Majoor Frans

Jonker Leopold van Zonshoven aan de lezers van Majoor Frans.

Mijn vrouw heeft bij haar optreden in de wereld zulk een gunstig

onthaal gevonden, dat zij er niet genoeg dankbaar voor kan zijn. En

toch.... brengt het haar in zekere verlegenheid.

Zij weet dat er eene indiscretie is gepleegd, en dat de belangstelling

van het publiek eene derde uitgave vraagt van: _Mijne vertrouwelijke

mededeelingen aan een vriend in Indië_. Zij is te bescheiden om die

goede ontvangst aan zich zelve toe te schrijven en beweert dat zij die

alleen dankt aan mijne wijze van haar voor te stellen! Daarbij had ik

te kampen met hare kluchtige verontwaardiging, toen zij vernam van

welke ruchtbaarheid haar pseudoniem het voorwerp was geworden. Zij

stemt het mij toe dat zij erkentelijk behoort te zijn voor zooveel

welwillendheid, maar zij schroomt zich te veel op den voorgrond te

stellen, zoo zij in persoon die schuld der dankbaarheid afdeed,

en wil dat ik alleen de verantwoordelijkheid zal dragen van eene

publiciteit die zij niet heeft gezocht, en dat ik den plicht der

openlijke dankbetuiging van haar zal overnemen. Die eisch is billijk,

naar het mij voorkomt, en het is mij een lust daaraan te voldoen. Maar

zullen er veel woorden noodig zijn om het publiek te verzekeren van

onze dankbaarheid voor zooveel waardeering, die ik nauwelijks had

durven wachten voor eene persoonlijkheid, wier goede hoedanigheden

vermomd waren onder zekere excentriciteit? Er was de scherpe blik der

liefde noodig om die te onthullen. Voor deze liefde bovenal zijn wij

dankbaar, wij hopen haar ook waardig te blijven. Ik zie dat ik mijn

geliefd devies eenigszins wijzigen moet en meen het "_succès oblige_"

voor oogen te houden.

Leopold van Zonshoven.

26 November 1875.

Jonker Leopold van Zonshoven aan Mr. Willem Verheyst, advocaat te A.

Beste vriend!

Als gij niet al te diep in 't een of ander proces zijt verwikkeld,

kom dan tot mij op de vleugelen der vriendschap, of meer op zijn

negentiende-eeuwsch gesproken, met den eersten sneltrein den besten

dien gij uit uw provinciestadje kunt bereiken; want ik zit deerlijk

in de engte. Daar is mij iets overkomen, waarover de wereld mirakel

zal roepen, als zij er van hoort. Maar vooreerst mag zij 't nog niet

hooren, _et pour cause_; daarom moet ik het aan de borst van een

vertrouwd vriend uitstorten, of ik zou er aan stikken. Het is ook zoo

iets ongewoons, zoo iets onwaarschijnlijks, zoo iets onmogelijks,

zou mevrouw de Sévigné zeggen, maar dat toch waar is, toch gebeurd

is, ja! _mij_ gebeurd is, _mij_, Leopold van Zonshoven, van der

jeugd af bestemd om in de wereld de droevige figuur te maken van:

een kalen jonker! Ook ben ik er van verbluft, of ik een knodsslag op

mijn hoofd had gekregen. Verbeeld je! daar ben ik op eens aangewezen

als de universeele erfgenaam van een kolossaal vermogen.

Eene oudtante mijner moeder, waarvan ik nooit gehoord had en die,

naar het schijnt, met hare geheele familie gebrouilleerd was, is op

het sublieme idée gekomen om bij mij voor toovergodin te spelen,

en bij testamentaire dispositie al hare bezittingen aan mij na

te laten. Aan mij! die alle macht van overleg en zelfbeheersching

noodig heb gehad om van 't oude jaar in 't nieuwe te komen zonder

schulden te maken, iets wat mij in mijne kwaliteit van arm edelman,

niet geheel van zelf-respect misdeeld, absoluut ongeoorloofd is, op

zulke wijze, dat ik mij geen enkele _folie_, geen enkele _caprice_

kon permitteeren, ik zie mij op eens een millioen naar het hoofd

geworpen. Is het te verwonderen, dat dit er van duizelt? De waardige

overledene had verdiend getuige te zijn van de ontploffing harer

Orsini-bom. Eerst sprong ik op en zou de petroleumlamp over het

tafelkleed mijner hospita hebben omgeworpen, zoo de goede ziel zelve

dat niet door een snellen greep voorkomen had. Toen viel ik op mijn

stoel terug, met eene gewaarwording of mij de krachten ontzonken, en

ik moet er zoo bleek en ontdaan hebben uitgezien, dat de juffrouw mij

later gulweg bekende hoe zij suspicie vatte, dat het eene "exploisie"

was van deurwaarderszaken. Zeker is het, dat zij wachten bleef op

de tachtig cents port, die het pakket kostte, of zij vreesde er een

bankroetje aan te lijden. Geprikkeld door dat blijven, door dat zekere

indringende en onbescheidene in hare houding, dat zoowel van wantrouwen

als van nieuwsgierigheid getuigde, hoewel er eenige meewarigheid in

gemengd was, wees ik haar de deur met een gebaar, dat een acteur in

eene wanhoopscène zou benijd hebben en dat ik alleen aan de inspiratie

van 't oogenblik dankte; ook bleek dit afdoende. In een wip was ze

weg, en ik wierp de deur op slot, zonder recht te weten wat ik deed

of waarom, alleen gedreven door een onbestemd verlangen om alleen,

om ongestoord te zijn en mij te overtuigen, dat de mededeeling, die

mij als een sprookje uit de Duizend-en-eene nacht in de ooren klonk,

geen mystificatie was.

En werkelijk, toen ik de stukken met meer bedaardheid overlas, werd

het ongeloofelijke mij tot ontwijfelbare zekerheid; maar in plaats

dat die zekerheid mij rust en blijdschap gaf, werd ik bestormd door

eene warreling van gedachten en gewaarwordingen, die onbeschrijfelijk

is. Ik werd heen en weer geslingerd door duizenderlei strijdige plannen

en voornemens, die ik als in een oogwenk vatte, en weer varen liet;

ik wist den draad mijner denkbeelden niet meer te volgen of vast te

houden. Mijn hart begon te kloppen of het zou bersten; ik kreeg een

aandoening in de keel of ik geworgd werd, en een duldelooze hoofdpijn

was het eerste profijt dat die toekomstige fortuin mij aanbracht! Zoo

kon het niet blijven; ik rukte mijn das los, improviseerde een stortbad

met behulp van mijn lampetkan, liep de kamer rond met driftige,

ongeregelde voetstappen, dronk om de vijf minuten een glas water en

begon eindelijk zoo ver te bekomen, dat ik om de thee schelde, die

de juffrouw per extra-ordinaire zelve bracht, de zaak van het porto

met haar afdeed en haar op de vraag: "of mijnheer nu wat beter was,"

geruststelde met de verzekering, dat een plotseling doodsbericht van

eene verwante mij wat sterk had aangegrepen. Hoe zij de mededeeling

opnam en wat zij er verder bij dacht, laat ik daar; zij vertrok,

zichtbaar verlicht en al vast gerustgesteld omtrent de kamerhuur,

die met primo April moet worden voldaan. Ik wist, dat ik mijn aplomb

tegenover haar had hervat, maar ik vraag u mijnheer de scepticus, is

het geen teeken dat het geld uit den booze is, als het een fatsoenlijk

jongmensch, die zijne gezonde hersens heeft en niet aan de kwaal van

gouddorst placht te lijden, in zulk eene verwarring brengt, dat hij

zich zelf moet afvragen, of hij niet door eene plotselinge razernij

werd aangetast? Denkelijk zult gij antwoorden, dat de schuld bij mij

ligt en dat een ander, gij zelf bij voorbeeld, de zaak vrij wat kalmer

zou hebben opgenomen. Ik stem dit vooruit toe; ik ben geen stoïcijn

en heb zelfs nooit getracht er de houding van aan te nemen, en, zie je

Willem, ik zat juist bij mij zelven te overleggen wat ik toch beginnen

zou om de jammerlijke positie die mij in de maatschappij ten deel was

gevallen, eenigszins te verbeteren, en ik vond niets--niets dan dit

eene: mij met mijn oom den minister te verzoenen, om door hem bij 't

een of ander gezantschap als attaché ingeschoven te worden. Schrale

uitkomst (zelfs indien zij verkregen werd), en die mij zoo iets als

een laagheid zou kosten, want Zijne Excellentie had mij zijn huis

verboden, omdat ik artikels geschreven had in een oppositieblad! Ik

zat mij de nagels stomp te bijten van ergernis, dat ik niet zoo lang

had kunnen studeeren om dr. of mr. voor mijn naam te zetten, twee

letters bij wier gemis alles wat voor anderen open staat, door eene

onverzettelijke barrière is afgesloten voor mij! Op mijn leeftijd (ik

ben in 't noodlottige laatste jaar van de twintig) op mijn leeftijd

is er geen reetje meer, waar ik door kan sluipen om carrière te

maken. En nù--terwijl ik mij suf zat te peinzen op al die "terug's"

die ik op vingers kon narekenen, komt daar op eens de tijding, dat

ik grondeigenaar ben geworden, dat ik "bosschen en beemden, duinen

en heidegronden" in bezit mag nemen--dan vraag ik u, kloeke, kalme,

onwrikbare wetgeleerde, of dat niet meer dan genoeg is om een gewoon

sterveling, zooals ik, zijn evenwicht te doen verliezen, en in eene

vervoering te brengen waarover gij voorzeker het hoofd schudt. Kom

dan maar gauw zelfs om mij te beknorren en met mij te praten; dat

zal mij zeker tot kalmte brengen, en te eer, daar er een punt is,

waarover ik u raadplegen moet, eer ik de erfenis definitief aanvaard;

want gij moet weten, er is een _maar_ bij mijne plotselinge fortuin,

een maar die als altijd tergend achteraan komt hinken; mogelijk ziet

uw juridische blik er geen rechtskwestie in, maar voor mij .... ligt

er eene gewetensvraag achter, althans eene kwestie van kieschheid,

waardoor mijne gouden bergen wel eens tot stuifzand kunnen vervliegen,

en dat arme dierbare millioen, dat mij al zoo duchtig in de war heeft

gebracht, gereduceerd worden tot niets meer dan eene luchtspiegeling,

die mij voor eene wijle de oogen heeft verblind. Om die reden heb

ik geen schepsel deelgenoot gemaakt van het mirakel, noch zal dit

doen, voor ik uwe opinie heb gehoord, in afwachting van uw advies

heb ik den notaris, die eene procuratie verlangde om in mijn naam te

handelen, zulk een document toegezonden, maar onder reserve. _Fais

ce que dois, advienne que pourra_ is mijn _mot d'ordre_, al luid het

devies mijner familie meer brutaal dan eerlijk: _de fortuin is met

den stoute_. Onder de roofridders der middeleeuwen mocht dat gelden,

maar sinds het aanbreken der 18de eeuw zie ik niet dat niemand van

de onzen zich meer naar dat devies heeft gericht. Integendeel, al die

achtbaar gepruikte hoofden van de laatste serie onzer familieportretten

toonen gelaatstrekken, die eer van deftige flauwheid en onnoozele

goedrondheid getuigen dan van stoute ondernemingszucht, en naar de

uitkomsten te oordeelen; de _gène_ waarin wij sinds drie generatiën

verkeeren, getuigt dat de physionomiën niet liegen! Nu, het zij

zoo. Ik ben er niet rouwig om dat ik ten minste geen schitterende

deugniet in de dichtst nabijzijnde graden heb aan te wijzen!

Wat men tot kalmte komt als men zich eens kan uitspreken, al is het

maar op het papier! Ik voel mij nu zoo verlicht, dat ik u rustig

onze geheele familiegeschiedenis zou kunnen vertellen, en onder dat

relaas mijn millioen _in spe_ zou vergeten, alsof er geen kwestie

meer van was; maar 't is nog beter u niet langer op te houden, en

te wachten tot we _de coeur a coeur_ kunnen praten. Stel mij daartoe

zoo spoedig mogelijk in de gelegenheid. Ik heb hier kennissen genoeg,

maar geen enkel vertrouwd vriend, aan wien ik alles uit kan leggen,

zonder de vrees van misverstaan en uitgelachen te worden, en 't is een

onuitstaanbare kwelling, een bezwaar als dit, tweemaal vierentwintig

uur alleen te moeten dragen.

En nu vaarwel tot ziens. Met of zonder millioen.

Semper idem.

Uw Leopold v. Z.

's Hage, Maart 186 .

Met dezelfde post die hem een brief van Leopold van Zonshoven

aanbracht, ontving Mr. Willem Verheyst een biljet van eene hem

onbekende hand van den volgenden inhoud:

Mijnheer!

Na een onderzoek, ingesteld omtrent de relatiën van Jonker Leopold

van Zonshoven, achten wij het waarschijnlijk, dat hij u raadplegen

zal in eene zaak, voor hem zelven van groot belang. Uit vriendschap

voor hem, help hem heen over alle bezwaren die hij zou kunnen maken

tegen de aanvaarding van zekere erfenis, en laat hij geen voorstel,

hem gedaan, afwijzen zonder ernstig onderzoek.

Het is onnoodig hem met dit ons schrijven bekend te maken; wij

vertrouwen het uwer ervaring en voorzichtigheid toe. Iemand die ten

volle bekend is met de intentiën der waardige erflaatster en die den

Jonker van ganscher harte hare fortuin gunt.

Majoor Frans · 第 4 / 17 题