Het kerstlied door een koor van frissche kinderstemmen gezongen is
misschien de volmaaktste uitdrukking van den geest van Kerstmis.
Dit geldt vooral van de oude Engelsche en Duitsche kerstliederen, die
naarmate de jaren vlieden steeds lieflijker, heerlijker, volmaakter
uitdrukking van de liefde en het welbehagen worden die ze deden
ontstaan. Toch wordt altijd met kersttijd de herinnering bij me
wakker aan een lied, het lieflijkste van alle, dat voor mij alleen
werd gekweeld door een zanger uit het hooge Noorden, terwijl de wind
in de dennen een zachte begeleiding zoemde.
Ongetwijfeld hebben veel lezers 's winters wel vluchten vreemde vogels
gezien--donzige, grijze gasten, bijna zoo groot als een roodborst,
die met zacht fluitende loktonen over 't gras rondvliegen, of op den
grond aan 't pikken zijn zoo tam en onbevreesd, dat ze ternauwernood
op zij gaan wanneer je aankomt. De snavel is kort en dik, de kop van
achteren en een groote vlek juist boven den staart zijn goudbruin, en
over de vleugels loopen dubbele, smalle, witte strepen. Verder is hij
heelemaal zachtgrijs: donker bovenop en licht van onderen. Wanneer je
er op den grond bespiedt, zul je zien dat ze een eigenaardige manier
van zich voort te bewegen hebben, als de gouden specht in dezelfde
omstandigheden. Soms zetten ze 't eene pootje voor het andere in
een grappig poginkje om deftig te stappen als de lijsters; dan weer
hippen ze als een roodborst, maar veel onhandiger, alsof ze niet
aan loopen gewend waren en niet precies wisten hoe ze hun pootjes
gebruiken moesten--wat dan ook zoo is.
De vogels zijn Parisvogels [14] en zijn ietwat ongeregelde wintergasten
uit het hooge Noorden. Alleen als de koude buitengewoon vinnig is en
de sneeuw dik om de Hudson-Baai ligt, verlaten ze hun nestelplaatsen
om een paar weken in het verlaten Nieuw-Engeland door te brengen als
winterverblijf. Hun toeven is bij ons kort en onzeker. Lang voordat
de eerste blauwborst [15] ons van de oude schutting af verheugd
toegefloten heeft dat 't voorjaar komt, fluiten de Parisvogels al in
de wouden van Labrador over de lente en zingen ze hun minnezangen.
Iets merkwaardigs, dat we bij die vluchten 's winters zien, is dat ze
bijna geheel uit wijfjes bestaan. Het mannetje komt heel zelden bij ons
voor. Je kunt hem onmiddellijk aan zijn vroolijke kleur en zijn mooie,
roode borst herkennen. Soms zijn er een paar jonge mannetjes in de
vluchten; maar voordat de eerste paartijd hun borstveeren dieproode
tipjes gegeven heeft, zijn ze bijna niet te onderscheiden van hun
sobergetinte metgezellen.
Laat ik even opmerken: het roode borstschild is de
familieonderscheiding, het geslachtswapen van de Parisvogels, evenals
de scharlaken kuif alle spechten kenmerkt. En wanneer je een Micmac
[16] uit het hartje van de bosschen vraagt hoe een Parisvogel aan
zijn schild komt, dan vertelt hij je misschien een geschiedenis,
die je evenzeer boeit als de legende van Hiawatha en den specht in
de dagen van je jeugd.
Is het oude mannetje met zijn fiere rood zeldzaam bij ons, zijn mooie
gezang is het nog meer. Slechts diep in de wouden, bij de eenzame
rivieren van het hooge Noorden, waar geen menschenoor ooit naar
luistert, begroet hij de opgaande zon uit den top van een hoogen
spar. Daar ook zingt hij voor de ooren van zijn zedig grijs wijfje
den lieflijksten minnezang der vogels. Het is een stroom van zacht
gekweelde tonen, die tinkelen als een beekje diep onder 't ijs,
die over elkaar duikelen in een kalme verrukking van welluidend
ineensmeltende klanken, vol als 't lied van den weidespreeuw, maar veel
zachter, alsof hij bang was dat iemand anders het zou hooren dan zij
voor wie hij zong. Zij, die het lied kennen van den Parisvogel met de
rozeroode borst (niet het lentelied dat aan dat van den roodborst [17]
doet denken, maar het verrukkelijk zachte gekweel aan zijn broedend
wijfje) mogen haar lieflijkheid tot in 't oneindige vermenigvuldigen
en er zich zoo een denkbeeld van maken, waar het gezang van den
Parisvogel op lijkt. Maar soms vergeet hij zich op zijn winterbezoek
en zingt als andere vogels, eenvoudig omdat de wereld blij voor hem
is, en dan, eens in een menschenleven, hoort een vogelminnaar uit
Nieuw-Engeland hem en sluit het in zijn herinnering, en betreurt het
voor zijn verdere leven dat het bestaan dat de Parisvogel in zijn
Noordelijke land voert hem tot zoo'n schuw bezoeker heeft gemaakt.
Op een Kerstmorgen, een jaar of wat geleden, lag de versch gevallen
sneeuw smetteloos wit over alle bosschen en velden. Ze was zacht en
hechtte zich, toen ze op Kerstavond viel. Nu was elke oude muur en
heining een glinsterend wit gebeeldhouwde bank, elke paal en boomstomp
had een zachten, witten mantel en een groote witte muts, struiken en
boschjes waren een heerlijk tooverland van witte bogen en flonkerende
zuilen en donkere grotten, ingesloten door ragfijn vrieswerk van zilver
en juweelen. En dan de heerlijkheid, zoo oogverblindend schoon dat er
geen woorden voor te vinden zijn, toen de zon opging en er over scheen!
Voor zonsopgang was ik buiten. Al gauw bracht de springende vlucht en
't opgewekte goedenmorgen van een donzigen specht me naar een oud stuk
land, waar groepjes sparren verspreid stonden. Er is geen beter tijd om
eens rustig de vogels te begluren dan 's morgens na een sneeuwjacht,
en geen beter plaats dan tusschen de sparren. Als je ze kunt snappen
(wat nog niet zoo zeker is, want ze kunnen soms geheimzinnig vóór
een storm verdwijnen), zul je ze ongekend rustig vinden; ze willen
je onderzoek wel verdragen, 't kan hun niet schelen nu, terwijl ze
anders zouden wegvliegen naar nog dichter schuilplaatsen.
Ik was nauwelijks den muur over, toen ik stilstond bij 't hooren van
een nieuw vogellied, zoo verwonderlijk liefelijk, dat het niet anders
dan een kerstboodschap kon zijn, en toch paste het daar zoo heelemaal
niet, dat de hoorder er aan stond te twijfelen of zijn ooren hem
bedrogen, en zich afvroeg of de muziek of het landschap niet plotseling
als iets onwezenlijks zou verdwijnen. Het lied duurde voort--een zacht,
welluidend gekweel vol lieflijkheid en geheimzinnige bekoring, maar 't
wekte herinneringen aan weiden in Juni en een zomerschen zonsopgang,
veel meer dan aan sparren met sneeuw beladen en Kerstmis. Om alles
nog onwerkelijker te maken, kon geen oor onderscheiden waar 't gezang
vandaan kwam; het eigenaardige gedempte er van verborg de herkomst
volkomen. Ik doorzocht de boomen vóór me,--daar was geen vogel. Ik
keek om,--daar was geen plek waar een vogel kon zingen. Ik herinnerde
me den roodstaart [18] en hoe die soms van tusschen de rotsen roept en
weigert zich te vertoonen, en snel verdwijnt en zich verstopt als je
naar hem zoekt. Ik onderzocht den muur, maar geen vogelspoor teekende
zich af op de sneeuw. Al dien tijd ging het wonderbaarlijke gezang
voort, nu in de lucht, dan dicht bij me, en 't werd hoe langer hoe
verwarrender naarmate ik luisterde. Het kostte me een goed half uur,
om de plek waar 't geluid vandaan kwam te bepalen; toen begreep ik het.
Dicht bij me stond een eenzame sparreboom met een ruigen top. De vogel,
wie hij dan ook was, was daar gaan slapen dicht tegen den stam gedrukt,
zooals vogels dat doen om zich te beschermen. Gedurende den nacht
had de sneeuw zich steeds dikker en dikker op de buigzame takken
getast. Hun toppen bogen onder 't gewicht, tot ze lager den stam
raakten en een groen priëel vormden, waar omheen de sneeuw zich den
heelen nacht door opstapelde, zoodat het geheel ingesloten was. De
vogel zat er in gevangen en zong toen de ochtendzon door de muren
van zijn gevangenis scheen.
Terwijl ik luisterde, verrukt over 't lied en den ongewonen toestand
waarin de zanger zich bevond, gleed er een pak sneeuw, losgemaakt
door de zon, van het sneeuwpriëel en verscheen er een Parisvogel in de
opening. Even leek het alsof hij nieuwsgierig over de nieuwe, witte,
schoone wereld rondkeek; toen hipte hij op het allerhoogste takje en,
met zijn karmozijne borst naar de opgaande zon gekeerd, stortte hij
zijn morgenzang uit, niet langer gedempt, maar lieflijk en helder als
't klokje van 'n boschlijster [19] dat luidde voor zonsondergang.
Eens, veel later, heb ik zijn zachter minnelied gehoord en zijn
nest gevonden in 't hartje van een woud in Nieuw-Brunswijk. Tot
dien tijd was het niet bekend dat hij ooit zuidelijker dan Labrador
nestelde. Maar dat zelfs en de vreugde over de ontdekking misten de
bekoring van zijn zeldzaam lieflijken zang, die geheel ongezocht en
onverwachts kwam zooals alle goede zaken, terwijl onze eigen vogels
hun kersttijd doorbrachten en den zonneschijn zingend begroetten
in Florida.