Op deze toewijding volgt het woord tot den lezer

"_Aan de groote verscheidenheid van Lezers._"

"Van den bekwaamste af tot hem toe, die slechts spellen

kan. Hiermede zijt gij allen geteld; liever hadden wij,

dat gij gewogen waart. Vooral daar het lot van alle boeken

van uw bevattelijkheid afhangt, en niet slechts van die uwer

hoofden, maar ook van die uwer beurzen. Komaan! het is nu

in het licht, en gij zult,--dit weten wij,--op uw rechten

staan: van te lezen en te beoordeelen. Doet dat, maar koopt

het eerst! Dit is de beste aanbeveling voor een boek, zegt

de boekverkooper. Dan, hoe verschillend ook uw hersenen of

uw wijsheden zijn, neemt allen gelijke vrijheid en spaart

niet. Oordeelt naar uw sixpencewaarde, uw shillingswaarde,

uw vijfshillingswaarde, om in eens op te slaan; of hooger,

als gij maar tot het juiste peil stijgt, en weest welkom! Doch

wat gij ook doet, koopt! Oordeelvellen brengt geen handel

vooruit en geen braadspit aan het draaien. En al zijt gij

een overheidspersoon in schranderheid, en al zit gij op het

tooneel, of gelijkvloers, in Blackfriars dagelijks over stukken

ten gerichte, weet, dat deze stukken hun verhoor reeds gehad

hebben en door alle hoogere beroepen heen zijn, en zij komen

nu voor den dag, vrijgesproken, veeleer door een besluit van

een hof, dan door deze of gene gekochte aanbevelingsbrieven.

"Het ware, wij erkennen het, zeer te wenschen geweest, dat de

schrijver zelf in leven ware gebleven om zijn eigen geschriften

uit te geven en na te zien. Doch daar het anders besloten was,

en hij door den dood van dit recht verstoken is geworden,

zoo bidden wij u, benijdt zijn vrienden de taak vol zorg en

moeite niet, van ze bijeenverzameld en uitgegeven te hebben,

en zóó uitgegeven te hebben, terwijl gij vroeger misleid

werdt met verschillende gestolen, en door slinksche middelen

verkregen afschriften, verminkt en misvormd door de streken

en diefstallen van schandelijke bedriegers, die hen de wereld

inzonden. Die zelfde werken worden u onder de oogen gebracht,

geheeld en gaaf van leden, en ook al de overige, volledig in

alle deelen, zooals hij ze tot stand bracht. Hij, zooals hij

een gelukkig nabootser was der natuur, wist haar ook recht

liefelijk uit te drukken. Zijn geest en zijn hand gingen samen;

en wat hij dacht, uitte hij met zulk een gemakkelijkheid,

dat wij nauwelijks een doorhaling in zijn papieren gevonden

hebben. Doch het is onze zaak niet, daar wij zijn werken

alleen bijeenzamelen en aan u geven, hem te prijzen. Dit is

de zaak van u, die hem leest. En dan hopen wij, dat gij, naar

uw verschillende bevattelijkheid, er genoeg in vinden zult,

dat u aantrekt en boeit; want zijn geest kan evenmin verborgen

blijven, als ooit verloren gaan. Daarom, leest hem, en weder,

en steeds weder! En als gij hem dan niet liefkrijgt, voorwaar,

dan verkeert gij blijkbaar genoeg in het gevaar van hem niet

te verstaan. En hiermede laten wij u aan andere vrienden van

hem over, die, als gij hen behoeft, uw gidsen kunnen zijn;

behoeft gij hen niet, dan kunt gij uzelf tot gids zijn,

en anderen. En zulke lezers wenschen wij hem toe.

"JOHN HEMINGE. HENRIE CONDELL."

Op deze voorrede volgen vier lofdichten, van welke vooral het eerste,

van Ben Jonson, opmerkelijk is door den hoogen lof, dien hij zijn

vriend, tevens zijn grootsten mededinger, toekent, en den hartelijken

toon, die er in heerscht. Hij begint met de verklaring, dat geen lof,

van Mensch noch Muze, Shakespeare's geschriften te veel kan prijzen, en

voegt er bij: "Dit is waar, en er is slechts één stem over" [64]. Het

toezwaaien van gewone loftuitingen versmadend, spreekt hij hem toe met

de woorden: "Gij, ziel van onzen tijd!" [65] en erkent: "Gij zijt een

monument, ook zonder tombe!" Dan stelt hij Shakespeare boven Lily,

Kyd en Marlowe, en verklaart, dat Shakespeare, "schoon hij weinig

Latijn en nog minder Grieksch kende", de vergelijking met de oude

dichters, waarvan er eenigen genoemd worden, niet behoeft te schromen,

maar hen allen, en ook hun navolgers, overtreft. Dan roept Jonson uit:

"Triumf, mijn Engeland! gij kunt op een man wijzen, wien alle tooneelen

van Europa hulde brengen. Hij was niet voor één leeftijd, maar voor

alle tijden!" [66] Vervolgens wijst Jonson er nadrukkelijk op, dat

Shakespeare, hoe veel de natuur hem ook geschonken had, door eigen

noeste vlijt zijn _kunst_ verworven en tot volkomenheid gebracht heeft;

"een goed dichter wordt niet slechts geboren, maar ook gemaakt" [67];

en zoo was het met Shakespeare. Hij spreekt hem ten slotte toe met de

woorden: "Liefelijke zwaan van den Avon [68], o welk een gezicht zou

het zijn, U weder in onze wateren te zien verschijnen en aan de oevers

van den Theems die hooge vlucht te zien nemen, die Elizabeth en Jacobus

zoo verrukte! Doch neen, ik zie u reeds aan den hemel verheven en tot

een sterrebeeld geworden! Straal, straal, gij sterre der dichters! [69]

uw toorn of invloed beschame of verheuge het zinkend tooneel, dat,

sinds gij van hier geweken zijt, gelijk de nacht getreurd heeft en,

zonder het licht uwer werken, aan den dag zou wanhopen."

Het was niet noodig hier het geheele gedicht over te nemen; deze korte

vermelding is wel voldoende om te doen zien, welk een schoone hulde

door Jonson aan Shakespeare gebracht werd, en tevens, dat hij zoo

gelukkig geweest is, verscheiden schoone, kernachtige uitdrukkingen

te bezigen, die onmiddellijk treffen en in het geheugen blijven. Geen

wonder, dat zij meermalen aangehaald worden. Om deze beter te doen

uitkomen, zijn zij hier in een beknopt bestek vereenigd; en om ze

woordelijk terug te kunnen geven, is dit in ongebonden vorm geschied.

Van de overige lofdichten is dat van Leonard Digges opmerkenswaardig,

wiens profetie van den blijvenden roem van Shakespeare zoo heerlijk

vervuld is.

Op de lofdichten volgt een bladzijde, waarop bovenaan de titel

herhaald is; er staat: "De werken van William Shakespeare, bevattende

al zijn _Comedies_, _Histories_ en _Tragedies_, getrouw uitgegeven

overeenkomstig haar "eerste origineel." Hieronder vindt men een

lijst van de voornaamste tooneelspelers, die in deze stukken zijn

opgetreden. De eerste twee namen zijn _William Shakespeare_ en

_Richard Burbadge_, de derde is _John Hemmings_ [70]. De volgende

bladzijde bevat de lijst der stukken, in drie groepen, _Comedies_,

_Histories_ en _Tragedies_ geschikt, welke afdeelingen ieder

afzonderlijk gepagineerd zijn. Men mist er Troilus en Cressida in,

welk stuk, nagenoeg ongepagineerd, tusschen de Historiestukken en

Treurspelen ingevoegd is; men kan hierover de aanteekeningen op dit

stuk raadplegen. Dan volgen de blijspelen, "De Storm" vooraan. Aan

het eind van het werk, op de laatste bladzijde der Treurspelen,

staat onderaan de vermelding, dat het werk gedrukt is op kosten van

W. Jaggard, Ed. Blount, J. Smithweeke en W. Aspley 1623.

Op deze eerste folio-uitgave volgde in 1632 de tweede, welke

eenvoudig een afdruk is der eerste, met enkele wijzigingen,

gedeeltelijk toevallige, gedeeltelijk opzettelijke, welke laatste als

verbeteringen bedoeld, maar, op zeer enkele na, niet als zoodanig te

beschouwen zijn. Evenals in de eerste uitgave, zijn de Blijspelen,

Historiestukken en Treurspelen afzonderlijk gepagineerd; Troilus en

Cressida opent nu de rij der treurspelen.--De lofdichten zijn met een

drietal vermeerderd, waaronder een zestienregelig vers van John Milton,

die toen in zijn vier-en-twintigste jaar was, opmerking verdient;

waarschijnlijk is dit het eerste gedicht, dat van hem het licht

zag. Het moge hier in een eenigszins vrije en twee regels kortere

vertolking een plaats vinden;

"Behoeft mijn Shakespeare's hoogvereerd gebeent'

Een jaren arbeids eischend grafgesteent'?

Behoeft een pyramide 't heilig stof

Te omhullen tot verhooging van zijn lof?

Behoeft gij, zoon des Roems, gij, roem der Faam,

Zoo zwak een tolk tot eeuw'ging van uw naam?

Neen, in den eerbied, die uw grootte erkent,

Schiept gij uzelf een duurzaam monument;

Daar onweerstaanbaar, of Apollo zong,

Uw godentaal ons in de ziele drong,

En elk, zichzelf ontvoerd door uwe vaart,

Tot marmer wordt, wie duiz'lend op u staart;--

Opdat hij zulk een praalgraf zich verwierf,

Wat koning is er, die niet gaarne stierf?"

De derde folio-uitgave verscheen eerst in 1664; zij is voor een groot

deel als een herdruk der vorige te beschouwen en bevat dezelfde

stukken, en wel met doorloopende paginatuur, doch zij laat, de

nummering der bladzijden weder met 1 beginnende, een geheele reeks

van stukken volgen, die ten onrechte aan Shakespeare toegeschreven

zijn en dus op goeden grond door de eerste uitgevers, Heminge en

Condell, niet in de verzameling zijner werken opgenomen werden. Onder

deze onechte stukken bevindt zich ook de "Pericles". Wijl Shakespeare

alleen in de tweede helft eenige tooneelen bewerkt heeft, werd ook dit

stuk door Heminge en Condell, die verklaarden alleen echte stukken

te willen geven, zeer terecht uitgesloten. Zij hebben dit inderdaad

bedoeld en trouwhartig getracht een gedenkteeken van Shakespeare's

leven te stichten; maar hun zorgvuldigheid heeft, zooals boven reeds

van Timon van Athene en Koning Hendrik VIII gebleken is, niet geheel

gelijken tred gehouden met hun goeden wil, zoodat het gezag hunner

uitgave niet in alle opzichten onbetwistbaar is.

In 1685 verscheen een vierde folio-uitgave, die een herdruk is van

de derde, en nagenoeg alleen door een nieuwere spelling van deze

verschilt.

Alleen aan de eerste dezer vier folio-uitgaven is inderdaad gezag toe

te kennen; in de volgende vindt men steeds meer drukfouten, terwijl de

overige afwijkingen slechts zelden verbeteringen zijn en zelfs dan,

wanneer dit wel het geval is, op een toevallig gelukkige gissing

en niet op grondig onderzoek berusten. De eerste folio-uitgave

heeft ons van vele stukken den oudsten en besten tekst, dien wij

bezitten, geschonken, en ook verscheiden andere voor den ondergang

bewaard. Grooten dank is men hiervoor aan 's dichters vrienden en

kunstgenooten, Heminge en Condell, verschuldigd.

Natuurlijk is een exemplaar der eerste folio-uitgave alleen bij

zeldzaam voorkomende gelegenheden, en dan voor zeer hoogen prijs, te

erlangen. Toch is het bij nauwkeurige beoefening van des dichters

werken in vele gevallen noodig, den oorspronkelijken tekst te

raadplegen. Gelukkig, dat deze bij herhaling met de uiterste zorg

is nagedrukt en dat in den laatsten tijd ook de photographie te

hulp is geroepen om den oudsten druk met volkomen getrouwheid te

vermenigvuldigen; hij is thans voor hoogst matigen prijs in ieders

bereik.

Vraagt men nu, of Heminge en Condell een inderdaad zuiveren

en betrouwbaren tekst gegeven hebben, dan moet het antwoord,

helaas! ontkennend luiden. Wat zij ook verzekeren, zij konden

meestal niet meer beschikken over de oorspronkelijke handschriften,

die ongetwijfeld, na het maken van verscheiden afschriften, ten

behoeve der vertooningen, vaak verloren waren gegaan. Misschien

ook zijn er bij den brand van den Globe-schouwburg (blz. 47) enkele

vernietigd. Zij moesten zich dan behelpen met afschriften, die niet

zelden door kappingen ter bekorting, welke geenszins oordeelkundig

aangebracht werden, verminkt waren. In sommige gevallen moesten zij

zelfs de toevlucht nemen tot de oude quarto-drukken, waarvan zij,

in het voorbericht hunner uitgave, zooveel kwaads gezegd hadden; de

oude afschriften, bij het tooneel in gebruik, waren dan ongetwijfeld

versleten, zoodat een afdruk in de plaats was gekomen. Meermalen

moet dus de door hen geleverde tekst aanmerkelijk afwijken van wat

Shakespeare oorspronkelijk geschreven had, of ten minste onvolledig

zijn. Hun bewering, dat de tooneelwerken naar de oorspronkelijke

handschriften afgedrukt zijn, is alzoo bepaald onwaar, en niets anders

dan een middel om het publiek zand in de oogen te strooien, en dit

tot koopen, waarop zij zoo sterk aandringen, uit te lokken. Men moge

dit streng afkeuren, doch waardeere, dat zij het beste gegeven hebben,

dat zij hadden.--In een ander opzicht hebben zij waarheid gesproken;

zij verklaren in de toewijding van het werk aan de graven van Pembroke

en Montgomery, dat zij niets gedaan hebben dan bijeenverzamelen. Men

moet erkennen, dat er inderdaad geen spoor van toezicht op het drukken

hunner schatten te bespeuren is; het nazien van drukproeven schijnt

door hen nagelaten te zijn; zij hebben alleen aan de pers afgestaan,

wat zij wilden uitgeven. Misschien, waarschijnlijk zelfs, is het voor

het verkrijgen van een goeden tekst gelukkig geweest, dat hun zorg zich

niet verder heeft uitgestrekt. Want hadden zij fouten opgemerkt en op

hun wijze trachten te verbeteren, dan zou allicht een willekeurige

gissing, gelukkig of ongelukkig, in de plaats getreden zijn eener

lezing, die, hoe ongerijmd ook, zich vaak zoo na mogelijk hield aan de

letters of woorden, die in het oorspronkelijk handschrift of in oude

afschriften of afdrukken stonden en nauwgezette latere onderzoekers op

het spoor kunnen brengen om de echte lezing te ontdekken. Vallen wij

hun dus over hun geringe zorg niet hard; herinneren wij ons, dat zij,

uit liefde voor Shakespeare, zijn werken bijeenverzameld en zooveel

meesterstukken aan de vergetelheid ontrukt hebben. Laat ons veeleer

zeggen, dat hun, die veel hebben liefgehad, veel vergeven wordt.

De eerste, die de taak aanvaardde, om uit de slordige uitgaven van des

dichters werken een beteren, zuiverder tekst af te leiden, was Nicholas

Rowe, in 1709. Dat hij slechts ten deele slaagde in de moeilijke

onderneming, kan niet bevreemden, vooral niet, als men weet, dat hij

niet de oorspronkelijke, maar de vierde folio-uitgave tot grondslag

aannam. Als de eerste, die den echten tekst van Shakespeare trachtte

te herstellen, moge hij hier met eere genoemd worden. Velen hebben

na hem hetzelfde doel zoeken te bereiken. Doch het is hier de plaats

niet, om hun pogingen aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen. Met

welk een uitslag zij bekroond zijn geworden, moge men afleiden uit

de woorden van een der uitstekende Shakespeare-beoefenaars van den

lateren tijd, Alexander Dyce. Deze oordeelt, dat, indien als door

een wonder de oorspronkelijke handschriften van Shakespeare voor den

dag kwamen, deze het bewijs zouden leveren, dat in vele gevallen de

echte lezing hersteld is, ofschoon de onwetendheid en aanmatiging der

tooneelspelers, de slaperigheid der afschrijvers en de zorgeloosheid

der uitgevers als het ware hebben samengezworen om haar verloren te

doen gaan.

Heeft in Engeland na Rowe de beoefening van Shakespeare's werken steeds

veld gewonnen, ook elders is dit het geval geweest. In Duitschland

gaf de groote Lessing het voorbeeld van waardeering, en weldra volgde

daar uitgave op uitgave, vertaling op vertaling. Vroeger of later

vond hetzelfde in andere landen plaats, en tegenwoordig is, naast

den Bijbel, geen boek, 't zij in 't oorspronkelijke, 't zij vertaald,

zoo algemeen en zoo in allerlei vorm, over de geheele aarde verspreid,

als de kostelijke nalatenschap van Shakespeare.

In Nederland is de beoefening en waardeering zijner werken tamelijk

laat aangevangen, en de eerste proeven van welgeslaagde vertalingen

vindt men in de "Bloemlezing uit de Dramatische Werken van William

Shakespeare" van Mr. L. Ph. C. Van den Bergh, welk boek in 1834 het

licht zag. Doch een beter tijd brak weldra aan; meer en meer werd

de groote dichter in zijn waarde erkend; verscheiden uitgaven,

vertalingen en navolgingen, 't zij van gedeelten zijner werken,

't zij van geheele tooneelstukken leggen hier getuigenis van af. Men

zal niet verwachten, dat deze uitgaven en vertalingen hier opgenoemd

en nader besproken worden; genoeg zij het op deze verdienstelijke

ondernemingen gewezen te hebben. Alleen mag een woord van hulde aan

den uitmuntenden Jurriaan Moulin niet achterwege blijven, die als

nauwgezet en talentvol vertaler allen ten voorbeeld kan zijn. Te

midden van velerlei beslommeringen bracht hij Othello, Macbeth, De

Storm en gedeeltelijk ook Romeo en Julia op voortreffelijke wijze

in het Nederlandsch over en hield zich daarbij zooveel mogelijk aan

den vorm van het oorspronkelijke; bovendien geven de aanteekeningen,

waarmede hij de stukken toelichtte, overal blijk van de grondige

studie, die hij van des dichters werken gemaakt had.

Verder mag hier de vermelding niet achterwege blijven, dat voor

eenige jaren door A. S. Kok een volledige vertaling van Shakespeare's

dramatische werken, de eerste in Nederland, ondernomen en in 1880 ten

einde gebracht werd. Reeds vroeger had hij een paar stukken in het

Nederlandsch overgebracht en wel, evenals Moulin, in den vorm van

het oorspronkelijke. Voor de vertaling van het geheel verkoos hij,

zich grootendeels van proza te bedienen en slechts hier en daar,

voornamelijk waar Shakespeare gerijmde verzen schreef, den gebonden

vorm te bezigen. Sommige stukken zijn dus nagenoeg geheel in proza

vertaald, bij andere wisselt proza met gerijmde verzen af.

Naar mijn overtuiging is er bij groote dichters, en met name bij

Shakespeare, een zoo innig verband tusschen den inhoud en den vorm

hunner scheppingen, dat de vertaler, wil hij met zijn arbeid ongeveer

denzelfden indruk geven als het oorspronkelijke, verplicht is, niet

alleen den inhoud getrouw over te brengen, maar ook den vorm zooveel

mogelijk te behouden.

Bij mijn vertaling is dit beginsel voortdurend in het oog

gehouden. Bovendien meende ik, dat voor de kennis en waardeering van

den mensch en dichter Shakespeare niet alleen zijn dramatische werken,

maar ook zijn gedichten van groot belang zijn; ook deze zijn hierom

in deze uitgave begrepen.

Zoo is dan van 1884 tot 1888 voor het eerst een volledige vertaling van

des dichters werken, die den vorm van het oorspronkelijke zorgvuldig

trachtte te bewaren, aan het Nederlandsche volk aangeboden. De bijval

en goedkeuring, bij mijn onderneming van den aanvang af ondervonden,

zijn mij niet alleen een machtige steun en spoorslag geweest, om de

taak, die ik mij had opgelegd tot den einde toe te volbrengen, maar

schonken mij ook het vertrouwen, dat mijn gave welkom zou zijn. Die

verwachting is niet beschaamd geworden. Na de eerste uitgaaf vond

ook een tweede, geïllustreerde, haar weg tot het publiek en thans

wordt door een met zorg herziene volksuitgave mijn vertaling in het

bereik gebracht van hen, die zich tot dusverre den aankoop moesten

ontzeggen. Moge zij velen bewegen, lezers en vrienden van den grooten

dichter te worden en meer en meer blijken, geen onwaardige hulde te

zijn aan den machtigen geest, die zoo vele meesterwerken schiep!

De Werken van William Shakespeare Overzicht van Shakespeare's leven en werken · 第 23 / 26 题