Kort nadat Shakespeare aan het slot van zijn laatste tooneelwerk
zijn tooverstaf uit de hand had gelegd, zeide hij, waarschijnlijk in
1613, de wereldstad Londen vaarwel om zich voor goed in zijn kleine
geboorteplaats, Stratford aan den Avon, te vestigen. Toen hij deze
als jeugdig man en vader verliet en onder de tooneelspelers verzeilde,
was hij ongetwijfeld door menigen vroegeren stadgenoot voor verloren
gerekend, want hij waagde zich op een zee vol gevaars, die velen
tot verderf was. Doch wie ook uit den koers raakten en strandden of
vergingen, hij had alle stormen weerstaan en was steeds, nu voor den
wind zeilend, dan laveerend, zijn doel genaderd; hij had zelfs gelukkig
gevaren en was, niet slechts behouden, maar met een rijke vracht,
in de stille bocht, in de kleine haven van waar hij uitgegaan was,
ten anker gekomen. Inderdaad, rijk was hij teruggekeerd; misschien was
hij de rijkste burger van Stratford, doch in allen gevalle zeer gegoed;
hij was een vermogend grondbezitter geworden en dus in de oogen zijner
medeburgers, zelfs al hadden deze geen denkbeeld van zijn verdiensten
als dichter, een door en door respectabel man [47]. Hij woonde in
het grootste huis der stad [48] en leefde volgens de overlevering op
onbekrompen wijze, zoodat hij jaarlijks vrij wat geld uitgaf. Slechts
zeer weinig berichten zijn uit dezen laatsten tijd van zijn leven tot
ons gekomen; wij weten er uit, dat hij zich met het beheer zijner
bezittingen bezighield en ook enkele keeren naar Londen reisde;
het is ten minste bekend, dat hij er in November en December 1614
eenige weken vertoefde; het jaar te voren, in Maart, had hij er een
huis gekocht in de nabijheid van den Blackfriars-schouwburg; men kan
dus wel vermoeden, dat hij er meermalen heenging.
Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe Shakespeare in Stratford zijn
leven sleet en of hij er zich gelukkig kon gevoelen. Voor het laatste
was het zeker noodig, dat hij het geluk in zichzelf vond. Stratford
was puriteinsch geworden; de onverdraagzame stijve geloovigen, die
alle wereldsche vermaken versmaadden en het tooneel verfoeiden en die
vaak door hem met spot vervolgd waren, hadden er de overhand; reeds
in 1602 was het verboden, de groote gildezaal, waar hij als kind vaak
tooneelvertooningen had bijgewoond, voor zulke ijdelheden aan eenig
gezelschap af te staan, en daar het verbod waarschijnlijk van tijd
tot tijd overtreden was, werd door den raad der gemeente in 1612
bepaald, dat de alderman of wie ook, die tot een tooneelvertooning
daar verlof gaf, een boete van tien pond--dus naar de tegenwoordige
geldswaarde vijf- of zeshonderd gulden--zou te betalen hebben. Onder
zulke omstandigheden zullen er van de 1500 inwoners van Stratford
niet velen voor den gezelligen omgang met Shakespeare geschikt
zijn geweest. Dat hij in zijn familiekring vergoeding voor dit
gemis gevonden heeft, valt zeer te betwijfelen. Van zijn vrouw, de
boerendochter uit Shottery, is dit niet te verwachten. Van zijn oudste
dochter, Susanna, wordt in haar grafschrift getuigd, dat zij geest
bezat boven anderen van haar sekse, en dit met haar vader gemeen had,
maar dat zij bovendien steeds wijselijk bedacht was op haar eeuwig
heil; van haar man, den geneesheer Hall, blijkt uit zijn nagelaten
en uitgegeven ziektekundige aanteekeningen, dat hij zeer kerkelijk
gezind was en een fellen haat tegen de Roomschen voedde. Susanna
had een mooie flinke handteekening, maar of zij meer dan dit van de
edele schrijfkunst machtig was en eenige letterkundige ontwikkeling
bezat, mag betwijfeld worden, want zij kon hoogstwaarschijnlijk geen
geschreven schrift lezen en ten minste het schrift van haar man niet
herkennen; dit blijkt uit de mededeelingen van Dr. James Cooke, een
militair arts, die tijdens de burgeroorlogen te Stratford kwam, waar
de brug verdedigd moest worden. Hij vernam, dat de nagelaten boeken en
papieren van Dr. Hall zich daar ter stede bevonden en begaf zich naar
het huis der weduwe, om ze te zien. Nadat zij hem die getoond had,
zeide zij, dat zij nog eenige boeken bezat, nagelaten door iemand,
die met haar man gezamenlijk de geneeskunst had uitgeoefend; zij
hadden veel geld gekost. Hij antwoordde, dat hij, als hem de boeken
bevielen, haar die som er voor terug zou geven. Toen hij de papieren
zag, bevond hij, dat het geschriften waren van haar man, voor den druk
gereedgemaakt, hij kende zijn hand en toonde haar, dat ten minste
één der boeken door hemzelf geschreven was. Zij ontkende dit ten
sterkste en werd verstoord, toen hij volhield; hij kocht haar toen
de boeken voor de gevraagde som af. Zij maakte die dus, hoewel zij
in ruime omstandigheden verkeerde, bij den eerste den beste gaarne
te gelde. Dr. Cooke heeft ze later uitgegeven; zijn verhaal is hier
medegedeeld, omdat het een gereede verklaring geeft, waarom van boeken
of geschriften van Shakespeare niets is overgebleven; op papieren,
vooral van zoo wereldschen aard, is zeker geen acht geslagen; zij
zullen verbrand zijn of als scheurpapier verkocht. Van Shakespeare's
tweede dochter, Judith, is bekend, dat zij in het geheel niet schrijven
kon; haar handteekening onder een stuk bestaat uit een kluchtige
krul, die, evenals een kruisje, gewaarmerkt is [49]. Om den geest,
die bij Shakespeare's familieleden heerschte, te doen kennen, zij nog
vermeld, dat tijdens zijn verblijf te Londen, op het eind van 1614,
een rondreizend Puriteinsch prediker in zijn woning gehuisvest werd.
Uit dit alles is men wel gerechtigd af te leiden, dat de omgang met
de zijnen Shakespeare's geest niet kon bevredigen. Het beheer van
zijn uitgestrekte bezittingen, het werken in zijn grooten tuin, het
gadeslaan van de schoone natuur, waar hij van der jeugd af gemeenzaam
mee was, het spreken met menschen van allerlei rang en bedrijf,
de omgang met enkele bekenden of vrienden zullen den lust van zijn
leven hebben uitgemaakt. Dat hij in zulk een omgeving zich nog met
het schrijven van tooneelwerken heeft beziggehouden, is inderdaad
niet aan te nemen, en dit is wel een gegronde reden te achten voor
het vermoeden, dat hij zich niet vóór 1613 in zijn geboorteplaats
voor goed heeft gevestigd.
Van zijn verblijf aldaar zijn overigens geen bijzonderheden met
zekerheid bekend. Zijn eerste levensbeschrijver, Nicholas Rowe (1709),
vermeldt, dat hij er omgang had met de heeren uit den omtrek en om zijn
aangenamen, geestigen kout en zijn goedhartigheid zeer gezien was [50].
Waarschijnlijk had Rowe dit van den tooneelspeler Betterton vernomen;
doch hoe ook, aan de geloofwaardigheid van de mededeeling valt
niet te twijfelen. Het lezen van Shakespeare's geschriften kan ons
hiervan de overtuiging geven, en dit te meer, daar wij weten, dat
zij niet met moeite na herhaalde verbeteringen, hun vorm verkregen,
maar hem gemakkelijk uit de pen vloeiden, zooals zijn twee vrienden,
door wie zij zijn uitgegeven, verklaren. Wanneer wij zien, hoe hij op
geestige wijze den spot drijft met valsch haar en met blanketsels,
met eigenwaan en zwetsen, hoe nauwkeurig hij de eigenaardigheden en
zwakheden der menschen weet af te beelden en ten toon te stellen,
hoe hij uitwerkt, dat de wereld vaak door vertoon bedrogen wordt,
dan kunnen wij nagaan, dat hij ook in den dagelijkschen omgang met
de eigenaardigheden en zwakheden der menschen op vermakelijke wijze
geschertst en gespot zal hebben. En tevens kunnen wij zeker wezen,
dat hij de scherpte zijner opmerkingen met een goedhartigen lach
wist te temperen. Wij zijn ook gerechtigd aan te nemen, dat hij
in het beoordeelen van menschen en zaken de juiste maat wist in
acht te nemen en de billijkheid te betrachten, want wij zien in
zijn werken, hoe hij niet alleen het onderscheid tusschen goed
en kwaad in het licht stelt, maar ook de verborgen roerselen van
's menschen handelingen bloot legt en de noodlottige gevolgen van
eenzijdigheid en overdrijving doet uitkomen. Hij kende de wereld;
hij had zich in het groote en woelige Londen bewogen, dat zoo velen
zijner vakgenooten als in een draaikolk medesleepte en zinken deed;
ook hij had waarschijnlijk,--zijn geschriften zelf geven grond tot
dit vermoeden,--een tijd gehad, dat hij aan de verlokkende stem der
verleiding gehoor gaf, doch hij had zich leeren beheerschen; hij wist
wederstand te bieden, zijn doel steeds in 't oog te houden en een
veilige haven te bereiken. Van zoo iemand, wien niets menschelijks
vreemds was, is het niet te verwonderen, dat zijn beoordeeling van
de menschen en hun handelingen juist en billijk, maar tevens, zoodra
hier aanleiding toe bestond, zachtmoedig was. Zoo toont hij zich in
zijn werken, en zoo was hij ongetwijfeld ook in den omgang met zijn
vrienden. Bij het aandachtig en omzichtig lezen zijner geschriften kan
men menigen karaktertrek van hem ontdekken en tot de uitkomst geraken,
dat hij een beminnelijk mensch moet geweest zijn, wiens omgang,
zoowel door zijn veelzijdige kennis en zijn opmerkingsgeest, als
door zijn liefde voor dichtkunst, muziek, schilder- en beeldhouwkunst
belangrijk, onderhoudend en aangenaam was. Men moet zich natuurlijk
wel wachten, de uitingen zijner personen voor het persoonlijk gevoelen
des dichters te houden. Shakespeare bezat in de hoogste mate het
vermogen, dat de dramatische dichter hebben moet, van zich als het
ware te vereenzelvigen met de personen, die hij ten tooneele voert;
hij laat in hetzelfde stuk Othello, Jago en Desdemona, of Lear, Edgar,
Edmond en Cordelia, of Heetspoor, prins Hendrik en Falstaff, ieder
zoo spreken, als met zijn natuur overeenkomt. Maar al blijft hij in
den regel verscholen achter de personen van het stuk, meermalen toch
legt hij hun uitingen in den mond, waarin meer de lyrische, dan de
dramatische dichter spreekt en ongetwijfeld zijn eigen meening wordt
uitgedrukt. Wel weet hij ook hier maat te houden en zorg te dragen,
dat het geheel er niet onder lijdt en de voortgang van het stuk er
niet door belemmerd wordt, doch zeldzaam zijn zulke uitingen niet;
onder andere mag de beroemde plaats, waarin Portia op het oefenen van
genade aandringt, er onder gerekend worden. Zoo is het dan mogelijk,
bij het nauwkeurig en met oordeel lezen van Shakespeare's werken,
menigen karaktertrek van hem op te merken en hem niet alleen als
dichter, maar ook als mensch nader te leeren kennen. Men zal dan
bevinden, dat de dichter, die door zijn gezonde levensbeschouwing
en door zijn diepe menschenkennis het oordeel over goed en kwaad
kan scherpen, het gevoel er voor kan verfijnen, tot maathouden in
alle dingen kan aansporen en de zedelijke kracht des menschen kan
verhoogen, ook om zijn persoonlijke hoedanigheden en zijn karakter
een gids voor het leven verdient genoemd te worden.
Wij zijn genaderd tot het jaar 1616, Shakespeare's sterfjaar. In het
begin van dit jaar hield de gedachte aan zijn dood in zooverre hem
bezig, dat hij zijn testament ontwierp, en wel op 25 Januari. Op den
tienden Februari huwde zijn tweede dochter, Judith, toen 31 jaar oud,
met Thomas Quiney (uitgesproken _Quin-ny_), wijnhandelaar te Stratford,
vier jaar jonger dan zij; hij was de zoon van Richard Quiney (overleden
1602), denzelfden, die in 1598 aan zijn vriend Shakespeare dertig pond
te leen had gevraagd (zie bl. 63); als een bijzondere begaafdheid van
hem is te vermelden, dat hij zijn handteekening met twee prachtige
krullen opsierde. Op 25 Maart 1616, dus volgens den Ouden Stijl op
den eersten dag van het jaar 1616 [51], werd het testament met een
paar bijvoegsels vermeerderd en door Shakespeare onderteekend. Hij
stierf op Dinsdag den 23sten April 1616 [52] en werd twee dagen later
in de kerk der Heilige Drieëenheid, aan de noordzijde van het koor,
begraven. Een eenvoudige platte steen wijst de plaats aan, waar hij
ter ruste gelegd is; een vierregelig rijm bezweert bij Jezus' naam,
het stof, dat daar besloten is, niet te ontgraven, zegent, wie het
gesteente spaart, en vervloekt, wie het gebeente roert [53]. Dowdall
schreef in 1693, dat Shakespeare zelf dit rijm kort voor zijn dood
gemaakt heeft; dit klinkt vrij onwaarschijnlijk; veeleer zou men
vermoeden, dat een reeds gereed zijnde zerk ter bedekking van het graf
gebezigd werd; naam en wapen ontbreken er op; en deze staan wel op de
aangrenzende zerken van Susanna Hall, van haar echtgenoot John Hall,
en van Thomas Nashe, den eersten echtgenoot van Sh.'s kleindochter
Elizabeth. Aan welke ziekte Shakespeare overleed, is geheel onbekend,
doch waarschijnlijk is hij geruimen tijd ziek of sukkelend geweest en
was zijn dood niet geheel onverwacht. Het vermoeden ligt voor de hand,
dat een wankelende gezondheid hem bewoog het voorgenomen huwelijk
zijner jongste dochter te verhaasten; het is namelijk bewezen,
dat dit met allen spoed gesloten werd en de vereischte vergunning
der geestelijke overheid niet werd afgewacht. Met het oog op het
aanstaand huwelijk werd waarschijnlijk het testament ontworpen,
waarin Judith goed bedacht werd; het is een wijziging geweest
van vorige beschikkingen, want alle voorafgaande worden herroepen;
Shakespeare had ongetwijfeld reeds vroeger gezorgd, dat zijn grondbezit
bijeenbleef. De zaak bleef toen een poos rusten, tot een plotselinge
verergering in den toestand van Shakespeare tot haastig bekrachtigen
van het testament drong. Dit is namelijk niet in het net geschreven,
maar in het eerste ontwerp is de dagteekening veranderd en zijn enkele
bepalingen tusschen de regels ingelascht, waarna de onderteekening
door den erflater en de getuigen gevolgd is. Het waarschijnlijkst is,
dat hij herhaaldelijk door kwaadaardige koortsen van typheuzen aard
bezocht werd, die zijn oorspronkelijk krachtig gestel sloopten;
de straat, waarin hij woonde, _Chapel street_, kan er aanleiding
toe gegeven hebben; want er waren stilstaande poelen en goten in,
en ook van een zwijnekot wordt gewag gemaakt; de gezondheidsleer was
toen ter tijd niet zoo ver gevorderd, dat men den verderfelijken
invloed van zulk een toestand inzag. Anderhalve eeuw later, in
1768, toen een Shakespeare-Jubileum gevierd werd, noemde Garrick,
de beroemde tooneelspeler, Stratford de smerigste, onaanzienlijkste,
slechtst bestrate, erbarmelijkste landstad in Brittanje. Uit de
aanteekeningen van zijn schoonzoon, den als arts hooggeroemden Hall,
is niets aangaande zijn ziekte bekend geworden [54].
Zijn testament daarentegen kennen wij; het zoo even reeds genoemde
ontwerp, op drie bladen papier geschreven, is bewaard gebleven;
het draagt op ieder van deze Shakespeare's handteekening en op de
derde bovendien de woorden _by me_ "door mij"; zijn deze twee woorden
van Sh.'s hand, dan zijn zij, met een zevental handteekeningen op
officiëele stukken, het eenige schrift, dat wij van hem bezitten;
zijn naam is op zeer onzekere en onduidelijke wijze geschreven,
hetzij doordat zijn hand verzwakt, hetzij dat hij bedlegerig was
en zich moeilijk kon oprichten. Het testament bevat een menigte
bepalingen om te zorgen, dat zijn door noeste vlijt verworven
vermogen, met name het grondbezit, bijeenbleef; daartoe werd verreweg
het grootste deel aan zijn oudste dochter, Susanna Hall, vermaakt,
terwijl de jongste, Judith, met een uitkeering, die intusschen vrij
belangrijk was, tevreden moest zijn. De aanhef luidt: "In den name
Gods, Amen! Ik, William Shackspeare van Stratford aan den Avon in het
graafschap Warwick, gentleman, in volkomen gezondheid en bewustheid
(_memorie_), God zij geloofd! maak en verorden dezen mijn uitersten
wil en testament op de volgende wijze; namelijk, ik beveel mijne ziele
in de handen van God mijnen Schepper, hopende en zekerlijk geloovende,
door de eenige verdienste van Jezus Christus mijnen Heiland het eeuwig
leven deelachtig te worden, en mijn lichaam aan de aarde, waaruit
het genomen is." In de eerste plaats wordt nu zijn dochter Judith
genoemd [55]; haar wordt vooreerst 150 pond vermaakt, namelijk 100
als huwelijksgift, die haar binnen 't jaar moest uitgekeerd worden
met interest, berekend tegen 10 percent 's jaars, en 50, als zij
ten behoeve van haar zuster Susanna afstand deed van haar aandeel
in een nader aangewezen boerderij; vervolgens moest aan haar of aan
haar kinderen drie jaar na de dagteekening van het testament (zoo
staat er, vreemd genoeg, in plaats van "na mijn overlijden") eveneens
150 pond uitbetaald worden, waarvan zij inmiddels reeds de rente zou
genieten. Mocht zij vóór den afloop van drie jaren kinderloos sterven,
dan was 100 pond er van bestemd voor Sh.'s kleindochter, Elizabeth
Hall, de overige 50 werden vastgezet voor zijn, met den hoedenmaker
Hart, gehuwde zuster Johanna, aan wie levenslang de rente betaald zou
worden; na haar dood was de som onder haar kinderen gelijkelijk te
verdeelen. Zoo Judith de drie jaren overleefde, moesten de 150 pond
voor haar vastgezet, haar de rente levenslang uitgekeerd en later de
som onder haar kinderen verdeeld worden; doch als haar man aan haar
en haar kinderen de inkomsten van landerijen ter waarde van 150 pond
naar het oordeel der executeuren behoorlijk verzekerde, zou aan hem
de som uitgekeerd worden. Verder werd zijn zuster Johanna Hart met 20
pond en met zijn kleederen bedacht en met het vruchtgebruik van het
huis, dat zij bewoonde, tegen betaling van tien stuivers jaarlijks;
elk harer drie zoons ontving vijf pond. Dan volgen kleinere legaten:
zijn zilverwerk vermaakte hij aan zijn kleindochter Elizabeth Hall,
behalve zijn groote zilveren vergulde kom; verder 10 pond aan de armen
van Strafford, zijn zwaard aan Thomas Combe, 5 pond aan Thomas Russell,
ruim 13 pond aan Francis Collins van Warwick; verscheiden legaten,
elk van 26 shillings en 8 stuivers, om een ring te koopen, aan Hamlet
Sedler, aan William Raynoldes, aan zijn kunstgenooten (_my fellows_)
John Hemynges, Richard Burbage en Henry Cundell, aan Anthony Nash en
aan Mr. John Nash; alsmede 20 shillings in goud aan zijn petekind
William Walker. Hierop komt eindelijk de voornaamste beschikking:
hij laat al zijn grondbezit, zijn woning _New Place_, zijn huizen,
schuren, landerijen, in Strafford aan den Avon, Oud-Stratford,
Bushopton en Welcombe, zoo mede zijn huis in Londen bij Blackfriars,
bewoond door John Robinson, en verdere landerijen enz., waar ook
gelegen, aan zijn dochter Susanna Hall voor haar geheele leven en na
haar dood aan haar oudsten zoon en diens manlijke afstammelingen,
en zoo die er niet zijn, aan haar tweeden zoon en diens manlijke
afstammelingen enz., en bij ontstentenis van deze aan zijn kleindochter
Elizabeth Hall en haar manlijke afstammelingen, en bij ontstentenis
van deze aan zijn dochter Judith en haar manlijke afstammelingen,
en bij ontstentenis van deze aan zijn wettige erven. Hierop volgt:
"_Item_, ik geef aan mijn vrouw mijn op één na 't beste bed met
toebehooren" [56]. Evenzoo geeft hij aan zijn dochter Judith zijn
groote zilveren vergulde kom. Eindelijk worden al zijn overige
bezittingen, kostbaarheden, huisraad, wat ook, na afbetaling van
legaten, schulden en begrafeniskosten, aan zijn schoonzoon John Hall
en zijn dochter Susanna Hall toegekend en deze ook tot executeurs van
zijn laatsten wil en testament benoemd. Thomas Russell esq. en Frauncis
Collins gent. worden aangewezen als _overseers_, dus om toe te zien,
dat deze uiterste wil naar eisch wordt uitgevoerd. Hierop volgt dan de
onderteekening. Als getuigen teekenden vooreerst Fra. Collyns, verder
Julius Shawe, John Robinson, Hamnet Sadler [57], Robert Whattcott.--Een
onderschrift bewijst, dat alleen John Hall als executeur is opgetreden,
en het testament, benevens een inventaris der goederen, naar behooren
overgelegd en bezworen heeft op 22 Juni van het jaar 1616.--De genoemde
Francis Collins was een rechtsgeleerde (_sollicitor_) uit Warwick;
vermoedelijk was aan hem het stellen van het testament opgedragen.
Ongetwijfeld heeft geen zinsnede in het testament zoo de aandacht
getrokken als die, waarin hij aan zijn vrouw zijn op één na 't beste
bed vermaakt. Men heeft geoordeeld, dat zij hiermede erg kaal werd
afgescheept. Doch ten onrechte. Hij behoefde voor zijn vrouw niet te
zorgen; door de wet, die aan Shakespeare beter bekend was dan aan
velen van zijn verklaarders, ontving zij genoeg. Van al de huizen
en landerijen, die zijn volle eigendom, zoogenaamd _freehold_,
waren, trok zij levenslang een derde der inkomsten, en de woning
New Place, met schuren en ruimen tuin, het huis in Henley street,
de landerijen onder Old Strafford en elders leverden haar zeker meer
dan het noodige op. Shakespeare verlangde, dat zijn goederen bijeen
bleven, en waakte op de in Engeland gebruikelijke wijze tegen alle
versnippering; hiertoe werden ook zijn huisraad en zijn kostbaarheden
aan zijn oudste dochter en haar echtgenoot vermaakt. Het beste bed,
dat meest voor bezoekers bestemd werd, werd waarschijnlijk een zoo
belangrijk deel van den inboedel gerekend, dat het als familiebezit
van het overige huisraad niet gescheiden werd en steeds van vader op
zoon overging. Was dit inderdaad het geval, dan was het op één na 't
beste bed geen gering legaat te achten, vooral niet, als niet enkel
het bed, maar ook het ledikant bedoeld is, want deze meubels waren
dikwijls keurig afgewerkt en met snijwerk versierd. Bovendien werden
in dien tijd allerlei voorwerpen aan nabestaanden vermaakt, zooals
ketels, stoelen, mantels, hoeden, tinnen kroezen, vergiettesten, veeren
kussens. In het jaar 1642 achtte zekere John Shakespeare van Budbrook,
nabij Warwick,--geen familie van den dichter,--zich behoorlijk van
zijn plicht der dankbaarheid jegens zijn schoonvader te kwijten,
door aan dezen "zijn beste laarzen" te vermaken.
Men heeft dus alle recht om aan te nemen, dat Shakespeare alleen
daarom geen meerdere goederen aan zijn vrouw vermaakt heeft, omdat
er alreeds op andere wijze, door de Engelsche wet namelijk, voldoende
voor haar gezorgd was. Wil men een ander voorbeeld van een dergelijke
handelwijze, dan kan Sir Thomas Lucy dit leveren; deze liet in 1600
bij uitersten wil aan zijn zoon zijn op één na 't beste paard na, doch
geen land, omdat hij volgens belofte op land van zijn schoonvader kon
rekenen. Nog beter voorbeeld vindt men in het testament van David
Cecil, Esq., den grootvader van den bekenden Lord Burleigh; daar
leest men: "Item--het is mijn wil, dat mijn vrouw al het zilverwerk
zal hebben, dat zij had vóór ik haar trouwde; en twintig koeien en een
stier." [58] Het zal zijn wil niet geweest zijn, dat zij niets dan melk
en rundvleesch van haar zilveren schotels zou eten; het legaat kwam bij
het aandeel, of liever vruchtgebruik, dat de wet haar toekende. Toch
is het opmerkelijk, dat in het eerste ontwerp van Shakespeare's
testament zijn vrouw niet voorkomt.--Evenzoo verdient de aandacht,
dat geen enkel lid der familie Hathaway genoemd wordt, evenmin als
eenig dichter of schrijver, zelfs Ben Jonson niet; eindelijk dat van
boeken of papieren volstrekt geen gewag wordt gemaakt. Waarschijnlijk
was Shakespeare door typheuze koortsen zeer verzwakt.
Of Shakespeare's weduwe bij haar kinderen, Susanna en Dr. Hall, is
blijven wonen, en of deze misschien reeds vroeger, bij huns vaders
leven, in New Place hun intrek hadden genomen, is onbekend. Zij
overleefde haar man zeven jaren en stierf 6 Augustus 1623, in den
ouderdom van zeven-en-zestig jaren; zij werd dicht bij haar echtgenoot,
in het koor der kerk, begraven.
Hoeveel zorg Shakespeare ook gedragen had, dat zijn bezittingen
bijeenbleven en zijn geslacht in zijn geboortestreek zou voortleven,
zijn pogingen zijn ijdel gebleken. Zijn dochter Susanna overleefde
haar echtgenoot John Hall, die in 1635, zestig jaar oud, stierf; zij
overleed, zes-en-zestig jaar oud, in 1649. Elizabeth Hall, in Sh.'s
testament genoemd, is het eenig kind harer ouders gebleven; zij was
in 1626 met Thomas Nashe gehuwd, die in 1647 stierf; zij hertrouwde
in 1649 met een weduwnaar, John Barnard doch bleef kinderloos, en
stierf in 1670.--Zijn dochter Judith, gehuwd met Thomas Quiney, een
wijnhandelaar, wien het in de wereld aanvankelijk goed, doch later,
van 1630 af, lang niet voordeelig ging, heeft haar drie kinderen,
allen zoons, overleefd; de oudste, Shakespeare genoemd, stierf
binnen 't jaar, de twee anderen, toen zij 20 en 19 jaren oud waren;
zijzelf overleed in Februari 1662. In minder dan vijftig jaren na
Shakespeare's dood was zijn laatste afstammeling gestorven.--Alleen
in de afstammelingen zijner zuster Johanna, wier echtgenoot, William
Hart, weinige dagen voor Shakespeare gestorven was, bleef zijn geslacht
leven.--Van Elizabeth Hall, gestorven als weduwe Barnard, weten wij zoo
goed als niets. Wat er na haar dood met de vroegere eigendommen van
den grooten dichter gebeurde, behoeft hier niet nagegaan te worden;
alleen zij vermeld, dat zoowel het huis van Shakespeare's vader,
waar de dichter menig jaar zijner jeugd heeft doorgebracht, als
het erf met de grondvesten zijner eigen woning, _New Place_, thans
aan de gemeente Stratford behooren, het eerste sinds geruimen tijd,
het laatste door de goede zorgen van Mr. Halliwell, sedert 1862.
Korten tijd na Shakespeare's overlijden, ongetwijfeld vóór 1623, het
jaar der uitgave van zijn gezamenlijke werken [59], werd in de kerk,
aan den linker- of noordermuur van het koor, tegen het dichtgemetselde
tweede venster, een gedenkteeken voor hem aangebracht, misschien door
de zorg van zijn schoonzoon Hall. Zijn borstbeeld, levensgroot, van
zachten steen gehouwen, is daar geplaatst in een nis, waarboven zijn
wapen zich verheft, terwijl op het voetstuk een tweeregelig Latijnsch
en een zesregelig Engelsch vers gebeiteld zijn. Het eerste verklaart,
dat hem, die in wijsheid een Nestor, in geest een Socrates, in kunst
een Vergilius was, de aarde bedekt, het volk betreurt, de Olympus
bezit. Het tweede roept den wandelaar toe, niet voorbij te ijlen,
maar te lezen, wie door den boozen dood in dit monument geplaatst is,
Shakespeare, met wien de natuur zelf stierf, wiens naam meer dan alle
praal zijn tombe versiert, daar al wat hij geschreven heeft, toont, dat
de levende kunst slechts dienstbaar was aan zijn geest. Hieronder wordt
vermeld, dat hij stierf in het jaar onzes Heeren 1616, in zijn 53ste
jaar, op 23 April. Het beeld zelf, dat het geheele bovenlijf voorstelt,
heeft vóór zich een kussen, waarop een blad papier ligt, dat door de
linkerhand half bedekt wordt; de rechterhand, die een pen vasthoudt,
rust niet op het papier, maar op het kussen. Het gelaat is over 't
geheel welgevormd, doch het benedengedeelte eenigszins zwaar; er is
weinig uitdrukking in, al is de mond tot een glimlach geplooid. Het
borstbeeld is alzoo lang geen meesterstuk; toch verdient het zeer
de aandacht, daar het kort na Shakespeare's overlijden geplaatst
is geworden, toen velen, die den dichter persoonlijk gekend hadden,
over de gelijkenis konden oordeelen. Het is dus waarschijnlijk, dat
dit oordeel niet ongunstig was. Bovendien is er veel reden om aan te
nemen, dat bij de bewerking van dit beeld een gipsafgietsel, van een
lijk afgenomen, als model gediend heeft; verscheiden beeldhouwers
en schilders van naam zijn na nauwkeurig onderzoek tot dit besluit
gekomen; vooral het benedenste gedeelte van het gelaat kan dit
aanwijzen. Wanneer men nu niet wil beweren, zooals wel geschied is,
dat de beeldhouwer zich heeft moeten behelpen met een afgietsel op
het gelaat van een ander persoon, die veel op Shakespeare geleek,
dan ligt het voor de hand aan te nemen, dat van Shakespeare's
gelaat kort na zijn dood een afgietsel genomen is en dat dit bij het
vervaardigen van het borstbeeld gediend heeft. Als maker er van wordt
door Dugdale Gerard Johnson genoemd, die eigenlijk Gerard of Gerrit
Jansen heette; hij was een Hollander, uit Amsterdam; in 1614 heeft
hij ook het grafteeken van John Combe, met Shakespeare wel bekend
(zie boven blz. 77), vervaardigd.--Oorspronkelijk was het borstbeeld
beschilderd: oogen lichtbruin, haar en baard rosachtig bruin, wangen
blozend, onderkleed met mouwen, scharlakenrood, overkleed zwart, hals-
en handkragen wit, bovenvlak van het kussen groen (het papier wit),
ondervlak karmozijn; randkoord en kwasten verguld. Op het laatst
der vorige eeuw werd het, dwaas genoeg, gewit, doch in 1824 is de
oorspronkelijke kleur weder te voorschijn gebracht en hersteld.
Behalve het borstbeeld bezitten wij nog een afbeelding van Shakespeare
in de kopergravure van Martin Droeshout, welke geplaatst is voor de
folio-uitgave zijner gezamenlijke tooneelwerken, van 1623; zij is ook
in de volgende drie folio-uitgaven van dezelfde plaat afgedrukt. Er
staat een vers tegenover van Ben Jonson, waarin verklaard wordt,
dat de graveur met de natuur een strijd had aangegaan om het leven
te overtreffen, en dat, als hij even goed Shakespeare's geest had
kunnen afbeelden, als hij zijn gelaat getroffen had, zijn prent alles
zou overtreffen, wat ooit in koper gegrift was. Jonson verklaart dus,
dat er gelijkenis bestaat. De graveur heeft zeker getracht het hooge
fraai gewelfde voorhoofd, de schoone oogen, den regelmatigen neus,
den fraai gevormden mond nauwkeurig na te bootsen, maar het is hem
niet gelukt een goed geheel te leveren; ja, de afbeelding van het
voorhoofd is zelfs geheel mislukt. Toch moet, zoo men het portret
nauwkeurig nagaat en bij herhaling beziet, mijns inziens erkend
worden, dat het, hoe gebrekkig de uitvoering ook zij, wellicht van
het wezen des dichters trekken genoeg teruggaf, om Jonson's betuiging
eenigermate te rechtvaardigen. Vergelijken wij het met het borstbeeld
van Stratford, dan vinden wij eenige overeenstemming, met name in het
hooge, gewelfde voorhoofd, dat door kaalheid nog iets hooger wordt, in
het lange haar, dat over de ooren gekruld is, en nog in enkele andere
bijzonderheden; doch het borstbeeld verschilt zeer door den vorm van
den neus,--misschien heeft de beeldhouwer daar toevallig wat te veel
van het zachte gesteente weggenomen,--door de zeer regelmatig gebogen
wenkbrauwen, die aan de geschilderde wenkbrauwen van vele poppen doen
denken, door den vorm van den mond en in enkele andere opzichten. De
verschillen laten zich wel verklaren; als de beeldhouwer aan de
ingevallen trekken van het lijk leven heeft willen verleenen, het
gelaat wat voller heeft gemaakt, den mond tot een glimlach gevormd,
de oogen geopend en de wenkbrauwen iets opgetrokken, is het niet
te verwonderen, dat het borstbeeld een anderen indruk maakt dan
de gravure, al zijn beide naar één model genomen. Portretten, naar
denzelfden persoon door verschillende, zelfs zeer bekwame teekenaars
geschilderd, kunnen onderling groote afwijkingen vertoonen. En men
vergelijke eens de portretten van Napoleon met het gipsafgietsel,
op het gelaat van zijn lijk afgevormd!
Het borstbeeld en de gravure zijn de eenige afbeeldingen, van welke
men zeker weet, dat zij Shakespeare moeten voorstellen. Er zijn
verscheiden geschilderde portretten van personen met hoog voorhoofd,
die voor afbeeldingen van Shakespeare doorgaan; het bekendste is het
portret, eens in het bezit van den hertog van Chandos, thans in de
nationale schilderijenverzameling (_National gallery_). Doch van geen
enkel is de echtheid te bewijzen.
Hetzelfde moet gezegd worden van een gipsafgietsel, waarvan men
beweert, dat het op het gelaat van den gestorven Shakespeare kan
of moet gevormd zijn. Naar bericht wordt, werd het in 1848 door den
schilder Louis Becker, die ijverig verzamelaar van kunstwerken en zelf
zeer handig was in het maken van gipsafgietsels, bij een uitdrager
in Mainz onder ouden rommel gevonden en aangekocht. In 1849 gaf
Becker het afgietsel aan Prof. Richard Owen te Londen in bewaring;
hij vertrok naar Australië, maakte er deel uit van de expeditie van
Wills en Burke, en vond er met dezen in 1861 den dood. Het berustte
tot 1865 onder Owen; toen het bericht van Becker's dood in Engeland
aankwam, gaf hij het aan den broeder des schilders, Dr. Becker,
terug. Naar Owen's oordeel beantwoordt het afgietsel, met het oog van
den ontleedkundige bezien, zeer goed aan het beeld, dat men zich van
Shakespeare vormen kan; er kleven in den baard eenige roodachtige
haren; deze werden door hem als echte menschenharen erkend. Het
afgietsel is verder onbetwijfelbaar van een lijk afgevormd en draagt
aan de achterzijde in den rand het jaarcijfer 1616, dat blijkbaar in
het nog weeke gips is gegrift; de cijfervormen zijn inderdaad die der
zeventiende eeuw. Het is met olie gedrenkt en heeft dus waarschijnlijk
voor het maken van een afgietsel gediend. Dr. Becker heeft het aan
Herman Grimm ter onderzoeking voorgelegd en uit de woorden van dezen
moge men afleiden, welken indruk het afgietsel op den beschouwer maakt
[60]. "Ik geloofde, bij den eersten blik er op, nooit een edeler
gelaat gezien te hebben. Wat ik in de hand hield, was voor eeuwen
van het gelaat eens dooden afgevormd, en toch riep het zijn laatste
oogenblikken dadelijk voor den geest. In den baard hield het gips
nog eenige van de roodachtige haren vast, die het medegenomen had,
en als pas geplooid deed zich de linnen doek voor, die om den hals
gewonden was; nauwelijks gesloten schenen de oogen. En welke holten
waren het, waarin zij lagen; welk een zuiver, edel beloop van den
gebogen neus; welk een wondervolle vorm van het voorhoofd! Ik gevoelde,
dat dit een mensch geweest moest zijn, in wiens brein edele gedachten
woonden. Ik vroeg. Men zeide mij de achtervlakte van het afgietsel
te beschouwen. Daar was in den rand, in cijfers der zeventiende eeuw
ingegrift Ao Dm 1616. Ik wist van niemand anders, die in dit jaar
stierf dan van den eenen, die in hetzelfde jaar geboren werd, waarin
Michelangelo stierf, 1564--Shakespeare" [61].
Het afgietsel komt in verschillende bijzonderheden meer met de
gravure van Droeshout dan met het borstbeeld in de kerk te Stratford
overeen. Dit laatste verschilt er van door de meerdere gevuldheid
van het gelaat, den korten neus en de zeer breede bovenlip. Wil
men aannemen, dat het in Mainz gevonden afgietsel den maker van het
borstbeeld tot model gediend heeft, dan is het zeer te betreuren, dat
hij het origineel niet beter heeft kunnen nabootsen. De mogelijkheid,
dat het afgietsel echt is, kan natuurlijk niet ontkend worden; en
wanneer de buste inderdaad door Gerard Jansen of een zijner vijf zonen
vervaardigd is, is het ook zeer wel denkbaar, dat het afgietsel zijn
weg naar Holland en van daar, Rijnopwaarts, naar Duitschland gevonden
heeft. Doch alleen de mogelijkheid is toe te geven, alle gronden
om deze gissing waarschijnlijk te maken ontbreken [62]. Zeker is het
jammer, dat het borstbeeld en de gravure de schoonheid van het te Mainz
gevonden afgietsel niet bezitten, en er niet volkomen op gelijken;
doch men moet het zich getroosten, de wezenstrekken van Shakespeare
niet naar wensch te kennen, en neme hiertoe de woorden ter harte,
waarmede Ben Jonson zijn tienregelig vers op de gravure besluit,
dat zijn geest niet af te beelden was en dat men dus liever niet op
zijn portret moet turen, maar in zijn boek moet lezen.
Het boek, dat Jonson bedoelt, is de gezamenlijke uitgave van
Shakespeare's tooneelwerken, de folio van 1623, de grootsche
nalatenschap, die door Shakespeare's vrienden en oude kunstgenooten,
Heminge en Condell, beiden ook in zijn testament genoemd, voor de
wereld behouden is gebleven. Men is hun grooten dank schuldig, want
zonder hun bemoeiingen zouden vele van Sh.'s meesterstukken voor immer
zijn verloren gegaan, verscheiden andere alleen in minder volkomen vorm
tot ons gekomen zijn [63]. Zij hebben op dezen dank te meer aanspraak,
omdat zij, naar allen schijn, niet uit eigenbaat maar om de eere des
grooten dichters hoog te houden, deze taak op zich namen.
Met de beschouwing van den vorm en den toestand, waarin Shakespeare's
dramatische nalatenschap tot ons gekomen is, worde dit overzicht over
zijn leven en werken besloten.
Verreweg het grootste gedeelte der titelbladzijde wordt ingenomen door
de reeds besproken beeltenis, gegraveerd door Martin Droeshout. De
titel staat er boven:
Mr. WILLIAM
_SHAKESPEARES_
COMEDIES
HISTORIES &
TRAGEDIES.
Published according to the True Original Copies.
Beneden het afbeeldsel staat:
London,
Printed by Isaac Iaggard, and Ed. Blount. 1623.
Tegenover den titel staat het vers van Ben Jonson, "Aan den Lezer",
waarin hij het portret als welgelijkend roemt, doch den lezer vooral
naar het boek verwijst.
Op den titel volgt de nederig gestelde toe-eigening:
"Aan het hoogst edel en onvergelijkelijk broederpaar, William, Graaf
van Pembroke, en Philip, Graaf van Montgomery". Een paar zinsneden
moeten aan deze opdracht ontleend worden: "Uwe edelheden hadden
zooveel behagen in de afzonderlijke stukken, als zij gespeeld werden,
dat reeds vóór zij het licht zagen, het boek vroeg, aan u te mogen
toebehooren. Wij hebben ze slechts bijeenverzameld en den doode den
liefdedienst bewezen, van aan zijn weezen voogden te verschaffen,
geenszins uit verlangen om zelf voordeel of roem te verwerven,
maar alleen om het aandenken van zulk een treffelijken vriend en
kunstgenoot, als onze Shakespeare was, levendig te houden, door zijn
tooneelwerken eerbiedig aan uw hoogstedele bescherming aan te bieden."