N. N.

"O wee!" riep de goedhartige Willem, het naamloos geschrift

ineenfrommelend, "het begint er, vrees ik, slecht uit te zien voor

Leopold. Het zou toch jammer zijn zoo hij ze moest opgeven, die

fortuin, die hem daar als een lokaas wordt voorgehouden, met.... wie

weet welke hinderlijke conditiën. Die voorzorg van onbekenden, om

zijn raadsman om te koopen, bevalt mij niet. Zij moeten niet denken

dat ik er in zal loopen; als er eene clause gesteld is, onbestaanbaar

met recht en billijkheid of met zijne eer, zullen zij zien, dat ik

geen meester in de rechten ben voor niet. En ze vleien mij met mijne

ervaring, mijne voorzichtigheid. Ja! ja! wees er gerust op, die zal ik

gebruiken om hem _goeden raad_ te geven in den besten zin. Als de zaak

loensch is, kan zijne keuze niet twijfelachtig zijn; men kan nog wel

buiten bosschen en landerijen; maar Leopold is een te ferme jongen om

zich iets te laten aanleunen, dat tegen de eer strijdt. Laat hem dan

liever nog wat rondsukkelen; mogelijk ben ik zelf in staat hem voort

te helpen eer wij een jaar of wat verder zijn. Arme jongen, hij weet

niet, hoezeer zijn voorstel mij op dit oogenblik ongelegen komt.... 't

Is waar, ik moet toch nog eens naar den Haag vóór mijne afreis; dan

maar morgen de diligence genomen van half drie, die correspondeert

met den trein naar den Haag; 't is wel eerst een paar uur rijdens,

maar dan ben ik er ook binnen de driekwartier."

Zoo gezegd, zoo gedaan; Willem Verheyst bleek een oprecht vriend en

geen sammelaar; hij kwam bijtijds op den trein, en vijf minuten na

zijne aankomst zien wij hem op de stoep van het huis, waar Jonker

van Zonshoven logies had.

Hij behoefde maar één trap te klimmen. Eene ruime voorbovenkamer

met alkoof in een gesloten huis op eene der zijgrachten, ziedaar het

rustige en zedige verblijf van den jongen edelman, te schraal door

de fortuin bedeeld, om een deftig appartement te kunnen betalen,

en te fatsoenlijk om op kosten van lichtgeloovige burgers een staat

te voeren boven zijn vermogen.

En toch had zijne kamer een _air_ van élégance, dat zoowel voor den

smaak getuigde van den jonkman van geboorte en goede opvoeding,

als de behoeften kenschetste van iemand die geene gewoonte maakt

van uithuizigheid, en die in zijn thuis al de comforts wenscht te

vereenigen, waarvoor het vatbaar is. Behalve de onmisbare meubels,

die tot de eischen van eene "gemeubileerde kamer" behooren, en die

meer proper dan modern waren, zag men er eene kloeke schrijftafel,

een gemakkelijken armstoel, eene antieke gebeeldhouwde boekenkast

en zekere kleine voorwerpen van kunst en weelde, die in disharmonie

waren met het stijf burgerlijk huisraad en met het goedkoop "grijsje"

dat voor behangsel was gekozen; maar van dit laatste kwam juist

niet veel te zien, daar het rondom bedekt was met familieportretten,

sommigen in statig ebbenhout gevat, anderen in die schrale vergulde

lijsten, die van een later tijdperk getuigden, waarin het grandiose

tot het weeke en laffe was gezonken, zoowel in de kunst zelve als

in de wijze van haar voor te doen. Miniatuurportretten in ivoor en

photographieën van verschillende grootte hingen overal, waar er maar

een plekje te vinden was geweest. De jonker had er kennelijk zijn

lust in gevonden, hier zooveel doenlijk zijne geheele familie in

beeltenis vertegenwoordigd te zien.

"Het was voor de gezelligheid," placht hij te antwoorden, als

men hem over deze drukke expositie zijner vaderen en voorvaderen

onderhield. "Ja, ja!" werd hem wel eens tegengevoerd, "'t is allermeest

omdat gij trotsch zijt op al die mooie wapenschilden."

"Waarom niet, als ik meen te weten, dat zij onbesmet zijn bewaard,

en als ik zelf mij heb voorgenomen, er nooit een vlek op te

werpen?" antwoordde hij dan vast en met fierheid.

Waarheid is, dat hij het "_noblesse oblige_" in den besten zin

opvatte. Het was nooit in hem opgekomen, als een voorname leeglooper

rond te slenteren en op de beurzen zijner aanzienlijke kennissen

en verwanten te teren. Hij had talent, al had hij geen academischen

graad kunnen verwerven, en hij had niet geschroomd met dat talent te

woekeren op iedere voegzame wijze. Hij was vlug, hij had orde; al had

hij geene vaste inkomsten, hij wist rond te komen en, zooals hij het

zelf noemde, het hoofd boven water te houden, en sinds de nood hem de

deugd van zuinigheid oplegde, wist hij haar te oefenen met een gemak,

of het simpel uit liefhebberij geschiedde. Zijne opgeruimdheid had

tot hiertoe door die leefwijze niet geleden. En wellicht bracht de

fortuin, die hem zoo plotseling voor de voeten werd gelegd, hem in

grooter bezwaren, dan hij tot hiertoe had behoeven te trotseeren. Eene

beproeving van zijn karakter was het zeker.

Hij zat voor zijne schrijftafel en was druk aan den arbeid, toen Willem

Verheyst zijne kamer binnentrad. Onder een luid gejubel vloog hij op,

vatte Willems beide handen in de zijne en riep uit:

"Braaf gedaan! Maar dat had ik ook wel van je verwacht, dat je

komen zoudt op mijn eersten alarmkreet. Wat een dwazen brief heb

ik je geschreven, niet waar? Later ben ik weer gansch mij zelf

geworden, en weet je hoe?" Hij keerde zich weer naar de schrijftafel

en liet Verheyst een handvol papieren zien, deerlijk met inkt

bemorst. "Dezelfde beweging waarmee ik op dien gedenkwaardigen

avond mijne lamp zou hebben omgeworpen, zoo niet de reddende hand

van juffrouw Joosting tusschenbeide ware gekomen, was tegelijk van

de noodlottigste uitwerking geweest op mijn inktkoker; de goede ziel

had maar op het noodigste gelet, maar die inktkoker, helaas! was hare

opmerkzaamheid ontsnapt. Eerst moest ik wat bekomen, toen mijn hart

uitstorten aan u, den brief zelf op de post brengen en rondloopen tot

ik als een gewoon mensch naar bed kon gaan; ziedaar alles waartoe

ik bekwaam was, en eerst den volgenden morgen ontdekte ik, welke

verwoesting er was aangericht. Drie stukken, die al in 't net waren

overgeschreven en genummerd klaar lagen om afgeleverd te worden, waren

reddeloos verloren en moesten overgeschreven worden. Een lief werkje

voor een millionair, niet waar? Maar al ware men het twintigmaal,

men moet zijn woord houden, en ik was zoo goed niet, of ik moest

aan den arbeid, en nu ben ik er bijna door. Het is mij tot heilzame

afleiding geweest. Ziedaar al den eersten last, dien mijne versche

fortuin mij aanbrengt, en 't zal denkelijk wel niet de eenige, niet

de zwaarste zijn. Maar hoe het ook zij, ik heb nu mijn avond vrij en

we kunnen praten."

"Ja, dat zal noodig zijn, althans als gij nog niet van de zaak hebt

afgezien."

"Afgezien! Waarom zou ik daar zoo in eens toe gekomen zijn? En ik

heb je uitdrukkelijk geschreven, dat ik mij tot niets decideeren zou,

voordat ik uw advies had ingewonnen."

"Het gebeurt meer dat men raad vraagt zonder het antwoord af te

wachten."

"Ja, maar zóó inconsequent handel ik niet; en mij dunkt, eene fortuin

als deze is wel eenigen tijd van kalm beraad waardig. Ziehier de akten:

de kennisgeving van den notaris, de copie op zegel van het testament,

den inventaris van de roerende en onroerende goederen; de laatsten

zijn nogal wat uiteen gelegen, in drie verschillende provinciën,

maar 't geheel vormt eene uitgebreide bezitting, en met 't geen er

aan effecten in portefeuille is, wordt de fortuin op meer dan een

millioen geschat. Zoo ver ik zien kan zijn de stukken in orde."

"De stukken _zijn_ in orde," antwoordde Verheyst, nadat hij een tijd

lang zwijgend de akten een voor een had ingezien, "en als deze copie

van het testament juist is, waaraan ik niet twijfel, dan zal de meest

teleurgestelde onder de nabestaanden der erflaatster nog moeite hebben

om chicane te maken op hare beschikking. Mejonkvrouw Roselaer tot de

Werve benoemt u, jonker Leopold van Zonshoven, tot haar universeelen

erfgenaam, behoudens eenige legaten, onbeteekenend in verhouding tot

hare fortuin en waarvan de uitkeering aan de zorg van haar executeur

is opgedragen, in overleg met haar erfgenaam. De zaak is gezond en zoo

helder als glas, maar ik zie niets van die noodlottige clause, waarvan,

zooals gij mij schreef, de aanvaarding van die erfenis afhangt."

"Zulk eene clause bestaat niet. Er is van 't geen door mijne oud-tante

begeerd wordt volstrekt geene conditie gemaakt, en zoo ik u iets

dergelijks heb geschreven, moet gij het alleen wijten aan den roes,

die mij was aangezet. Maar, ziet gij, dat wat ik bedoel en waarover

ik u wilde spreken, is eenvoudig een _verzoek_ aan mij, een wensch

van de erflaatster, in dezen brief vervat, dien gij doorlezen moet

eer gij mij uwe opinie zegt. Mij komt het voor, dat ik de geheele

erfenis moet opgeven, als ik niet aan haar verlangen kan voldoen."

"Rechtens zeker niet; maar het kan een _cas de conscience_ zijn voor u,

dat wil ik wel gelooven. En is hetgeen van u gevergd wordt dan zoo

moeilijk om in te willigen?" vroeg Verheyst nog, zonder den brief

te openen.

"_Ça dépend!_ Het zou een zeer aangename plicht kunnen zijn. Mijn

oud-tante wil, dat ik trouwen zal."

"Dat's zoo'n onredelijke wensch niet, sinds zij u in staat stelt eene

huishouding te bekostigen."

"Neen; maar zij vindt goed, mij voor te schrijven wie ik tot vrouw

moet nemen."

"O wee! dat's nogal erg."

"Ja! al heel erg, want zij schijnt het meisje zelve niet te kennen. Het

moet eene kleindochter zijn van zekere Generaal von Zwenken, die

indertijd met hare oudste zuster is getrouwd geweest; de jonkvrouw in

kwestie woont bij haar grootvader, en het schijnt bovenal uit rancune

tegen dezen, dat de slimme oud-tante deze vondst heeft bedacht, om aan

die nicht het genot harer fortuin te verzekeren zonder eenig ander lid

van hare familie daarin te doen deelen. Daarvoor wordt _ik_ gebruikt

en daartoe wordt die fortuin in mijne hand gegeven, opdat ik die zal

leggen in de hand van de schoone.... Niets schijnt meer gemakkelijk

en natuurlijk; maar onderstel nu eens dat die schoone eene leelijke

is, of eene gebochelde, of eene ondeugende heks, of eene lastige

coquette, of op eenige andere wijze onmogelijk is, althans voor mij,

die nog alzoo mijne eigene begrippen heb over vrouwen en huwelijk;

wat moet ik dan beginnen; van de erfenis afzien?"

"Afzien.... afzien.... op zijn ergst zoudt gij een voorstel kunnen

doen om te deelen."

"Ziedaar wat precies _tegen_ den uitdrukkelijken wil van de erflaatster

zou zijn. Lees toch den brief, en gij zult er u van overtuigen."

Dit schrijven, dat Verheyst nu met gezetheid doorlas, was van den

volgenden inhoud.

Zeer waarde Neef!

Ofschoon ik eene onbekende ben voor u, zijt gij het geenszins voor

mij. Persoonlijk ken ik u niet, maar ik ben vrij goed onderricht

van hetgeen gij zijt en _niet_ zijt. Door allerlei _brouilleries_

in onze familie en de inconsequente handelwijze van mijne oudste

zuster, ben ik verplicht geweest in geheele vervreemding te

leven (en zal ook desgelijks sterven) van al mijne verwanten;

die mij de naaste waren, zijn trouwens sinds jaren overleden,

en de overigen zijn hier en daar verspreid; en zelfs al woonden

zij in dezelfde stad waar ik hoop te verscheiden, toch zouden zij

zich nauwelijks herinneren, dat zij aan mij geparenteerd zijn,

daar hunne grootouders, na al het mogelijke gedaan te hebben om mij

het leven te verbitteren, het aan hunne kinderen en kleinkinderen

hebben overgelaten, mij te vergeten en zich zoo weinig om de oude

tante Roselaer te bekommeren, of zij nooit had bestaan, die zelve,

dit wil zij erkennen, van hare zijde niets heeft willen doen,

om hun geheugen op te frisschen en een rapprochement te weeg te

brengen. Maar een mensen moet op zijn einde letten; ik ben nu

in mijn vijf-en-zeventigste jaar en heb reeds eene attaque van

beroerte gehad, die mij eene waarschuwing is geweest om zoodanige

order op mijne zaken te stellen, dat er geene twist kan rijzen

omtrent mijne nalatenschap, en bovenal dat deze niet zou kunnen

vallen in handen van dezulken, die mijn leven verbitterd hebben;

evenmin wil ik dat een heirleger van verre neven en nichten als

haaien op mijne fortuin zullen aanvallen om die onder elkaar te

verdeelen en alles te verbrokkelen, wat mijne ouders en ik zelve

door orde, zuinigheid en wijs overleg hebben bijeenverzameld. Zoo

heb ik dan besloten, een hunner tot mijn universeelen erfgenaam

te benoemen, en die _eenige_ moet _gij_ zijn. Eerstens omdat

uw moeders moeder degene mijner zusters is geweest, die mij het

minste verdriet heeft aangedaan. Zij huwde een man van haar stand

in goede positie, met volle toestemming harer ouders, en zij kon

het niet helpen dat haar echtgenoot het slachtoffer is geworden

van die afschuwelijke Belgische revolutie, waarbij hij leven

en welvaart inboette, nalatende zeven dochters, van welke een

uwe moeder is geworden, die zich evenmin als de andere nichten

ooit om tante Sophie Roselaer heeft bekommerd, 't geen echter

verschoonlijk is, daar bij hare terugkomst in 't vaderland de

noodlottige familie-gebeurtenissen reeds hadden plaats gevonden,

die mij besluiten deden met al de mijnen voor goed de gemeenschap

af te breken. En de tweede reden--de voornaamste, waarom ik juist U

onder al de anderen onderscheid, is deze: dat ik een goed gevoelen

heb gekregen omtrent uw karakter en zelfstandigheid van geest. Ik

heb op verschillende wijzen en tijden, bij vrienden zoowel als

vreemden, naar u geïnformeerd, en de narichten zijn altijd van

dien aard geweest, dat ik u den meest geschikte dacht om uit te

voeren wat mijn eenigste wensch is, dien ik u dringend verzoek

te vervullen, indien het u eenigszins mogelijk is, namelijk: het

eenig nagelaten kleinkind mijner oudste zuster tot vrouw te nemen

en haar op die wijze dat aandeel te geven aan mijne nalatenschap,

dat ik haar, uit aanzien van de treurige verdeeldheid in onze

familie, nu moet onthouden. Ik had dat meisje in hare vroege

jeugd tot mij willen nemen; om haar eene goede opvoeding te

geven en aan dien jammerlijken soldatenboel te ontrukken,

waarin zij nu is opgegroeid; maar het is mij bot af geweigerd,

en de generaal von Zwenken, haar grootvader, heeft daarmee de

toekomstige fortuin zijner kleindochter roekeloos verspeeld, om

zijn ouden wrok tegen mij satisfactie te geven. Ook heb ik mijn

testament gemaakt met het vaste voornemen om hem, noch iemand der

zijnen, ooit een penning van mijn vermogen te laten genieten;

maar bij later inzien wil ik het kleinkind niet straffen om de

misdragingen harer grootouders. Ik wensch integendeel _haar_

na mijn dood tot de erkentenis te brengen, dat die oude tante,

wier naam zij zeker nooit dan met toorn en minachting heeft hooren

noemen, nog zoo kwaad niet was en het althans met haar niet slecht

heeft gemeend, ja zelfs na den dood nog het mogelijke heeft

willen doen om haar te leiden door de hand van een edeldenkend

man, die haar gelukkig zal maken, als zij het verdient. Aan haar

zelve een deel van mijne fortuin toe te kennen, zou gelijk staan

met het den grootvader in handen te spelen, die het voorzeker zou

doorbrengen op dezelfde wijze als hij het vermogen mijner zuster

heeft verspild en doorgebracht. Zoo kwam ik op het denkbeeld

om U, neef Leopold, dien ik uit al de mijne bij mijne jongste

beschikkingen heb uitverkoren om de onafhankelijke bezitter te

zijn van al mijn wereldsch goed. U die ik weet een jongmensch

te zijn van karakter en goede beginselen, U dit eene verzoek te

doen, waarmee gij een onrecht dat ik genoodzaakt ben te plegen,

zult goedmaken. De vraag is nu maar of gij in deze schikking

genoegen zult nemen, en of het u mogelijk zal zijn aan mijne

begeerte te voldoen. De bezwaren zouden kunnen voortkomen van

de zijde die er het grootste belang in heeft, dit redmiddel,

dat ik heb uitgedacht, aan te grijpen. In dat geval smeek ik u,

de zaak niet dan op het uiterste op te geven. In 't andere geval, uw

eigen tegenzin om u door eene lastige bemoeial als uwe oudtante blijkt

te zijn, eene vrouw te laten opdringen, die u om de eene of andere

reden niet convenieert, onthef ik u bij voorbaat van dien dwang,

want ik wil dat er ten minste één lid van mijne familie zal zijn,

die mijne nagedachtenis niet in afschuw houdt; maar als het daartoe

komt kent de notaris van Beek mijne intentiën, waarnaar gij u zult

te schikken hebben, zoo gij u niet van de gansche nalatenschap wilt

verstoken zien, waardoor deze, zeer tegen mijn wil en wensch voor al

mijne nabestaanden zou verloren gaan om aan industrieele ondernemingen

te worden besteed. Dan, ik wacht wat beters van uw goed oordeel

en wijs overleg, om niet te zeggen dat ik reken op uw goed hart,

dat zich ontfermen zal over een jong meisje, reeds als kind door

de kwaadwilligheid harer verwanten verstoken van de voorrechten die

een deftig en gegoed geslacht haar scheen te waarborgen, en die haar

volgaarne waren gegund door hare en uwe

liefhebbende oud-Tante

Sophie Roselaer tot de Werve.

P. S. Dat ik mij simpellijk Roselaer _tot_ de Werve moet schrijven

en niet _van_ de Werve, is de schuld van den generaal; maar zijn

koppigheid en dwarsdrijverij zal hem duur te staan komen.

"Nu, wat zegt gij?" vroeg Leopold, toen Verheyst na volbrachte lectuur

het geschrift langzaam toevouwde met een bedenkelijk gezicht.

"Wat ik zeg? wel dat het een echte vrouwenbrief is: het punt dat bij

haar het zwaarste weegt ligt in 't post-scriptum."

"Hm! dat kan waar zijn; hoe is 't mogelijk dat een christenmensch,

dat eene vrouw, reeds met den eenen voet in 't graf, nog met zoo'n

bitteren familiewrok is bezield geweest, en mogelijk om een bagatel!"

"Wat zal men zeggen .... uit de wissewasjes komen de felste processen

voort, als men den wortel der bitterheid niet bij het eerste opschieten

uitroeit. Maar ik had voor u wel gewenscht, dat deze dame met andere

gevoelens ware bezield geweest jegens hare verwanten; de zaak ware dan

zoo licht gevonden. Convenieerde u de jonge dame, dan: het huwelijk;

viel het anders uit, dan: de verdeeling; gij bleeft beiden vrij,

en met een half millioentje zoudt gij het ook wel kunnen doen."

"Och! dat het haar behaagd had mij een dertig duizend gulden te

maken zonder conditie," verzuchtte Leopold, "dan ware ik van al dat

geharrewar af."

"Dat zou zeker wel het gemakkelijkste zijn geweest voor u!" hernam

Verheyst, even glimlachend; "maar ziet gij, men heeft niets voor

niet, en als nu de wraakzuchtige oude dame u heeft uitgekozen om het

instrument harer wraakzucht te zijn, dan kunt gij niet anders dan

dien lastpost aanvaarden."

"Dat zie ik nog niet in...."

"Ik ben er zeker van dat zij zich op haar sterfbed heeft verkneukeld

bij de gedachte, dat zij eene kampioen voor hare grieven heeft

achtergelaten."

"Heel goed, maar als zij zich verbeeldt dat ik, ter wille van haar

geld, de laagheid zal plegen, zoo maar blindweg hare kwade intentiën

te dienen, dan heeft zij zich zonderling in mij vergist, of men heeft

haar al zeer verkeerde berichten omtrent mijn karakter aangebracht."

"Vooreerst weet gij immers niet of er werkelijk iets van u verlangd

wordt, dat met uw karakter in strijd is. Voorts moet ik u zeggen, dat

de beschikkingen eener overledene niet bediscussiëerd mogen worden,

en dat men er zich zooveel doenlijk naar voegen moet. Blijkt u dat

inderdaad onmogelijk bij nader onderzoek, welnú, dan is het nog niet

te laat om terug te treden."

"Voorloopig heb ik in dien zin aan den notaris, geschreven. Ik voel

wel dat ik beproeven moet of er iets van dat huwelijk kan komen; ik

ben het in de eerste plaats aan het jonge meisje verplicht maar om de

waarheid te zeggen: ik zou zoo graag willen dat een ander dan ik, gij

bij voorbeeld, de eenige wien ik op dat punt volkomen vertrouwen kan,

eens een kijkje kon nemen van de familie von Zwenken, van de jonge dame

allermeest, eer ik zelf optrad, 't geen zoo heel decisief zou zijn...."

"Hoe gij u nu reeds de _airs_ geeft van een millionair!" viel

Verheyst in. "De preliminairen van zijn huwelijk te laten openen

per ambassadeur! Jammer, waarde patroon, dat ik volstrekt niet in

de gelegenheid ben uwe opdracht te aanvaarden. Wie weet hoe ver de

serviliteit voor uw aanstaanden rijkdom mij anders nog vervoerd zoude

hebben!" Er was eene mengeling van spot en gekrenktheid in den toon

van dit antwoord, die Leopold deed opschrikken.

"Dit verwijt is immers geen meenens?" vroeg hij getroffen. "Gij weet

wel dat ik niets kon bedoelen dan een vriendendienst vragen aan den

eenige, wiens scherpzinnigheid en helder oordeel ik beter vertrouwen

zou dan mijn eigen blik, door allerlei strijdige aandoeningen licht

beneveld!"

"Wees gerust, zóó heb ik het ook opgenomen; ik wilde u slechts een

weinig plagen, maar ongelukkig is het beletsel dat ik aanvoerde geen

scherts maar strenge ernst. Ik moet morgen hier in den Haag blijven

voor mijne eigene zaken, en daarna heb ik geen dag, geen uur meer te

verliezen, om de laatste aanstalten te maken voor mijne groote reis."

"Van welke groote reis spreekt gij?"

"'t Is waar ook, wij hadden het zoo druk met uwe zaken, dat ik vergat

u van de mijne te vertellen. Als gij mij niet uitgenoodigd hadt bij u

te komen, zou ik u toch morgen in den loop van den dag eens opgezocht

hebben om u mede te deelen wat mij is overkomen...."

"Toch geen kwaad?" vroeg Leopold, hem ernstig aanziende.

"Neen, neen! ontstel maar niet. Gij zijt niet de eenige wien de

fortuin toelacht. Mij is het aanbod gedaan door den nieuw benoemden

Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, om hem als particulier

secretaris te vergezellen. Behalve het aanzienlijk jaargeld dat hij

mij biedt en de uitnemende gelegenheid om op de meest comfortable wijze

den overtocht naar Java te doen, dat ik altijd verlangd heb te leeren

kennen, zijn de vooruitzichten, die dáár voor mijne toekomst geopend

worden, zoo verlokkend, dat ik aan de verzoeking geen weerstand heb

kunnen bieden, en veel liever dan in mijne provinciestad te blijven

wachten op schrale processen, of naar de eene of andere rechterlijke

betrekking,--mij voor een jaar of wat expatrieer, om eenmaal terug

te keeren in al de wichtigheid van een Oosterschen nabob," eindigde

hij met eene poging tot scherts, die blijkbaar niet van harte ging,

want geen vroolijke glimlach verhelderde zijn, gelaat bij die schoone

voorstelling.

"Ik kan u geen ongelijk geven," hernam Leopold, die ook zijn best deed

om zich goed te houden, schoon het hem even slecht gelukte, want zijn

verbleeken reeds verried hem, "maar toch, het spijt mij; ik kan u niet

zeggen _hoe_ het mij ook spijt, dat gij heengaat, juist nu ik in de

gelegenheid zou zijn, uw leven als het mijne te veraangenamen. Denk

toch eens, Willem! Ik krijg bosschen en heidegronden in mijn bezit,

en gij, die zooveel van jagen houdt...."

"Ik zal nu maar wachten tot ik de groote tijgerjachten op Insulinde

bijwoon...."

"En hebt ge waarlijk nog maar zóó weinig tijd voor u, eer we voor

goed afscheid nemen?" viel Leopold in, met eene zachte stem, waaruit

zijne aandoening sprak.

"Wat zal ik je zeggen! Zijne Excellentie heeft besloten met den eersten

mail te gaan, die half April vertrekt. Wij moeten dus zorgen tijdig te

Marseille te zijn, en met alles wat er nog te schikken en te regelen

valt, ziet gij wel dat er niet veel tijd voor vriendschapsdiensten

meer overblijft."

"Hoe komt die Gouverneur-Generaal er toch toe, om juist u voor dat

baantje uittekippen?" vroeg Leopold verdrietelijk.

"Dat is licht te verklaren. Hij is wat aan mijne familie geparenteerd,

daarbij uit onze provincie herkomstig. Hij kende mij reeds vóór hij

in de Kamer optrad; hij had mij sinds lang zijn invloed toegezegd als

er sprake was van zijne bevordering, en nu hij zoo'n hooge betrekking

kreeg, was het juist niet vreemd, dat hij aan mij dacht. Hij kon niet

weten, dat ik voor mijn Leopold zóó onmisbaar zou zijn."

"Sla den nagel maar niet dieper in, Willem! Ik voel wel, dat ik mij

den schijn geef van een grof egoïsme; maar geloof mij, uw besluit om

't vaderland te verlaten treft mij niet het meest om mijns zelfs wil,

al word ik daardoor verstoken van uw vriendenraad en hulp; maar bij de

voorstellingen, die ik mij maakte van de toekomst, bij de plannen, die

ik bouwde op mijne toekomende fortuin, waart gij zoozeer mede begrepen,

dat ik mij niet zoo op eens gewennen kan aan het denkbeeld, dat gij u

nú juist voor goed van mij gaat losmaken, om 't geluk te gaan zoeken

in den vreemde, dat ik als 't ware in de hand had u te bieden. Gij

verlangt te reizen.... Wij hadden het immers samen kunnen doen?"

"En uwe vrouw!"

"Mijne eerste conditie zou geweest zijn, dat zij zich aan mijn vriend

had te gewennen."

"'t Is nog beter, dat gij zulke conditie niet behoeft te

stellen. Mogelijk zijn er bezwaren genoeg te overwinnen zonder dat. En

begrijpt gij dan niet, gij, die liever in bekrompenheid hebt willen

leven dan uwe onafhankelijkheid prijs te geven, dat ik op mijne beurt

ook eene onafhankelijke positie verkies boven de meest welgemeende

aanbiedingen van een vriend? Hoe zou het mij zijn, zoo ik op uwe

fortuin zou gaan teeren?"

"Een onafhankelijke positie! de dienstman te wezen van een satraap!"

"Satraap zooveel gij wilt, hoewel mijn chef nog niets gedaan heeft om

hem in die categorie te rangschikken. Maar om alleen op mij zelven te

komen. Ik zal niet altijd in die ondergeschikte positie blijven. Mijn

beschermer, die een man van zijn woord is, zal mij spoedig genoeg

voorthelpen, als hij mijne geschiktheid heeft beproefd, en dan.... het

is nog niet gezegd, Leo! wie van ons beiden den zwaarsten kamp zal

moeten voeren, om de fortuin te veroveren...."

"Wel zeker! Naar de Oost trekken, maken dat men er gauw rijk wordt, en

dan naar Holland weerkeeren om in den Haag eene villa in 't Willemspark

of een Geldersch landgoed te gaan bewonen, dat is in een ommezientje

geklaard; maar ik kan juist niet zeggen, dat ik het prijselijk vind,

en ik zou het waardiger en dankbaarder achten, dat men zijne schatten

ten minste ging verteeren waar men ze heeft opgezameld."

"Het is waar, Leopold; van de tien handelen minstens zeven op die

wijze; maar waarom verdenkt gij mij, dat ik juist tot de zeven zou

behooren? Waarom ben ik zoo plotseling in uwe schatting gedaald?"

"Waarom! waarom!" riep Leopold, opstaande en zijn stoel met drift ter

zijde schuivende, "omdat het mij is, of ik zelf gedaald ben in de uwe;

dat kwelt mij en maakt mij wrevelig. Luister, Willem! ik neem een

kort en goed besluit: ik ga aan dien van Beek schrijven, dat ik van

zijn verwenscht millioen afzie, en dan ga ik met u mee naar Indië;

daar zal voor mij toch ook nog wel plaats zijn."

"Ik had er werkelijk aan gedacht, u iets dergelijks voor te stellen

eer ik uw brief had ontvangen, maar nù zou dat dwaasheid zijn."

"Geene dwaasheid; want ik voel dat de demonische macht van dat geld

mij al gaat beheerschen en dat ik er hoe langer hoe meer onder zal

raken als ik er mij niet met één forsche daad aan ontworstel. Ik ben

al zoo ver, dat ik anderen voor mij zelven vergeet, en aan niets weet

te denken dan aan mijne eigene bezwaren, en dat om dit ellendig geld."

"Dat blijkt; want gij vergeet, dat het niet enkel eene geldkwestie

is. Gij vergeet dat jonge meisje, dat gij daar zoo bot weg in den

steek zoudt laten, zonder te onderzoeken, of zij ook waardig is,

dat gij haar uw steun biedt en of gij haar niet willekeurig versteken

gaat van 't geen haar is toegedacht."

"Gij hebt goed praten, maar.... als gij in mijne plaats waart...."

"Zou ik handelen en mij zelf overwinnen, om te zien wat er in dezen

te doen viel. Gij ziet op tegen den strijd, dien u wacht, tegen de

bezwaren, die uwe rust gaan verstoren, ziedaar alles; en nu meent

gij eene grootsche daad te doen met het hoofd af te wenden en uw

gewonen weg te gaan, of er u geen nieuwe plichten waren opgelegd. Mis,

vriendje! Met mijne toestemming zult gij zulke ongerechtigheid niet

plegen. Gij moet den strijd aanvaarden; niet tegen den berg opzien,

waarachter het onbekende ligt, en als een echt paladijn den kruistocht

ondernemen tegen de reuzen en draken, die uwe dame in gevangenschap

houden."

"Gij hebt, op mijn woord, gelijk. Ik mag dat meisje niet zoo

willekeurig op zij schuiven, al zou ik ook vrijheid hebben om zelf

arm te blijven uit gemakzucht. Het blijft er bij, Willem! Ik zal

niet lafhartig teruggaan in dezen kamp, al moet het er een zijn tegen

mijzelven. Ik ben gelukkig geen vreemdeling in zulken strijd; maar ziet

gij, een vriend als gij, die bijtijds waarschuwt, zou mij zoo noodig

zijn. Maar het zij zoo; ik sta u af, al is 't noode. Ik weet, waar

ik mijne sterkte zal zoeken. Ja! glimlach maar.... gij, die zoo vast

in uwe schoenen staat, dat gij nooit behoefte gevoelt aan hooger hulp."

"Dat heb ik nooit gezegd, Leopold. Ik glimlachte, het is waar, over

de levendigheid en de snelle wisseling uwer aandoeningen; maar ik

ben er verre af, in u te bespotten wat ik hoogacht, al kan ik uwe

religieuse opinies niet deelen."

"Waarom niet? Is het dan zoo moeielijk, te gelooven aan krachten en

machten, die men niet zien, niet ontleden kan; wordt het leven niet

een jammerlijk _terre à terre_, als men het opvat zonder iets aan

't bovenzinnelijke te hechten; in één woord; hebt gij, gij, die een

ernstig en zedelijk mensch zijt, gansch geene behoefte aan geestelijk

leven, aan godsdienst?"

"Wat zal ik je zeggen, Leopold! Wij leven in een tijd van spoorwegen

en stoommachines, waarin iedereen op zijn eigen terrein zoo wordt

voortgejaagd en gedreven, dat men waarlijk lust noch tijd overhoudt om

veel, om diep na te denken. En de theologie is een akelige doolhof, vol

doornstruiken en wespennesten, waarin ik niet graag zou ronddolen. Ik

weet wel, er is een gemakkelijke weg om voor religieus door te gaan

en zich zelf wijs te maken, dat men het werkelijk is. Men heeft

alleen maar binnen 't cirkeltje te treden, dat eens en voor goed is

afgebakend. Maar .... dat is mijne zaak niet, al weet ik _que c'est

très bien porté_ in zekere côteriën...."

"Gij weet van mij, dat ik mijne overtuiging niet van côteriegeest heb

afhankelijk gemaakt," viel Leopold in, vast, maar zonder gekrenktheid.

"Als ik dit _niet_ van u wist, zou mijn uitval eene opzettelijke

krenking zijn, Leo! En al houd ik er van, u eens een weinigje te

plagen ik zou u nooit willen grieven in 't geen ik weet dat u zeer na

aan 't harte ligt. Wat ik zeide, was voor mij zelven, omdat men mij

juist in dezen tijd wel eens lastig is gevallen op zeker punt. Wat

u betreft, gij hebt u nu eenmaal vastgezet in eene overtuiging, die

ik niet zal bestrijden, te minder, daar gij er uw leven naar hebt

gericht. Maar juist daarom, Leopold, kan ik niet inzien, dat ik U

zoo onontbeerlijk zou zijn dat ik mijne vermoedelijke fortuin aan de

eischen uwer vriendschap zou moeten opofferen."

"Bij dieper nadenken zou ik dat ook niet gevergd hebben, Willem;

alleen.... gij hebt daarin gelijk.... ik ben wat snel, wat

levendig in mijne opvatting, en mijne eerste opwelling was die van

teleurstelling. Gij weet, ik ben er nu overheen, en gij zult zien dat

ik niet meer weifelen zal in mijn voornemen om de aangeboden fortuin

te aanvaarden met al hare baten en schaden, al drukt mij nu reeds de

groote verantwoordelijkheid die zij zal opleggen."

"Maar vergeet dan ook niet de groote voorrechten, welke zij geeft;

ware 't maar alleen de gelegenheid om veel goed te doen. Komaan,

schep moed! Uwe schouders zijn krachtig genoeg om den last van een

millioentje te dragen; uw hoofd is niet te zwak om groote bezittingen

te beheeren. Gij hebt eene reine, werkzame jeugd achter u. Het

tijdperk, dat gij nu intreedt, is dat van mannelijke kracht. Uw

vastheid van wil is reeds gerijpt in menige beproeving, die gij

zegevierend hebt doorgestaan. Is er dan vrees dat gij versagen zoudt

voor het te veel, gij, die het zoo vorstelijk met het te weinig hebt

weten op te nemen?"

"Nu nog mooier! Gij gaat mij vleien," sprak Leopold lachend. "Gij wilt

eens zien, hoe ik dat opnemen zal; maar wees gerust. Tegen vleierij

heb ik een ferm waterproefje aan; ik ken mij zelf een weinig....".

"Nog niet genoeg, als gij twijfelt of ik hier in vollen ernst

spreek. Ik ben acht jaar ouder dan gij, Leopold! en sinds wij

elkaar leerden kennen, heb ik uwe worsteling met het leven en de

omstandigheden met belangstelling gadegeslagen, en zoo mag ik zeggen:

gij _zijt_ voor die moeielijke taak opgewassen. Gij hebt het 'adeldom

verplicht' zóó goed weten op te vatten, dat gij het 'rijkdom verplicht'

ook in de beste beteekenis zult toepassen."

"Het moeten sterke beenen zijn, die de weelde dragen. Mijn hoofd

heeft reeds geduizeld bij de voorspiegeling van een millioen.

"Wie zegt u, dat bij 't werkelijk bezit mijn voet niet zal wankelen,

niet zal uitglijden...."

"Reeds uwe eigen bezorgdheid op dit punt is mij de beste

waarborg. Indien ik er anders over dacht, geloof mij, dan nam ik u

liever mee als mijn adjunct naar Indië. Maar nu.... luister. Ik ben

er in zekeren zin bij geïnteresseerd, dat gij het er goed afbrengt

met die erfenis. Toen ik de hand van dien notaris zag, kreeg ik een

vermoeden, en toen ik in den brief van uwe oudtante las, dat zij op

iedere wijze naar u had geïnformeerd, ging mij het volle licht op. Ik

herkende de hand als die van iemand, die in 't voorgaande jaar mij

geschreven had, om informaties te nemen naar u. Er was bijgevoegd,

dat de navraag geschiedde met geene andere dan goede intentiën en

dat mijn antwoord voor den persoon in kwestie geheim zou blijven. Ik

behoef u niet te zeggen, hoe mijn antwoord was ingericht, en _ik_

heb grond om te gelooven, dat mijne getuigenis heeft medegewerkt

tot het besluit van jonkvrouwe Roselaer tot de Werve. Stel mij dus

niet ten toon als een valschen berichtgever, door uit overdreven

nauwgezetheid te eeniger tijd de zaak te laten varen. Had nadere kennis

van de eischen der testatrice mij doen zien, dat men bedoelde u een

valstrik te spannen of tot eene laagheid te bewegen, dan zeker zou

_ik_ mij geene moeite gegeven hebben uwe bezwaren te bekampen en het

eenvoudig op uw instinct van eerlijkheid laten aankomen. Nu blijkt

dit niet het geval, en ik zeg u: zet door; wie weet welk een parel

van eene vrouw u, dus in 't goud gezet, wordt aangeboden. Apropos,

weet gij al hoe uwe aanstaande heet en waar zij gezocht moet worden?"

"Ik heb van ochtend juist een briefje gekregen van den notaris,

met verzoek om zoo spoedig mogelijk bij hem te Utrecht te komen,

daar hij in de gelegenheid is, mij inlichtingen te geven omtrent den

generaal von Zwenken en zijne kleindochter Francis Mordaunt."

"Mordaunt! Heet zij Francis Mordaunt?" riep Verheyst, kennelijk

onaangenaam verrast.

"Ja! Hebt gij wat tegen den naam? Hebt gij dien meer gehoord?" vroeg

Leopold als in één adem; want de strakke, verdrietelijke plooi op

het gelaat van zijn vriend stond hem niet aan.

"Meer gehoord, nu ja .... veel gehoord zelfs, als die van een Engelsch

officier op retraite, die jaren geleden ergens in mijne provincie heeft

gewoond; een man, waar, zoover ik weet, niets op te zeggen viel...."

"Nu ja! Maar de persoon waar 't hier op aankomt is de dame in

kwestie. Kent gij haar?"

"Niet persoonlijk, en op praatjes en geruchten kan men toch

eigenlijk niet afgaan; en hetgeen mij van haar is ter oore gekomen,

kan .... onjuist zijn. Maar als dit niet zoo is, zou het weinig

geruststellend wezen voor u, dat mag ik je niet verbergen.

"Daarom, onderzoek, onderzoek streng en vertrouw niets dan uwe eigene

oogen en bevindingen."

"Heeft zij een lichaamsgebrek, is zij afzichtelijk?" vroeg Leopold

met onrust.

"Neen, dat niet; ik geloof zelfs, dat zij er niet kwaad uitziet;

althans goed genoeg om pretendenten te lokken; maar...."

"Welnu, wat aarzelt gij! Geef mij den genadeslag. Is 't eene coquette?"

Verheyst haalde de schouders op. "Daarover heb ik niet hooren klagen;

het zou ten minste eene coquetterie moeten zijn van een vreemde soort."

"Martel mij niet; zeg in eens uit wat kwaad gij van haar weet."

"Niets eigenlijk wat men kwaad kan noemen; althans in uwe oogen zal

het geen misdaad schijnen. Ik weet alleen, dat een mijner bekenden,

een vriend van mijn jongsten broer, die smoorlijk op haar verliefd is

geweest en bot af een blauwtje heeft geloopen, mij eene voorstelling

heeft gegeven van haar, die .... enfin, niet heel aanmoedigend is

voor u. Zij moet eene brutale heks zijn, die niet wil trouwen, omdat

zij geen heer of meester over zich wil erkennen. Ze heeft dien armen

Karel Felters, den goedhartigsten sukkel die er op twee beenen loopen

kan, zoo gerudoyeerd dat hij van schrik het hazenpad heeft gekozen, en

_nota bene_ naar Afrika is vertrokken, om zeker te zijn, dat hij haar

nooit weer zou ontmoeten; overigens niet slechts in alle opzichten

een goede jongen, maar in vollen zin dat, wat men eene goede partij

noemt. Ik zeg 't niet om u af te schrikken, maar...."

"Wel, dat schrikt mij in 't geheel niet af," sprak Leopold rustig. "Dat

zij geen sukkel wil hebben, die voor een vrouw wegloopt, bewijst voor

haar karakter; ik vind het piquant dat zij geene flauwe onbeduidendheid

is."

"Ja! piquant moet ze zijn in de hoogste mate."

"Zooveel te beter. Een weerloos slachtoffer vellen trekt mij in

't geheel niet aan."

"Ik ben blij dat gij er zoo over denkt. Ik voor mij zou geen lust

hebben in zulken kamp; maar gij, die zedelijk verplicht zijt den

aanval te wagen...."

"Al ware die verplichting er niet, ik zou er mij nu toch toe opgewekt

gevoelen."

"Om een helleveeg te trouwen?" vroeg Verheyst, zelf gerustgesteld door

de luchtigheid, waarmee Leopold zijne slechte berichten opnam. "Een

prettig baantje voorwaar!"

"Het doet er niet toe; dat is juist een kolfje naar mijne hand. Ik

zal er Shakespeare's _Taming of the shrew_ nog eens op nalezen."

"_As you like it!_ maar bedenk dat zijne middelen geantiqueerd zijn."

"Ik ben geen _gentleman_ uit den ruwen tijd van _old merry England_;

ik ben een edelman van de 19de eeuw..."

"Dat bewijst niet veel. Of vindt gij dat onze moderne jongelui zoozeer

uitblinken in wellevendheid en galanterie?"

"Nu, om je gerust te stellen, die ridderlijkheid van de _preux

chevaliers_ die ik onder mijne voorvaderen tel, is .... meer

dan wellicht voor deze occasie noodig zal zijn, in mijn bloed

overgegaan. Mijn moeder placht te zeggen, dat ik geleek op dien

ridder van Zonshoven, ook een Leopold, die, om de eer zijner dame op

te houden, zich de linkerhand heeft laten afkappen. Zie, deze hier

is het; de legende is te lang om nu te vertellen, maar de verminkte

arm wijst het uit, dat er iets waars aan is en dat het portret moet

gemaakt zijn nà de catastrophe;" en Leopold wees met de hand en blik

naar eene der oudste beeltenissen, in zwart ebbenhouten lijst. Verheyst

zag beurtelings naar de oude in harnas gehulde gestalte, en naar het

jeugdige frissche gelaat van Leopold, en sprak eindelijk, met een

glimlach het hoofd schuddend:

"Uwe goede moeder heeft haar eenigen zoon dan toch niet geflatteerd;

't is waar, er is eenige gelijkenis in dat hooge voorhoofd met het uwe,

en uit dit donker blauwe oog spreekt stoutheid en zachtheid tevens,

zelfs zou men in den vorm van 't gelaat, en in de wat laatdunkend

vooruitstekende onderlip, desnoods den familietrek kunnen ontdekken,

maar toch, de meester schilder, die deze beeltenis vermoedelijk in

't begin van de vijftiende eeuw heeft geconterfeit, is zeker geen

groot man in zijn vak geweest; 't is alles zoo hard en stijf, die

ridder poseert zoo brutaal met zijn verminkt lid, dat ik mij wel

verklaren kan waarom gij het juist in dien hoek hebt gehangen."

"Toch het meest omdat het vuil en hier en daar gebarsten is," sprak

Leopold; "maar als ik het eens laat opknappen, en het werk tot zijn

recht komt, zal het zich zeker gunstiger voordoen, en wie weet, aan

welk groot schilder het dan niet zal worden toegeschreven; de naam

staat er wel niet op, en het jaartal evenmin, maar toch...."

"Wie weet of 't nog niet uitkomt, dat het een Memling is", spotte

Verheyst, er nog dichter vóór tredende.

"En Mijnheer de ridder draagt het kruis der Tempeliers" ging hij voort;

"zoo heeft hij zijn schoone dan niet eens gewonnen door zijn offer."

"Neen! zijn roman had een treurigen afloop."

"Ik wensch dan van harte dat de gelijkenis van het leven niet sterker

moge doorgaan, dan die ik waarneem in de physionomie. Want zonder

je te vleien, de jonker van de 19de eeuw bevalt mij vrij wat beter

dan die van de 15de. Al hebt gij niet de forsche gestalte van dien

_pourfendeur_, gij zijt toch slank en rap genoeg, en in uwe fijne

blanke hand zit kracht genoeg, al zou die zwarte gantelet haar

al zeer slecht _ganteeren_, en dan die akelige strakke trekken,

die ijzige glimlach; terwijl bij u alles leven en bewegelijkheid

is. Neen! neen! de uitdrukking van die tronie bevalt mij volstrekt

niet, al stellen wij nog zooveel van dat kille en fletsche op rekening

van den conterfeiter, en voorwaar, die man met zijn hoog opgetrokken

wenkbrauwen ziet op ons neer met zoo'n trotschen, laatdunkenden blik,

of hij zich boos maakt dat wij niet aan zijne voeten vallen, _la face

contre terre_. Foei! ik word er krekelig om, en wel het meest op uwe

moeder, die zeker uit adeltrots, juist den vinnigsten en fiersten van

al deze hooge en machtige heeren uitkipte, om er u mee te vergelijken."

Leopold lachte luid en onbedwongen.

"Wat sta je door te slaan, Willem; en om je te beschamen, moet ik je

zeggen, dat mijne moeder, die wel stille huiselijke deugden, maar

geen greintje geboortetrots heeft bezeten, juist in de uitdrukking

van de oogen, in den fellen hooghartigen blik, de gelijkenis meende

te hebben gevonden."

"_Il ne s'agit que de bien voir la chose_, maar als gij mij zóó

stondt aan te kijken, zou ik je vierkant den rug toedraaien, om je

nooit weer op te zoeken."

"Ik ben u de toelichting schuldig," hervatte Leopold, goelijk

lachend. "Moeder maakte mij wijs, dat ik op den ridder geleek

als ik mijn booze, weerbarstige buien had en de--onbeschaamdheid

pleegde.... (lieve, arme moeder, wat hebt gij mij veel te vergeven

gehad, hoe kondet gij mij liefhebben)," viel Leopold zich zelf met

weemoed in de rede, "haar zoo fier en uittartend aan te zien; dan was

't altijd: 'foei Leo! de oogen van den Tempelier,' en ik werd bij

de hand voor 't portret gebracht te mijner beschaming, en dan, ja,

ik belijde het, dan was er waarheid in de gelijkenis."

"O ho! is 't er zóó mee gelegen, dan kunt gij 't mij toch niet kwalijk

nemen, dat ik niet gecharmeerd was van uw hoog-adellijk evenbeeld!"

"Te minder daar ik, om billijk te zijn jegens mij zelven, u mag

verzekeren, dat er na mijne vlegeljaren geene aanleiding meer heeft

bestaan tot zulke boetpredikatie _en action_; het lot heeft mij zoowel

ootmoed als ernst geleerd. En ik betreur dat niet: ijdele hoogmoed

brengt ons zeker ten val, en het is ijdelheid, als men, zelf arm aan

verdiensten, op de voorvaderlijke grootheid stoft; nog ééns, zoo ik

mij wel herinner, heeft het symptoom der booze gelijkenis zich weer

voorgedaan, en wel bij gelegenheid van eene woordenwisseling, die ik

had met mijn oom den minister. Maar ik was toen in mijn recht, want hij

beschimpte mijn vader nog in zijn graf, omdat deze eene arme freule had

getrouwd, die hem niets had aangebracht dan familiebezwaren, terwijl

hij, naar zijn voorbeeld, zijn jonkheerstitel had moeten gebruiken

als het lokaas voor eene schatrijke burgerlijke bruid. Toen voelde

ik het bloed van den Tempelier nog weer eens in mijne aderen bruisen,

en de gloed der verontwaardiging moet uit mijne oogen gelicht hebben,

zooals die daar ginds schitteren, want Zijne Excellentie was kennelijk

niet zeer op zijn gemak; hij verbleekte en tastte naar zijn schel,

of hij hulp wilde roepen en vreesde dat ik andere wapens zou gebruiken

tegen hem dan die van mijn blik; toch bedacht hij zich, toen hij mij

zag glimlachen over zijne onrust, en van toon veranderend, bracht

hij mij met eene hoffelijke wending van 't gevaarlijke chapitre af,

mompelde eenige onbestemde betuigingen van belangstelling enz. enz. en

geleidde mij al pratende tot in zijn antichambre, waar wij reeds

niet meer alleen waren. Maar ik wist, dat ik voor goed aan zijn

kamerdienaar geconsigneerd was, en mij de moeite om bij hem aan te

schellen voortaan kon sparen. En nu genoeg riddergeschiedenis voor

heden; vertel mij nog liever wat van mijne aanstaande vrouw...."

"Ik wensch voor u en voor haar dat zij uw ridderlijk bloed niet

in al te groote beweging zal brengen, en daarom moet ik u vooruit

waarschuwen, dat zij ruw is en.... slechte manieren heeft."

"Tantes brief deed mij reeds onderstellen, dat het haar aan eene goede

opvoeding heeft ontbroken. Maar dat is immers hare schuld niet. Het

arme kind! Welnu, ik zal daarin dan wat te verhelpen hebben, en ik

zal tegelijk de echtgenoot en de gouverneur mijner vrouw moeten zijn;

mogelijk, wie weet het, nog wel voor muziek- en dansmeester moeten

spelen!"

"Niet voor schermmeester althans, want zij kan handig genoeg met den

degen omgaan, altijd volgens de getuigenis van Karel!"

"Drommels!" riep Leopold lachend, "dat's om bang van te worden...."

"Karel _is_ werkelijk bang geworden, en, om u 't al te zeggen: zij

was destijds nog maar een aankomend meisje, en toch werd haar in

de kleine garnizoensplaats, waar zij woonde, algemeen de niet zeer

vleiende bijnaam gegeven van: _Majoor Frans_."

"Dat klinkt niet aantrekkelijk! daar hebt ge gelijk in, maar

toch.... ik zal zien dien majoor onder mijn vaandel te enroleeren,

en ben ik eens zoo ver, dan zal hij in die kwaliteit zijn ontslag

moeten nemen om in 't civiele over te gaan."

"'t Is goed dat gij het zoo luchtig opneemt, want in trouwe, er zit

voor u niets op dan het te beproeven...."

"_Faire contre fortune bon coeur_, is altijd mijne leus geweest

en--mijn lot," hernam Leopold met eene mengeling van zwaarmoedigheid

en scherts.

"Maar, mijnheer! doe dan asjeblieft open, ik heb al driemaal geklopt

met het theewater."

't Was de snibbige stem van Kaatje de dienstmeid, wier bescheiden

tikken onder het levendige gesprek niet was gehoord geworden.

Leopold deed open en Kaatje zette het theeblad klaar met "z'n

toebehooren," maar Verheyst trok een gezicht dat comische wanhoop

uitdrukte bij die aanstalten, en toen het meisje was afgetrokken, sprak

hij: "Zet maar geen thee voor mij, want om de waarheid te zeggen,

ik ben veel te flauw om uw lauw water te drinken; ik heb maar zoo

wat geluncht met een stuk brood en vleesch; mijn diner is bij de

reis ingeschoten."

"Ondankbare egoïst die ik ben, u zóó aan den praat te houden en daar

niet op te denken; wacht, ik geloof dat mijn kok vandaag ook wat

slapjes was met zijn soep. Ik zal mij eens een extraatje permitteeren;

't is half acht, de tafels in de hotels zijn afgeloopen; maar wij

gaan een apart dineetje nemen bij Pijl."

"Waarom niet in de Witte? Daar moet het nogal goed zijn, en mogelijk

ontmoet ik daar nog dezen of genen, dien ik spreken moet, ware 't maar

alleen om afspraak te maken tegen morgen: dat zou mij tijd uitwinnen."

"Zoo gij daar wezen wilt, mij goed, dan zal ik iemand opzoeken om

u te introduceeren; maar laten wij dan eerst elders gaan eten, want

dààr kan ik uw gastheer niet zijn. Ik ben geen lid meer."

"Dat's kras, Leo!"

"Wat zal ik je zeggen. Toen mijn vader stierf, en mijne moeder,

schoon ze van een schraal pensioentje moest leven, niet besluiten

kon den Haag te verlaten, begreep ik voor mij dat ik het snoeimes

flink ter hand moest nemen, om al wat naar luxe geleek, ferm uit

te snijden. De contributie moest op mijn budget geschrapt worden,

en hoewel ik vrienden genoeg had die mij begrijpen lieten, dat ik

daarover niet denken moest, wees ik die aanbiedingen ruiterlijk

af. Geen valsche schaamte weerhield mij om te zeggen waar het op

stond, dat de kleine geldzaak hier niet eens het grootste bezwaar

was, maar dat men het Haagsche leven niet ten halve kon meedoen;

dat ik er den lust zoowel als de gelegenheid voor verloren had,

dat ik voortaan dacht thuis te blijven en mij niet in den omgang

met vroegere vrienden tot soupeetjes en avondpartijtjes wou laten

verlokken. Daarbij onder ons gezegd, onder drinkers en spelers heb

ik mij nooit recht thuis gevoeld, zelfs niet dien korten tijd, dat

ik student mocht zijn, en ik berekende, dat als men mij nergens meer

zag, invitaties voor diners en partijen vanzelven zouden ophouden,

die tot allerlei extraatjes leiden van fijne handschoenen, verlakte

bottines, en in de verplichting brengen om er een éléganten rok op

na te houden; mijne abdicatie, zooals men dat noemde, werd begrepen,

mogelijk hier en daar bepraat en afgekeurd; maar ik had er spoedig

geen last meer van. Jongen! men wordt zoo makkelijk vergeten, als

men vergeten _wil_ zijn! Toch moet ik ter eere van mijne Haagsche

kennissen zeggen, dat ik bij toevallige ontmoetingen nooit anders dan

achting en welwillendheid heb gevonden. Ze hebben het mij heusch niet

kwalijk genomen dat ik kluizenaar ben geworden, en het niet eens een

onvergefelijke dwaasheid geacht, dat ik, arm zijnde, niet om den bluf,

den schijn heb willen bewaren en toch meedoen, ware het ten koste

van anderen, om 't geen sommigen noemen: hunne eer op te houden! En

nú, laten we gaan zien dat we wat te eten krijgen." Al sprekende had

Leopold zijn overjas aangetrokken, zijn hoed en handschoenen genomen,

en beiden stormden nu met gezwinden pas de trap af.

Jonker Leopold van Zonshoven aan Mr. Willem Verheyst.

Al had ik niet beloofd u een getrouw verslag te doen, beste Willem! van

mijn wedervaren en bevindingen op mijn avontuurlijken tocht ter

verovering eener bruid, toch zou ik er behoefte aan hebben, dat alles

mede te deelen aan iemand, die luisteren wilde zonder repliek. En

daar ik er vooralsnog geen sterveling, behalve den eenigen, die er

niet buiten kon blijven (de notaris), inhalen wil, is het waarlijk een

kansje voor mij, dat gij nu mogelijk al door de Roode Zee glijdt, en

ik dus alles aan 't papier kan toevertrouwen, met de zekerheid, eenmaal

door een vriend gelezen te worden, zonder dat ik mijn geheim verklap.

Ons afscheid was zoo brusk en gejaagd tusschen al die heele en halve

kennissen in, waar we bij Paulez mee dineerden en waarvan enkelen u

meenamen naar de sociëteit, dat ik niet meer in de gelegenheid was, om

u kennis te geven van mijn besluit om reeds des anderen daags met den

eersten trein naar Utrecht te vertrekken, om mijn verkenningstocht aan

te vangen. Uwe mededeelingen hadden mijne nieuwsgierigheid geprikkeld,

meer nog dan mijne hebzucht het was door het blinkend millioen,

en ik kon mijn ongeduld niet bedwingen tot uwe terugkomst van die

particuliere audiëntie die u op zulk eene geheimzinnige wijze, op zulk

een ongewoon vroeg uur, was toegezegd. Ik hoopte altijd, dat ik u vóór

uw definitief vertrek nog eens zou kunnen zien, om u vaarwel te zeggen;

maar gij waart altijd _par voies et par chemins_ in de laatste dagen

en ik .... neen, ik was niet op reis, maar zoo wat in een betooverd

slot geraakt, waar ik wel niet door draken en reuzen, maar door mijn

eigen wil en zucht tot volharding werd vastgehouden. Mogelijk nog

wel door iets anders .... maar daar ben ik nog niet zoo zeker van.

Om nog even op uwe zaken te komen. Gij zult nu zeker beter weten,

dan ik het vatten kan, hoe uw patroon staat met zijne zenders, en hoe

dezen het op hunne beurt zullen maken met hunne dwarskijkers. Als ik

aan dat alles denk, komt de wensch bij mij op, dat gij liever aan

mijn voorstel haddet gehoor gegeven, om mijn wel en wee te deelen,

dan u mee te laten vangen in dat striknet der intrigue, waaruit geen

van de partijen, die er in betrokken zijn ongeschonden te voorschijn

kan komen. Maar gij zult mij antwoorden, dat gij volkomen onkundig

waart van deze valsche verhouding, toen gij uw woord gaaft, en dat het

overige uwe zaak niet is, en daarin hebt gij gelijk. Uw patroon kan de

stormen aan deze zijde van den Oceaan onbekommerd zien opsteken; zijn

hoofd zullen ze toch niet treffen: zijne positie is voor het bepaalde

getal jaren verzekerd, en--de uwe evenzeer. Gij hebt intusschen van

de gelegenheid geprofiteerd, om Indië te leeren kennen, en kunt met

die kennis veel goeds doen en veel kwaads voorkomen, als men naar u

zal willen luisteren, _voilà la question_. Iemand die dat zeker zou

gedaan hebben, en die hoog noodig zou gehad hebben dat gij hem uwe

voorlichting bleeft geven, is schrijver dezes, die waarlijk onder

zeer bezwaarlijke en gecompliceerde omstandigheden tot handelen zal

worden gedwongen. Naar mijn eigen gevoelen is de zaak mijner fortuin

nogal vlottende. Wel is door de waardige erflaatster alles gedaan, wat

noodig was, om die voor goed te verzekeren; maar er zijn oogenblikken,

waarin mij de onweerstandelijke lust overvalt, om mij van alles af te

maken, liever dan het instrument te zijn, om de wraakzucht _d'outre

tombe_ van Jonkvrouw Roselaer tot de Werve te dienen: een grijsaard

uit zijn erfgoed te verdrijven en eene arme zwerfster te maken van

eene weeze, die door hare afkomst een recht heeft op de nalatenschap

harer oudtante, al blijkt de wetgeving zulke rechten lager te stellen

dan de luim eener knorrige, oude vrouw, die de behendigheid heeft

gehad een onaantastbaar testament te maken.

Gij ziet, Willem! dat ik nog in 't geheel niet verzoend ben met de

beschikkingen van tante Roselaer, maar 't is ook ergerlijk voor iemand,

die een ingeboren gevoel van billijkheid heeft en een hart, dat--ja,

ik mag het hier zeggen,--dat op de rechte plaats zit, om de _exécuteur

des hautes oeuvres_ te zijn eener ingeroeste familieveete. En toch,

zoo vaak ik de opwelling in mijne chevalereske gevoeligheid--die gij

mogelijk romaneske zwakheid zoudt noemen--heb bekampt met de nuchtere,

klare beschouwing der feiten, komt het mij voor, dat ik mij niet

onttrekken _mag_ aan dien plicht, en dat de nood mij is opgelegd,

het aangewezene te volbrengen, liever dan lafhartig de handen te

laten zakken en alles over te laten aan den notaris-executeur, een

uiterst braaf man, ik wil 't gaarne gelooven, maar zoo punctueel op

de letter van de wet, dat hij geenerlei menagementen zou gebruiken,

noch van verzachtende maatregelen, noch van uitstel van executie

zou willen hooren; en dat alles staat ten minste nog in mijne macht,

als ik het lastig baantje niet moedwillig laat varen.

Een enkel geval kan zich voordoen, waarbij mij het koninklijk

prerogatief is toegekend, om gratie te geven, namelijk: als het

huwelijk doorgaat; maar ik begin te vreezen, dat er hinderpalen

bestaan, die iemand van mijn karakter met den besten wil der

wereld niet kan overstappen; dan--ik wil geregeld vertellen en niet

beginnen met hetgeen wellicht het einde zal moeten zijn. Ik ga u

mijne indrukken en ontmoetingen mededeelen--dag voor dag--zooals zij

mij zelf toegekomen zijn, te beginnen met mijn bezoek bij den notaris

van Beek op den 28sten Maart. De waardige fonctionaris is een klein

mager persoontje, met een naturel op, en een paar kleine levendige

oogen, die met zijn fijnen, langen neus en de dunne lippen van den

toegeknepen mond het perfect model levert van een slim, capabel, maar

onverbiddelijk wetgeleerde. Hij ontving mij eerst in zijn kantoor,

in zijn klassieken armstoel gezeten, met zijn grijs huisjasje

en statelijke witte das, die zijn dunne hals met onverbiddelijke

wreedheid omwrong. Ik had hem wel lucht willen bezorgen, zóó greep

het aanschouwen van die beklemming mij aan, maar hij zelf voelde

zich daardoor blijkbaar niet in de engte--het scheen hem alleen een

steun zijner wichtigheid. Opstaande groette hij mij met eene deftige

buiging, en eerst toen ik mijn naam had genoemd en mijn besluit had

te kennen gegeven, om, indien eenigszins mogelijk, de intentiën der

erflaatster te vervullen, zweefde een fijn glimlachje om zijn mond,

of hij zeggen wilde: "Gij zijt er dan toch toe gekomen, al valt gij

wat aarzelachtig." Na eene korte woordenwisseling over het eenigszins

plotseling afsterven zijner cliënte, en haar uitdrukkelijk verlangen om

in alle stilte en zonder samenroeping harer familieleden ter ruste te

worden besteld, vertelde hij mij, dat hij sinds dertig jaren met het

vertrouwen van Jonkvrouw Roselaer tot de Werve was vereerd geweest,

en met het beheer harer zaken was belast, en dus ten volle in staat

was mij alle verlangde inlichtingen te geven omtrent hare verhouding

tot den generaal von Zwenken, en hare intentiën met deze en zijne

kleindochter. Ik spare u en mij zelven de optelling van de jammerlijke

reeks tracasseriën en reciprociteiten, waarmee, al vóór de geboorte

van Francis, de generaal en tante Sophie elkaar hebben vervolgd en

elkanders leven hebben verbitterd. Dat zij dien man niet met het

bezit harer fortuin wil begunstigen, kan ik mij best begrijpen, en

ik moet het zelfs goedkeuren met het oog op Francis, die het eerste

slachtoffer zou zijn van die onvoorzichtigheid. Uit alles blijkt, dat

hij een verkwister moet zijn, of ten minste een zóó slecht financier,

dat de staat zijner zaken, dien de notaris op zijn duimpje kent--beter

wellicht dan de man zelf--, te vergelijken is bij een zinkput,

waarin men schatten bij schatten zou kunnen wegwerpen, zonder die te

dempen. Maar tusschen het onthouden van zijne nalatenschap van een

verwant, wien men gelooft niets schuldig te zijn, of het smeden van een

onverbiddelijk wraakzwaard, dat men nog uit het graf boven zijn hoofd

weet op te heffen, ligt toch eene wijde klove, en dit getuigt van een

onchristelijken geest, van eene woeste haatdragendheid als men onder

wilden en heidenen nauwelijks zou vinden, maar die men allerminst had

kunnen verwachten van een statige dame in een stijf kostelijk zwart

zijden japon, met zilvergrijze haren onder een zwart kanten mutsje,

en een snoer zuivere paarlen om den hals zooals zij zich vertoont op

haar portret, nog in het laatste jaar van haar leven geschilderd, en

dat zij aan haar notaris gelegateerd heeft, omdat zij zich in 't hoofd

had gezet, dat niemand harer bloedverwanten het met welwillendheid

zoude aanzien. En ik geloof, dat zij zich in dezen niet bedroog; want

ik zelf, haar hoog begunstigde erfgenaam, moet ronduit verklaren,

dat er nog veel zal moeten gebeuren, veel zal dienen opgehelderd te

worden, wat mijne indrukken van dit oogenblik wijzigt, eer ik met

een opgeruimden en dankbaren blik die toegeknepen lippen, die kleine,

felle oogen en die scherpe gelaatstrekken zal kunnen aanstaren, sinds

ik weet, welk een Shylocks geest deze fijne magere vrouwenfiguur heeft

bezield. De notaris getuigde van haar, dat zij "goed arms was;" maar

wat singulier van leef- en denkwijze. Als een wettisch, orthodox man,

die hij zelf is, schreef hij dat toe aan de bijzonderheid, dat zij

nog altijd veel op had met de denkbeelden en gevoelens der achttiende

eeuw, dat zij eene groote vereerster was van Rousseau--ja, zelfs dat

zij eene statuette van Voltaire in hare kamer had en zich had laten

afbeelden met een deeltje van diens brieven in de hand, al wist zij,

dat de toekomende bezitter juist niet bijzonder gesticht zou zijn door

dit détail, Maar zij hield er van, mij een weinigje te plagen, voegde

hij er met een sluw glimlachje bij, en ik liet haar begaan; zij had

overigens zooveel goeds.--"Zij had vele goederen althans," vulde ik

in gedachte aan, terwijl ik luisterde, "het beheer waarvan, waardige

_homme d'affaires_, u jaarlijks een mooi rond sommetje opbrengt,

't geen u noodwendig tot grootmoedigen accomodatie-zin stemt."

"Ja, ja, jonker!" ging de man voort, "sinds gij mij de waarheid vraagt

omtrent het leven en bestaan der overledene, moet ik u zeggen, dat

ze uiterst zelden ter kerk ging, en dan nog wel bij de Franschen,

schoon zij niet tot die gemeente behoorde; dat ze jaarlijks groote

sommen ten beste had voor allerlei inrichtingen van weldadigheid of

industrie; dat zij deelnam aan alles wat er werd uitgedacht om het

lot van den minderen man te verlichten, maar dat zij voor kerk en

kerkelijke zaken, zelfs voor zendelingen en christelijke scholen, geen

kwartje verkoos af te staan. Ik kon het nooit van haar verkrijgen, en

als ik mij verplicht achtte, een weinig aan te dringen, met haar voor

te houden, dat het voor iemand van hare middelen eene consciëntiezaak

was om dergelijke pogingen te ondersteunen, dan voegde zij mij toe,

dat het voor haar eene consciëntiezaak was, het ras der Tartuffes niet

te helpen vermenigvuldigen. En daarmee was het dan uit. Gij begrijpt,

jonker, dat ik in mijne kwaliteit tegenover haar mij voortaan onthouden

moest. Zij gebruikte overigens hare schatten voor zich zelve niet dan

met uiterste matigheid. Zij bewoonde een klein buitentje hier dicht

bij de stad, dat ik voor haar heb moeten koopen, terwijl zij haar

prachtig huis binnen Utrecht, haar fraai buitengoed in Gelderland,

aan vreemden verhuurde. Zij hield geene andere bedienden dan een

huisknecht, eene kamenier van leeftijd en eene keukenmeid. De tuinman,

die het lapje moesgrond van de plaats had gepacht, leverde haar de

groenten en moest voor haar tuin en bloemen zorgen. Een koetsier hield

zij er niet op na. Zij had rijtuig van een stalhouder, bij de maand;

maar zij gebruikte het zelden; zij wandelde weinig en kwam weken

aaneen niet van de plaats af. Zij had geen conversatie, wees in den

regel alle bezoeken af, behalve die van dokter D., haar vriend, die

haar dagelijks moest komen zien en die geregeld tweemaal in de week

met zijne ongetrouwde zuster een partijtje bij haar kwam maken. Ik

kwam zoo vaak de zaken het eischten, en eens in de maand vroeg zij

mij met mijne vrouw en dochter te dineeren. Dokter D. en zijne zuster

waren er dan ook; maar ik herinner mij niet, dat ik ooit iemand anders

bij haar ontmoet heb dan dien schilder, dien zij op haar ouden dag

nog haar portret heeft laten maken en wien zij een mooi legaat heeft

toegekend, een jongmensch met schalksche oogen en fraaie kneveltjes,

dien ik verdenk van haar een weinig het hof gemaakt te hebben _à

force_ van aardigheden en piquante gezegden à la Voltaire; want ze

kocht teekeningen van hem, die zij nooit aanzag, en ze was altijd een

beetje meer geneigd mij te plagen met mijne religieuse gevoelens en

mijn ouderlingschap, als hij bij haar was geweest. Overigens een beste

jongen, die voor zijn moeder had te zorgen; en 't kapitaal, dat zij

nu nalaat, jonker, is groot genoeg om niet op die caprice te zien...."

"Neen, voorwaar!" viel ik in; "ik ben blij, te hooren dat er iemand

geweest is, die dat eenzaam en als in de engte gedreven leven nog

in den laatsten tijd wat heeft kunnen opvroolijken.... Maar na 't

geen gij mij daar hebt medegedeeld omtrent hare stemming tegenover

kerkelijke en christelijke instellingen, begin ik te twijfelen, of ik

wel recht heb, hare nalatenschap te aanvaarden; want schoon ik heel

goed weet dat er maar al te veel kaf onder 't koren schuilt en niet van

zins ben in den blinde en op den klank van vroomluidende woorden af,

tantes goud rond te strooien, toch zou ik niet kunnen nalaten, zekere

belangen, die mij na ter harte gaan, ook door materiëele ondersteuning

te bevorderen, zoodra ik mij daartoe in de gelegenheid zie gesteld,

hetgeen natuurlijk lijnrecht in strijd moet zijn met hare intentiën."

Dat geloof ik niet; want zij heeft heel goed geweten, wie jonker

van Zonshoven was en wat zij ook op dit punt van hem zou te wachten

hebben, en het heeft haar niet afgeschrikt, zooals gij ziet; daarbij,

behalve dat zij wat kwelziek viel, was zij vrijgevig genoeg omtrent

het gevoelen van anderen. Hare oude kamenier was streng orthodox, en

ging niet ter kerke dan bij de meest rechtzinnige dominés, en toch

was het rijtuig Zondags altijd tot hare beschikking en is zij door

hare meesteres ruim bezorgd voor haar leven. Dat getuigt toch niet van

zoo groote vijandschap als hare harde uitvallen tegen mij soms deden

onderstellen. Mogelijk heeft zij in u iemand gezien, die doen zal

wat zij heeft nagelaten en uit valsche schaamte of stijfhoofdigheid,

zelfs bij beter inzicht, zelve niet heeft willen goedmaken. Als zij

't anders gemeend had, was zij wel de vrouw geweest om te zorgen,

dat hare bedoelingen in dezen niet miskend konden worden, geloof mij

daarin, jonker!

En ik moet hem gelooven, Willem! Want uit alles blijkt, dat zij

volmaakt goed berekend heeft wat zij wilde en van mij wilde. Al zou het

je nog zoo vervelen, ik moet u de hoofdkwestie mededeelen, waarin ik

verplicht ben hare rancune te dienen. Gij moet dan weten dat het huis

de Werve, een oud kasteel op de grenzen van Gelderland en Overijsel

gelegen, met zijne uitgestrekte bosschen, heidegronden en landerijen,

dat nu door den generaal von Zwenken wordt bewoond, heeft toebehoord

aan de ouders van jonkvrouw Sophie Roselaer; dat aan 't bezit van het

kasteel (eene riddermatige hofstede, zooals de notaris zich uitdrukt)

tevens de heerlijke rechten verbonden zijn, die in ònzen tijd wel

is waar hunne beteekenis verloren hebben, maar waaraan ik zeer wel

begrijpen kan dat eene vrouw als tante Sophie nog kon hechten.

Jonker Roselaer van de Werve had geen zoon, 't geen hem zeker leed

genoeg zal gedaan hebben, maar wel drie dochters, waarvan tante

Sophie de tweede en mijn moeders moeder de jongste is geweest. De

oudste freule, Marie-Anna, werd na den dood harer ouders aangewezen

als rechtmatige erfgename van het huis de Werve met alles wat er

bij behoorde. Dit viel tante Sophie zeer uit de hand, daar zij eene

geheel andere beschikking had verwacht en goede reden had voor die

verwachting.

Hare zuster had de oude lieden veel verdriet aangedaan. Zij had in

stilte een liefdesroman aangeknoopt met een jong Zwitsersch officier,

den kapitein von Zwenken, en daar zij vreesde, nooit de toestemming

harer ouders te zullen verkrijgen voor dit huwelijk, ontvluchtte zij

heimelijk hun huis en liet zich door von Zwenken naar zijne familie

in Zwitserland voeren, waar zij getrouwd zijn. Eene verbintenis,

die volgens den man van de wet en naar het gevoelen van tante niet

als wettig kon beschouwd worden, hoewel later de zwakke ouders zich

met den opgedrongen schoonzoon verzoenden en hun verloren kind,

toen het in alles behalve gunstige positie tot hen terugkeerde,

met opene armen ontvangen hebben.

Bij dit familietafereel schijnt tante Sophie de rol te hebben

vervuld van den oudsten broeder in de gelijkenis. Zij had zich toch

al niet best met hare romaneske zuster kunnen verstaan, wilde in den

zich noemenden zwager niets zien dan een verleider, een indringer,

en bleef onverzoenlijk, terwijl zij de vergevingsgezindheid harer

ouders laakbare zwakheid achtte. Het oponthoud van de jongelui in 't

ouderlijk huis was dan ook slechts van korten duur, maar de weinige

dagen die zij er bleven waren stormachtig en strekten allermeest om de

onderlinge verdeeldheid der bewoners van de Werve te doen overslaan

op den verderen kring der uitgebreide familie, wier leden vóór en

tegen de von Zwenkens partij kozen. Als _machine de guerre_ tegen haar

zwager gebruikte tante Sophie de onregelmatigheid van zijn huwelijk,

op vreemden bodem gesloten. Wie dat niet met haar eens waren, wie den

Zwitserschen kapitein, in dienst der toenmalige Bataafsche Republiek,

voor aanverwant erkenden, konden geen goed meer bij haar doen, terwijl

die in dezen hare partij hielden, door den ouden heer Roselaer en

zijne vrouw met de uiterste koelheid werden bejegend. Kortom, het was

de geschiedenis der Montecchi en der Capulets op kleinere schaal en op

achttiende-eeuwsch Hollandsch terrein overgebracht. Men belaagde elkaar

niet met dolk of vergift, maar met het venijn der tong. Men kwelde,

men brutaliseerde elkaar zooveel men kon; het waren haarkloverijen en

_représailles sans trève ni merci_, die hier en daar tot processen

leidden, en onder de handen van procureurs en advocaten werden de

kwestiën noch klaarder, noch lichter op te lossen. Daar kwam de oude

mevrouw Roselaer te overlijden, en hare dochter Sophie meende nu,

dat er eene verandering zoude plaats hebben in het gevoelen van

haar vader omtrent zijne "schuldige" dochter, daar het bovenal de

moeder was geweest, die hem tot het verleenen van vergiffenis had

aangezet. Daarbij geraakte zij nu zelve aan het hoofd der huishouding

en gebruikte die stelling om het haar zwager en zijne vrouw zoo

onaangenaam te maken in de korte dagen van hun bezoek in het ziek-

en sterfhuis, dat zij afscheid namen van den heer Roselaer met de

betuiging, dat zij niet zouden terugkeeren. Sophie triomfeerde. Zij

dacht de scheiding, de uitbanning voltooid, maar zij vergat dat hare

zuster kinderen had en dat het haars vaders vreugd en trots was een

kleinzoon te bezitten, al uitte hij die gevoelens niet tegen haar.

Een grijsaard heeft de rust lief, en al gaf hij haar in 't heimelijk

de schuld dezer nieuwe verwijdering, hij liet het haar niet blijken,

en getroostte zich den last, zijne kinderen te gaan bezoeken in de

naburige vestingstad, waar von Zwenken in garnizoen lag. Sophie wist

niet beter of hij deed bij zulke gelegenheid zijne gewone rondreize

met zijn rentmeester om zijne verschillende bezittingen op te nemen

en zich met pachters of boschbazen te verstaan. Het bleek welhaast

dat de von Zwenkens partij hadden getrokken van deze uitstapjes om

zijne genegenheid te winnen, in dezelfde mate, waarin tante Sophie die

verloor, en dat hij, vrijwillig, of daartoe door hen overgehaald, zijn

testament veranderde; want toen hij kwam te overlijden, had hij zijne

dochter mevrouw von Zwenken en hare kinderen zooveel bevoorrecht als

dat maar eenigszins zijn kon, en haar aangewezen als de erfgename van

het kasteel de Werve met de Heerlijkheid en de aankleve van dien. De

teleurstelling, de ergernis van jonkvrouw Sophie bij deze ontdekking

laat zich begrijpen. O zeker, haar gewerd het rechtmatige deel van

het ouderlijk goed, maar juist dàt, waar het haar het meest om te

doen was, het ouderlijk huis, waar zij was geboren en opgevoed, dat

zij nooit eigenwillig had verlaten, waar zij altijd als meesteresse

had geheerscht, dat zij steeds als haar welverzekerd eigendom had

beschouwd, werd haar nu ontnomen en overgegeven in de handen van

hen, die zij het meest onwaardig, het minst geschikt keurde voor

dat bezit. Een zwager, dien zij nauwelijks tot dien naam gerechtigd

achtte, dien zij altijd had gehaat en geminacht, en die deze gevoelens

met woeker teruggaf; eene zuster, die door haar misstap de eer van

't ouderlijk huis had bevlekt, die de rust harer ouders, den vrede

in de gansche familie had verstoord, werd dus, als lag er niets

tusschen, in de rechten eener oudere erkend en boven háár gesteld,

die beter dan iemand wist, wat zij hen had doen lijden, en die zelve

het hare had gedaan om die smart te verzachten. De rustelooze haat, de

onverzoenlijke bitterheid, die daarna alle handelingen en overleggingen

van tantes leven heeft bestuurd, laat zich verklaren uit deze krenkende

terugzetting, waarin zij niet het meest des vaders hand, des vaders

wil zag, maar de list, den intriguegeest van een misdadig echtpaar.

Zelfs al had men haar eene schikking voorgesteld, waardoor zij

op het kasteel had kunnen blijven, zou zij die toch niet hebben

aangenomen, daar zij te diep gekrenkt was, om concessies van hare

tegenpartij aan te nemen; maar het werd haar niet eens voorgeslagen,

en slechts de kortstmogelijke tijdruimte werd haar gegund, om

zich op de verandering van woonplaats voor te bereiden. Dat was te

meer grievend, daar de kapitein niet, zooals zijn schoonvader had

gewenscht, den dienst verliet om op het kasteel te gaan wonen en

zijne goederen te beheeren. Gebonden nu eens aan deze, dan weer aan

gene garnizoensplaats, mogelijk bij het opsteken der oorlogsstormen

bestemd om naar den vreemde te trekken, was hij de laatste die genot

kon hebben van het erfgoed. Zijn vrouw en de beide kinderen kwamen

er van tijd tot tijd een poos vertoeven, maar de eerste stierf

een paar jaren na den dood van haar vader, de kinderen bleven bij

den vader, totdat zij den leeftijd bereikt hadden, de dochter om op

eene Zwitsersche kostschool hare opvoeding te krijgen, de zoon onder

opzicht van een gouverneur tot hij rijp was voor de hoogeschool.

Ik moet tante Sophie gelijk geven in hare bewering, dat von Zwenken

volstrekt niet _the right man on the right place_ was. Hij utiliseerde

zijne bezitting niet, liet het kasteel in handen van een vreemden

huisbewaarder, verwisselde den ouden bekwamen rentmeester met een

ander, die even onkundig als ongetrouw was in zijn beheer, kwam

niet naar de Werve omzien dan in den jachttijd met een troep drukke

vrienden en jachtliefhebbers, en lette er niet op dat het landgoed

meer en meer in verwaarloosden staat geraakte. Wie er wèl op lette

was tante Sophie. Schoon zij zelve naar eene andere provincie had

moeten verhuizen, waar het haar toegewezen deel der vaderlijke

goederen was gelegen, had zij haar hart noch haar aandacht kunnen

aftrekken van het ouderlijk huis. De voormalige rentmeester, zelf

niet weinig verbitterd tegen den nieuwen eigenaar, trad in haar

dienst als haar zaakwaarnemer en spion. Te dien einde bleef hij in

de nabuurschap wonen, en sloeg met valkenblik de _faits et gestes_

van zijn plaatsvervanger gade, terwijl hij tevens zooveel mogelijk

acht nam op die van diens heer en meester. Majoor von Zwenken, want

hij was inmiddels tot dien rang geklommen, scheen druk te leven en

veel geld noodig te hebben, hetzij voor zich zelf, of wel voor zijn

zoon, een heertje dat lang en woest studeerde. Het rechte daarvan

schijnt de notaris van Beek zelf niet te weten, want gij begrijpt dat

het door hem is dat ik achter al deze bijzonderheden ben gekomen;

zeker alleen is het, dat hij niet genoeg had aan zijne inkomsten

en hypotheek nam op een deel zijner uitgestrekte goederen, dat hij

bij het huwelijk zijner dochter met een Engelsch officier, Sir John

Mordaunt, een deel zijner landerijen en bosschen te gelde maakte, om

haar het moederlijk vermogen te kunnen meegeven, en dat hij het overige

gedeelte van jaar tot jaar meer bezwaarde, zoodat hij ten laatste,

alleen om in dien drukkenden rentelast te voorzien, genoodzaakt was

weer een deel van het goed te verkoopen. Zoo ging het voort, en toen

hij ten laatste als kolonel, gepensionneerd met den rang van generaal,

(ongelukkig voor hem zonder bezwaar voor de schatkist!), zich voor

goed op het kasteel de Werve ging vestigen was het zoover gekomen,

dat hij van die gansche uitgestrekte bezitting niets meer als vrijen

eigendom overhield dan het huis alleen met den tuin, en de wandelingen

die er bij hoorden!

Tante Sophie, die eene handige en scherpzinnige vrouw is geweest,

dát moet men haar nageven, had inmiddels het geheim gevonden haar

fortuin te verdubbelen, terwijl zij daarenboven de eenige erfgename

was geworden eener schatrijke nicht, die zich hare grieven had

aangetrokken. Tante Sophie had, zooals ik reeds zeide, den gehaten

schoonbroeder niet vergeten. De haat heeft een scherp geheugen en

even scherpen blik. Zij wist wie zij in de nabuurschap der Werve

had gelaten om de wacht te houden over alles wat er geschiedde. De

verjaagde rentmeester, die hare bedoelingen had geraden, had met

de waakzaamheid eener vlammende wraakzucht von Zwenken's nadeelige

financiëele operatiën gadegeslagen, en er haar steeds nauwkeurig

kennis van gegeven.

Op die aanwijzingen afgaande, had zij door tusschenpersonen

langzamerhand zich meesteresse gemaakt van alles wat hij verkocht. Een

procureur in de naast bij de Werve gelegen stad, die hem zonder

aarzeling de groote sommen geld opschoot, waarmee hij zijn goed

bezwaarde, maar die onverbiddelijk was waar het rentebetaling gold,

was haar executeur, deed niets zonder hare orders, en hield haar zoo

goed op de hoogte, dat zij met zekerheid dag en uur wist te berekenen,

waarop von Zwenken in geldverlegenheid moest verkeeren.

Eens toen zij het gunstig oogenblik daartoe gekomen achtte, zond zij

van Beek op hem af als bemiddelaar, niet juist van den vrede, want

tot verzoening neigde zij niet, maar toch met een zeer aannemelijk

voorstel. Hij zou haar het huis met de Heerlijkheid, die niets meer dan

een ledige titel was, verkoopen, voor eene hoogst aanzienlijke som,

die niemand er voor geven zou dan zij, reeds in 't geheim eigenares

van al de omliggende gronden; maar de generaal was te fier en te veel

verbitterd op zijne schoonzuster, om in dat voorstel te treden. Hij

liet antwoorden dat hij tot geen prijs de Heerlijkheid zou afstaan,

en wat het huis aanging: dat hij zijne overledene vrouw had beloofd

er hare zuster buiten te houden, en dat hij liever het dak boven

zijn eigen hoofd zou zien instorten dan er haar recht van intrede te

geven. Had hij toen kunnen weten, wat hem nog onbekend is gebleven,

welke maatregelen zij reeds had genomen om zijn lot in hare macht

te houden, waarschijnlijk zou hij zich tweemaal hebben bedacht eer

hij haar voorslag zoo botaf had geweigerd. Maar de generaal schijnt

wat brusk uitgevallen en scheen zich overtuigd te houden, dat er wel

nooit kwestie kon zijn van zoo diepen val.

Hij moet echter sinds zijne retraite op de Werve zijne leefwijze

zoozeer vereenvoudigd hebben, dat zijn pensioen toereikend bleek voor

zijne behoeften, terwijl de hooge interesten die hij moest betalen

van dat deel zijner bezittingen, dat nog zijn eigendom heette, bij

een beter beheer en minder verwaarloozing betaald konden worden uit

hetgeen zij opbrachten. Maar weldra werd hij opnieuw in de verplichting

gebracht, ook zijn huis te bezwaren tot tweemaal toe; men heeft niet

kunnen ontdekken uit welke oorzaak, maar zeker is het dat de persoon,

die de bewijzen van deze voor hem onbetaalbare schuld in handen houdt,

hem dwingen kan zijn kasteel met de rechten der Heerlijkheid en ál

te verkoopen of eene rechterlijke vervolging tegen hem in te stellen,

die tot dezelfde resultaten zou leiden, nog verergerd door een publiek

schandaal, en daar de Werve, naar men zegt, reeds zoo in verval is

geraakt, dat zij allermeest tot afbraak geschikt is, en alleen hoogere

waarde kan hebben voor den persoon, die tegelijk eigenaar is van het

omliggende goed, spreekt het wel vanzelf, dat de verkoop minder zou

opbrengen dan de zware schuldenlast bedraagt die er op drukt. Daarmee

is de ongelukkige grijsaard niet slechts tot een zwerver gemaakt, maar

ook tot den bedelstaf gebracht; want een onbarmhartig schuldeischer

zou beslag kunnen leggen op zeker deel van zijn pensioen.

Ik behoef u niet te zeggen, dat het tante Sophie is, die alle deze

bewijzen in handen heeft weten te krijgen, dat tante Sophie in het

kritiek oogenblik, dat zij zelve in hare macht had te bepalen, als

eenige schuldeischeresse en bezitster van alle verkochte goederen

kon optreden. Waarom zij, na zoo behendig met zulk eene jarenlange

volharding hare maatregelen te hebben genomen, niet reeds bij haar

leven dit vonnis over haar vijand heeft voltrokken, om hare wraaklust

die afschuwelijke voldoening te geven, dat is mij onbegrijpelijk. Zij

had alles daartoe voorbereid en berekend, en toch heeft zij uitgesteld,

tot ná haar dood. Mij dacht, haar triomf over hem zou het geweest

zijn, voor zijne oogen in zijn onteigend kasteel te trekken, en van

Beek zeide mij dat zij werkelijk dit plan moest gekoesterd hebben;

maar er is iets tusschen gekomen, iets wat hem zelf onverklaarbaar

is en waarover zij zich nooit heeft uitgelaten; zeker is het dat

zij drie maanden vóór haar dood, op het tijdstip zelf dat van Beek

hare orders wachtte tot den aanval, hem roepen liet, zich door hem

een zijner collega's deed aanwijzen, om haar testament te veranderen,

en de U bekende schikkingen te maken, waarbij van Beek als _executeur_

werd aangewezen en waarvan ik het slachtoffer ben, zou ik haast zeggen

als het niet zoo paradoxaal klonk.

"De groote plaats in Gelderland, de Runenburg, is met ultimo October

vrij en te uwer dispositie, jonker," viel van Beek in, den loop mijner

gedachten storende; "maar wat het huis in de stad betreft, dat slechts

tot Mei toe is verhuurd, de bewoners houden zich zeer gerecommandeerd

te continueeren, zoo dat niet met uwe intentiën strijdt; het zijn

respectabele lieden; hoe wilde de jonker dat ik daarin handelen zal?"

Ik schrikte op, en keek hem wat verbaasd en verbijsterd aan.

Het is eene zonderlinge gewaarwording, Willem, als men nooit een

steen in eigendom heeft gehad en altijd blij was als de kamerhuur

om de drie maanden klaar lag, te moeten beslissen wat er met huizen

en buitenplaatsen zal geschieden. Ik vond dan ook maar beter geen

besluit te nemen.

"Mij dunkt, mijnheer van Beek, alles moest blijven zooals het is,

tot ik weet, of ik Francis zal kunnen huwen."

"De jonker vergeet, dat het geene absolute conditie is...."

"Niet volgens de letter van het testament, dat weet ik wel, maar toch,

voor mij...."

"Verlangt de jonker, nu hij toch te Utrecht is, het huis niet eens

te zien? 't Is een kapitaal perceel, gelegen aan 't St. Janskerkhof;

wel de moeite waard dat verzeker ik u."

"Dank je, mijnheer. Alleen, zoo 't niet te veel omhaal is, zou

ik gaarne het kleine buitentje zien, waar tante heeft geleefd en

gestorven is. Iemands omgeving leert ons zoo licht iets naders omtrent

zijn persoon...."

"'t Is geheel tot uw dienst, jonker! Alleen .... ik meen reeds het

genoegen gehad te hebben u te zeggen," hernam van Beek met eenige

verlegenheid, "dat de oude freule aan mij heeft gelegateerd, zooals

reeds in 't voorgaande testament was beschreven, met dit servituut er

bij, dat de kamenier er wonen blijft tot aan haar dood. Het is een

kostbaar legaat, ik ontken het niet, maar considereer, dat ik haar

dertig jaar met alle mogelijke zaken en niet altijd zonder groote

bezwaren heb gediend, geraden en hare belangen voorgestaan, en dat

er voor mijn executeurschap geen extra gelden zijn gestipuleerd,

terwijl mij daarentegen is aanbevolen, den erfgenaam in alles bij te

staan, voor te lichten en naar mijn beste vermogen met raad en hulp

te dienen."

"Maar mijn goede heer!" viel ik in, "wie zou tante geweest zijn,

zoo zij u niet in alle ruimte had bedacht? Het is mij volstrekt niet

te doen om u in iets te beknibbelen, 't Is voor mij zooveel als een

pelgrimaadje...."

"Die heel licht te volbrengen is, als gij mij het genoegen wilt doen

hier te eten. Na den middag rijden wij er even heen; 't is geen

half uur van de stad. De freule heeft beschreven, dat de gansche

huishouding drie maanden na haar dood zou blijven gaan op denzelfden

voet, dat hare kleederen onder hare bedienden moeten verdeeld worden,

behalve de kleinoodiën, die aan u verblijven, en dat ik alles wat

mij geschikt voorkomt van het huisraad tegen taxatie mag overnemen;

het overige moet verkocht worden. Mogelijk vindt de jonker echter

een of ander, dat hij behouden wil als souvenir."

"Wel zeker! de statuette van Voltaire," zeide ik lachende, en daarbij

bleven voor 't oogenblik de mededeelingen. Wij gingen koffiedrinken

met zijne vrouw en dochter en na den eten reden wij naar _Doornhove_.

Het interieur van tantes woning gaf mij niet veel meer licht over haar

persoon en karakter, dan ik reeds ontvangen had. De oude kamenier

verkondigde met ijskoude trekken en droge oogen haar lof in vrome

termen. De jongere keukenmeid vond stroomen tranen om den "jonker"

te begroeten, die zeker ook zoo bedroefd moest zijn. De huisknecht

keek mij aan of hij meende dat ik in zijne rechten kwam treden, en

de kamers waren gemeubeld zooals ik mij reeds had voorgesteld zoomin

antiek als modern. Daar waren nog wat meubels _style empire_, maar het

meeste was uit den goelijk karakterloozen tijd van Willem I, toen zij

zich hier inrichtte, en sinds was er niet veel bijgekomen. Op comfort

scheen ze niet bijzonder gesteld; er was maar één groote canapé in

't heele huis en een armstoel à la Voltaire, dien zij alleen 's

middags een uurtje gebruikte. Het moet eene wakkere werkzame vrouw

zijn geweest tot in hare laatste levensdagen. Zij beheerde zelf met

behulp van van Beek al hare goederen, beschikte persoonlijk over

interesten en geldbeleggingen en liet zich maandelijks rekenschap

geven van alles. "Ze zat altijd te cijferen en te schrijven, als ze

niet zat te lezen of te breien," zei de oude kamenier.

"En wat las ze?" vroeg ik.

"Meest in de ongeloovige boeken, daar uit die kleine boekenkast,

een enkele maal wel eens in den Bijbel, maar niet gezet. In een

leesgezelschap was zij niet; zij wilde niets weten van den grooten

strijd dezer dagen en geen krant zien dan de Haarlemmer."

"Die ongeloovige boeken" waren Fransche, Duitsche en Engelsche

klassieken. Ik beduidde van Beek, dat ik wel wat zwak zou hebben

op die kleine, uitgezochte boekerij, alles keurig gebonden, maar

blijkbaar niet als onnut sieraad aanwezig.

Onder de "ongeloovige boeken" had ik Fénélon, Bossuet en Pascal

opgemerkt, in minzame ruste gerangschikt nevens Voltaire en de

Encyclopedisten, terwijl Gellert, Lessing en Klopstock met Lavater

hunne ruime plaats hadden gevonden nevens Goethe en Schiller en de

tooneelspelen van Iffland en Kotzebue!

"De boeken kunnen niet geacht worden tot het huisraad te behooren,"

sprak van Beek met eene deftige buiging, "en, al ware dat zoo, het

spreekt vanzelf, dat de jonker in alles de preferentie heeft."

Ge moogt me gelooven of niet, Willem, maar ik moet u bekennen, dat

ik voor 't eerst eene onvermengde gewaarwording van blijdschap had,

toen ik opnieuw den blik richtte op dat bibliotheekje en het aanzag

met de oogen van den eigenaar. Al de ontzaggelijke geldsommen, die van

Beek mij in zijne notarieele akten had voorgesteld, al de papieren,

die vele duizenden vertegenwoordigden, hadden mij, ik zal niet zeggen

koud, maar vreemd gelaten. Ik kon er mij nog niet in zetten als mijn

eigendom, maar Shakespeare en Molière, la Fontaine en Pascal kon ik

mij denken als de mijnen, en met eene onwillekeurige beweging greep

ik een deeltje, als om er feitelijk bezit van te nemen.

Van Beek glimlachte, en knipoogde met zijne slimme kijkers. De

kamenier, die er bij stond, keek mij aan of ik heiligschennis pleegde.

"Ik zou eer gedacht hebben, dat de jonker zwak had op den Bijbel van

de freule," zei ze bij wijze van critiek.

"Het eene belet het andere niet, juffrouw Jones, althans zoo gij

zelve daaraan niet hecht."

"Och neen, jonker. Zoo'n wereldsch, nieuwerwetsch boek daar hecht ik

niemendal aan; dat acht ik Gods woord niet, en ik begreep het nooit,

hoe mijne freule daarin hare stichting heeft kunnen vinden."

"Wat hapert er aan dien Bijbel?" vroeg ik van Beek.

"Niets, volstrekt niets. 't Is een gewone Staten-Bijbel, slechts niet

met de verouderde Duitsche letter gedrukt."

Op mijn woord, tante moet in den besten zin liberaal zijn geweest, dat

zij zoo'n dienares van de letter jarenlang om zich heeft kunnen dulden!

Den volgenden dag aanvaardde ik mijne reis naar het kleine stadje

Z., van waar uit ik op de Werve zou losrukken. Doch er gaat van

avond een mail, en het pakket is zóó groot genoeg voor eene eerste

toezending. Gij zult er heel wat aan te lezen hebben. Moge U tijd en

opgewektheid daartoe niet ontbreken bij uwe aankomst!

Wees gegroet tot nader.

Uw Leopold.

April.

_Kasteel de Werve_, _April 186 _.

Zie zoo, beste Willem! ik ben doorgedrongen tot het binnenste van

de vesting, maar ik ben nog geen meester van 't garnizoen.... Verre

van daar, hoewel ik reeds slaags geweest ben met den Majoor. Maar

ik wil niet vooruitloopen; ik ga u eerst vertellen, hoe ik hier ben

aangekomen, en onder welke indrukken.

Door van Beek voorzien van de noodige indicaties van een credietbrief

voor zijn collega Overberg, procureur en notaris in het kleine stadje

Z., trad ik diens woning binnen. Gij ziet, ik word gebousculeerd van

den eenen man der wet op den anderen; maar dat kan nu eenmaal niet

anders. Overberg was in de gelegenheid om mij de beste diensten te

bewijzen bij mijn aanval op de Werve. Hij is een man van gewicht

in zijne standplaats en de hoofdagent geweest van freule Roselaer,

bij haar toeleg om zich in 't geheim meesteresse te maken van von

Zwenkens bezittingen. Hij is (voor hare rekening) de altijd gewillige

geldschieter geweest, die den generaal in zijne chronische kwaal van

geldverlegenheid bijstond. Wel bezien is het nog zoo kwaad niet, dat

zij zich zoo geheel van den toestand heeft meester gemaakt. Zonder

dat zouden die kostbare goederen op allerlei wijze verbrokkeld en

geruïneerd zijn, terwijl de ongelukkige, die ze moest afstaan of

beleenen, in woekeraarshanden zou gevallen zijn, die hem reeds veel

eer in 't verderf zouden gebracht hebben. Dit is nu niet het geval

geweest. De mandataris van tante moest strikt het billijke vorderen,

maar ook niets daar boven. Dit maakte dan ook, dat von Zwenken niet

in gebreke bleef zich in allen nood tot hem te wenden, zoodat hij zijn

volle vertrouwen bezit en zeer zeker op diens aanraden de transactie,

die hem eens door van Beek werd voorgesteld, zou hebben aangegaan (het

afstaan van zijn huis en de Heerlijkheid), zoo niet de voorslag van

zijne schoonzuster ware gekomen. Ook ried Overberg mij, zoo ik toegang

wilde verkrijgen tot het kasteel, niet als de erfgenaam van freule

Roselaer op te treden, hetgeen terstond alles voor goed zou bederven.

Als jonker van Zonshoven, door mijn moeders moeder aan den generaal

geparenteerd, zou ik vermoedelijk niet onwelkom zijn, hoewel von

Zwenken zich geheel heeft teruggetrokken uit de conversatie en noch

gasten noch bezoekers meer ontvangt.

Ik zou een voorwendsel bedenken dat mijn verblijf in het naburige

stadje wettigt, en van daar uit was de aanleiding tot eene visite

licht gevonden; het verdere zou dan van de ontvangst afhangen. Maar

ik wilde niet zoo onvoorbereid aankloppen; ik moest zooveel doenlijk

weten, wie en wat ik er vinden zou, allereerst wie eigenlijk Francis

was, waar het mij voornamelijk op aankwam. Toen ik Overberg vroeg,

of hij freule Mordaunt persoonlijk kende, haalde hij de schouders op.

"Ik heb slechts eenmaal de eer gehad haar te spreken. De generaal komt

altijd zelf bij mij, de freule komt hier nooit meer. Eens slechts had

zij in een zaak, haar persoonlijk betreffende, mijn raad noodig, en

toen is zij bij mij geweest; maar dat is lang geleden. Toen woonde de

generaal met zijne kleindochter nog in de stad en was hij commandant

van de vesting."

Daar Overberg niets van tantes beschikkingen weet, dan dat ik haar

erfgenaam zou zijn, was ik met van Beek afgesproken, hem van het

huwelijksplan niet te spreken voor er kans scheen dat het zou doorgaan,

en zoo wachtte ik een antwoord zonder menagement.

Mijne teleurstelling moet zich op mijn gelaat hebben geteekend, want de

goedhartige man hernam met zekere meewarigheid en als verontschuldigde

hij zich over zijne onkunde op dit punt:

"Weet gij, Jonker! de overste leefde destijds op een grooten voet en

er bestond toen nog zekere afscheiding tusschen den militairen kring

en den burgerlijken, die nu is weggevallen. Ik, bij mijne drukke

bezigheden en weduwnaar, hield mij buiten de conversatie. Sinds

ik hertrouwd ben doe ik zoo wat mee, en 't is hier met diners en

partijen druk genoeg--en nu wij hiervan spreken, van avond is er een

soiréetje bij mij aan huis; daar komen jonge dames, die met freule

Mordaunt hebben geconverseerd. Wees heden mijn gast; gij kunt den

tocht naar de Werve toch moeilijk in den middag ondernemen. Ik zal u

voorstellen als iemand die hier naar een buitentje in den omtrek komt

rondzien. Want gij begrijpt, in een stadje als het onze moet men de

reden kennen van uw oponthoud, of men gaat er allerlei gissingen over

maken van eigen vinding. Ik zal 't gesprek op de von Zwenkens brengen,

en gij kunt toeluisteren; dat is het beste wat ik er op weet."

Ik vond het ook zoo kwaad niet. In het logement, waar ik verblijf had

genomen (het eenige dragelijke), had men mij gezegd, was het niet

vroolijk den avond door te brengen, en eene gezellige bijeenkomst

had in eene kleine stad, nevens de eigenaardige bezwaren, toch ook

hare voordeelen, in dezen althans voor mij.

Ik nam aan, dineerde geheel _en famille_ met den heer Overberg en

zijne vrouw, gulle joviale lieden, wie men het niet zou aanzien dat

zij behooren tot het gilde:

"De petits avocats.

Qui se sont fait des sous

En rognant des ducats."

En toch was mr. Overberg een geducht man op zijn terrein. Hij was

er voor bekend, dat hij zijne schapen niet vilde, maar zachtkens

schoor. Toch raakten zij hunne vacht kwijt als ze eens in zijne handen

kwamen. Waarheid is, dat hij ze niet lokte noch valstrikken spreidde,

dat hij integendeel waarschuwde voor processen waar men zijne hulp

als procureur inriep. Hij hield niet van uitersten, niet van geweld;

hij hield van middelen en schikken, en het goelijk glimlachje waarmee

hij zijne cliënten ontving, het zachte lijntje dat hij hun steeds

aanprees, of hij vreesde dat een ruwe aanval zijne blanke, gevulde

handen niet passen zou, bewezen, dat hij de man van zijn tijd was,

de beschaafde, wel opgevoede practizijn, die zijne partij zoetjes

aan bracht waar hij haar hebben wilde, _sans avoir l'air d'y toucher_.

Tante Sophie schatte hem hoog om zijne discretie en voorzichtigheid,

maar zij heeft zich wel gewacht hem _le fin fond_ van hare bedoelingen

te laten doorzien, daar hij de man niet was voor snelle, gewelddadige

maatregelen. Tot eene ontknooping, zooals zij die in 't eerst bedoeld

heeft, zou zij zeker van Beek hebben ingeroepen, die met den _code_

in de eene en het zwaard zonder genade in de andere hand zou zijn

opgetreden om rechtuit op zijne prooi af te gaan. Overberg daarentegen,

meenende dat ik uit mij zelven en krachtens mijn recht als erfgenaam

bezit wilde nemen van de mij ten deel gevallen goederen, geloofde

mij te moeten vermanen tot geduld; temporiseeren en uitstel van

betaling geven waar het mijne vorderingen gold; niet alle hypotheken

tegelijk opzeggen, maar op verschillende en ver verwijderde termijnen,

opdat alles langzaam maar zeker en zonder opzien te verwekken als _en

famille_ kon worden afgedaan. De generaal moest er toe komen, dat was

zeker, al wat nog het zijne heette en dat hij nimmermeer kon vrijmaken,

bij wijze van minnelijke schikking over te doen. De goede naam van een

militair, van een man die in een oud patricische familie gehuwd was,

al was hij vreemdeling van afkomst, zou op die wijze gespaard blijven,

en uit lankmoedigheid kon in geen geval schade volgen, terwijl het

opeischen van alles tegelijk den man tot het uiterste zoude brengen,

hem mogelijk in vertwijfeling zijn toevlucht zou doen nemen tot een

anderen practizijn, die kwaden raad kon geven in deze wanhopige zaak;

en als men doorzette en den onbarmhartigen schuldeischer speelde,

was er kans dat men schade leed, daar 't verkoopen van onroerend

goed zeer uit de hand kon vallen en 't geheel eigenlijk sinds lang

bezwaard was boven de waarde.

De goede man wist niet, _qu'il prêchait un converti_, en dat mijn

innigste wensch was, alle mogelijke verschooning te gebruiken; alleen

de intentie der erflaatster was juist eene geheel andere: deze was het

te doen om te verpletteren, niet om opgericht te houden; op de schade

die er uit volgen kon, mocht niet worden gezien; de verdrijving van

den generaal uit al het zijne was het hoofddoel, tenzij de reddende

hand werd aangegrepen die ik mocht toesteken; maar ik beken u gulweg,

Willem, dat 't geen ik op die soirée hooren moest, mij gansch niet

gunstig stemde voor die aanbieding. Het verleden van dat jonge meisje

moet toch al heel duister en zonderling zijn, als maar iets waar is

van de praatjes die hier over haar worden gehouden. Ik weet wel, men

moet veel op rekening stellen van de kwaadsprekendheid en de bekrompen

uitleggingen eener kleine stad, maar toch .... oordeel zelf: Onder

de dames aan wie ik werd voorgesteld, was er eene, een alleraardigst

jong weeuwtje met gitzwarte oogen en levendige gelaatstrekken, die

mij werd aangeduid als een verre nicht van de Roselaers, en waarvan

het mij in 't eerst speet, dat zij niet Francis Mordaunt heette en

de uitverkoren nicht was van tante Sophie. Maar toen zij door vriend

Overberg, zooals ter loops, op het _chapitre_ der von Zwenkens werd

gebracht, was ik heel blij, dat ik mij volkomen vreemd aan haar mocht

houden. Ik kreeg zelfs eene opwelling van haat en bitterheid tegen

haar, zoo onbarmhartig als zij op de arme Francis lostrok.

"Ja, zij waren goede kennissen geweest in den tijd toen haar grootvader

de commandant was van 't garnizoen, en zij had het huis van den

overste gefrequenteerd, maar vriendschap, neen, vriendschap had er

nooit bestaan tusschen haar en dat jonge meisje: daarvoor was zij al te

bizar en te ongemanierd. Verbeeld u, jonker! ze kwam eens op een avond

bij ons op een jongelui's partijtje, waar men wist dat muziek gemaakt

en gedanst zou worden, invallen zoo cavalièrement als 't maar mogelijk

was, met een donkeren merinoschen japon aan, hoog aan den hals, met

een omgeslagen boordje en een zijden dasje, als een aankomende jongen,

en haar schoeisel! _bottines de roulier!_ Op mijn woord, ik geloof,

dat zij er spijkers in had; geen onderofficier zou de onbeschoftheid

hebben gehad met zulke laarzen in een salon te komen...."

"Onbekendheid met de omstandigheden wellicht...." verontschuldigde ik.

"Wel neen! Ze was acht dagen vooruit gevraagd. In dien tijd kan men

wel een toilet prepareeren, zou ik meenen! Daarbij, zij was niet _au

dépourvu_, dat bleek heel duidelijk, daar zij twee dagen daarna, bij

een simpel damespartijtje, waar we tegen tien ure, door onze bedienden

geëscorteerd, weer naar huis gingen, _en grande toilette_ verscheen,

gedecolleteerd of ze had moeten dansen, ébloissant door hare parure

en met kostbare diamanten spelden in haar kapsel! Nu vraag ik u eens,

was dat niet om ons allen te railleeren en bloedig te krenken?"

"Het komt mij voor, dat zij hare vriendinnen meer eer wilde aandoen

dan hare cavaliers."

"Waarheid is, dat zij al heel weinig complimenten maakt met de heeren,"

viel eene schrale ouderwetsch gekleede oude juffer in, die zeker

de laatste had moeten zijn om partij te trekken voor een geslacht,

dat haar blijkbaar verwaarloosd had.

"En dezen hebben haar wis die nonchalance gereciproceerd?" vroeg

ik. "Zij heeft denkelijk den ganschen avond tapisserie gemaakt nevens

de dames van leeftijd."

"Omdat zij zelve het dus wilde," viel het weeuwtje weer in. "Hoe

zij er ook uitzag, zij was zeker dat zij dansers kon krijgen. Alle

jonge officieren zijn als vanzelf verplicht de dochter, nicht of

kleindochter van hun kolonel zoo wat het hof te maken. Daarenboven

verstond Francis Mordaunt heel goed de kunst om aan te trekken door

af te stooten. Ondanks al hare bizarrerie en al hare caprices was zij

nooit om een cavalier verlegen. Nauwelijks trad zij ergens binnen of

zij wist de opmerkzaamheid tot zich te trekken. De heeren omringden

haar, zij werd gevleid, gecourtiseerd...."

"Ja! gecourtiseerd, dat kan wel zijn, maar niet _geconsidereerd_,

dat is zeker!" viel de oude vrijster in. "Het was meest om haar

gerisqueerde aardigheden te ontlokken, of zulke uitvallen, waardoor

ze befaamd is geworden."

"Waarheid is, dat iedereen zich amuseerde met hare bijtende reparties."

"Die de dames vreesden," sprak een der heeren half schertsend, half

verwijtend, "omdat ze in den regel even juist waren als scherp."

"In den regel koos zij de heeren tot _point de mire_ van hare

raillerie."

"Hoe vreemd dan toch, dat de dames zoo weinig hare partij trekken,"

kon ik niet nalaten aan te merken.

"Dat is _niet_ vreemd, jonker! De eigenaardigheden waardoor zij

opgang wist te maken zijn juist die, welke wij in onze sexe niet

kunnen uitstaan. In al hare overwinningen zagen wij nederlagen;

de goede toon ging er bij onder."

"En hoe liep de partij voor freule Mordaunt af in dat curieuse

danstoilet?" viel ik in, want ik had minder belang bij een _combat

d'esprit_ met het précieuse weeuwtje, dan bij eene meer voltooide

karakterschets van Francis, al was die ook door een tintje

kwaadsprekendheid gekleurd.

"Juist zooals zij het hebben wilde, denk ik. Zij werd dien avond

wel wat gedelaisseerd, en blijkbaar was dat haar oogmerk, want zij

deed niets om er in te voorzien; integendeel, zij heeft haar besluit

om niet te dansen zoo luid en zoo forsch te kennen gegeven aan de

gastvrouw zelve, dat er geen kwestie meer kon zijn van haar te vragen."

"Zoo slim was ze wel," viel nu de oude juffer in. "Zij nam het

initiatief om niet beschaamd te blijven zitten als er geen danser

kwam opdagen."

"Waarheid is, dat er meer zedelijke moed toe behoorde dan onze heeren

in den regel bezitten, om eene dame op te leiden, die zich zoo heeft

toegetakeld," hervatte de weduwe.

"De gewoonte om ons niet te sparen schijnt hier aanstekelijk,"

fluisterde mij een officier in, die mij als kapitein Sanders was

voorgesteld. Ik knikte zwijgend, want ik wilde luisteren toen mevrouw

X vervolgde:

"Ten laatste, toen de cotillon werd afgeroepen, moest ze toch meedoen,

en de ongelukkige leider van den dans moest zich opofferen. Luitenant

Wilibald, de adjudant van haar grootvader, was gedwongen haar op te

slepen; hij nam _son courage à deux mains_, en, na eenigen weerstand,

die wel serieus scheen gemeend te zijn, liet zij zich meevoeren,

maar deed niets om hem de corvée te verlichten; integendeel, zij

was zoo recalcitrant, zoo onopmerkzaam en zoo links, dat er telkens

eenige verwarring ontstond en haar cavalier de grootste moeite had om

hare méprises en distracties goed te maken. Ook werd de hoffelijke

jonkman door iedereen beklaagd, te eer omdat men wist, dat hij zich

eigenlijk uit dienstplicht opofferde, daar hij geëngageerd was met

een allerliefst meisje, dat om een rouw in hare familie thuis moest

blijven."

"Pardon, mevrouw! Vergun mij te zeggen dat uwe voorstelling wat onjuist

is uitgevallen," viel nu kapitein Sanders in, met wien ik terstond

was ingenomen om zijn ernstig en schrander voorkomen. "Permitteer mij

een en ander te rectificeeren, want ik ben een vriend van luitenant

Wilibald, en ik weet dat het hem hinderen zou, als zulke scherts

voor de ware werd uitgegeven. Het was voor hem volstrekt geen corvée

freule Mordaunt op te leiden, in welk toilet zij ook goedvond zich te

vertoonen, want hij hield genoeg van haar om niet wat bizarrerie over

't hoofd te zien.... Ja, ik durf zeggen, had het aan hem gestaan,

zijne allerliefste _future_, een piepjong stijfburgerlijk opgevoed

poppetje zou nooit zijne vrouw geworden zijn; maar de omstandigheden

dwongen hem, en freule Mordaunt schijnt er het hare toe gedaan te

hebben, om hem eene _fortuin_ te doen trouwen."

Ik dankte den kapitein in mijn hart, dat hij zoo ridderlijk de

handschoen opvatte voor de waarheid tegen dat valsche tongetje,

en ik had hem graag openlijk bedankt en de hand gedrukt, maar ik

moest voorzichtig zijn en mijne belangstelling verbergen, wilde ik

meer hooren.

"En is freule Mordaunt later nog getrouwd?" vroeg ik en trachtte de

vraag zoo onverschillig mogelijk van de lippen te laten vallen.

"Wel neen!" riep de schrale oude juffer met een triomfeerenden

glimlach. "Zij heeft hier, zoover men weet (en men weet hier nogal

alles in dezen kring), nooit een serieusen pretendent gehad."

"Hé! dat is toch vreemd; eene jonge dame die zooveel attracties scheen

te hebben," merkte ik aan.

"Dat is in 't geheel niet vreemd," viel het weeuwtje in, op een coquet

sentimenteelen toon. "Aanbidders en vleiers van 't oogenblik om zich

heen te lokken, viel haar niet moeielijk; maar door 't hart alleen

wint eene vrouw ernstige genegenheid en achting en niemand heeft

ooit Francis Mordaunt _au sérieux_ kunnen nemen, _n'en déplaise_ den

kapitein, want zij had geen hart; zij heeft nooit van iets gehouden

dan van paarden en honden."

"Gij vergeet haar grootvader," pleitte weer de kapitein.

"Nu ja! daar was ze idolaat van; maar tot haar ongeluk vergold hij

het haar op eene vreemde wijze."

"Wat bedoelt ge, mevrouw?" vroeg Overberg, wiens joviaal gelaat wat

betrokken was.

"Dat hij het jonge meisje veel te veel aan haar eigen wil en luimen

overliet."

"Wat zal men zeggen, _chère amie!_ Hij was bang voor haar." (Het was

de oude juffrouw die toebeet.) "Hij bulderde tegen zijne officieren,

maar eene _scène_ met Francis durfde hij niet afwachten."

"Nogmaals verschooning voor tegenspraak, freule! De overste von Zwenken

bulderde _niet_ tegen zijne officieren, ik weet het bij ondervinding;

maar waarheid is het, dat hij schitterde door zijne afwezigheid als

Francis Mordaunt in de wereld ging. Hij liet haar uitgaan zóó en met

wien zij wilde, en zat, helaas, aan de speeltafel, en de dusgenaamde

adellijke societeit, als Francis zich door onbezonnenheid en zekere

eigenaardigheden van haar karakter ter prooi gaf aan laster en

verkeerde uitleggingen."

"Bravo, kapitein! Dat's loyaal de afwezende te verdedigen."

"Het spijt mij maar, dat het niet kon zonder een anderen afwezende aan

te klagen; maar hetgeen ik zeg is bekend, óver bekend in dezen kring."

Majoor Frans · 第 5 / 17 题