IEMAND MET AANPASSINGSVERMOGEN.

Onder de vogels is er één, wiens uiterlijk voorkomen bezig is

een snelle verandering te ondergaan. Hij is in zijn tegenwoordige

bestaan teekenend voor een proces dat historisch welbekend is aan alle

biologen, te weten: de vormwijziging die voortkomt uit een veranderde

omgeving. Ik spreek van den gouden specht, den "flicker"; misschien de

mooist geteekende vogel van het Noorden, wiens namen even verscheiden

zijn als zijn gewoonten en kundigheden.

De natuur had hem er toe bestemd op dezelfde wijze aan voedsel te

komen als de andere spechten, door in oude boomen en boomstompen naar

de insecten te boren die van het vermolmde hout leven. Voor dat doel

gaf ze hem den rechten, scherpen, wigvormigen snavel, er juist op

berekend om houtspaanders uit te hakken, de zeer lange tong met een

hoornen tipje om in de gaten te steken die hij maakt, de eigenaardige

plaatsing van de teenen: twee naar voren en twee naar achteren, en de

stijve, stugge staartveeren om zich onder 't werken tegen den kant van

een boom te steunen. Maar zijn kost op die wijze verdienen beteekent

hard werken, en hij heeft voor zichzelf een veel gemakkelijker manier

ontdekt. Je kunt hem nu telkens op den grond verrassen in oude weiden

en boomgaarden, waar hij nog al onbeholpen rondfladdert (want zijn

pootjes waren nooit bedoeld om er mee te loopen) op jacht naar de

krekels en sprinkhanen, waarvan het daar wemelt. Maar toch vindt hij

't werk om ze te vangen veel gemakkelijker dan in droge, oude boomen

te boren, de insecten zelf veel grooter, en ze loonen de moeite meer.

Een enkele blik zal aantoonen hoeveel die nieuwe leefwijze hem van de

andere spechten heeft doen afwijken. De snavel is niet meer recht maar

heeft een duidelijke bocht, zooals van de lijsters, en in plaats van

het wigvormige uiteinde is er een afgeronde punt aan. De roode kuif op

zijn kop, een kenmerk van de heele spechtenfamilie, zou op den grond

te veel in 't oog vallen. In plaats daarvan vinden we, goed laag in den

nek en gedeeltelijk door de korte, grijze veeren er omheen verscholen,

een rood half maantje. De punt van de tong is minder hoornachtig, en

uit de stijve punten van de staartveeren beginnen baarden te groeien

die ze meer op die van andere vogels doen lijken. Een volgend geslacht

zal zich stellig afvragen waar deze eigenaardige lijstersoort haar

ongewone tong en staart vandaan heeft, zooals wij ons verbazen over

de mismaakte pootjes en de wonderlijke manieren van den koekoek.

De gewoonten van dezen vogel zijn een eigenaardig mengelmoes van

zijn oude leven in de bosschen en zijn nieuwe voorkeur voor het open

veld en boerderijen. Soms zit het nest heelemaal in 't hartje van

het woud, waar de vogel in- en uitglipt, stil als een kraai in den

nesteltijd. Het terrein waar hij zijn eten haalt kan dan best een

vroegere weide op wel een halve-mijls afstand zijn, waar hij luidkeels

roept en zoo uitgelaten ronddartelt, alsof hij nooit zorg of angst in

de wereld had. Maar nu zit het nest veel vaker in een wilden bongerd,

waar de vogel een oude holte in een boom ontdekt en diep in het zachte

hout naar beneden graaft, zoodat hij met heel weinig moeite een diep

nest klaar krijgt. Als de ligging van het gat niet goed is, vindt hij

een grooten, verganen tak en boort het buitenste, harde omhulsel door,

graaft dan een centimeter of dertig of meer in het zachte hout en maakt

een nest. In dit nest heeft hij nooit last van den regen, want hij

boort den ingang met voorbedachten rade aan den onderkant van den tak.

Als veel andere vogels heeft hij ontdekt dat de boer zijn vriend is. Af

en toe verzuimt hij daarom een diep nest te maken, door eenvoudig

een oud boomgat uit te hollen, zich op de tegenwoordigheid van den

mensch verlatend voor bescherming tegen haviken en uilen. Bij zulke

gelegenheden leert de vogel al heel gauw wie er bij den boomgaard

hooren, en verliest hij de overgroote schuwheid die hem overal elders

kenmerkt.

Eens noodigde een boer, mijn belangstelling in vogels kennend, me

uit om een gouden specht te komen kijken, die in haar vertrouwen

zoo'n ondiep nest had gebouwd dat je ze als een roodborst op de

eieren kon zien zitten. Ze was zoo tam, zei hij, dat hij soms

wanneer hij naar zijn werk ging langs den boom kon komen zonder

haar te verstoren. Hetzelfde oogenblik dat we den muur overkwamen,

binnen den gezichtskring van het nest, glipte de vogel den boomgaard

uit. Omdat we haar op de proef wilden stellen, trokken we ons terug

en wachtten tot ze weer kwam. Toen liep de boer op een afstand van

nog geen paar voet voorbij, zonder dat hij haar ook maar in 't minst

verstoorde. Tien minuten later volgde ik hem, en de vogel vloog weer

weg zoodra ik den muur overkwam.

Het geluid van den gouden specht--met veel meer afwisseling en veel

welluidender dan dat van andere spechten--is waarschijnlijk een gevolg

van zijn nieuwe, vrije leven en de gewijzigde tong en snavel. In de

bosschen hoor je zelden iets anders dan een ratelend ret-e-tet-tet,

als hij aan 't hameren is op een droge, oude dennestomp. In den

regel schijnt hij dit meer te doen voor 't leven dat het maakt en om

zijn krachten te oefenen, dan omdat hij verwacht er insecten in te

zullen vinden, behalve 's winters, als hij tot zijn oude gewoonten

terugkeert. Maar buiten op het veld heeft hij een verscheidenheid van

tonen. Soms is het een luid kie-uk, als de kreet van een blauwe gaai in

twee lettergrepen verdeeld, met den klemtoon op de laatste. Dan weer is

het een luide, verheugde, fluitende roep van heel korte nootjes, die

vlak achter elkaar aanrollen met een klemtoon op elk. Of hij wipt op

't uiteinde van een ouden hekbalk op-en-neer met een vroolijk iekoe,

iekoe, iekoe, dat meer van een lach heeft dan iets anders onder de

vogels. In de meeste van zijn muzikale pogingen zit de gouden specht

zooals andere vogels op den tak, in plaats van zich op zij aan een

boom vast te klampen.

Een eigenaardige gewoonte, die de vogel heeft aangenomen met zijn

toenemende beschaving, is dat hij zich van een slaapgelegenheid

verzekert, beschut tegen de wintersche stormen en kou. Laat in den

herfst zoekt hij een verlaten gebouw en na veel schichtig onderzoek,

om er zich van te overtuigen dat er niemand in is, boort hij door

den eenen kant een gat. Dan heeft hij een behaaglijk plaatsje om te

slapen en genoeg vermolmd hout om er op stormachtige dagen insecten

te vangen. Een koelhuis is een geliefkoosde woonplaats voor hem,

want het warme zaagsel verschaft een mooie gelegenheid om zijn nest

of slaapkamer in te graven. Als een gebouw voor nestelplaats gebruikt

wordt, boort de vogel heel leep den ingang vlak onder den dakrand,

waar hij beschut wordt voor buien en tegelijkertijd niet in 't oog

loopt voor loerende blikken.

Gedurende den winter bewonen verscheiden vogels vaak samen een

gebouw. Ik ken een oude, verlaten schuur, waar 't vorige jaar vijf

van die vogels heel vreedzaam woonden, ofschoon ik nooit precies kon

uitmaken wat ze er overdag uitvoerden. Als je er heel behoedzaam

aankwam, op elk uur bijna van den dag, en op den zijkant van de

schuur bonsde, vlogen er een paar vogels hevig verschrikt uit, die

geen oogenblik ophielden om achter zich te kijken. In 't eerst waren

er maar drie ingangen, maar nadat ik ze een paar keer verrast had

werden er nog twee aan toegevoegd. Om gauwer naar buiten te komen,

als ze alle binnen waren, of eenvoudig om maar gaten te boren, dat

weet ik niet. Soms hebben een paar vogels vijf of zes gaten geboord,

gewoonlijk aan denzelfden kant van 't gebouw.

Twee dingen wekten mijn nieuwsgierigheid ten opzichte van mijn familie

in de oude schuur: wat ze daar overdag uitvoerden, en hoe ze er zoo

gauw uitkwamen als ze opgeschrikt werden. De eenige voor hen mogelijke

manier om er zoo oogenblikkelijk uit te komen schieten als zij deden,

was dat ze er regelrecht uitvlogen. Maar de gaten waren te klein en

geen andere vogel dan een oeverzwaluw zou zoo iets geprobeerd hebben.

Op een dag joeg ik de vogels naar buiten, kroop toen aan den

tegenovergestelden kant onder een vloerbalk door naar binnen en

verschool me in een hoek van de hanebalken zonder daarbinnen iets van

zijn plaats te brengen. Het was een lang gewacht in die oude, stoffige

gelegenheid, voordat een van de vogels terugkeerde. Eerst hoorde ik

hoe er een op het dak ging zitten, toen verscheen zijn kopje voor een

van de gaten, terwijl hij er vlak onder tegen den kant van de schuur

aan zat te kijken en te luisteren voordat hij binnenkwam. Na een paar

minuten krabbelde hij heel voldaan dat er niemand in was naar binnen,

en streek neer in een hoek waar een hoop oud hooi en rommel lag. Hier

begon hij druk te ritselen en rond te scharrelen, als een eekhoorn

in de herfstblaren, waarschijnlijk op insecten uit, ofschoon het te

donker was om precies te zien wat hij uitvoerde. De helft van den tijd

klonk het alsof hij 't hooi wegkrabde, bijna zooals een kip zou hebben

gedaan. Als dat zoo was, moet 't voor zijn beide voorste teentjes

een bitter zwaar werk zijn geweest, doordat de achterste twee onder

de hand altijd dubbel sloegen. Toen ik plotseling tegen den zijkant

van de schuur bonsde, schoot hij als een pijl uit den boog op een van

de gaten af waar hij vlak onder neerkwam, en bleef er zoo steken,

dat het me aan de gekauwde papierballetjes deed denken die jongens

gewoon waren op school tegen het bord te gooien. Ik kon duidelijk den

klop van zijn pootjes hooren, toen hij neerkwam. Met dezelfde beweging

en zonder een oogenblik op te houden dook hij er hals over kop door,

geholpen door een veering van zijn staart, bijna net als een duiveltje

uit zijn doosje springt, maar veel gauwer. Nauwelijks was hij weg,

of er verscheen een andere om hetzelfde programma af te werken.

Ofschoon hij veel schuwer is dan andere vogels op de boerderij, waagt

hij zich dikwijls tot dicht bij het huis en de deur 's morgens vroeg,

voordat er nog iemand op is. Op een voorjaarsmorgen werd ik door een

vreemd, kletterend geluidje gewekt, en toen ik mijn oogen opende was

ik verbaasd een van die vogels in 't kozijn van het open raam te zien

zitten, nog geen vijf voet van mijn hand af. Mijn oogen half sluitend

hield ik me heel stil en keek toe. Vlak voor hem op de latafel stond

een opgezette gouden specht, met vleugels en staart uitgespreid om

het mooie gevederte op zijn voordeeligst te laten uitkomen. Hij

had hem onder 't voorbijvliegen gezien en stond nu heen-en-weer

te hippen langs het kozijn, niet zeker of hij binnen zou komen of

niet. Soms breidde hij zijn wieken uit, alsof hij op 't punt was

om binnen te vliegen, dan keerde hij zijn kop om, om nieuwsgierig

naar mij te kijken en naar de vreemde omgeving, en bang om zich naar

binnen te wagen, poogde hij de aandacht van den opgezetten vogel te

trekken wiens kop afgekeerd was. In den spiegel zag hij zijn eigen

bewegingen herhaald. Tweemaal begon hij heel zachtjes zijn minnelied,

maar hield plotseling op alsof hij verschrikt was. De echo van het

kamertje maakte dat het zoo heel anders klonk dan dezelfde loktoon in

't open veld; het leek wel alsof hij twijfelde aan zijn eigen geluid.

Bijna boven zijn kop aan een klamp in den muur was nog een vogel,

een groote havik, die naar voren hing aan zijn steunpunt, met wijd

uitgespreide vlerken en felle, neerturende oogen, in de ingespannen

houding die een havik aanneemt als hij van een hoogen uitkijkboom

op zijn prooi wil stooten. De specht was op dat oogenblik op 't

punt om zich naar binnen te wagen. Hij had met uitgeslagen wieken

voorovergeleund om op me neer te kijken en er goed zeker van te

zijn dat ik geen kwaad kon, toen hij voor een laatsten blik achter

zich zijn kop had omgedraaid en den havik in 't oog kreeg, die juist

gereed was om zich op hem te storten. Met een ontzet kie-uk tuimelde

hij gewoon van 't kozijn af, en ik ving nog net een glimp van hem op,

toen hij in volle vaart den hoek omschoot.

Wat waren zijn indrukken, vraag ik me af, toen hij op een tak van den

ouden appelboom zat en alles overdacht? Hebben de vogels romantische

verhalen? Wat had hij dan iets veel merkwaardigers gezien dan in

één van die! En hebben ze middelen om ze mede te deelen, zooals ze

hun minnezangen zingen? Wat een merkwaardige geschiedenis kon hij

vertellen, waar gebeurd, van een tooverpaleis vol vreemde wonderen,

van een glimmend stukje lucht dat maakte dat hij zichzelf zag, van

een reus geheel in 't wit met alleen zijn hoofd zichtbaar, van een

betooverde schoone, die haar vleugels in een stomme smeekbede naar den

een of anderen ridder uitstrekte om haar aan te raken en de betoovering

te verbreken, terwijl er boven een felle draak-havik de wacht hield,

gereed om iedereen op te eten die zou durven binnenkomen!

En natuurlijk wou niemand van de vogels hem gelooven. Hij zou de rest

van zijn leven moeten doorbrengen met uitleg-geven en de andere zouden

slechts fluiten en hem Jago [13] den leugenaar noemen. Wel beschouwd

zou 't maar beter voor den vogel met zoo'n ongewone ervaring zijn om

erover te zwijgen.

Het Boschvolkje · 第 16 / 19 题