HET GEHEIM VAN HET MEESJE.

Wanneer je in Mei een meesje aantreft met een plukje konijnenhaar

in zijn bek, of als het aandachtig ergens mee bezig, geheel van

iets vervuld lijkt, kun je er zeker van zijn, dat het bezig is een

nest te bouwen, of vrouw en kinderen in de buurt heeft om voor te

zorgen. Als je het goed kent, gebeurt het misschien wel dat je je

gegriefd voelt, omdat het vriendje, dat je kamp met je deelde en den

vorigen winter aan je tafel kwam eten, dit voorjaar even vrijpostig

scheen en je toch nooit naar zijn kampplaats uitnoodigde, je er soms

zelfs van wegleidde. Maar het zachte nestje in het oude boomgat is

het eenige geheim in een meezenleven; en de bedriegerijtjes waarmee

hij het tracht te bewaren zijn soms zoo kinderlijk, zoo doorzichtig,

dat ze zelfs nog meer belangstelling wekken dan zijn vertrouwlijkheid.

Op een middag in Mei liep ik eens zonder geweer te jagen bij een oude,

verlaten hoeve tusschen de heuvels--een van die zonnige plaatsen

waar de vogels van houden, omdat er iets van de menschelijke wezens

die er eens woonden nog over de halfverwilderde landen waart en er

iets beschermends aan geeft. De dag was warm en zonnig. De vogels

waren overal en schoten van de dennenboschjes naar de berken, in de

volle vreugde van het nestelen, en vervulden de lucht van leven en

melodie. Het jagen geeft niet veel als je op zoo'n tijd rondgaat. Of

de jager, òf zijn wild moet rustig zijn. Hier repten de vogels zich

onophoudelijk; ik kon meer van hen en hun gewoonten zien door me

eenvoudig stil en onzichtbaar te houden.

Ik ging aan den zoom van een dennenboschje zitten en werd zooveel

mogelijk een deel van de oude stomp die me tot zitplaats diende. Vlak

voor me slingerde zich een oud hek, vier balken hoog, over de

verlaten wei, worstelend tegen de braamranken die in overvloed er

omheen groeiden, en 't leek wel of ze aan den ondersten balk rukten

om de oude omheining naar beneden te trekken, tot ze 't ondersteboven

lag. Aan weerskanten verdween ze in boschjes van berken en eiken en

sparren, evenals de rankende bramen door vogels daar gezaaid, die

een poosje op het oude hek waren blijven zitten om uit te rusten,

of om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Forsche, jonge boomen

hadden het op zij gedrongen en gebroken. Hier en daar was een scheeve

post met kamperfoelie geheel begroeid. De balken waren grijs en met

mos bedekt. De natuur deed al haar best om er een onderdeel van het

landschap van te maken; het zou niet heel lang zijn eigen karakter meer

kunnen bewaren. 't Wilde boschvolkje had het al lang in bezit genomen,

ofschoon nog niet zoo geheel als ze het de ranken en boomen deden.

Terwijl ik daar zat liet er zich een roodborst uit den top van een

jongen ceder, waar hij een oogenblik te voren zijn bruidsliedje nog

zat te oefenen, op neervallen. Hij was niet van zins er te gaan zitten,

maar nieuwsgierigheid, even doelloos als de mijne, deed hem even op den

ouden grijzen balk poozen. Toen liet een specht zich tegen den kant

van een post neer en onderzocht dien zachtjes. Maar hij was te kort

bij den grond, te dicht bij zijn vijanden om leven te maken--vloog

dus naar een hooger tak, en sloeg een roffel dat de bosschen er van

weerschalden. Daar zat hij veilig en kon net zooveel leven maken als

hem behaagde. Een boschmuis bewoog de ranken en verscheen even op den

ondersten balk; toen verdween ze, alsof ze hevig geschrokken was dat

ze zich zoo maar in den zonneschijn vertoond had. Zoo doet zij altijd

bij haar eerste verschijning.

't Duurt niet lang of een roode eekhoorn schiet uit het boschje

aan den linkerkant, rept zich langs de balken en de posten op en

neer. Hij gaat als een kleine, roode wervelwind, ofschoon hij niets

ter wereld heeft om zoo'n haast voor te hebben. Juist tegenover

mijn stomp staakt hij zijn jacht merkwaardig plotseling, snatert,

klakt, scheldt, probeert of ik me ook beweeg, dan gaat hij verder en

verdwijnt met dezelfde halsbrekende vaart uit 't oog. Een gaai blijft

even stilzitten in een jongen noteboom boven het hek om 't uit te

fluiten van nieuwsgierigheid, alsof ze het al niet vijftig keer eerder

gezien had. Iets wat haar nieuwsgierigheid opwekt blijft altijd nieuw

voor haar. Ze krijscht nu niet; 't is haar nesteltijd.--En zoo den

heelen middag door. Het oude hek wordt een stukje van de bosschen,

en elk dier dat voorbij komt houdt stil om er kennis mee te maken.

Ik droomde me een geschiedenis van de oude heining, toen een meesje

in den den achter me twetterde. Toen ik me omkeerde vloog het over

me heen en ging voor me op het hek zitten. Het had iets in zijn bek;

ik keek dus goed toe om zijn nest te ontdekken, want ik zou het heel

graag eens aan 't werk zien.

't Meesje had nooit blijk gegeven dat het bang voor me was, en ik

meende dat het me nu vertrouwen zou. Maar dat deed het niet. Het wou

niet naar zijn nest toegaan. In plaats daarvan begon het op den ouden

balk heen en weer te hippen en net te doen of het heel naarstig op

de insectenjacht was.

Even later verscheen zijn wijfje en met een scherp geluid riep het haar

naast zich. Toen hipten en twetterden beide vogels op den balk heen

en weer, en er was blijkbaar niets ter wereld dat hun zorg gaf. Vooral

het mannetje leek net in een stemming om pret te maken. Het dribbelde

den mossigen balk op en neer, het draaide er omheen, tot het veel had

van een klein, grijs vuurraadje; het hing met 't kopje naar beneden

aan zijn teenen, liet zich vallen en draaide zich als een kat om,

zoodat het op zijn pootjes op den balk er onder neerkwam. Terwijl ik

op deze vertooning lette, had ik nauwelijks gemerkt dat zijn wijfje

verdwenen was, tot ze plotseling naast hem op den balk weer voor den

dag kwam. Toen verdween hij, terwijl zij de vertooning op den balk

gaande hield, misschien met drukker getwetter en wat minder kunsten. Na

een poosje waren de beide vogels weer bij elkaar en vlogen de dennen

in, waar ze uit het oog verdwenen.

Ik had ze bijna vergeten onder 't gadeslaan van andere vogels, toen

ze weer op den balk verschenen, tien minuten of een kwartiertje

later, en een voorstelling ten beste gaven die weer heel veel van

de vorige had. Dat was bepaald ongewoon, en ik bleef zitten, heel

rustig, vol belangstelling, ofschoon eenigszins in de war gebracht,

en een beetje teleurgesteld dat ze niet naar hun nest waren gegaan. Ze

hadden beide keeren dat ze op den balk verschenen 't een of ander in

den bek en waren nu waarschijnlijk bezig nog wat te zoeken--misschien

wel konijnenhaar in den ouden boomgaard. Maar wat hadden ze er mee

uitgevoerd? "Misschien," dacht ik, "hebben ze 't laten vallen om me

beet te nemen." Dat doet het meesje soms. "Maar waarom bleef de eene

vogel dan op den balk? Misschien..." Nu, ik zou eens goed uitkijken.

Toen me die gedachte inviel, verliet ik mijn stomp en begon heel

zorgvuldig de posten van het oude hek te onderzoeken. Het meezennest

zat daar ergens. In den tweeden post aan den linkerkant ontdekte ik

het, een klein gat, waar een knoest was geweest, dat het meesje diep

uitgehold had en met konijnenhaar gevoerd. Het zat mooi verborgen

door de ranken die den ouden post bijna geheel bedekten, en grijs

mos groeide overal om den ingang. Nog nooit had ik zoo'n snoezig

nestje gevonden.

Ik keerde naar mijn stomp terug en ging zoo zitten, dat ik net

het donkere holletje kon zien dat naar het nest leidde. Nu konden

geen andere vogels me boeien, tot de meesjes terugkwamen. Ze waren

er gauw en hipten net als eerst op den balk heen en weer, met een

heel fijnen klank van verbazing even in hun zachte getwetter, dat

ik van houding veranderd was. Dezen keer zou ik me niet beet laten

nemen door gymnastische kunsten, hoe merkwaardig ook. Ik hield

mijn oogen op het nest gericht. Het mannetje ging zeker door met

zijn moeilijkste kunststukken en deed zijn best om mijn aandacht

te boeien, toen ik plotseling zijn wijfje achter den post om zag

glippen en in haar deurtje verdwijnen. Ik kon nauwelijks zeggen of

't een vogel was of niet. Het leek veeleer alsof de wind een plukje

grijs mos bewogen had. Had ze 't langzaam gedaan, dan zou 'k haar

best niet gezien kunnen hebben, zoo weinig was haar zachte grijze

jasje te onderscheiden van het verweerde hout en het mos.

Even later kwam ze weer te voorschijn, wachtte een oogenblik, terwijl

haar kleine kopje uit het gat keek, glipte om den post zoodat 'k haar

niet meer zien kon, en ik kreeg haar weer in 't oog toen ze plotseling

naast het mannetje verscheen.

Toen lette ik op hem. Terwijl zijn wijfje rondsnorde op den bovensten

balk, liet hij zich op den middelsten vallen, hipte langzamerhand naar

één kant, liet zich toen plotseling op den ondersten neertuimelen,

die half om den wingerd verscholen was, en verdween. Ik wendde mijn

oogen naar het nest. Een oogenblik, en daar had je hem--niets dan

een grijs glimpje dat even van achter den post te voorschijn kwam,

alleen om in den donkeren ingang te verdwijnen. Toen hij weer naar

buiten kwam, kon ik maar een flits van hem opvangen, tot hij op den

balk bij me, naast zijn wijfje verscheen.

Nu was hun kleine krijgslist duidelijk. Ze waren teruggekomen van

't verzamelen van konijnenhaar en hadden me onverwachts bij hun

nest aangetroffen. In plaats van drukte te maken en het te verraden,

zooals andere vogels misschien gedaan zouden hebben, streken ze op den

balk vóór me neer en waren zoo gezellig als alleen meesjes dat kunnen

zijn. Terwijl het eene mij bezighield en mijn aandacht in beslag nam,

liet het andere zich naar den ondersten balk tuimelen en gleed er

achter langs voort, dan langs den post naar boven, waar hun nest was,

en langs denzelfden weg terug, met achterlating van zijn bouwstof. Dan

hield het me bezig terwijl het wijfje net zoo deed, en omgekeerd.

Hoe simpel hun toeleg ook was, ik was er in 't eerst door bedrogen

en 'k zou me steeds hebben laten beetnemen, als ik niet wat van

meezengewoonten had afgeweten en 't nest had gevonden toen zij weg

waren. Vogels die gejaagd worden gebruiken de list om iemand van hun

nest weg te lokken. Ik weet het niet, maar me dunkt dat alle vogels

min of meer datzelfde instinct hebben, maar niet één had haar ooit

met zooveel succes op me toegepast als Ch'gee-gee. Wel langer dan

twee uur zat ik daar naast het dennenboschje, terwijl de meesjes

af- en aanvlogen. Soms naderden ze het nest van den anderen kant,

en ik zag ze niet of ving slechts een glimp van hen op misschien,

als ze hun deurtje binnenglipten. Altijd wanneer ze er van mijn

kant heengingen, bleven ze op den balk voor me zitten en voerden hun

vertooninkje op. Langzamerhand werden ze vertrouwlijker en gaven zich

minder moeite om hun bewegingen te verbergen dan eerst. Soms kwam er

maar één en verdween na een kleine voorstelling. Misschien meenden

ze wel dat 'k niet veel kwaad kon, of dat ze me den eersten keer

zoo mooi beet gehad hadden, dat ik niet eens vermoedde hoe ze aan

't nestelen waren. In elk geval, ik deed nooit alsof ik het wist.

Toen de middag kortte en de zon in de dennetoppen gleed, werden de

meesjes hongerig en staakten hun werk tot den volgenden morgen. Ze

pikten tusschen de jonge berkeknoppen toen ik ze verliet, samen druk

en gezellig in de weer om hun avondmaal te zoeken.

Het Boschvolkje · 第 15 / 19 题