CH' GEEGEE-LOKH-SIS.

Dat is de naam dien de Noordelijke Indianen aan het zwartkopmeesje

geven. Het beteekent "kleine vriend Ch' geegee"; want de Indianen,

juist als ieder ander die het meesje kent, houden van dat blijde,

kleine ding, dat de bosschen in 't Noorden opvroolijkt. Den eersten

keer, dat ik Simmo vroeg hoe ze bij hem den vogel noemden, antwoordde

hij met een glimlach. Sinds dien tijd heb ik het andere Indianen

gevraagd en altijd verhelderde een glimlach, een prettige blik de

donkere, norsche gezichten als ze 't me vertelden. Weer een cijns

aan den invloed van het vroolijke vogeltje.

Een mees is steeds welgemutst. Zij is in geen enkel opzicht aan

luimen onderhevig. Op een mooien morgen stap je de deur uit, en daar

in de struiken glipt ze van twijg naar twijg; nu eens hangt ze aan het

uiterste tipje met haar kopje naar beneden om in een knop aan het einde

te kijken, dan weer gaat ze spiraalsgewijze om een tak naar boven,

terwijl zij naarstig in elken knop en spleet gluurt. Een insect moet

zich goed verstoppen om aan die wakkere oogjes te ontkomen. Ze helpt

je bij 't kweeken van je planten. Ze kijkt vroolijk op als je aankomt,

hipt onbevreesd naar beneden en kijkt met eerlijke, onschuldige oogen

naar je. Tsjikke-die-die-die-die! Tsjikke-die-ie-ie?--dit laatste met

een stijgend haaltje, alsof zij vroeg hoe je 't maakte, nadat zij

goedenmorgen gezegd had. Dan gaat ze weer op jacht naar insecten;

want ze verspilt nooit meer dan een oogenblikje om te praten. Maar

ze twettert gezellig onder 't werk.

In de diepste wildernis tref je haar weer aan. Nauwelijks is de

rook van je kampvuur boven de sparretoppen gerezen, of dicht naast je

klinkt dezelfde opgewekte begroeting en vraagt naar je gezondheid. Daar

zit ze op de berketwijg, vroolijk en gelukkig en onbevreesd! Ze komt

beneden bij het vuur, om te zien of er ook iets overgekookt is waar

ze zich van meester mag maken. Ze pikt dankbaar de kruimeltjes op

die je aan je voeten strooit. Ze vertrouwt je.--Kijk, ze blijft even

op den vinger zitten dien je uitsteekt, kijkt nieuwsgierig naar den

nagel en onderzoekt hem met haar snavel, om te zien of hij ook een

schadelijk insect verbergt. Dan keert ze naar haar berketakjes terug.

Op zomerdagen vloeit ze nooit over van uitbundige pret als het

rijstvogeltje en de oriole, maar aanvaardt zij haar overvloed in

kalme tevredenheid. Ik vermoed dat het komt, doordat ze 's winters

harder werkt en haar vreugde dieper is dan de hunne. 's Winters,

als er een dik pak sneeuw ligt, is ze het leven van het bosch. Ze

roept je aan van de zoomen der troostelooze vlakten waar de rendieren

wonen, en haar begroeting doet op de een of andere manier aan de

Meimaand denken. Zij komt in je kampplaats van ruwen bast en eet

je sobere spijs en laat een beetje zonneschijn achter. Ze gaat met

je mee, als je je moeilijk op sneeuwschoenen een weg baant door de

dichtopeengepakte sparren. Ze heeft misschien evenveel honger als jij,

maar haar deuntje is er niet minder opgewekt en hoopvol om.

Als de zon heet brandt, in Augustus, vindt ze je onder de elzen

liggen met de bries van het meer in je gezicht, en zij spert haar

oogen heel ver open en zegt: "Tsikkedie-ie-ie? Ik heb je den vorigen

winter gezien. Toen was 't een moeilijke tijd. Maar 't is fijn

om nu hier te wezen." En als de regen neerstroomt en de bosschen

doorweekt zijn en 't kampleven gewoonweg verschrikkelijk lijkt,

verschijnt ze plotseling met een begroeting zoo opwekkend als de

zonneschijn: "Tsikkedie-ie-ie-ie? Herinner je je gisteren niet

meer? Het regent nu wel, maar er zijn een massa insecten en morgen

zal de zon schijnen." Haar opgewektheid is aanstekelijk. Je hebt

betere gedachten dan voordat zij kwam.

Ze is werkelijk een bovenste-beste: er komt geen eind aan het goed

dat zij uitwerkt. Telkens weer heb ik iemand beter gehumeurd zien

worden of opgewekter, zonder dat hij wist waarom, alleen doordat een

meesje eventjes poosde om vroolijk en gezellig te zijn. Ik herinner

me een keer dat een troepje van vier na een hevigen stortregen ging

kampeeren. De luilak had een kano laten kantelen en alle droge kleeren

en dekens hadden we juist uit de rivier gevischt. Nu stond de luilak

bij 't vuur voor zijn eigen gemak te zorgen. De andere drie werkten

als mieren, om 't kamp klaar te krijgen. Ze waren in een slecht humeur,

koud, nat, hongerig, prikkelbaar. Ze zeiden niets.

Een vlucht meesjes streek neer met zonnige begroetingen,

onbevreesd, vol vertrouwen, maar indringerig. Ze keken onschuldig

in de menschengezichten en deden net of ze de prikkelbaarheid daar

niet zagen. "Tsikke-die. Ik wou dat ik helpen kon. Misschien kan ik

het. Tikke-die-ie-ie?"--Met dat zachte, lieflijke, vleiende haaltje

naar boven aan het eind.

Er sprak iemand, voor het eerst in een half uur, en het was geen

gemopper. Al gauw floot er iemand--een zwak, klein gefluit, maar 't

getij was om. Toen lachte er iemand. "Werkelijk," zei hij, terwijl

hij zijn natte kleeren ophing, "ik geloof dat die meesjes goed op

mijn humeur werken. Ze schijnen wel aardig opgewekt, zie je, en het

gezelschap had het noodig."

En terwijl het meesje zijn beschuitkruimels oppikte, deed het heelemaal

niet, alsof het er 't meest toe bijgedragen had om 't kamp behaaglijk

te maken.

Er is nog een manier waarop het helpt, een meer materieele

manier. Millioenen schadelijke insecten leven en vermenigvuldigen

zich in de knoppen en den zachten bast van boomen. Andere vogels

zien ze nooit, maar het meesje en zijn familie laten geen twijgje

onbekeken. De heldere oogjes ontdekken de eitjes onder de knoppen

verscholen, de scherpe ooren hooren de larven eten onder den bast en

een klop met het nebje ontdekt ze in hun boos bedrijf. Zijn diensten

van deze soort zijn reusachtig, ofschoon zelden erkend.

Een meezennest is altijd netjes en behaaglijk en merkwaardig, evenals

de mees zelf. Het is een buitenkansje (dat je maar zelden ten deel

valt) het te vinden. Zij zoekt een oud gat waar vroeger een knoest in

't hout zat, gewoonlijk aan den beschutten kant van een drogen tak,

en graaft er het vermolmde hout uit, zoodat ze een diepen en soms

draaienden tunnel naar beneden maakt. In het droge hout op den bodem

maakt ze een rond zakje en voert het met het zachtste wat er is. Als

je zoo'n nest ontdekt met vijf of zes witte eitjes, die daar teer

met rose gespikkeld op den bodem liggen, en een paar meesjes die daar

rondglippen, half angstig, half vertrouwend, is het bij elkaar zoo'n

mooi plekje, dat ik me moeilijk een jongen kan denken die laaghartig

genoeg zou zijn om het te verstoren.

Eén ding is me bij die nestjes altijd een raadsel geweest. In de zachte

voering zit meestal meer of minder konijnenhaar. Soms is er zelfs niets

anders, en een zachter nest zou je niet kunnen verlangen. Maar waar

haalt ze het vandaan? Ik ben er van overtuigd dat ze het niet uit het

konijntje zal plukken, zooals de kraai soms wol uit de schaperuggen

trekt. Zijn haar oogjes helder genoeg om het haar voor haar te vinden,

waar de wind het neergeblazen heeft tusschen de blaren? Als dat zoo is,

moet 't een langdurig werkje zijn; maar een mees is heel geduldig. In

't voorjaar kun je haar wel eens op den grond verrassen, waar ze

nooit om voedsel gaat; maar bij zoo'n gelegenheid is ze altijd schuw

en fladdert zij omhoog tusschen de berketakken, en twettert en geeft

een verbazingwekkende gymnastische vertooning, alsof zij je aandacht

van haar vorige ongewone doen wou afleiden. Dat is alleen maar,

omdat je in de buurt van haar nest bent. Als zij ondertusschen een

plukje konijnenhaar in haar snavel heeft, zijn je oogen niet scherp

genoeg om het te onderscheiden.

Eens na zoo'n vertooning deed ik net of ik wegging, maar ik verschool

me slechts in een dennenboschje. De mees luisterde een poosje, hipte

toen naar beneden op den grond, pikte iets op dat ik niet kon zien

en vloog weg. Ik twijfel er niet aan of het was de voering voor haar

nest in de buurt. Zij had het laten vallen toen ik haar verraste,

opdat ik haar niet van nestelen zou verdenken.

Zoo'n vroolijk, behulpzaam diertje moest geen vijand ter wereld hebben,

en ik geloof dat het er minder te weerstaan heeft dan de meeste

vogels. De klauwier [11] is zijn ergste vijand; het neersuizen van

zijn wreeden bek is altijd noodlottig in een meezenvlucht. Gelukkig

komt de klauwier weinig bij ons voor; je vindt zijn nest maar zelden,

met het arme meesje op een scherpen doorn er vlak bij gespietst,

omringd door allerlei leelijke torren. Ik verdenk er de uilen soms

van dat ze 's nachts op hem jagen, maar het slaapt in het lage, dichte

dennenhout, stijf tegen een tak gedrukt, met de dennenaalden aan alle

kanten om zich heen, die het heel donker maken; en met die duisternis,

en de naalden die hem in de oogen kunnen prikken, geeft de uil zijn

zoeken gewoonlijk op en hij gaat in minder dichte bosschen jagen.

Soms trachten de haviken hem te snappen, maar er is een paar heel

snelle en heel kleine wieken noodig om een meesje te vangen. Eens keek

ik naar hem, terwijl hij met zijn kopje naar beneden aan een eiketwijg

hing waar de dorre bladen nog aanzaten, want het was winter. Plotseling

was er een tocht, een flits van gespikkelde vleugels en felle, gele

oogen en wreede klauwen. Het meesje schoot onzichtbaar weg onder een

blad. De havik vloog verder met ruischende slagpennen. Een bruine

veer zeeg neer tusschen de eikebladen. Toen hing het meesje met 't

kopje naar beneden, juist waar het eerst was. "Tsikke-die? Heb ik

hem niet mooi beetgehad!" scheen het te zeggen. Het was eenvoudig om

zijn twijg heen onder een blad geglipt en weer terug, en 't gevaar

was voorbij. Als een havik op zoo'n manier mist, stoot hij nooit

weer. Jongens hebben gewoonlijk een eigenaardige vriendschap voor de

meezen. Ze mogen wreed of gedachteloos tegenover andere vogels zijn,

maar zelden zijn ze 't voor haar. Ze lijkt wel wat op hen.

Twee jongens op bloote voeten, met pijlen en bogen, waren op een

Septemberdag aan het jagen tusschen de halfvolgroeide boschjes

op een oud weiland. De oudere leerde den jongeren schieten. Een

roodborst, een chipmunk [12] en twee of drie musschen waren al in hun

jaszakken weggestopt, een bruin konijn hing den oudsten jongen over

den schouder. Plotseling hief de jongste zijn boog op en trok den

pijl tot aan den top terug. Vlak voor hem hing een meesje tusschen

de berketakjes te twetteren. Maar de oudere jongen greep zijn arm beet.

"Niet schieten--schiet hem niet!" zei hij.

"Maar waarom niet?"

"Omdat je 't niet doen moet--je moet nooit een mees schieten."

En de jongere, door een zeker geheimzinnig hoofdschudden meer dan

door de woorden genoopt, ontspande vroolijk zijn boog; en met een

laatsten blik uit groote oogen naar het grijze vogeltje, dat daar zoo

zonder vrees twetterde en wiegelde vlak bij hem, gingen de jongens

verder jagen.

Niemand had den oudsten jongen ooit geleerd onderscheid te maken

tusschen een mees en andere vogels, niemand anders heeft het ooit aan

den jongeren geleerd, en toch voelden ze beiden op de een of andere

manier, en voelen het nog na vele jaren, dat er een onderscheid

is. Zoo gaat het altijd met jongens. Ze zijn vrienden van alles wat

hen vertrouwt en geen vrees kent. Gee--gee's eigen persoontje, haar

opgewekte manieren en vertrouwelijke natuur hadden het hun geleerd,

ofschoon ze het niet beseften. En onder alle jongens uit die buurt

bestaat er nog een wet die geen mensch ooit gegeven heeft, waar geen

mensch den oorsprong van kent, een wet even onveranderlijk als die

van de Meden en Perzen: Dood nooit een meesje.

Als je gindschen jongen die je van de wet vertelt vraagt: "Waarom

een meesje niet evengoed als een musch?" schudt hij zijn hoofd net

als eertijds en antwoordt dogmatisch: "Omdat je dat niet doen moet."

Het Boschvolkje · 第 14 / 19 题