tong scherpten tegen andere slachtoffers.

Ondanks mijne poging om het te ontveinzen, moet Overberg het mij hebben

aangezien dat de harde oordeel-velling over Francis dieper indruk op

mij maakte dan salonpraatjes behoorden te doen; hij nam mij ter zijde

en fluisterde mij in: "Morgenochtend vóór uw vertrek kom ik nog een

paar woorden spreken over dit gehoorde; hecht er intusschen niet te

veel aan; dit alles weegt zoo zwaar niet als het luid klinkt."

Hij had goed praten; hij kende de oorzaak mijner belangstelling

niet, en al tilde ik het nòg zoo licht, het was toch te veel voor de

betrekking, waarin ik tot de freule moest komen. Ik begon te twijfelen

of ik wel naar de Werve zou gaan, en of ik niet beter deed mij ter

zijde te houden en van Beek met Overberg te laten handelen. Het oordeel

over den generaal en zijne kleindochter zou dan voltrokken worden;

maar het scheen toch gansch niet onverdiend.

Onder overleggingen van den onaangenaamsten aard begaf ik mij ter

ruste, die ik niet vond. Ik had een ellendigen nacht en was op het

punt na mijn ontbijt het rijtuig, dat mij naar de Werve moest brengen,

te gebruiken om naar een der dichtst gelegen stations van den spoorweg

te rijden, daar het stadje nog buiten het net der rails ligt, en naar

den Haag terug te keeren, waar mijne kamer nog niet is opgezegd en

waar ik mijn eigen rustig en werkzaam leven kon hervatten, om mij voor

goed af te wenden van tante Roselaers fortuin en hare beschikkingen;

maar Overberg kwam tusschenbeide met consideratie en advies.

"Ik meen uwe nobele intentie geraden te hebben," ving hij aan. "Gij

wilt freule Mordaunt leeren kennen, en als zij u aanstaat een voorslag

doen, die allerlei moeielijkheden door eene enkele overeenkomst bij

minnelijke schikking uit den weg ruimt. Ik kan u niet zeggen, hoe

prijselijk, hoe verstandig ik dit voornemen vind, en het verwondert

mij zelfs, dat de erflaatster u in dezen niet een wenk heeft gegeven,

want zij was iemand, die de zaken zeer helder inzag."

"Dien wenk heeft ze gegeven; ik wil het u niet langer verhelen; en

't was wel mijn voornemen dien op te volgen, maar na het gehoorde

van gisterenavond moet ik er van afzien."

"Gekheid! Hecht toch niet zooveel gewicht aan die praatjes. Denk aan

de lasterzucht en de kleingeestigheid van de lieden eener kleine stad,

die alles op het bekrompenste uitleggen."

"Heel goed; maar in een kleine stad, waar men elkander, om het zoo

eens te zeggen, oog in oog ziet en alles van elkander kan weten, durft

men toch zoo grof niet liegen en lasteren als er niets van aan is."

"Dàt wil ik ook niet beweren; maar zekere ongewone voorvallen, zekere

excentrieke handelingen zijn meestal voor tweeërlei uitlegging vatbaar;

en wie zegt ons, dat de slechtste, door naijver en ergdenkendheid

gegeven, juist de ware is? Ik voor mij, dit beken ik, ik ben niet

in de gelegenheid geweest om de gedragingen van freule Mordaunt te

controleeren. Ik had genoeg aan de zaken met haar grootvader, die

altijd met hooge ingenomenheid van haar sprak. Daarom wilde ik ook

geene getuigenis voor of tegen haar geven op uwe vraag. Had ik echter

kunnen denken dat onze dames het zóó bont gemaakt zouden hebben,

dan had ik het niet op hare praatjes laten aankomen en zou ernstige

navraag hebben gedaan bij personen, die billijk en betrouwbaar waren."

"Kent gij dezulken hier?"

"Ze moeten hier te vinden zijn. En ik verzeker u, in mijne praktijk

is het mij zoo dikwijls voorgekomen dat men de boosaardigste

beschuldigingen, tot de grootste proportiën opgeblazen, als een

zeepbel zag uiteenspatten bij ferme, mannelijke aanraking, dat ik

niets meer geloof, wanneer ik niet met eigen oogen gezien, niet

met eigen handen getast heb, of waarvoor ik althans waarborgen heb,

die met eigen aanschouwen gelijk staan."

"Op het punt der verkochte of beleende juweelen hebt gij dan toch

zeker eenig duchtig bewijs in handen," viel ik in, mij zijn verbleeken

herinnerend.

"Gij hebt gelijk; juist in die zaak ben ik betrokken geweest. De

freule had meer geld noodig dan die woekeraar van een goudsmid hier

bij ons er haar op wilde voorschieten. Verkoopen wilde zij ze niet

dan op het uiterste, en hoewel het mogelijk is dat de juwelier,

die ze een paar uur onder zijne berusting heeft gehad, er zaken

mee heeft willen doen, met hare toestemming en voorkennis zijn

ze niemand te koop aangeboden. In hare verlegenheid nam zij hare

toevlucht tot mij, van wien ze wist dat haar grootvader altijd met

raad en hulp werd gediend. Nu behoort het wel niet tot mijn vak,

geld te leenen op edelgesteenten, maar zij bekende mij, dat zij in de

uiterste verlegenheid verkeerde, hoe ze een paar duizend gulden zou

bijeenkrijgen buiten haar grootvader om. Zij was pas meerderjarig en

hare voogden hadden haar nog geene rekening en verantwoording gedaan

van hun beheer over haar vaderlijk erfdeel; zelve wist ze nog niet,

wàt ze bezat, en geloofde dat haar vermogen geheel op het Grootboek

was geplaatst om bepaalde redenen, die ik licht doorzag; men had den

generaal de gelegenheid willen benemen om zijne kleindochter, wier

fortuin bij het overlijden van haar vader toch al zeer gereduceerd zal

zijn, totaal te ruïneeren. _Wat_ daarvan zij, eene parure in paarlen

en de prachtige diamanten spelden was alles wat zij kon missen op

dit oogenblik, maar zij had er die dan ook voor over. Mejonkvrouw

Roselaer had mij eens voor al opgedragen de von Zwenkens in allen nood

bij te staan, moyennant degelijk onderpand. Ik meende dit geval in

dat voorschrift te moeten begrijpen en ik schoot het geld voor tegen

billijke rente, op mijn eigen risico, zoo de oude freule de zaak niet

mocht goedkeuren; maar het tegendeel bleek, en de sieraden zijn nog

onder mijne berusting, daar ze tot hiertoe nog niet zijn opgevorderd."

"En de rente?"

"De freule schijnt daar niet aan te denken," hernam Overberg met een

goelijk glimlachje; "die laten we maar stilletjes oploopen tot tijd

en wijle.... Als het met uwe intentiën strookt, kunnen wij dat aparte

zaakje onder ons afdoen."

"Wij zullen zien, mijnheer Overberg. In elk geval kan het mij te pas

komen dit te weten. En hebt gij niet vernomen welk gebruik de jonge

dame dacht te maken van dat geld?"

"Zij moest er iemand mee helpen, die zich niet tot den kolonel kon

wenden (onder ons gezegd, zou het dezen ook niet licht zijn gevallen

die hulp te verleenen). In welke betrekking zij zelve stond tot den

persoon in kwestie, kwam ik niet te weten. Hij is maar een dag of

vier hier gebleven; zelf heb ik hem niet ontmoet, maar zooals gij

gehoord hebt, was er geen gebrek aan sprookjes over zijne _faits et

gestes_. Sommigen beweerden hem gezien te hebben in de kleeding en

de manieren van een gentleman; anderen wisten voor zeker, dat hij er

als een schooier uitzag, zich in een gemeene herberg bedronk en niets

beters was dan een brutale avonturier, 't geen wel zou kunnen zijn,

want het mededoogen der vrouwen is wel eens zeer slecht geplaatst."

"En 't voorval met den koetsier? Blinkt daarin ook hare vrouwelijke

meewarigheid uit?" vroeg ik, niet zonder wat bitterheid.

"Dat zal ik niet zeggen; maar er kon toch wel eens minder kwaad

achter schuilen dan de beminnelijke dames er in willen zien. In uw

geval zou ik den tocht naar de Werve niet uitstellen tot ik daar het

rechte van wist. Ik heb freule Mordaunt wel hooren beschuldigen van

bruske manieren en onvoorzichtige gedragingen, maar zij is bekend om

hare oprechtheid, die door hare dusgenoemde vriendinnen als impudentie

wordt beschouwd, want zij heeft niet als onze nufjes den tact om met

zoete woordekens impertinenties te zeggen. Mogelijk komt gij achter

de waarheid, als gij haar die zelve ronduit vraagt. Een enkel bezoek

verbindt daarbij tot niets, en gij zult toch in elk geval een onderhoud

met den generaal moeten hebben over de zaken."

Overberg had gelijk. Ik moest niet veroordeelen zonder eigen onderzoek,

en ik stapte in het wagentje met een paard, dat in deze streken het

traditioneele voertuig is voor buitentoertjes. Ik had in 't logement

gewaarschuwd dat ik dien dag uit zou blijven, maar wij wel gewacht te

zeggen waar ik heenging, om alle gissingen en willekeurige uitleggingen

af te snijden.

Ik deed of ik mij aan den koetsier overgaf voor een toertje in de

omstreken; alleen bij de eerste halt aan het tolhek gaf ik mijn

verlangen te kennen om naar 't kasteel de Werve te rijden.

"Dan zijn we de verkeerde poort uitgereden!" knorde de boersche

voerman, "en dan doen we beter den tol niet door, maar links af langs

het bosch te rijden;" 't geen echter den tolbaas niet aanstond,

die verzekerde dat men de Werve evengoed kon bereiken als men een

kwartier later links af draaide, "een makkelijk schulppad, zoo

hard als een steenweg, zouden we vinden, met hooge populieren tot

aan het dennenbosch, en dan wees de weg zich vanzelf." De voerman

onderwierp zich en wij reden door; maar "de weg die zich zelf wijst"

is wel eens een zeer onbetrouwbare indicatie; wij zouden het tot onze

teleurstelling ondervinden. Inmiddels gleden wij werkelijk over het

schulppad of het eene railroute was. Het was een droge koude lentedag,

zonder zon; de lucht had iets zwaars, dat bijna een sneeuw- of hagelbui

liet verwachten. Het hoog, nog slechts knoppend geboomte schonk weinig

afwisseling, en de huif van het wagentje, dat ter eener zijde dicht

moet blijven om den schralen noordenwind, liet mij niet veel anders

zien dan den breeden rug van den voerman. Ik had dus alle mogelijke

gelegenheid om tot mij zelven in te keeren en mijn _plan de campagne_

te maken, dat ik toch weer varen liet zoodra het geëmbaucheerd was;

want het terrein was mij nog altijd onbekend, en ik begreep dat ik met

een vijand zou te doen krijgen, die weerbaar genoeg was om partij te

trekken van een onhandigen aanval; het was dus beter, vooruit geene

manoeuvres te bepalen, die door de eerste caprice de beste van "den

Majoor" onuitvoerbaar konden worden gemaakt.

Het beste was maar "_voir venir_" en handelen naar omstandigheid. Het

_veni, vidi, vici_, zou hier toch niet te pas komen. Menig ander

ware wellicht niet eens op de conquête uitgegaan na een soireetje

zooals ik had moeten bijwonen; maar nu de nevelen van den nacht wat

opgeklaard waren, voelde ik mij, ondanks alles, geprikkeld door iets

dat sterker was dan alle vooroordeel. Het spreekt wel vanzelf, dat

ik mijne eer hoog genoeg houde om met Cesar te zeggen, dat mijne

vrouw onverdacht moet zijn;--onbesproken is de arme Majoor Frans

zeker niet,--maar als de verdenking eens bleek niet op deugdelijke

gronden te berusten, als men die logenstraffen kon, door de feiten

tot hunne rechte proporties terug te brengen, dan, ik vroeg het mij

zelven af in die _verhängnissvolle_ ure, is het dan niet de plicht

van een edelman om de publieke opinie te braveeren waar zij dwaalt,

en met der daad haar den rechten weg te toonen? Is zulk een triomf

niet een meer waardige dan het schuchter terugwijken voor de meening

van wie weet wien? die zich door wie weet wàt heeft gevormd? Is het

niet een wat al te plompe heerschappij, die het vormlooze schepsel

_mee_ voert over de gemoederen? Wordt het geen tijd in onze dagen,

waarin men alle gezag in kwestie stelt en niets onaangevochten laat,

ook dit aanmatigend veemgericht te controleeren en er zich niet

voor te buigen? Ik althans zal den moed hebben het te doen en alle

lastertongen te laten klappen. Ik zeg niet: als Francis mij bevalt,

want de kwestie van hare meerdere of mindere beminnelijkheid kan

ik in deze niet meetellen, daar het een plicht geldt; maar als ik

voor mij zelven in mijne consciëntie overtuigd ben, dat zij geen

misstap heeft begaan, geene betrekkingen heeft aangeknoopt die

vlekken hebben geworpen op haar leven en waardoor werkelijk de

eer van een echtgenoot kan worden gekwetst. Dit voornemen schijnt

roekeloos, en gij glimlacht als gij dit leest, bij de gedachte

dat ik wel van besluit veranderen zal eer het er toe komt; maar 'k

moet u herinneren aan de eerste dagen onzer kennismaking te Leiden,

toen gij, reeds oud student en Mr. op het tipje, mij als armen groen

onder uwe hoede naamt en welhaast de hand der vriendschap reiktet,

toen die niet meer noodig was ter bescherming. Weet gij nog wel,

als onder ons jongelui het gesprek op de vrouwen viel, dat ik mij

er dan niet of alleen terloops in mengde, en alleen dan als men

mij verweet reeds verliefd te zijn en te zitten droomen terwijl de

anderen schertsten. Ik redde mij dan voor het oogenblik door eens

ferm mee door te slaan en te snoeven van allerliefste meisjes-

en vrouwengunst, of ik er diep in doorgedrongen was. Ik deed zoo

om de waarheid te verbergen, dat dit alles voor mij woorden zonder

beteekenis moest blijven. De bekrompen omstandigheden mijner familie,

die mij deze aanvankelijke studiën nauwelijks vergunden, waren mij

maar al te goed bekend; de tijd dat ik er aan zou kunnen denken eene

vrouw te onderhouden uit mijne eigene ressources was zoo eindeloos

verre,--en de gedachte met mijn jonkheerstitel te speculeeren op eene

rijke vrouw was mij nog meer verre en vreemd dan deze. Ik had mij zóó

vast gezet in het denkbeeld dat ik leven moest als een Benedictijn

die de drie geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid aan

den onverbiddelijken plicht der werkzaamheid heeft afgelegd, dat het

niet eens in mij opkwam luchtkasteelen te bouwen en zekere illusies te

kweeken. Zoo is het mij gelukt, aan de beroeringen van den hartstocht

te ontkomen, zoodat ik met waarheid van mij zelven mag getuigen, dat

ik dat ledig tot hiertoe niet heb gevoeld; ik had er geen tijd toe in

mijn werkzaam en met zorgen vervuld leven. Toch weten mijne vrienden,

dat dit hart noch koud, noch zelfzuchtig is: alleen het onverbiddelijk

"terug!" hield er alles buiten wat daar binnen stoornis had kunnen

brengen. Maar zelfs hij die zich illusies verbiedt, kan nog wel eens

idealen scheppen, en zoo heb ik in die korte en zeldzame oogenblikken

waarin mij het mijmeren geoorloofd was, wel eens gefantaseerd over de

vrouw die voor mij zou passen, als de omstandigheden veranderden en ik

naar eene levensgezellin zou mogen omzien. Ik ben er nooit toe gekomen

mij dit ideaal in eene bepaalde gestalte voor te stellen; of zij bruin

dan wel blond zou moeten zijn, fijn van tint of sprekend van kleur en

trekken, daarover liet ik den sluier der onbestemdheid rusten, die dit

nevelachtige mijner fantasie het ruimste spel liet; allerminst kwam ik

er toe om dit ideaal in freule B. of juffrouw A. belichaamd te wanen,

maar de eigenschappen van geest en hart, van humeur en karakter, die

het wezen zou moeten bezitten, waarmee ik voor het leven zou willen

verbonden zijn, die de verbintenis iets meer zijn dan een uiterlijken

band, heb ik wel eens bij mij zelven bediscussieerd, en ik was het

gansch niet met van Lennep eens, dat de grootste verdienste eener

vrouw juist daarin bestaat, dat er niets van haar te zeggen valt,

dan dat zij met volharding kousen maast en de teerste zorg koestert

voor de groote wasch. Als mevrouw de Witt zekeren zachten invloed

had weten te oefenen op haar gemaal, zou de gerechtelijke moord van

Buat vermoedelijk zijn voorkomen, en deze vlek niet hebben gerust op

het karakter van den eminenten leider der oligarchische republiek,

ik wil daarmee niet gezegd hebben, dat iedere vrouw, of zij er

aanleg voor heeft of niet, zich zou moeten mengen in de zaken van

staat; ik meen alleen, dat die absolute onbeduidendheid mij voor mij

zelven als _vis-à-vis_ voor het leven iets vreeselijks vervelends en

ledigs zou toeschijnen, en dat ik het oordeel van Jean Paul over de

blijdschap der mannen, als de kortstondige dichteres, die hunne bruid

was, spoedig na het huwelijk in eene spinnende huispoes veranderd,

niet deelen kan. Als er geest en hart is, kan dat uitkomen in alle

détails van het leven, om dat te sieren en te verheffen. De vrouw

die dat wist te vatten, wie zij dan ook overigens ware, musicienne

of kousenstopster, bezield met liefde voor de kunst en litteratuur,

of simpellijk haar lust vindend in 't volbrengen harer huiselijke

plichten, zou zeker kunnen zijn van mijne duurzame genegenheid. Alleen

heb ik mij nooit verveeld, maar de verveling _à deux_ moet, dunkt mij,

de afschuwelijkste kwelling zijn, die tot uitspattingen zou voeren.

En nu, ik moet het u eerlijk opbiechten, Willem! al hadt gij

het misschien niet uit ons vroeger gesprek geraden,--in al de

zonderlingheden die mij van Francis ter oore komen zie ik iets van dat

ideaal. Zij heeft karakter, zij schijnt geest te bezitten, al wordt

haar hart ontzegd. Zij durft zich zelve zijn, en juist dit faalt

onze meeste jonge dames, die allen op iets anders willen gelijken,

dat zij eigenlijk niet zijn; die geene eigene opinie hebben, maar als

zekere insecten de kleur aannemen van het blad waarop zij rusten. Dit

geeft iets onwaars, iets onbestemds aan geheel haar bestaan, dat ik

niet betrouwbaar acht. In die allerliefste modepoppetjes, op alles

afgericht, behalve steun te zoeken in eigen vaste beginselen, schuilen

soms kuren en grillen, die niet te voorschijn komen dan te laat om er

nog wat tegen te doen. Ze zijn niets, maar als hare pluimen en linten

worden zij door iederen wind meegevoerd. Vandaag willen ze dit, morgen

weer wat anders; in den regel weten zij zelven niet wat ze eigenlijk

willen, en men zou zich in duizend bochten kunnen wringen zonder haar

eigenlijk nog te voldoen, als men zich daartoe wilde zetten.

"Wat mij betreft, dàt nooit!" placht ik wel eens overluid uit te roepen

bij zulke mijmeringen, en ik ben er nu niet meer toe gedisponeerd dan

voorheen; Francis _n'a qu'à bien se tenir_. Ik wil haar ridderlijk

ter zijde staan en ik zal haar beschermen _envers et contre tous_, als

zij het waard is, maar kniebuigingen voor zotte exigenties zal zij mij

nooit zien maken. Terwijl ik mij in dergelijke voornemens en gedachten

verdiepte, had de koetsier zijn werk gedaan, zooals dat meer gaat bij

dergelijke lieden, zonder er veel bij na te denken, en had den "weg

die zich zelf wees" ingeslagen, zonder op te letten in welke richting

die liep en of er ook op verderen afstand een andere ware te volgen,

die meer zeker tot het doel leidde; hoe dat zij, wij waren een tamelijk

breed boschpad ingeraakt, dat tot niets voerde dan een _rond-point_

met eene vervallen _rustique_ bank; wij moesten wenden en zien langs

een andere zijde een uitweg te vinden. Wij meenden dien gevonden te

hebben, toen wij aan den uitersten zoom van het bosch genaderd, daar

een smal zandpad opmerkten langs een watertje, waarover in de verte een

ruwe brug, die met één paard en 't lichte wagentje wel zou zijn over te

rijden, naar mijne gissing; maar toen wij er bij gekomen waren bleek

het, dat ik mij bedrogen had. De brug was breed genoeg, maar slechts

door twee of drie waggelende verrotte planken gedekt; een voetganger,

die zich aan de leuning kon vasthouden, had er zich mogelijk over

kunnen werken, maar met paard en wagen was dit ondoenlijk.

"Wij zijn aan den verkeerden kant het bosch ingereden," zei de voerman,

"dat bemerk ik nu! die laan over de brug voert naar het dorp, en dan is

het maar een stijf kwartiertje tot de Werve; dit dennenbosch hoort al

tot de plaats." Terwijl hij nog sprak, hoorden wij den hoefslag van een

paard dat in vollen galop achter ons aankwam en snel als de gedachte

voorbijschoot, eer het ons mogelijk was door een woord of eene vraag

onze verlegenheid uit te drukken; de cavalier--of de cavalière--voor

mij was dit niet uit te maken, daar hij juist voorbij draafde aan de

zijde waar het zeildoek neerhing,--was in een oogwenk uit het gezicht;

maar de koetsier had kunnen opmerken, welke richting hij nam.

"Dat is Majoor Frans," sprak hij, zich naar mij toe keerend.

"Majoor Frans!" herhaalde ik met eene mengeling van verrassing en

wrevel, "wien bedoel je daarmee?"

"Wel, de Freule van 't kasteel, zoo noemen ze der allemaal in mijn

dorp, als ze der jongen komt zien."

"Wat malle historie wilt gij mij daar wijs maken?" sprak ik op een

toon die forsch en onverschillig moest klinken; maar dat ging mij

slecht af, de stem stokte mij bijkans in de keel.

"Lang niet mal! maar heel akelig! Zij zou geen kostgeld betalen voor

den jongen, als zij geen schuld had."

"En is dat kind in den kost in het dorp, zoo dicht bij de Werve?" vroeg

ik verlicht.

"Wel neen, heerschap! te Oldeberkoop, wel twee uren wijd van stad,

daar hoor ik thuis en daar komt ze om een haverklap, op d'r mooie

paardje. Maar nou zij deur het bosch rijdt, moet er een uitweg zijn,

en die zullen wij zien te vinden."

Hij wendde in de richting dien hij de Freule had zien nemen; ik liet

hem begaan, het was mij bijkans onverschillig geworden of wij aankwamen

àl dan niet. Eenige minuten lang liep het smalle boschpad nog door,

dat de stoute rijdster gevolgd was; toen liep het te niet in een dicht

kreupelbosch, dat wel nog geen ander groen toonde aan boom en struik

dan wat knoppen en aankomende blaadjes, maar evenmin een pad om door

te komen; de grond was week en drassig en met dicht mos begroeid; het

was onbegrijpelijk hoe het paard met zijne berijdster daar over heen

waren geraakt; alleen de grootste rapheid en behendigheid, tegelijk

met volmaakte eenswillendheid van het dier met zijne meesteres,

had dat mirakel kunnen bewerken!

Mijn suffer van een koetsier, wiens verstand er bij stilstond,

trok een verbaasd en verdrietig gezicht; dat was door ons niet na

te volgen. Hij verzocht mij uit te stappen, en verliet zelf den bok;

hij bond zijn rossinant aan een boom; wij moesten trachten het spoor

te vinden, dat ons betere kansen bood, en werkelijk, na eene wijle

speurens en ronddolens, ontdekte ik eindelijk wat meer achterwaarts

een smal zandpad, dat nog de indruksels droeg van paardehoeven en

waar wij mogelijk nog doorkomen konden, mits de voerman het paard bij

den toom leidde; ik vooruit, om den weg te verkennen. Helaas! toen

we het pad op die wijze ten einde gebracht hadden, bevonden wij ons

aan den uitersten zoom van het bosch, tegenover omgeploegd bouwland,

dat vrij uitgestrekt was, en waarvan wij gescheiden waren door een half

uitgedroogde sloot, waarin afgevallen bladeren lagen te rotten en waar

allerlei moerasplanten welig opschoten. Geene mogelijkheid voor ons

om daarover te komen, en, waar waren wij dan nog? Rechts heidegronden,

de hoogten en laagten met spar- en dennenboomen bezet, links ook weer

door akkerslooten en greppels vaneengescheiden--aardappelenland,

waarvan het zacht groene loof even bovenkwam, achter ons het bosch

dat wij reeds hadden doorkruist zonder een uitgang te vinden. Ik

keek op mijn horloge; het was ongeveer twaalf uur; de schofttijd

van de boerenarbeiders, die vermoedelijk nog op het land hadden te

werken. Geene terechtwijzing was er te krijgen; ons restte niets

dan terugkeeren langs denzelfden weg dien wij gekomen waren, tot aan

den tol, en daar weer den tocht van nieuws aan te beginnen, zooals

de koetsier voornemens was eer de dwaze raadgeving van den tolbaas

hem op een dwaalweg had gevoerd. Behalve het onaangename van die

teleurstelling en zooveel tijdverlies, was het voor het arme paard

nauwelijks te doen zonder rust en verkwikking; de voerman onbarmhartig

als de lieden van zijn gild, hield staande dat het niemendal was;

ik aarzelde om dat besluit te nemen en zag toch nergens eene betere

uitkomst. Op eens hoorden we dicht in onze nabijheid een schaterend

gelach dat mij tergend in de ooren klonk; het geluid kwam eenigszins

van uit de hoogte. Ik zag op en naar de heuvelachtige heide heen;

op den top van eene begroeide zandhoogte stond de persoon die zich

zoo vroolijk maakte over onze misrekening.

"Majoor Frans!" riep de koetsier met zijne schetterende stem, zonder

zich te geneeren in zijne verbazing en ergernis.

Zij zelve! Francis Mordaunt was het, die zoo onbarmhartig den spot

dreef met onze verlegenheid. Op zulke ontvangst van hare zijde had

ik wel niet verdacht kunnen zijn.

Zooals zij daar stond, eenige voeten boven mij, maar toch vrij dicht

in de nabijheid, kon ik haar goed opnemen, en ik kan niet zeggen, dat

die aanblik mij verzoende met hare persoonlijkheid, die mij toch al

zooveel ergernis, zooveel onaangename gewaarwordingen had veroorzaakt.

Dàt was mogelijk hare schuld niet, maar wel dat zij zich zoo dwaas

had toegetakeld, dat men bij 't eerste aanzien twijfelde of men

een man, dan wel eene vrouw voor zich had. Zij had hare Amazone-rok

getrousseerd op eene wijze, die aan een Zouavenbroek deed denken, en

daarbij had zij over het engsluitend jakje van haar rijkleed een wijde

_vareuse_ geworpen met lang ruig haar, zeker heel doeltreffend tegen

de scherpe voorjaarslucht, maar die, tot den hals toe dichtgeknoopt,

zeer weinig geschikt was eene gracelijke gestalte te doen uitkomen,

voor 't geval dat ze die werkelijk bezat. Het hoofd was gedekt door

een grijzen flambard met slap neerhangende randen, de blauwe of

groene voile, die in den regel aan zulk een mannelijk hoofddeksel,

als de dames goedvinden bij haar rijkostuum te dragen, nog eenige

vrouwelijke distinctie geeft, ontbrak; alleen een bosje haneveeren,

dat er losjes op gehecht was door een groen zijden lint, gaf er een

_air_ aan of de draagster den wilden jager uit de oude tooversprookjes

had willen nadoen, en om het al te kronen, had zij een roodzijden

doek over den bol heengeslagen en onder de kin toegeknoopt. Zoover

dit onbehagelijk fantasie-kostuum mij de mogelijkheid liet over haar

voorkomen te oordeelen, moest zij eer fijn en slank van gestalte zijn

dan ruw en forsch, en haar uiterlijk was bepaald in contrast met de

voorstelling die ik er mij van gedroomd had. Ik had mij vastgezet in

het denkbeeld, dat zij gelijken zou op Ristori in het karakter van

Medea, met gitzwarte kroeze haren en sterksprekende trekken. Van het

haar was door den neervallenden rand van den flambard niets te zien,

maar zoover ik oordeelen kon uit dat gedeelte van haar gelaat dat

niet door de ongracelijke bedekking overschaduwd werd, was zij eene

blondine, met fijne trekken en een romeinschen neus; er behoorde meer

goeden wil toe, dan in dat oogenblik de mijne was, om een aangenamen

indruk te ontvangen van dit gezicht onder haar schaterend gelach en den

akeligen roodzijden kiespijndoek die het omgaf. Ik voelde mij er door

getergd, en, zeer weinig gestemd om égards te toonen voor eene vrouw

die zoo blijkbaar het zelfrespect vergat, riep ik haar toe: "Luister

eens! gij daar! die u zoo vroolijk maakt over uws naasten ongeval. Gij

zoudt beter doen ons den weg te wijzen om verder te komen."

"Daar is hier geen verder komen, dat is, dunkt me, wel te zien. Wie

in 't bosch komt anders dan om rond te rijden heeft een domme streek

begaan. Ziedaar alles."

"En gij dan?"

"Ik!" Zij lachte weer, "ik ben met mijn paard over de droge sloot

gesprongen daar tusschen de struiken door, en zoo ben ik op de heide

gekomen. Doe het mij na als gij lust hebt, maar met paard en wagen

zal het niet best gaan! Waar wilt gij eigenlijk heen?"

"Naar het Huis de Werve!"

"Naar de Werve!" herhaalde zij, en verledigde zich nu eerst van hare

hoogte af te dalen en tot op den zoom van de sloot te naderen, van

waar ik haar stond toe te spreken.

"Wat hebt gij op het kasteel te doen, mijnheer?" vroeg zij nu op geheel

anderen toon, niet meer de luchtige, ongegeneerde van _somebody_,

die zich tegen _nobody_ niet behoeft te ontzien.

"Een bezoek brengen aan den generaal von Zwenken en aan de Freule

Mordaunt, zijne kleindochter."

"De generaal wacht geene bezoeken meer af, en wat gij aan zijne

kleindochter te zeggen hebt, kunt gij aan mij richten. Ik ben de

freule Mordaunt."

"Ik kan het nauwelijks gelooven, maar indien het waar is, verzoek

ik de freule mij eene minder ongeschikte plaats aan te wijzen voor

een onderhoud, dan deze hier; dat wat ik te zeggen heb kan niet

uitgeschreeuwd worden over eene droge sloot en ten aanhoore van

een koetsier."

"Zoo rijd met het wagentje terug tot aan den tol, dáár vindt men den

weg naar het dorp en naar 't kasteel, als dat bezoek zoo noodig is."

"Opdat gij mij mogelijk aan de poort zoudt laten afwijzen,

Majoor!" zeide ik in mijzelven; "neen, de gelegenheid is er nu,

en ik zal die niet laten glippen." Ik gaf den koetsier order om

terug te rijden, die zich dit geen tweemaal liet zeggen, zette den

stevigen wandelstok, waarvan ik mij voorzien had, zoo goed mogelijk

in den weeken mosgrond, en kwam op de andere zijde, zonder dat ik

zelf recht wist hoe; het was mij een oogenblik groen en geel voor

de oogen; zoo ik het ongeluk had gehad mijn sprong te missen en in

't moerassige slijk terecht te komen, zou ik opnieuw een gek figuur

gemaakt hebben tegenover Francis, die zeker zonder eenige verschooning

met mijn ongeval zou hebben gespot. Ik waagde veel, dat voelde ik,

maar het moest gewaagd worden. Het devies van mijne voorzaten bleek

profetie: de stoutheid was mij gelukt.

"Bravo! ferm gedaan!" riep Francis mij toe met hare volle altstem, die

mij voor 't eerst niet hard en tergend in de ooren klonk, en zij klapte

in de handen met eene joligheid en schalkschheid, die haar goed afging.

Nu op het bouwland geraakt, had ik maar weinig schreden meer te doen,

en nog eene smalle droge greppel over te springen, en ik was bij haar!

Ik nam mijn hoed af, en zij salueerde met haar rijzweep.

"Dat's een kluchtig avontuur, mijnheer," sprak zij weer lachend. "Als

gij er nu nog aan hecht op de Werve aan te landen, moet gij de hei

over wandelen."

"Is het eene verre wandeling?"

"Neen; 't is veel korter dan de rijtoer; maar sinds gij over de hei

den weg niet kent, loopt gij gevaar weer te verdwalen!"

"Gij vergeet dat ik een recht heb, op uw gezelschap te rekenen,

bij die wandeling."

"Een recht! een recht! gij zijt wel als de anderen, om een recht te

nemen uit een los woord dat mij ontvallen is."

"De freule Mordaunt had mij een onderhoud toegezegd; is het vreemd

dat ik haar bij het woord houd, en de eerste gelegenheid de beste

aangrijp?"

"Nu goed, maar ik ken zelve op zijn best het rechte pad over deze

gronden. Ik had terug willen rijden, maar mijn paard heeft een ijzer

verloren, en ik heb het gestald bij den boschbaas daar ginds;"

zij wees naar een boerenhuis, dat wat in de laagte lag, en als

verscholen tusschen dennen- en sparrenhout; "die zal het naar den

hoefsmid brengen in het dorp, en zoo doolde ik hier maar wat rond;

bij 't kasteel komen wij binnen 't half uur als wij maar oplettend

zijn en altijd door links houden, maar ik zou vooraf willen weten of

gij daar werkelijk noodig hebt; de generaal is volstrekt niet gesteld

op gasten, dat kan ik u verzekeren."

"Ik kom geene gastvrijheid vragen. Ik wilde hem alleen een bezoek

brengen om zijne en uwe kennis te maken, daar ik mij eenigen tijd

in de nabuurschap moet ophouden, en mij herinner dat ik door mijne

moeder aan de familie von Zwenken geparenteerd ben."

"Zooveel te erger; op de Werve lijdt men niet bijzonder aan

familiezwak."

"Daar heb ik wel van gehoord; maar ik ben geen Roselaer, ik ben een

van Zonshoven, freule! Leopold van Zonshoven."

"Ik heb nooit gehoord, dat mijn grootvader relatiën heeft gehouden

met heeren van dien naam. Maar als gij _geen Roselaer_ zijt, is er

reeds minder kwaad bij, en om de vreemdigheid dat een lid der familie

zich aan ons gelegen laat liggen, zult gij misschien succes hebben bij

den generaal. 't Is immers wel zeker, dat gij niet voor zaken komt?"

"In dat geval zou ik een procureur of notaris hebben gezonden en zorg

dragen, dat men er freule Mordaunt niet mee ging bemoeien."

"Dat zou toch verkeerd zijn," hernam zij ernstig. "De generaal is diep

in de zeventig en heeft veel verdriet gehad in zijn leven. Ik wil het

u niet verhelen dat hij in velerlei zorgen en bezwaren zit en dat ik,

zoo vaak ik kan, tracht te voorkomen, dat men hem daarmee lastig valt."

"Met het afwenden van hetgeen lastig is, heeft men het echter nog

niet uit den weg geruimd, zou ik meenen," antwoordde ik, terwijl ik

haar met zekere opzettelijkheid aanzag. Het waren diepe, donkerblauwe

oogen, dien toen mijn blik troffen.

"Aan wie zegt gij het?" hernam zij met een zucht, terwijl zij die

sprekende oogen neersloeg en zich een trek van lijden op haar gelaat

teekende. "Maar toch, ik doe daarin àl wat ik kan, al is 't niet alles

wat ik zou willen; daarom, ik herhaal het, als er iets onaangenaams

schuilt voor hem achter uw bezoek, zeg het dan liever ronduit aan mij;

mogelijk kan ik er nog iets op vinden."

"Ik kan u alleen zeggen, dat ik uwe pogingen om den generaal leed en

last te besparen, uit al mijne macht zou willen steunen."

"Dat doet uw hart eer aan; maar als gij er zoo over denkt, aarzel ik

u als een lid der familie te erkennen, want dat strijdt geheel tegen

onze traditiën."

"Dat is wel mogelijk, maar noem mij gerust neef, want er zijn

excepties, en ik hoop te bewijzen dat ik er toe behoor."

"Als dàt waar is, zult gij welkom zijn op de Werve, ook bij exceptie,

want in den regel laten wij er geen nieuwe gezichten meer toe."

"Dat is toch jammer. Mij dunkt, het kan toch _uwe_ begeerte niet zijn,

om in zoo volstrekte afzondering te leven."

"Juist de mijne!" viel zij in met zekere hoogheid. "Ik heb al genoeg

ondervinding van de menschen, om heel weinig op hun omgang gesteld

te zijn."

"Zoo jong nog en reeds zulk eene misanthropische opvatting van de

wereld!" merkte ik aan.

"Ik ben zoo jong niet meer: ik ben zes en twintig jaar, neef, en

daaronder zijn campagnejaren, zooals mijn grootvader zeggen zou,

die voor het dubbele gelden. Gij kunt gerust met mij praten of ik

eene vrouw van veertig ware.--Ik heb er de levenservaring van."

"Ik zal mij wel wachten, u hier bij 't woord te vatten; zoo iets

zeggen de dames maar om tegengesproken te worden."

"De dames!" riep zij met onuitsprekelijke minachting. "Ik verzoek

u zeer ernstig, neef, om mij niet te begrijpen onder dat soort

van wezens, die in den regel door de heeren als 'de dames' worden

aangeduid."

"Onder welke rubriek moet ik u dan stellen, nicht? Waarheid is, dat

ik op het eerste gezicht niet recht wist waar ik u voor houden moest."

"Het is waar," zei ze glimlachend, "voor iemand die mij niet kent,

moet ik er nu wel wat vreemd uitzien.... Maar zeg op, waar gij mij

eigenlijk voor aanzaagt? Ik houd van oprechtheid: dat is ten minste

wat mij van 'de dames' onderscheidt."

"Welaan, ik zal oprecht zijn. (Het woord van Gremio: '_He will kill

her in her own humour_' stond mij gestadig voor den geest). Ik hield

u bij den eersten aanblik voor...." De courtoisie begon mij een part

te spelen; het harde woord wilde er niet uit.

"Voor eene verschijning van den zwarten jager?" vroeg zij lachend.

"Eene verschijning? Zeker neen! Dat is te etherisch. Ik hield u voor

eene treurige realiteit.... Voor een boschwachter die kiespijn had."

Zij scheen een oogenblik getroffen en beet zich op de lippen; hare

wangen gloeiden.

"Dat's grof," sprak zij eindelijk, en zag mij aan met een blik of er

een pijl uit haar oogen zou schieten.

"Gij hebt oprechtheid gewild en zegt die te kunnen verdragen," gaf

ik ten antwoord.

"Gij hebt gelijk, en gij zult ondervinden dat ik de waarheid sprak. Sla

toe, neef! daar is mijne hand; ik geloof dat wij vrienden zullen

worden."

"Zoo hoop ik, nicht! Maar wees nu niet ten halve edelmoedig. Laat

mij u werkelijk de hand drukken; niet die grove rijhandschoen."

"Gij zijt een fat," zei ze, het hoofd schuddend; "maar gij zult uw

zin hebben; ziedaar!" En eene fijne, blanke hand lag in de mijne,

die ik een minuut langer vasthield dan volstrekt noodig was; zij

scheen het niet op te merken.

"Maar noem mij Francis, ik zal Leo tegen u zeggen. Dat 'neven en

nichten' tegen elkaar is zoo vervelend," sprak zij op gullen toon.

"Volgaarne!" en ik drukte opnieuw de hand, die zich nu eerst vrij

maakte, terwijl zij voortging met een mengeling van schalkschheid

en ernst, die haar goed afging; "maar de koetsier moet u toch gezegd

hebben dat hij Majoor Frans had herkend."

"Dat is maar al te waar; en gij, Francis, vindt gij het niet uiterst

krenkend, dat men zich verstout u zóó te noemen?"

"Och neen, dat trek ik mij volstrekt niet aan; ik weet nu eenmaal

dat ze mij dien bijnaam gegeven hebben. Ik ben er niet beter en niet

slechter om. Ik weet heel goed, dat ze mij hier in den omtrek nawijzen

als een kozak of een cavalerie-officier, omdat ik met meer gemak

paard rijd dan de steedsche nufjes, en dat ze mij overal aangapen

als een kermiswonder, omdat ik de vrijheid neem mij te kleeden naar

mijne conveniëntie, en niet naar hun smaak."

"Maar eene vrouw behoort zich toch wel eenigszins te bekommeren om

het effect dat zij maakt op anderen."

"Ik zie niet waarom, als anderen haar niet kunnen schelen."

"De eerste plicht eener vrouw jegens zich zelve is, dunkt mij, zich

behagelijk voor te doen."

"Dat maken 'de dames' hare mannen wijs, voor wie zij niets willen

zijn dan _objets de luxe_, opdat deze haar alles zullen inwilligen

wat de buitensporigheid der mode en der weelde eischt."

"Ik vrees wel dat er zoodanigen zijn, en te veel; maar zijn daarmede

allen veroordeeld, die trachten zich goed voor te doen? Gebiedt niet

het zelf-respect, men zij man of vrouw, dat men eenige zorg drage

voor zijn uiterlijk, en kan men niet goeden smaak toonen ook in het

eenvoudigste, als _men smaak heeft?_"

Zij kleurde een weinig.

"Gij gelooft dus, dat ik gansch geen smaak heb, omdat ik mij tegen den

guren lentedag heb gewapend met eene vareuse?" vroeg zij, eenigszins

gekrenkt.

"Ik zal mij wel wachten u te beoordeelen naar een enkel kleedingstuk;

ik sprak alleen van het _ensemble_, en daar eene vrouw, die volstrekt

onverschillig is voor haar uiterlijk, eene abnormaliteit is, moet

men wel eene slechte opinie krijgen van den smaak eener jonkvrouw,

die goedvindt haar gezicht in een leelijken rooden doek te wikkelen."

"Welke haar het voorkomen geeft van een boschwachter die kiespijn

heeft," herhaalde zij ras en stout. "Welnu, is dat de ergernis, dan

kan men die wegruimen; als nu maar de wind niet al te veel vrijheid

gaat nemen met mijn _flambard_."

Al sprekende had zij den doek losgeknoopt en nam tegelijk den speld

weg, die haar amazonenkleed trousseerde. De deftige sleep stond

goed bij de fijne, slanke gestalte. Ik kon nu voor het eerst, niet

meer gehinderd door die nijdige _foulard_, het _ensemble_ van haar

gelaat opmerken.

Neen voorwaar! zij was niet leelijk, al had zij het mogelijke

gedaan om er recht onbehagelijk uit te zien. Hare trekken waren

onregelmatig en scherp, dat is waar, maar gansch niet ruw of grof; er

lag eene uitdrukking van fierheid en vastheid op dit gezicht, die van

zelfbewuste kracht en een onafhankelijk karakter getuigde, maar verre

was van laagheid of zinnelijkheid. Slechts een flauw blosje kleurde

de bleekheid dier wangen, die wat schraal en ingevallen waren. Het

was haar aan te zien, dat zij door strijd en lijden was heengegaan,

zonder dat hare levendigheid en opgewektheid van geest daarbij te

veel hadden geleden. De groote blauwe oogen hadden iets opens, dat

vertrouwen wekte; dat zij flikkeren konden van verontwaardiging of

gloeien van geestdrift, had ik reeds opgemerkt.

Nu zij zoo naast mij voortging, bemerkte ik dat zij kleiner van

gestalte was dan zij mij eerst was voorgekomen, van de hoogte af

gezien; maar er zat pit in die vrouwelijke figuur, dat was niet te

ontkennen, al was het niet juist de kloeke mannin die ik mij had

voorgesteld te zullen aantreffen, afgaande op de mededeelingen van

anderen en den heroïeken bijnaam, die haar volstrekt niet scheen te

ergeren! Het was het oogenblik niet haar te vragen hoe zij daaraan

gekomen was; ik was reeds voldaan dat ik eene overwinning op haar

had behaald, die niet geheel zonder beteekenis scheen. Dat zij mij

zekere concessies had gedaan, bewees dat zij niet zoo onverschillig

was omtrent den indruk dien zij op anderen maakte, als zij mij wilde

doen gelooven. Toch moest ik toestemmen, dat zij wèl en wijs had

gedaan toen zij hare slepende amazone had getrousseerd, al was het

op wat onbevallige manier, want nu hinderde die haar in het loopen

door het mulle zand en bleef telkens haken aan een tak of een struik;

eens zelfs struikelde zij er door en zou neergevallen zijn, zoo ik

niet schielijk haar arm had gevat om haar opgericht te houden.

"Dat komt al van die behaagzucht, die gij mij predikt," zei ze

lachend. "Mijne eigene manier was veel beter in de praktijk. Wacht

even, ik weet er nog wel wat op." Zij nam den sleep over haar arm

en stoorde er zich niet aan, dat er juist geen coquette _japon_ voor

den dag kwam, met keurige _plissés_ of geborduurde strooken, zooals

onze dames niet ongaarne laten zien, maar een effen blauw merinosje,

dat er tamelijk verkleurd uitzag.

Ik bood haar mijn arm tegen mogelijke recidive van het ongeval.

"Dankje wel, neef!" zei ze wat bits. "Ik kan best alleen loopen,

zooals ik altijd gewoon ben. Ik ben niet een van die hulpelooze

schepselen zooals gij mannen ze het liefste hebt, die zich altijd

laten steunen en geleiden."

"Ik moet u doen opmerken, dat gij het zijt die mij in dezen tot gids

strekt; waarom zou ik niet wederkeerig u tot steun mogen zijn?"

"Gij zijt vast advocaat, dat gij de repliek zoo behendig hanteert."

"Ik zal u zeggen wat ik ben, als gij mijn arm wilt nemen: _une fois

ne fait pas loi_; het is allermeest voor de gezelligheid."

"Neen! ditmaal zult gij uw zin niet hebben, Leo. Het is even gezellig

zóó ieder op zich zelf, en als ik uw gids ben, moet ik weten wat het

beste past op deze gronden. Ik kan even goed luisteren."

"Verschoon mij, dan stel ik mijne vertrouwelijke mededeelingen uit

tot later."

"Ook goed," zei ze droogjes. "Ik ben niet nieuwsgierig; en ik mocht

mij eens vergissen in het pad, als uwe vertelling interessant werd

en te veel mijne aandacht boeide."

"Ik ben 't met u eens," antwoordde ik op denzelfden toon, "dat wij

zorgen moeten niet te verdwalen, want ik verlang hartelijk op de

Werve aan te komen."

"Dat wil ik wel gelooven; de tocht is juist niet erg meegevallen,"

merkte zij aan met eene mengeling van bitsheid en schalksheid.

"Integendeel; want ik had niet kunnen verwachten dat ik zoo spoedig

en op zulk eene verrassende wijze de kennis zou maken van mijne nicht,

freule Francis Mordaunt."

"De kennis maken, de kennis maken," herhaalde zij bijna grommend;

"men kent mij zoo maar niet uit een eerste samenzijn; en wat de

verrassing betreft, zoo gij dat eene aangename noemt, zie ik niet,

waar uwe hooggeroemde oprechtheid is gebleven."

"Die is, waar ze altijd zal zijn, en dwingt mij u te doen opmerken,

dat men ook van eene verrassing kan spreken, al is zij verre van

aangenaam; en ik wil gaarne bekennen, als gij er op gesteld zijt het

te vernemen, dat uw onbarmhartig leedvermaak in mijn ongeval gansch

geen behagelijken indruk op mij maakte."

"Dat is een geluk voor mij; zoo is er nog kans dat ik meeval."

Hunkerde zij naar een compliment, zoo was het voor mij niet het

oogenblik om mij te laten vangen; ik bleef zwijgend naast haar

voortgaan.

Op eens bleef zij stilstaan en sprak met zekere gulle levendigheid:

"Vergeef het mij, Leo! dat ik u zoo onbarmhartig heb uitgelachen. Wil

gelooven, dat het niet juist uw persoon gold, maar.... wàt zal ik

u zeggen, ik heb er altijd zoo'n pleizier in als ik een van de zich

genoemde heeren der schepping een gek figuur zie maken, dat ik het

uitschateren moest, al ware de toorn van den bespotte mij ook nog

zoo duur te staan gekomen."

"Het spreekt immers wel vanzelf, dat ik u daarover geene rancune houd,

Francis!" sprak ik ernstig. "Maar 't geen mij leed doet om uwentwil

als om mij zelf, is die verbittering tegen ons allen, die zoo duidelijk

spreekt uit uwe gedragingen, en waarvan die _Schadenfreude_ over mijn

misavontuur slechts de uiting was."

"Kan ik het helpen, dat ik dat mannenvolkje zie zooals het is? Zij

noemen zich onze heeren en meesters; ze zouden het dolgraag wezen,

hoewel het den meesten hunner niet gelukt; en waarom niet? Omdat ze

allereerst de slaven zijn van hunne eigene zwakheden, hartstochten

en bejagingen; de meesten hunner zijn zoo bitter kleingeestig en

onnoozel, dat men ze om den vinger kan winden, als men maar de moeite

neemt hun zwak uit te vinden en dat te vleien. Wie daarentegen onder

hen de krachtigen en verstandigen heeten, zijn zoo hardvochtig, zoo

zelfzuchtig, zoo onbetrouwbaar, dat het eener vrouw beter is zich het

hoofd tegen een rots te verbrijzelen, dan zich te wagen aan die klip

waarop haar hart zal breken."

"Dat's een hard oordeel, freule Mordaunt! en mij dunkt, dat gij nog

niet het recht hebt om het met zooveel beslistheid te vellen."

"Het komt van Majoor Frans, die maar al te goed in de gelegenheid

geweest is die heeren _in_ de kaart te maken."

"Kan het ook zijn, dat Majoor Frans zich voormaals wat al te zeer

heeft laten verblinden door blinkende uniformen; dat bij later scherp

toezien ontnuchtering is gevolgd, toen het bleek, dat daaronder

niet werd gevonden wat het uiterlijk beloofde; met die uitkomst,

dat nu civiel en militair beiden in dezelfde schaal worden gewogen

en.... te licht bevonden?"

"Gij vergist u, zoo is het niet gegaan. Majoor Frans heeft zich _niet_

aan fraaie uniformen kunnen vergapen; hij is om zoo te spreken met

commiesbrood grootgebracht en heeft alle graden, van den korporaal af

tot den legerbevelhebber toe, langs zich zien voorbijgaan, zoodat hij

precies weet wat er onder de galons en onder de borduursels schuilt;

ook is hij gansch niet onbekend met het civiele, en heeft gekleede

rokken en gedecoreerde borsten in genoegzame verscheidenheid kunnen

gadeslaan, om beiden de rekening te kunnen maken; en dan is de

slotsom deze; dat de discipline nog wel het beste middel is om wat

er goeds in een man is tot zijn recht te laten komen, terwijl zij

het kwaad althans binnen zekere grenzen beperkt. Een preservatief,

dat de zoogenaamde burgerlijke vrijheid mist. Overigens moet men niet

zeggen, dat de krijgstucht verlaagt: integendeel, zij houdt opgericht

wat niet op zich zelf kan staan, terwijl de serviliteit die bij de

bureaucratie heerscht, in het stof werpt en het karakter bederft,

gesteld altijd dat er karakter ware."

"Het tafereel is voor beide categoriën niet vleiend. Het schijnt Majoor

Frans moeielijk te vallen, de suprematie van ons geslacht te erkennen."

"Zij meent, dat er allereerst superioriteit behoort te bestaan,

om suprematie te erkennen."

"Freule Mordaunt moet wel hoog staan, om aan anderen zulke exorbitante

eischen te stellen."

"Zij zou, dunkt mij, al heel laag moeten staan, indien zij geen

hoogere stelde dan de jammerlijke middelmatigheid, waarmee men zich

in den regel tevreden houdt."

"Geen gunstig vooruitzicht voor uw aanstaanden echtgenoot, freule!"

"Mijn aanstaande echtgenoot!" Zij lachte luid, maar er was iets

schrils en schrijnends in dien lach. "Ik merk wel, goede Leopold,

dat gij hier uit de lucht zijt komen vallen. Wees gerust; niemand

zal last hebben van mijn overvragen.... ik zal niet trouwen."

"Daar kunt gij niets van zeggen. De omstandigheden zouden zoo kunnen

samenloopen, dat...."

"Dat ik een echtgenoot nam om ze te bezweren," viel zij in met

sprekende verontwaardiging. "Luister, Leo! gij weet niets van mij;

en wat gij mogelijk meent te weten, zal u door list en laster zijn

ingefluisterd. Daarom kan ik het u niet kwalijk nemen, dat gij zóó

spreekt. Maar ik verzoek u, niet zoo laag van mij te denken, dat

gij mij in staat acht om mijn naam en mijn persoon op te offeren aan

materiëele belangen, van wien ook. Dat zou er nog aan mankeeren! een

_mariage de raison_, het onredelijkste en onzedelijkste verbond dat

er zijn kan! En toch, wie ter wereld acht het eene dwaasheid? Wie

ter wereld acht het eene schande? Welnu, ik! Majoor Frans! Al ben ik

de eenige van mijn gevoelen, ik blijf er op vast staan, en niets of

niemand zal mij daar afbrengen. Ik drijf geen ruilhandel met mijne

vrijheid, met mijne hand. Ik zal eenmaal vrijvrouwe van de Werve zijn,

en ik wil eene vrije vrouw blijven."

"Vrijvrouwe van de Werve!" Arme Francis! ik had maar één woord te

spreken om haar deze illusie te benemen. Vrijvrouwe van de Werve

kon zij nooit worden, tenzij ze mij die hand schonk die zij zoo

hoog ophief, boven aller bereik. Vrijvrouwe van de Werve! Alleen bij

mijne toelating kon zij het zijn. Maar het was nog gansch geen tijd

om zoo beslissend tot haar te spreken. Ik nam echter een zijsprong,

die eenigszins op het doel afging.

"Menige fiere jonkvrouw die dacht als gij, Francis," sprak ik, "en

die nooit iets zou hebben toegegeven aan belangzucht, liet zich toch

uit hare sterkte wrikken door overwegingen van anderen aard: juist op

de zich roemende 'vrije vrouw' wetten laster en logen hunne pijlen..."

"En daartegen zou zij dan een man moeten nemen, als een schild,

om zich daarachter te bergen!" riep zij met heftigheid. "Neen,

Leopold van Zonshoven, als gij Francis Mordaunt hebt leeren kennen,

zult gij weten, dat zij deze pijlen niet vreest, en al vreesde zij

die, dat zij toch niet laf genoeg is om zich daartegen op die wijze

te verschuilen; daarbij heb ik ze dikwijls genoeg rondom mij hooren

snorren, om te weten van welke kracht zij zijn; en daarom weet ik dat

het schild niet eens zou dekken: het zou maar een dubbel wit aanwijzen,

en liever dan een tweede, een onvoorzichtige die zich met don Quichots

heroïsme zou willen wagen, daaraan bloot te stellen, zou ik ze alle

alleen op mijne borst opvangen: mij doen ze toch niets meer," eindigde

zij met een minachtend schouderophalen. Daar sprak niet enkel trots

en wilskracht, daar sprak ook fiere zelfbewustheid uit deze woorden,

die blijkbaar meer dan woorden waren; dat las ik uit haar blik, al

had ik het niet verstaan uit den vasten, zielvollen toon harer stem,

die mij diep trof. Ik voelde dat zij door diepe, enge wegen moest zijn

heengegaan, om zoo te kunnen spreken; reeds wilde ik in mijn antwoord

iets leggen dat van medegevoel getuigde, toen zij op eens hervatte,

met eene luchthartigheid die wel wat gemaakt was: "maar er is geen

gevaar bij, dat men mij in zulke verzoeking zal leiden: het ras der don

Quichots en der Ridders van de Ronde Tafel is in onze eeuw verloren

gegaan, en het zal wel in niemand anders opkomen om Majoor Frans ten

huwelijk te vragen; en dat is heel gelukkig ook, want de generaal zou

mij graag wat hij noemt 'geëtablisseerd' zien vóór zijn dood; de goede

man heeft nog niet het besef, dat daar niet over gedacht kan worden

en zou zich allerlei offers willen getroosten, tot elk compromis

toetreden, om er mij toe over te halen; en dat zou maar onrust en

tweespalt geven zonder goede uitkomst; want mijn besluit staat vast."

Die uitspraak beloofde niet veel goeds voor het succes van mijn tocht,

en zij was geen nufje van negentien jaar dat "neen" zegt, als ze "ja"

meent; maar zij gaf mij toch, zonder het te weten of te willen, wenken

en inlichtingen die ik mij ten nutte konde maken. _Un homme averti en

vaut deux_; ik begreep dat ik met de meeste voorzichtigheid te werk

moest gaan eer ik in ernst de poging waagde om haar uit dat _vaste

besluit_ los te wrikken, maar het kon toch geen kwaad om eens een

schot in het wilde te doen. Ik was onwillekeurig een paar pas vooruit

geraakt, keerde mij om en bleef vlak voor haar staan, terwijl ik sprak:

"En als ik nu eens expresselijk naar de Werve was gekomen om u een

dergelijk voorstel te doen?"

"Wat meent gij daarmee?" vroeg zij met gefronste wenkbrauw; "een

voorstel! welk een voorstel?"

"Nu, datzelfde waar gij over spraakt, en dat gij voor zoo

onwaarschijnlijk hield, dat het iemand zou invallen u te doen."

"Een huwelijksvoorstel, en door u?" vroeg zij met evenveel verbittering

als verrassing, "dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is," riep

zij met heftigheid.

"Maar onderstel eens even dat het waarheid ware, wat zoudt gij

antwoorden?"

"Ik wil die onderstelling niet eens maken; gij bevalt mij als neef om

der curiositeits wille, maar als ik gelooven moest dat gij kwaamt als

advocaat in zulk een kwade zaak, liet ik u doodeenvoudig in de hei

staan; dan moest gij zelf maar zien hoe gij op de Werve zoudt komen;

ziedaar mijn antwoord." En als begon zij reeds uitvoering te geven

aan dit voornemen, liep zij schielijk voort, niet zoo snel toch of

ik was met een paar stappen weer bij haar.

"Een antwoord meer oprecht dan beleefd, zooals men het van freule

Mordaunt wachten kan," hernam ik; "maar op mijne beurt moet ik u

zeggen, dat zoo ik het er op gezet had op de Werve te komen met welk

voorstel ook, ondanks mijne weerbare nicht, dat ik mij dan aan dit

_détail_ niet zou storen. Ik val óók wat koppig als ik mijn doel

wil bereiken, en ik zou 't niet opgeven, al moest ik den ganschen

dag rondzwerven op het mulle zand; maar wees gerust, ik ben geen

vleier, doch er zit nog genoeg oud-ridderlijk bloed in mij, om niet

te schromen eene dame (verschoon mij dat ik dit woord even gebruik)

te kwetsen in hare teerste en hoogste rechten; bijgevolg zou ik mij

wel wachten in ernst een voorstel van dien aard te doen op zulk een

bruske manier, en bovenal niet voor ik de overtuiging had, dat het

minstens in consideratie zou worden genomen."

"Welnu, zoo 't geval zich mocht voordoen, zijt gij gewaarschuwd,

maar zoo ik dit voor niets moet houden dan eene doellooze scherts,

moet ik u toch zeggen, dat ik beter van u verwacht had dan eene

aardigheid waar noch geest noch vinding aan is."

Dat was meer dan een _coup d'éventail_: dat was een ferme tik met de

rijzweep; maar daar ik mij bewust was dien niet verdiend te hebben,

nam ik het koeltjes op en vroeg alleen even glimlachend: "wat recht ik

haar gegeven had om reeds nu goede verwachting van mij te koesteren?"

"Gij zijt lastig," hernam zij, "met dat uitvragen," half verlegen,

half met onwil en zij stapte zoo driftig voort, dat ik weer moeite

had haar in te halen. Toen gebeurde wat zij zelve reeds gevreesd had:

de wind dreef zijn spel met haar breedgeranden hoed en rukte dien

in eene woeste vlaag op eens van haar hoofd, het net mede, waarin

het haar was besloten geweest, dat nu in vollen rijkdom en zwaarte

neerviel. Prachtige goudblonde lokken, die zij zoo maar achteloos als

in een wrong tweemaal rondom het hoofd had geslagen, en in den hoed

weggestopt, en die nu als een golvende sluier van gloeiend goud rondom

haar hals en schouders neervielen en het leelijke matrozen-buis bijkans

onzichtbaar maakten. Nu eerst kon ik haar gansche gelaat onbelemmerd

aanschouwen, en het was mij of er eene gedaanteverwisseling plaats

had. Was dit Majoor Frans! dit de vrouw, waarover zooveel en met zoo

weinig achting gesproken werd? Het was bijkans onmogelijk: dit hooge,

edele voorhoofd, die fijne, levendige, schrandere trekken, die bij

diep gevoel, bij de merkteekenen van lijden, toch de reinheid en den

eenvoud van een kind schenen behouden te hebben, die aantrekkelijke,

echt vrouwelijke figuur, met haar stralenkrans van lokken, die men

eer voor eene Madonna zou laten poseeren dan voor eene Xantippe;

moest ik daar die ruwe weerbarstige mannenhaatster in zien, die zij

zelve zeide te zijn! Het was ongelooflijk. Het was om te verstommen

van verrassing en bewondering beide; en werkelijk, ik vond geen woord

om uit te drukken wat ik gevoelde.

Een oogenblik liet zij zich deze zwijgende bewondering welgevallen,

en genoot zeker in stilte haar dubbelen triomf, maar plotseling

riep zij half lachend, half knorrend: "Gij zijt galant, dat moet ik

zeggen! Gij blijft mij in den weg staan om mij aan te gapen, in plaats

van mij te helpen mijn hoed weer te krijgen, die al een mooi eindje

ver voortgejaagd is;" en vlug als de wind zelf ving zij aan, haar

_flambard_ na te rennen, die als een elastieke bal werd voortgedreven.

Ik liet mij niet voor de tweede maal porren om deel te nemen aan de

kluchtige harddraverij; ik had zelfs het geluk haar vóór te zijn en

het leelijke hoofddeksel te vatten, juist toen het dreigde diep in

het zanddal neer te storten.

Triomfantelijk keerde ik mij naar haar toe om het haar terug te geven,

maar, o jammer, o schrik! zij was achterover gestort in het zand en

lag te worstelen met eene hindernis, die haar het opstaan onmogelijk

maakte. Ik schoot toe in de grootste onrust. Wat was het? In hare

vaart had zij vergeten de sleep van haar rijkleed op te houden,

die aan den scherpen dorren doornstruik was blijven hangen en haar

had doen struikelen, had doen vallen, terwijl de rijke lange lokken,

in de takken verward, tusschen de dorens waren heengeslingerd. Bleek

van schrik wilde ik haar helpen om op te staan; zij sloeg het af, en

toch, toen zij bemerkte wat de hindernis was, moest zij mijn dienst

wel aannemen. "Mag ik?" vroeg ik met eene stem waarin ontroering

trilde. "Ik moet het wel toestaan!" antwoordde zij met een knorrig

gezicht, blijkbaar meer ontstemd dat zij iemands, dat zij _mijne_

hulp noodig had, dan over het ongeval zelf, en toch maar al te zeer

overtuigd, dat zij die niet konde missen. Ik knielde naast haar neer

en trachtte zoo voorzichtig mogelijk de prachtige zijdeachtige vlechten

los te winden uit den doornstruik, zonder ze te beschadigen. Het duurde

een geruimen tijd, en het was een werkje waartoe geduld en kalmte

vereischt werden, en zij was zeer ongeduldig, en zeer weinig lijdzaam,

en wat mij betreft: met den besten wil om mij te haasten, ging het

niet vlot. Uit vreeze haar te martelen, wilde ik langzaam en zacht te

werk gaan, en zij rukte en schudde aan hare gulden leeuwenmanen of

zij ze uit wilde trekken; dus bedierf ze in ééne seconde door hare

drift wat ik in minuten tobbens had veroverd. Intusschen praatte en

knorde zij voort.

"Ziet gij nu wel! waartoe uw kostelijke raad mij gebracht heeft,

ziet gij wel hoe practisch de vinding was, waarvan gij mij afkeerig

hebt gemaakt? De kiespijndoek stond leelijk, dat erken ik, maar hij

beveiligde tegen een ongeval als dit hier; dàt komt er van dat ik

van mijn beginsel ben afgeweken, om nooit naar iets anders te vragen

dan wat mij zelve paste. Daar lig ik nu als een hopeloos wezen aan

de voeten van een kwasie redder, die er nog grootsch op zal zijn,

dat hij mij zoo'n kostelijken dienst bewijst."

"Trotsch wezen zal hij niet; maar heel dankbaar, dat het eindelijk

is gelukt, want gij kunt nu veilig opstaan," sprak ik in blijden

triomf, en stak haar zooals ik mijn recht achtte de handen toe om

haar behulpzaam te zijn; maar schichtig als een eekhoorntje was zij

opgesprongen, en tot loon kreeg ik het verzoek om wat op zij te gaan:

zij moest het haar een weinig in orde brengen en den hoed opnieuw

vastzetten. Het was hard maar billijk, ik mocht geen toeschouwer zijn

als zij haar toilet maakte. Ik liep vooruit, om haar te doen zien dat

ik eerlijk spel speelde, en trok mijne handschoenen weer aan, want

mijne vingers waren deerlijk geschramd en ik verkoos haar medelijden

niet gaande te maken.

Zij was in een oogwenk gereed, haalde mij spoedig in en noemde mijn

naam, opdat ik zou omzien. De hatelijke doek was er weer omgeknoopt,

en ik kon er ditmaal niet tegen protesteeren. Uit zich zelve vatte

zij nu mijn arm en sprak op haar eigenaardigen toon:

"Dat is om u te beloonen, Leo! dat gij edelmoedig zijt geweest en u

niet gewroken hebt."

"Ik mij wreken op u? en waarover? Hoe meent gij dit?"

"Gij hebt mij _niet_ uitgelachen om dat zotte ongeval, zooals ik het

u heb gedaan om het uwe."

"U uitlachen! hoe komt gij er op, Francis! Ik was zoozeer verschrikt."

"Kwaad was er niet bij een val in het mulle zand dan dit eene, dat ik

verdiend had aan u: belachelijk te zijn en bespot te worden. 't Is

waar," ging zij voort met een minachtend schouderophalen, "daar is

Majoor Frans genoeg aan gewoon om er zich niet meer aan te storen;

maar toch, van uwe zijde zou het wettige represaille zijn geweest,

en ik waardeer het in u, dat gij u onthouden hebt."

"Daar is niets verdienstelijks in. Ik was veel te veel bewogen met uw

deerlijken toestand en met dat prachtige haar, dat jammerlijk schade

had kunnen lijden."

"O, wat dat betreft, dat zou te overkomen zijn; maar ik was in een

lastig parket en maakte een gek figuur bovendien. Ik weet wel, dat is

mij meer gebeurd," hervatte zij met zekere luchthartigheid, "want ik

heb nooit lust gehad den sleur te volgen, en als men dat niet wil en

zich te vrij en te fier acht om alles na te doen en na te spreken wat

de anderen elkander nazeggen en naäpen, dan raakt men al gauw buiten

haar cirkeltje, waarbinnen men veilig is tegen de schampschoten der

_raillerie_, en wordt vogelvrij verklaard.... Zoo is het mij gegaan."

"Verschoon de oprechtheid: een weinig door eigen schuld, naar ik

vermoed. Eene vrouw behoeft geene apin te worden, die iedere mode

nabootst; maar zij speelt toch een gevaarlijk spel, met zich al te

stout te verheffen tegen het aangenomen gebruik, en de publieke opinie

te braveeren."

"Als de publieke opinie een dwalende is, zie ik niet in waarom

eene vrouw zich daaraan zou moeten onderwerpen, Een degelijk man,

die zelfgevoel had, zou het immers ook niet doen, hoewel ik maar al

te goed weet, dat de meesten uwer den zedelijken moed missen om van

't heerschende gevoelen te durven verschillen en bovenal om er voor

uit te komen."

"Zwakheid en beginselloosheid in een man is verachtelijk, ik erken

het, maar wat lafheid moet genoemd worden in ons, wordt beminnelijke

meegaandheid bij u; inconsequenties worden ulieden veel lichter

vergeven dan bizarrerie: men onderwerpt zich aan uwe caprices,

mits gij ze weet te kleeden in den vorm die koers heeft; maar men

staat u niet toe te zondigen tegen het gebruik, dat nu eenmaal wet

is geworden. Ik zeg niet dat het volkomen billijk is, maar toch,

het heeft zijne goede zijde.... de wereld is nu eenmaal niet anders,

en met tegenstribbelen verandert gij haar toch niet...."

"Maar wie zegt u dat ik de wereld zou willen veranderen?" riep zij

opstuivend. "Daar heb ik mij nooit mee ingelaten, maar ik verkies

nu eenmaal niet, mij te schikken naar hare bespottelijke exigentie,

ziedaar alles."

"Heel goed! maar wat brengt u dat verzet, dat op geen beginsel rust

en alleen van persoonlijken tegenzin uitgaat?"

"Dat heb ik u al gezegd: vogelvrijverklaring, uitbanning; een vonnis

dat ik nooit rechtvaardig zal noemen, maar dat ik met blijdschap heb

aanvaard. _À vrai dire_, niemand legde mij ballingschap op, maar er

zijn omstandigheden waaronder men die uit zich zelve kiest," eindigde

zij, terwijl de toon van overmoed, dien zij even te voren gevoerd had,

tot dien van doffe neerslachtigheid daalde.

"Zulke omstandigheden kunnen er zijn, dat geef ik u toe, maar zonder

dien drang was de maatregel op zich zelf verkeerd. Wie hervormen wil,

blijft en staat voor zijne zaak; wie heengaat, verlaat haar en geeft

haar op."

"Aan hervormen heb ik in 't geheel niet gedacht; wat ik zou gewenscht

hebben was alleen het recht mij zelve te mogen zijn, zonder aangegaapt

te worden als het kalf met twee koppen op de boerenkermis; maar de

zaak was mij de moeite niet waard om er voor te vechten."

"Er is vechten èn vechten; gij vrouwen hebt uwe eigenaardige

wapenen. _Bataille de dames_ is een allerliefst blijspel."

"Maar waarin de heeren althans niet de zegepraal wegdragen."

"Dat bedoel ik ook niet; alleen die wordt behaald door echt vrouwelijke

middelen: niet met alles te braveeren met een _air de matamore_ aan te

nemen, maar met haar invloed te laten gelden, met zoetjes en zachtjes

aan telkens eene schrede te winnen, met te behagen en zich beminlijk

voor te doen; dit zijn, geloof mij daarin, de beste wapenen in zulken

strijd, en die vrij wat zekerder doel treffen dan het inroepen van

rechten en de eisch der gelijkstelling die door sommigen uwer zoo

onvoorzichtiglijk wordt gedaan, en die op de bitterste teleurstelling

zal uitloopen, zoo zij eenmaal wordt ingewilligd!"

"Advocaat!" sprak zij hoofdschuddend, "en nog wel voor eene zaak die

niet aan de orde is!"

"Hoe meent gij dit?"

"Dat ik mij volstrekt niet inlaat met de kwestie die gij daar

opwerpt. Ik heb wel wat anders te doen; maar 't is niet meer het

oogenblik om daarover te praten, want daar ginds ligt de Werve; als

we dat pad langs die heg van meidoorns inslaan, zijn wij er binnen

vijf minuten."

Ik volgde met het oog hare aanduiding en zag, toen wij van de heide

afstegen, een ouden stompen toren zonder spits; de ruïne van het

middeleeuwsch kasteel, dat men ter zijde had laten liggen toen men

het nieuwe ging opbouwen, vertelde Francis. Daarop hield zij mij even

staande. "Luister, Leo! ik heb nog een en ander met u te spreken eer

ik u binnenleid. Vooreerst, zeg mij ronduit wat de eigenlijke rede

is van uw bezoek aan den generaal!"

"Dat heb ik u reeds gezegd. Ik wil kennis maken met de familie

mijner moeder."

"En als die kennismaking niet meevalt?"

"Heengaan, en zien wat tijd en omstandigheden kunnen uitwerken

tot.... verzoening...."

"Maar ik geloof niet, dat de onverzoenlijkheid daar ginds zich zal

uitstrekken tot u," hernam zij met zekere goelijkheid, "als gij maar

niet den armen, ouden man met zaken komt lastig vallen...."

"Ik heb het u immers verzekerd, dat ik voor zaken een procureur

zou gebruiken."

"Nu, kom dan mee, maar ik moet u vooraf waarschuwen, dat gij den

generaal niet alleen zult vinden. Kapitein Rolf, een oud officier _en

retraite_, is bij ons ingekwartierd op de Werve; mogelijk komt hij u

wel wat ruw en ongemanierd voor, want hij is een soldaat van fortuin

die geene opvoeding gehad heeft, dan in de kazerne; maar zijn hart

is goed en.... mijn grootvader kan niet buiten hem."

"En gij dan?"

"Och, mij hindert dat niet: ik ben er aan gewoon. Ik waarschuw u

slechts omdat gij uit den Haag komt. Vergelijk mijn kapitein Rolf

niet met de aristocratische officieren van het regiment Grenadiers

en Jagers. Hij is een oud gediende, die eigenlijk als onderofficier

met de chêvrons en de medaille van dertigjarigen dienst had moeten

gepensionneerd zijn, ware hij niet, met de Willemsorde begiftigd,

uit consideratie op zekeren dag tot luitenant benoemd, en uit gelijke

oorzaak ten laatste met kapiteinsrang gepensionneerd. Onze wijze van

met elkaar om te gaan zal u mogelijk wat bevreemden, wat ergeren,

maar.... hij noemde mij reeds zijn overste toen ik nog een kind was,

en vloog op mijne wenken, en dat doet hij nóg, zooveel zijn stijf

been en zijn rheumatisme het toelaten, in één woord: hij is mijn

factotum. Visschen is zijn hartstocht sinds hij de jacht er aan heeft

moeten geven; ik gebruik hem tot pluimgraaf, en bij ontstentenis van

de keukenmeid zou hij de biefstuk bakken en de soep koken, liever

dan het met een stuk brood te doen, want hij is een gastronoom van

het eerste nummer. Sinds hij tijd en gelegenheid heeft om over het

groote vraagstuk: 'wat zullen wij eten?' na te denken, is het bij

hem hoofdzaak geworden, en helaas bij mijn grootvader niet minder."

"En er is dan verder niemand anders waar gij wat aan hebt?"

"Wie anders zou er zijn? Wij gaan hier met niemand om, en daar

zijn goede redenen voor; de dominé komt eenmaal 's jaars, en de

burgemeester, al zou hij komen, wordt niet toegelaten, want hij is

een vijand en een spion! Hunne vrouwen en dochters zie ik niet en

wil ik niet zien; 't is al erg genoeg als zij mij 's Zondags in de

kerk zitten aan te gapen. Gij ziet dus waar het op neerkomt voor

mij. Ik leef tusschen de beide grijsaards in, dat kan niet anders,

en.... dat is ook heel goed," eindigde zij met eene berusting, die

zoo volkomene hopeloosheid uitdrukte, dat zij, zonder dit te bedoelen

mij de diepste meewarigheid inboezemde.

"Dus ook geene logées van uw leeftijd, geene enkele vriendin waarmee

gij sympathiseert?"

"Dat zou er nog aan mankeeren--dames! logées hier binnen te

halen!" sprak zij met bitterheid; "en wat vriendinnen aangaat,

die heb ik nooit gehad, nooit willen hebben; ik weet te veel wat de

vriendschap der vrouwen is."

"Hoe! gij veracht de mannen, gij haat de vrouwen, gij verwerpt dus

het gansche menschelijke geslacht?"

"Op zulke wijze, dat ik mijn vermogen om lief te hebben, heb verzet

op paarden en honden, meent gij? Dat juist niet. Ik wil enkelen

niet voor allen laten gelden, maar het is mijne schuld niet dat ik

nogal scherp zie, en 't geen ik heb waargenomen bij de exemplaren

die mij onder de oogen zijn gekomen, geeft mij, ik erken het, geen

hoog gevoelen van de soort, zoodat ik met zeer weinig reverentie zie

op hen die zeggen dat ze de heeren der schepping zijn, en met niet

de minste sympathie op hunne schoone wederhelften! Als Shakespeare

waarheid zegt, dat de engelen schreien om de jammerlijke trekken die

de menschen uitspelen tijdens hun kort daarzijn, is het niet vreemd

dat ik, die geen engel ben, maar die evengoed allerlei jammerlijks

aanschouw, mij met walging afkeer! Ik wil wel gelooven, Leo! dat er

nobele mannen, en waardige vrouwen bestaan, maar die zijn excepties;

en ik behoor tot de misdeelden, die deze onschatbare uitzonderingen

niet heb mogen aantreffen, of als ik meende ze ontmoet te hebben, voor

die lichtgeloovigheid met bittere teleurstelling werd gestraft...."

"Mogelijk ligt een deel van deze misfortuin aan u zelve, Francis,"

sprak ik zacht maar met nadruk; "gij hebt verkeerd gezocht, of zijt

niet op de rechte wijze met uw onderzoek aangevangen."

"Hoe meent gij dat?" vroeg zij meer getroffen dan vertoornd.

"Is het wel zeker, dat gij met zelfonderzoek, met zelfkennis zijt

begonnen?"

Zij zweeg een oogenblik in nadenken verdiept en zuchtte; daarop

hervatte zij, mij met zekere vastheid in den blik aanziende, alsof zij

mijne innigste gedachten wilde peilen: "Gij schijnt een ernstig man

te zijn; gij hebt karakter, zoo ik mij niet bedrieg; het is zeldzaam

genoeg om gewaardeerd te worden, waar men het vindt; nu dan, ik zal

u vertellen, hoe ik begonnen ben, maar.... nu niet, want daar ligt

het kasteel voor ons en de dorpsklok slaat één uur. Ik vrees dat men

mij met ongeduld zal gewacht hebben, en dat het halve garnizoen al

op het voorplein post heeft gevat om naar mij uit te zien. 't Is

lang niet zeker, dat ik met krijgseer zal worden verwelkomd. Nú,

dat doet er niet toe; volg mij, deze brug over, die poort door;

gij ziet, de brug is niet ongenaakbaar, wij zouden geen beleg kunnen

uithouden." Al sprekende had zij mijn arm losgelaten, en liep vooruit

met zoo'n snellen stap, dat het bijkans een drafje geleek. Ik, wat

langzaam haar na, eene feodale ophaalbrug over die blijkbaar sinds

lang tot onbewegelijkheid was veroordeeld; in gelijken toestand

verkeerde de groote poort; de zware geheel met ijzeren bouten en

scherpe pinnen bezette deur hing in de verroestte hengsels, zonder dat

men zich de moeite getroost had haar weg te nemen, om dit teeken van

verval te verbergen. Waartoe ook? De dikke, bijkans in puin vallende

ringmuur, was al niet meer aan de poort verbonden, en de voormalige

schietgaten waren tot wijde spleten opengesperd, waardoor een reus

kon binnengaan. Tijd om verder rond te zien was er niet, maar het

voorplein optredende, viel mij terstond het hoofdgebouw in het oog,

dat ondanks zekere merkteekenen van verwaarloozing nog een grootschen

indruk maakte. Het moet vernieuwd zijn in de dagen van onzen stadhouder

Willem III, want het was geheel opgetrokken in den rijken en deftigen,

al was het ook wat gemanireerden stijl dier dagen, en toen was het

uit eene ruime hand gegaan; maar de nazaten van die onbekrompen

bouwheeren hadden wat al te veel op de werken hunner voorvaderen

gerust, en de degelijkheid van den achttiende-eeuwschen bouwtrant,

niet hunne zorg, was oorzaak dat het geheel nog niet het aanzien had

eener jammerlijke ruïne. Het middengedeelte dat _en rotonde_ gebouwd

was en eenigszins vooruitstak, was nog tamelijk goed onderhouden,

maar kennelijk uit eene schrale beurs; de rijke ornamenten boven

de vensters en de dubbele deur, die eenmaal verguld moeten geweest

zijn, waren nu met een dun geel verfje overtogen, en de glanzige

kleine ruiten van purper spiegelglas waren door gewoon vensterglas

vervangen. De meer achterwaarts gelegen zijvleugels waren prijsgegeven

aan eene verwaarloozing, die het waarschijnlijk maakte, dat ze niet

meer bewoond werden, althans de bovenverdieping die geheel verveloos

was, en waar de ruiten, door tijd of toeval gebroken of gebarsten,

niet eens meer vernieuwd waren; enkelen daarvan had men eenvoudig

met grauw papier toegeplakt; voor anderen was die moeite niet eens

genomen, zeker uit zorg voor goede luchtverversching!

Maar het spreekt wel vanzelve, dat ik alleen vluchtige opmerkzaamheid

kon geven aan hout en steen; reeds vóór ik het breede perron optrad,

met de gebroken vazen waarin Aloés vegeteerden, kwam het "halve

garnizoen," zooals Francis zich uitdrukte, ons te gemoet in den

persoon van den kapitein, dien ik terstond als den oud-militair zou

herkend hebben, al ware ik er niet op voorbereid geweest, wien ik zien

zoude. Al droeg hij de burgerkleeding, blauwe jas en pantalon:--het

vest hoog aan de keel toegeknoopt en de zwarte stropdas, die hij

zich nog niet had kunnen ontwennen en die identiek was met zijn

persoon, zooals zijne Willemsorde en zijn metalen kruis,--zijne

rechte, vaste houding ondanks het stijve been, dat het gebruik van

een stok noodzakelijk maakte, en de politiemuts die hij wàt kranig

op één oor had gezet, alles duidde in hem den oudgediende aan,

die nog maar ten halve in zijne abdicatie berustte. Hij scheen

een man van diep in de vijftig, die nog pikzwart haar had en een

donkeren knevel, lang en puntig _à la Napoléon_ en stijf uitstaande

_à force_ van cosmetiek. Zijne hoogroode kleur en bruine brutale

oogen, zijne harde trekken met iets grof sensueels in de uitdrukking,

vooral door de dikke, roode lippen en de zware korte kin, gaven iets

ruws en gemeens aan zijn voorkomen, zoodat hij werkelijk veel meer

had van een sergeant-majoor, die na eerlijk gepasporteerd te zijn,

een baantje bij de politie heeft gekregen, dan van een officier,

die eens aan het hoofd zijner compagnie heeft gestaan en die eene

eervolle rust geniet. Maar Francis had mij reeds gewaarschuwd dat ik

niet te veel aan het uiterlijke moest hechten, en ik was voornemens

mij over niets te ergeren noch boos te maken, om ongehinderd mijne

waarnemingen te kunnen doen.

Leunende op zijn stok, en eene lange duitsche pijp in den mond,

waaruit hij dapper dampte, kwam hij op ons toe, bracht even de hand

aan de muts, en het was inderdaad eene vreemde wijze waarop hij

ons verwelkomde:

"Wel weergaasch, Majoor! wat is dàt? Hebt gij een krijgsgevangene

gemaakt? of krijgen we inkwartiering?"

"Een bezoek aan den Generaal, kapitein," hernam Francis, voortstappende

en mij een wenk gevende haar te volgen, zonder de moeite te nemen

mij voor te stellen.

"Een verduiveld slecht ontbijt gehad! een half uur op de freule

gewacht, de eieren te hard, de biefstuk als leer, Zijne Excellentie uit

zijn humeur, en dat alles omdat de freule goedvindt op een ongelegen

tijd uit te rijden, ridder te voet thuis te komen en den held van

dat mooie avontuur in triomf mee te brengen in de vesting," bromde

de kapitein op half knorrigen, half schertsenden toon, terwijl hij

ons achterna liep. Zich naar hem omkeerende sprak Francis:

"En dat alles, omdat _uw Majoor_," zij drukte zonderling op den titel,

"het genoegen heeft gehad Jonker Leopold van Zonshoven te ontmoeten,

haar neef; laat u dat genoeg zijn, en als ge verder te klagen hebt,

brengt het dan maar op het rapport."

Wij stapten de vestibule binnen, waar wij den huisknecht vonden, die

de deur had opengedaan en die voor ons uitweek, op militaire wijze de

hand aan de muts brengende; ondanks zijn livreirok droeg hij nog de

soldatenpantalon, zoodat men niet veel waagde met de onderstelling,

dat hij vroeger den generaal als oppasser had gediend; na even

aangetikt te hebben opende hij nu voor ons de deur van het salon, een

ontzaggelijk ruim vertrek met goudleer behangsel, waar de generaal in

een hooggerugden leuningstoel zat te dommelen; dat laatste bewees zijn

ietwat verschrikt opstaan, toen wij hem al vrij dicht genaderd waren,

want Francis was met sparende liefde zachtjes binnengetreden, en ik

had er te veel belang bij, hem op mijn gemak gade te slaan, om niet

haar voorbeeld te volgen; maar de luidruchtige stap van den kapitein,

die goed vond ons achterna te loopen, wekte hem uit zijne _siësta_.

Wel verre van het voorkomen te hebben, dat ik mij had voorgesteld

van den kloeken onhandelbaren _pourfendeur_, die oud-tante Roselaer

op allerlei wijze ergernis had gegeven, zag ik voor mij een kleinen

mageren grijsaard, wiens gelaat zoowel als zijne gestalte iets fijns

en gedistingueerds had. Een lange rechte neus, dunne bleeke lippen,

niet eens een knevel rondom den ingevallen mond, zacht blauwe oogen,

die iets dofs en slaperigs hadden, dat mogelijk slechts tijdelijk was,

maar dat ook wel het gevolg kon zijn van afmatting en gedruktheid;

zilvergrijze haren hingen in lange eenigszins krullende vlokken om

zijne slapen; hij was gehuld in een verkleurden damasten chambercloak,

waaronder een helder wit vest te voorschijn kwam, terwijl een zwarte

zijden foulard den mageren hals vermomde; zijne fijne handen waren

blank ondanks hunne dorheid en de sterk uitkomende aders; hij droeg

een breeden gouden ring met een wapen in cornalijn gesneden, die tot

cachet konde dienen en dien hij met zekere zenuwachtige beweging heen

en weer schoof onder het spreken.

Daar was niets van den krijgsbevelhebber meer in den man, dien ik

nu voor mij zag, dan alleen eene zekere deftige wellevendheid, die

bewees dat hij als hoofdofficier in de hoogste kringen had verkeerd.

Een onbeschrijfelijk gevoel van meewarigheid overmeesterde mij bij het

zien van dien zwakken, door zorg en lijden diep neergebogen grijsaard,

een indruk nog te meer versterkt door de bijgedachte, dat ik het

instrument zou moeten zijn, om hem den genadeslag te geven, tenzij

Francis.... maar reeds stelde deze mij voor aan haar grootvader op

hare eigenaardige wijze.

"Grootvader, ik breng u Jonker Leopold van Zonshoven, dien gij eens

hartelijk welkom moet heeten, want hij is eene curiositeit in de

familie!"

"Familie! Jonker van Zonshoven, ah! ja! ik herinner mij, ik begrijp,"

antwoordde deze op een toon van verbazing en verlegenheid, die

duidelijk bewees, dat hij volstrekt niet op de hoogte was; maar toch,

hij boog zich beleefd en stak mij de hand toe, die ik niet nalaten

kon met zekere hartelijkheid te drukken.

"Neem toch plaats, Jonker," sprak hij, naar een stoel wijzende,

waartegen de kapitein stond te leunen met een air of hij plan had

mij dien te betwisten.

"Excuseer, grootpa, neef Leopold en ik hebben een uur lang op de

heide rondgesukkeld, wij zijn bek af en rammelen van den honger; wij

komen bij u praten als wij eerst gezien hebben of de kapitein ons

nog wat van het _déjeuner_ heeft overgelaten.... Is er nog gedekt,

Frits?" vroeg zij, zich tot den bediende richtend, die tot hare orders

wachtend was blijven staan.

"'t Is bij half twee, freule!" antwoordde deze, met zekere verlegenheid

de schouders ophalend.

"Gij hebt gelijk, Frits, 't is de regel van het huis: wie niet op het

appèl is wordt niet meegeteld; breng ons hier dan maar wat brood en

koud vleesch...."

"En een glas port voor de heeren," voegde de kapitein er bij.

Terwijl Frits zich verwijderde om aan die orders te voldoen, ging de

kapitein vlak voor mij staan, terwijl hij sprak:

"Pardon Jonker! ik moet u eens goed opnemen; een jonkman die zoo

in eens bij onzen Majoor in gratie is geraakt moet al heel wat

bijzonders zijn."

Ware ik met den ongemanierden snorbaard alleen geweest of

onder vreemden, ik zou geweten hebben hoe zijne impertinentie te

beantwoorden; dan, tegenover den generaal, tegenover Francis, die

mij op ergernissen had voorbereid en stilzwijgend lankmoedigheid had

aanbevolen, aarzelde ik hem het antwoord te geven dat hij verdiend had,

toen de generaal inviel:

"Kapitein!" er klonk gezag in den toon, ondanks de zachte stem van

den grijsaard, "er zijn aardigheden, die er onder ons door kunnen,

maar gij schijnt te vergeten dat wij nu _niet_ onder ons zijn, en

dat gij Freule Mordaunt mankeert...."

"Omdat ik haar Majoor noem, nu zij ons op eens met iemand van de

familie in de flank valt; excuseer mij, Excellentie, maar dan had

men mij vooruit de consigne moeten geven, nu.... zal de memorie mij

parten spelen."

"Het komt er niet op aan, grootpa!" viel Francis in, "op zijn leeftijd

zal hij toch wel bij al zijne kwade gewoonten blijven, al zou men

kunnen eischen dat hij het respect voor de kleindochter van generaal

von Zwenken niet vergat, omdat hij haar als kind de exercities

heeft geleerd. Maar als gij naar 't consigne van den dag vraagt,

kapitein! let er op, het is dit: beleefdheid jegens mijn gast, die,

naar ik meen, nooit een degen heeft gedragen, maar toch, daar geef ik

u mijn woord op, niet van 't humeur is om met zich te laten spotten."

Ik boog tegen Francis, 't geen mij de gelegenheid gaf, den kapitein

den rug toe te keeren zonder kennelijk opzet, daar het mij duidelijk

werd, dat de gemeenzame voet waarop hij met Francis stond van hare

kindsheid af, en de zonderlinge manier waarop zij met hem omsprong,

zijne ongepaste aardigheden bijkans wettigden; dat men zijne uitvallen

zoomin als de hare in vollen ernst moest opvatten, en dat zijne

bedoeling beter was dan zijne wijze van die uit te drukken.

Toen Frits met den portwijn was gekomen, schonk de kapitein drie glazen

boordevol, presenteerde het eerste aan mij en den generaal, en het

zijne opheffende sprak hij ruw goedhartig: "de gezondheid van onzen

waardigen commandant en uw welkomst, Jonker! 't Is van harte gemeend;

geloof dat wij hier snakken naar een nieuw gezicht, maar.... de Majoor

heeft niet alle dagen zulk eene luim van gastvrijheid, daar kan je

staat op maken."

Ik trachtte Francis aan te zien, om den indruk waar te nemen dien

deze opmerking bij haar zou teweegbrengen--maar zij had zich van mij

afgekeerd om wat brood en koud vleesch voor mij klaar te maken en

wipte daarop de kamer uit, zonder meer notitie te nemen van 't geen

Rolf zeide dan van 't gebrom eener vlieg.

Wat mij aangaat, ik had te veel behoefte aan eenige verkwikking, om

niet met den kapitein aan te stooten en gebruik te maken van 't geen

hare zorg mij had bereid. Toch haastte ik mij, want ik achtte het

onbeleefd den generaal dus zonder toespraak te laten, die inmiddels

opnieuw wat sluimerziek scheen geworden; maar het bleek mij toch dat

hij sluimerde als een poes die niet op haar gemak is, met half geopende

oogen. Zoo ras hij waarnam, dat mijn eetlust genoegzaam was voldaan,

wenkte hij den kapitein, die niet naliet mij opnieuw in te schenken,

en fluisterde dezen iets in, waarop hij zich verwijderde, na mij nog

eens met een onrustigen en nieuwsgierigen blik te hebben gadegeslagen.

Toen wij alleen waren, richtte de generaal zich op uit zijne lustelooze

houding en sprak mij toe met zekeren deftigen ernst:

"Een woordje onder ons, Jonker! als 't u belieft."

Ik boog mij.

"Maar wees zoo goed hier naast mij te gaan zitten; ik ben een weinig

hardhoorig."

Toen ik voldaan had aan zijn verlangen, ving hij aan:

"Vergeef mij dat ik u een vraag moet doen, die u eenigszins ongepast

kan voorkomen.... Is het voor de eerste maal dat gij mijne kleindochter

hebt ontmoet?"

"Ja, generaal! en de ontmoeting, die zeer toevallig was, was heel

gelukkig voor mij." Ik gaf hem eene kleine schets van mijn kruistocht

naar de Werve.

"Nu! dat verheugt me," sprak de grijsaard met een zucht van

verlichting. "Ik vreesde, om u de waarheid te zeggen, dat er iets

achter stak. Mijne kleindochter heeft veel goeds, dat mag ik met

waarheid zeggen, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden; zij kan wel

eens wat brusk uitvallen en heeft zekere zucht om alles te wagen en

alles te braveeren, die haar al menige ongelegenheid heeft berokkend,

al menige vijandschap op den hals gehaald heeft; ik vreesde dat er

tusschen u en haar iets voorgevallen was, dat zij nu trachtte goed

te maken, zooals dat haar meer gebeurt."

"De Freule heeft niets bij mij goed te maken, generaal! en de

welwillendheid waarmee zij mij hier eene goede ontvangst heeft

toegezegd, moet ik te meer waardeeren, sinds zij niet de gewoonte

heeft uit banale hoffelijkheid te handelen."

"Ik wenschte wel dat zij die gewoonte wilde aannemen," hervatte de

grijsaard met een zacht hoofdschudden, "doch wat u betreft, wees

verzekerd, dat ik hare toezegging niet te schande zal maken; gij zijt

mij van harte welkom; maar verklaar mij toch iets: Francis zegt dat

gij van de familie zijt, en ik herinner mij wel dat ik indertijd een

van Zonshoven heb hooren noemen, die aan mijne overledene vrouw was

geparenteerd, maar 't is al zoo lang geleden, dat ik waarlijk niet

meer weet hoe dat in elkander zit!"

"Mijne grootmoeder was eene freule van Roselaer, generaal!"

"Ah! juist, van moeders zijde alzoo; zij moet getrouwd zijn met een

Fransch edelman, zoo ik mij niet vergis."

"De baron d'Hermaele was van Belgische afkomst, generaal!"

"Nu ja, maar wij waren toen midden in den Franschen tijd, en men

nam het zoo straf niet op met de nationaliteiten. Ik herinner mij nu

heel goed de bezwaren die mijne vrouw maakte om ter receptie te gaan,

uit oorzaak van brouillerie met freule Sophie.... Ik zette het door,

omdat men de convenances in acht moest nemen, uit aanzien van den

baron d'Hermaele, die aan onzen prefect was geparenteerd. Het jonge

paar vertrok naar een der zuidelijke departementen, en ik heb er niet

meer van gehoord. Later, tijdens de regeering van Koning Willem I,

vernam ik van derden, dat de baron d'Hermaele in hooge gunst was

geraakt bij den Koning."

"Die gunst heeft de ongelukkige edelman duur genoeg geboet, daar zij

oorzaak was dat hij trouw hield aan zijn vorst tijdens den Belgischen

opstand, 't geen hem door zijne familie zeer kwalijk werd genomen,

en, wat erger was, den haat van het gepeupel op hem vestigde, in die

mate dat men zijn kasteel in de nabijheid van Laeken plunderde en

verbrandde en hem zelven, die zich kloekmoedig tegen die baldadigen

verzette, op gruwelijke wijze vermoordde."

"Weer een van die feiten uit dien tijd van jammer en verwarring,

die ik mij nog zoo goed kan voorstellen. Mijne soldaten brandden van

verlangen om de muiters en plunderaars naar verdienste te straffen,

maar ongelukkig werd hun lang, veel te lang werkeloosheid opgelegd;

dan, ik wil mij nu niet meer in die ergernissen verdiepen. Wat is er

van de weduwe en hare kinderen geworden?"

"Zij was het met de haren ontkomen en keerde naar Holland terug

met haar zoon en zeven dochters, waarvan de oudste verloofd was met

jonker van Zonshoven. Het huwelijk ging door ondanks de bezwarende

tijdsomstandigheden; ik ben hun eenigen zoon."

"Wel, dan ben ik zooveel als uw oud-oom, jonker!"

"Die berekening heb ik ook gemaakt! en daarom...."

"Komt gij mij toch niet over familiezaken spreken, wil ik hopen?" vroeg

hij in zichtbare onrust.

"Maar mijn waarde heer oud-oom! men kan immers wel over

familieaangelegenheden spreken, zonder dat het juist onaangename

moeten zijn?"

"Hm, ja! ik merk wel dat gij een van Zonshoven zijt, en sinds lang

vreemd aan de jammerlijke veeten die de Roselaers hebben verdeeld. Zij

hebben elkander in letterlijken zin niets gedaan dan bijten en vereten,

op zulke wijze dat er schatten verloren zijn gegaan in processen,

en dat Francis en ik nòg lijden onder de naweeën."

"Ik wil het gelooven, beste oom! maar...."

"Maar uwe moeder was al eene d'Hermaele, dat stelt mij gerust;

doch zoo 't anders ware, zoo gij een ander bericht kwaamt brengen,

dat voor Francis pijnlijk zou kunnen zijn of beschamend voor mij;

ik weet het, men betwist tot de geldigheid toe van mijn huwelijk in

Zwitserland; of zoo het geldzaken betreft, waarin ik of iemand der

mijnen betrokken kon zijn, dan bid ik u, wees zoo edelmoedig en spaar

het haar zoolang het haar gespaard kan worden. Ik ben oud en al zoo

gebogen onder den last des levens, dat ik er nog wel wat bij dragen

kan, al ben ik er bijkans onder versuft; mogelijk weet ik er wel iets

op te vinden om een gat te stoppen of iets dat dreigt af te leiden;

alleen wees oprecht met mij en zegt het mij ronduit in vertrouwen."

"Wel, generaal! ik zou daar veel op kunnen antwoorden, maar verschoon

mij voor dit oogenblik. Freule Mordaunt heeft mij dezelfde vraag

gedaan, met de goede bedoeling om u _zelf_ mogelijke onaangenaamheid

te sparen, en ik heb haar geantwoord naar waarheid, dat ik kennis kwam

maken in de hoop de familiebetrekkingen, die al vrij los geworden zijn,

nader aan te binden. Zij heeft mij de eer gedaan zeker vertrouwen

te stellen in mijne loyauteit en mij eene exceptie genoemd in de

familie. Wil gelooven dat ik een oprecht verlangen koester om mij

dat vertrouwen en die gunstige onderscheiding waardig te maken en

ik verzeker u dat het mijn grootste triomf zoude zijn, zoo een van

Zonshoven het geluk mocht hebben de wonden te heelen, voorheen door

de Roselaers geslagen."

"Dan zou er veel moeten gebeuren, mijn beste jonker!" hernam von

Zwenken met een zwaarmoedig hoofdschudden, "maar toch, reeds de

wensch is prijzenswaardig." Na een oogenblik peinzens hervatte hij:

"De waarheid, dat geld de zenuw is van den oorlog, moet in dezen ook

gelden voor den vrede. Uwe ijverigste pogingen zouden vruchteloos zijn,

zoo dit element ontbrak, en toch .... houd mij ten goede zoo ik mij

vergis, en toch vrees ik dat de van Zonshovens op dit punt schraal

zijn bedeeld. In mijne herinnering werden zij geacht te behooren tot de

specialiteit die men _la noblesse besoigneuse_ noemt. Waardige lieden,

maar die in de noodzakelijkheid waren geraakt om naar winstgevende

ambten en bedieningen te staan, ten einde te kunnen leven."

"Dat is volkomen waar, generaal! en mijn vader maakte in dezen gansch

geene exceptie; daarbij was hij zooals ik gezegd heb, getrouwd met

eene dier zeven freules d'Hermaele, die bij den Belgischen opstand

alles had verloren, en leven moesten van het pensioen, dat hare moeder

genoot en dat welhaast met dier overlijden voor haar verloren ging."

"En deed de Koning niets voor de freules?"

"Wat wilt gij, beste oom? De eenige zoon was vorstelijk voortgeholpen,

maar stierf in den bloei des levens en liet zelf een gezin na. Wat

verdienstelijks hadden die meisjes nog voor Koning Willem II, dat deze

geheugen moest houden van de trouw door haar vader den zijnen bewezen?"

"Dat is wel zoo, maar toch, het behoort tot de naaste plichten der

vorsten, om de digniteit van den adel te helpen ophouden; en wat

brengt in dieper vernedering dan de armoede?"

"Ik ben het met u eens dat de armoede eene zware beproeving is voor

elk mensch, en niet het minst in onzen stand, beste oom! maar eene

vernedering behoeft zij voor niemand te zijn. Het geheim om rijk te

worden wordt dikwijls niet gevonden, dan met het verlies van zekere

achting voor zich zelven, en het komt naar mijn gevoelen allereerst

den adel toe om hier op het _noblesse oblige_ te letten en zich zelf

niet te kort te doen. Ook daarom kan ik het niet goedkeuren, dat men

als edelman liever alles wacht van vorstengunst, en alles _afwacht_ wat

deze oplegt, dan zich mannelijk boven zekere ingeroeste vooroordeelen

te verheffen en door eigen energie en werkkracht te verwerven, wat

men _juist om zijne digniteit te handhaven_, niet met de hand op te

houden, moest willen aftroonen. Ik voor mij heb daar ten minste zoo

over gedacht, en naar dat beginsel gehandeld."

"Met die uitkomst dat gij, volgens de traditiën uwer voorzaten,

naar den een of anderen post hebt gestaan?" vroeg von Zwenken wat

verdrietelijk.

"Tot hiertoe niet."

"Maar daar valt mij iets in, op dit oogenblik is er een van Zonshoven

minister van buitenlandsche zaken," hervatte de generaal; "dat moet,

indien ik mij niet bedrieg, een vermogend man zijn; in welken graad

zijt ge met hem verwant?"

"Hij is mijn oom."

"Welnu, dat is zoo kwaad niet; met een post bij het een of ander

gezantschap derogeert men niet, en bij wat talent en goede relaties

komt men dan licht verder."

"Dat stem ik u toe, en ik beken u dat ik in zekere zwakke momenten

er wel eens over gedacht heb; maar die oom is juist de man, die, om

maar eene zaak te noemen, door zijn huwelijk met een meisje dat noch

geest, noch hart, noch beschaving had: den koffiekleurige dochter van

een schatrijken Oosterling, zich de millioenen van den nabob heeft

toegeëigend, zonder de arme vrouw iets meer te geven dan zijne hand

en zijn naam."

"Dat is inderdaad eene jammerlijke mésalliance; maar waaruit volgt

voor u, dat gij een oom hebt die schatrijk is en kinderloos?" eindigde

hij vragenderwijze.

"Zeker, en nu al op leeftijd; maar met wien ik gebrouilleerd ben en

zal blijven zoolang ik het eene laagheid zal achten, om kniebuigingen

te maken voor hem ter verzoening."

Majoor Frans · 第 6 / 17 题