HET LOKKEN DER ELANDEN.

Middernacht in de wildernis. De late maan rijst langzaam boven den

oostelijken heuvelrug, waar een paar minuten geleden een machtige

denneboom en honderden spitse sparretoppen zich nog inktzwart tegen

den grauwen, lichter wordenden achtergrond afteekenden. Het zilveren

licht glijdt heimelijk en snel langs de sparretoppen neer, zendt

lange, zwarte schaduwen kruipend voor zich uit en valt glinsterend en

blikkerend over het slapende water van een boschmeer. Geen rimpel

breekt zijn gepolijst oppervlak, geen geplas van muskusrat of

opspringende forel zendt zijn trillingen op in de stille, vorstige

lucht; geen geluid van eenig dier wekt de echo's van het zwijgende

bosch. Het is of de Natuur gaat sterven, het leven uit haar gevroren

door de kilte van den Octobernacht; en geen stem vertolkt haar lijden.

Een oogenblik geleden lag het meertje geheel zwart en effen, als

een groote bron tusschen de heuvels, met niets dan de flonkerende

sterrepuntjes om zijn spiegel te verraden. Nu ligt er, ginds in een

baai aan den anderen kant van een grazige landtong, waar de donkere

schaduwen van den oostelijken oever bijna overheen reiken, iets donkers

stil en roerloos op het meer. Op zij lijkt het grijs en vaag boven

het water, aan beide einden is een zwarte massa die in 't toenemende

licht den vorm aanneemt van een menschenhoofd en -schouders. Voor

ons ligt een kano van berkebast met twee inzittenden; maar zoo stil,

zoo levenloos leek ze, dat wij haar tot nu toe een stuk van den oever

daarginds waanden.

Er is beweging in den achtersteven; de doodsche stilte

wordt plotseling verbroken door een vreeselijk gebrul:

m-wah-ioeh! m-waah-ioeh! m-w-wa-a-a-a-a! Haastig ontwaken de echo's

en snellen verward en gebroken over 't meer heen en weer--weg zijn

ze. Als ze tusschen de heuvels sterven, klinkt er van de kano een

geluid, alsof er een dier door ondiep water stapte: plas, plas, plas,

klop!--dan weer stilte, die niet levenloos is, maar luistert.

Een half uur gaat voorbij--maar geen oogenblik verslapt de spanning

van het luisterende meer. Dan weerschalt het luide gebrul weer

en verschrikt ons en de echo's, ofschoon we er luisterend op

wachtten. Ditmaal neemt de spanning geweldig toe: elke zenuw is

strak, elke spier gereed. Nauwelijks zijn de echo's verstorven, of

ver weg over de heuvelkammen komt plotseling een diep, afschuwelijk

geloei, dat als een geweerschot door de bosschen dringt. Weer komt

het en dichterbij! Ginds in de kano raakt het blad van een pagaai

aan den achtersteven geruischloos het water, en boven den boeg is

een fonkeling van maanlicht op een geweerloop. Het gebrul klinkt nu

onafgebroken op den kam van de laatste, lage heuvelrij. Twijgen kraken

en takken breken. Daar klinkt het woedend gedaver van een machtig

gewei in 't kreupelhout en 't dreunen van zware hoeven op den grond,

en als een wervelwind komt het groote mannetje naar beneden draven,

al dichter en dichter bij, tot hij met een geweldig gekraak door

den zoom van de laatste warrelige elzen op de grazige landtong te

voorschijn breekt.--En dan de zware knal van een geweer die over

't opgeschrikte meer rolt.

Dat is 't lokken van een eland in één van zijn vormen--de meest

opwindende, de meest teleurstellende manier om dit nobele wild te

jagen, de manier die je geduld het zwaarst op de proef stelt.

De lokroep van den wijfjeseland, dien de jager in 't begin altijd

gebruikt, is een zacht uitgestooten geloei, onmogelijk nauwkeurig te

omschrijven. Voordat ik het ooit hoorde, had ik herhaaldelijk aan

Indianen en jagers gevraagd waar 't op leek. De antwoorden waren

niet heel afdoende. "Op 't vallen van een boom", zei de een. "Op

het plotseling aanruischen van een waterval of stroomversnellingen

's nachts", zei een ander. "Op een geweerschot, of 't schorre roepen

van een man", zei een derde; en zoo voort, tot mijn voorstelling er

van zooiets was als een menagerie wanneer de beesten gevoerd worden.

Toen ik eens 's nachts met mijn vriend voor de deur van onze basttent

vermoeid en zwijgend aan ons late avondmaal zat, terwijl 't gedruisch

van 't diepe water waar de zalm huisde, vlak bij, en 't zuchten van den

nachtwind in de sparren ons onder 't eten in slaap zongen, vervulde

plotseling een geluid het woud, en was weer verstomd. Het is vreemd,

maar we spraken tegelijk het woord eland uit, ofschoon geen van ons

't geluid ooit tevoren had gehoord. "Als een schot in den mist",

zou 't geluid dunkt me beter omschrijven dan iets anders, ofschoon,

wanneer je 't dikwijls gehoord hebt, de vergelijking in 't geheel

niet zuiver is. Dit eerste, vage geluid wordt vroeg in 't seizoen

gehoord. Later wordt het gerekt en meer omlijnd en dikwijls herhaald,

zooals ik het weergegeven heb.

Het antwoord van het mannetje wijkt er slechts weinig van af. Het

is een kort, schor, knorrend gebrul, afschuwelijk leelijk van nabij

gehoord, en 't laat geen twijfel bestaan over de stemming waarin hij

zich bevindt. Soms, als een mannetje schuw is en de jager meent dat hij

in de buurt staat te luisteren, ofschoon geen geluid er ook maar iets

van laat vermoeden waar het is, laat hij op 't loeien van het wijfje

het korte gebrul van het mannetje volgen, terwijl hij tegelijkertijd

de takken onder zijn voeten laat knappen en met zijn stok in 't

kreupelhout slaat. Als het mannetje antwoordt, pas dan op! Jaloersch

en wild van vechtlust, stort hij zich uit zijn schuilhoek en rent zoo

voor den dag om op zijn medeminnaar los te gaan. Als hij een keer op

deze wijze gewekt is stoort hij zich aan geen gevaar, en het oog moet

scherp zijn en de spieren vast om hem met succes te stuiten, eer hij

het struikgewas bereikt waar de jager zich verborgen houdt. Maanlicht

helpt weinig om zeker te treffen en een woedende mannetjeseland is

een heel groote en een heel kwade kwant. Het beschuttende kreupelhout

is dus niet veel waard, als er tenminste niet een goede boom met lage

takken in staat. In den regel kun je 't wel aan je Indiaan (beruchte

lafaards!) overlaten om daar heel secuur op te letten.

De trompet waar 't roepen mee gebeurt is eenvoudig een stuk

berkebast, kegelvormig opgerold met den gladden kant van binnen. Ze

is drie-en-een-halven of vier decimeters lang, met een middellijn

van ongeveer een decimeter aan 't breede-, en twee-en-een-halven

centimeter aan het nauwe eind. De rechterhand wordt als een mondstuk

om 't nauwe gedeelte heengesloten; hier knort en brult en loeit de

lokker in, terwijl hij tegelijkertijd de opening van de trompet in

golvende bochten heen-en-weer zwaait om de eigenaardige trilling in

den roep van 't wijfje na te bootsen. Als het mannetje in de buurt

is en achterdocht heeft, wordt het geluid gedempt door de opening

van den roeper dicht tegen den grond te houden. Dit bootst voor mij

het werkelijke geluid veel nauwkeuriger na dan eenige andere poging.

Alles hangt zoo van allerlei omstandigheden af en moet zoo precies

kloppen om te slagen met roepen, en zoo omzichtig nadert het mannetje,

dat de jager altijd bijzonder weinig kans heeft zijn wild te zien. De

oude mannetjes zijn schuw, doordat er zoo dikwijls op hen gejaagd is;

de jongere vreezen de woede van een ouden medeminnaar. Het gebeurt

slechts eens in je leven en ver van de beschaving, waar niet op

elanden gejaagd is, dat je roep gauw beantwoord wordt door een woest,

oud mannetje dat geen vrees kent. Hier ben je nooit zeker wat voor

antwoord je roep zal brengen, en het jachtgenot wordt nog gekruid

door de opwinding en wellicht door het gevaar.

Om de kwade kansen van het lokken in het licht te stellen, roept

de schrijver zich weer met heel wat trots zijn eerste poging in

't geheugen, waarvan de uitwerking wel wat ontstellend was. Het

was op een meer in noordelijk Nieuw-Brunswijk, op grooten afstand

van de nederzettingen. Toen ik op een avond achter in Augustus van

't visschen terugkeerde, hoorde ik het loeien van een wijfjeseland

boven me op een met loofhout begroeiden heuvelkam. Langs den voet

van den heuvelrug strekte zich een baai uit met grazige oevers,

heel nauw waar ze in het meer uitmondde, maar die zich wel tot een

uitgestrektheid van een vijf-en-veertig meter verbreedde en zich een

halve mijl terug uitstrekte om met een stroom samen te vloeien, die

uit een kleiner meer tusschen de heuvels naar beneden kwam. Dat merkte

ik allemaal zorgvuldig op onder 't voorbijglijden, want het trof me

als een ideale plek om elanden te lokken, wanneer je aan 't jagen was.

Den volgenden avond, toen ik alleen stond te visschen in den kouden

stroom waar 'k over gesproken heb, hoorde ik het wijfje weer op

denzelfden heuvelrug, en besloot, met een plotselinge aanvechting van

nieuwsgierigheid, te probeeren wat de uitwerking van eens een paar

maal brullen op de wijze van een oud mannetje op haar zou zijn. Ik

had er nog nooit van gehoord dat een wijfje op 't roepen antwoordde,

en ik had er toen geen vermoeden van dat het mannetje ergens in de

buurt was. Ik was nog geen ervaren lokker. Onder leiding van mijn

Indiaan (die er zelf niet zoo heel veel van afwist) had ik twee of

drie keer geoefend, tot hij me met beminlijke openhartigheid vertelde

dat een mensch me misschien voor een eland zou kunnen houden, als hij

er nog niet zoo heel vaak een gehoord had. Hier bestond dus kans voor

verdere bekwaming en eens wat afwisseling. Als 't haar bang maakte zou

't geen kwaad kunnen, want we waren niet aan 't jagen.

Nadat ik de kano stilletjes op land had laten loopen, stroomaf vanwaar

de eland geroepen had, pelde ik den bast van een jongen berk, rolde

hem op tot een trompet en staande op den grazigen oever stootte ik

het diepe geknor van een mannetje uit, twee of drie keer snel achter

elkaar. De uitwerking was geweldig. Van den top van den heuvelrug,

geen tweehonderd meter boven de plek waar ik stond, schalde de woedende

uitdaging van een mannetje op me neer uit de bosschen. Daarop leek het

alsof er een stoommachine in volle vaart door het kreupelhout kwam

razen. In minder seconden dan er noodig zijn het neer te schrijven,

was de kano een goed eind het diepe water in en lag roerloos met

den boeg naar de kust toe. Een oogenblik later stortte zich een

reusachtige mannetjeseland door 't warrelruig van elzen op den open

oever, tandenknarsend, grommend, woest op den grond stampend en in

't kreupelhout hakkend met zijn groote gewei--een tafereel zoo leelijk

als je maar in 't bosch kon verlangen te ontmoeten.

Hij scheen heelemaal in de war dat hij zijn medeminnaar niet zag,

draafde hard langs den oever, keerde zich om en kwam weer terugzwaaien,

terwijl hij al dien tijd zijn schorre uitdaging uitstiet. Daar zwenkte

de kano in den lichten stroom; toen ik haar weer baas werd, trok

de beweging zijn aandacht en zag hij mij voor den eersten keer. In

een oogwenk was hij den oever af en 't ondiepe water in, terwijl hij

met zijn hoeven trapte en met zijn reusachtigen kop op-en-neersloeg

als een nijdige stier. Gelukkig dat het water diep was en hij niet

probeerde te zwemmen; want er was geenerlei wapen in de kano.

Toen ik aan den haal ging in de richting van het meer, nadat 'k

de woede van den eland nog aangewakkerd had door met de pagaai te

zwaaien en water naar hem te plassen, volgde hij me langs den oever

steeds met dezelfde dreigende bewegingen. Dicht bij het meer stortte

hij zich stroomaf opeens vooruit, eer ik het gevaar besefte, plaste

den nauwen doorgang voor mijn kano in--en daar zat ik gevangen.

Het was donker toen 'k er mij ten leste uitredde. Er was geen

mogelijkheid in dien nauwen doorgang voorbij het ongure monster te

komen, zooals ik merkte na het een half uur te hebben geprobeerd. Juist

toen 't ging schemeren wendde ik de kano en pagaaide langzaam terug,

en de eland verliet zijn post om me als te voren langs den oever te

volgen. Aan den hoogen kant van een kleine baai pagaaide ik tot vlak

bij den oever en wachtte tot hij er omheen was gedraafd, bijna tot

waar ik me bevond eer ik in het diepe water teruggleed. Gooien met

water scheen 't monster dol te maken; dus deed ik het hem, tot hij

in zijn woede al verder en verder in het diepe waadde om die kano die

hem tot het uiterste dreef met zijn gewei te stooten. Toen hij me niet

verder achterna wou, zwenkte ik plotseling met mijn kano en zette in

vliegende vaart koers naar den doorgang. Ik had een goeden voorsprong

eer hij begreep te zijn beetgenomen, maar ik keek niet één keer om,

om te zien hoe hij den oever bereikte en om de baai heenkwam. Het

geplas en hoefgestamp was griezelig dicht achter me toen de kano door

den doorgang schoot; en toen het bootje op het open vlak van het meer

zwenkte, om me ten slotte in staat te stellen nog eens met water te

gooien en met de pagaai te zwaaien en hun nog eens een paar keer luid

te hoonen, stond de eland daar aan den ingang nog met zijn gewei te

slingeren en met zijn tanden te knarsen; en zoo liet ik hem staan.

Het lokseizoen is maar kort. Het begint vroeg in September en duurt tot

midden October. Soms gebeurt het dat een mannetje nog wel tot November

antwoordt, maar dat is ongewoon. In dit seizoen is een bladstille nacht

misschien het eerste vereischte. Als het mannetje hoort roepen, zal hij

dikwijls tot op een afstand van een kleine tien meters naderen zonder

een geluid te geven. Het is eenvoudig een wonder hoe stil het groote

monster zijn kan als hij zich langzaam door het bosch beweegt. Dan

maakt hij een wijden boog, tot hij geheel om de plaats heen is geweest

waar hij 't roepen hoorde, en als er wind is, het lichtste briesje

maar, dan ruikt hij 't gevaar en gaat er hals over kop vandoor. In

een stillen nacht zijn zijn groote trompetvormige ooren merkwaardig

scherp. Slechts volkomen stilte van jagerszijde kan maken dat het lukt.

Een voorwaarde van evenveel belang is maanlicht. De eland roept soms

juist voor 't invallen van de schemering en juist voor zonsopgang;

't mannetje gaat echter bij zoo'n gelegenheid veel behoedzamer te

werk en houdt er niet van zich in 't open veld te laten zien. Maar de

nacht vermindert zijn uiterste voorzichtigheid en hij antwoordt veel

eerder, tenzij er vroeger op hem gejaagd is. Slechts heldere maneschijn

kan eenigszins een zuiver schot waarborgen. Het bij sterrenlicht te

probeeren zou eenvoudig geen andere uitwerking hebben dan dat het

wild opgeschrikt werd, of mogelijk gevaar opleveren.

Verreweg de beste plaats om te lokken, als je in een elandenstreek

bent, is van een kano uit op een rustig meer of een kalme rivier. Er

wordt een plek uitgekozen halverwege tusschen twee open oevers,

die als 't kan dicht bij elkaar moeten liggen. Van welken oever het

mannetje ook antwoordt, laat de kano geruischloos achteruitglijden in

de schaduw aan den tegenovergestelden oever, en daar moeten de jagers

roerloos neerduiken tot hun wild zich duidelijk in den maneschijn op

den open oever vertoont.

Als er zich in de onmiddellijke nabijheid van het jachtveld geen

water bevindt, is een boschje midden op een open terrein de plaats

om te lokken. Zulke plaatsen worden slechts in de buurt van de

"barrens" aangetroffen, boomlooze vlakten, die hier en daar in

de groote noordelijke wildernis verspreid liggen. De verstrooide

boschjes op zulke vlakten zijn ongetwijfeld de eilanden van de oude

meren die ze eens bedekten. Hier gaart de jager bij zonsondergang

een dik bed van droog mos en varentoppen bijeen en spreidt de dikke

deken uit, die hij dien heelen vermoeienden weg van het kamp op zijn

rug heeft meegesjouwd; want zonder die deken zou de koude van den

herfstnacht ondraaglijk zijn voor iemand die geen vuur kan aanleggen,

noch rondloopen om warm te worden. Als een mannetje op 't lokken van

zoo'n plek antwoordt, zal hij gewoonlijk om de vlakte heenloopen,

net binnen den zoom van het omringende bosch en zich zelden ver in

't open veld wagen, behalve als hij dol is van jaloezie. Deze angst

voor 't open veld is kenmerkend voor den eland in alle plaatsen en

jaargetijden. Hij is een wouddier, dat nooit op zijn gemak is of hij

moet snel de beschutting weer kunnen bereiken.

In een najaar overkwam Mitchell, mijn Indiaanschen gids, eens een

opwindende gebeurtenis, terwijl hij op een van die vlakten met een

jager wien hij als gids diende op jacht was. Hij was 's nachts, van

een boschje uit, bijna in 't midden van een smalle vlakte elanden

aan 't lokken. Geen antwoord kwam er op zijn herhaald geroep,

ofschoon hij er wel langer dan een uur al heel zeker van was dat er

zich een mannetje binnen gehoorsafstand ergens in de donkere ruigte

van den boschzoom ophield. Hij wilde 't gebrul van het mannetje net

probeeren, toen het plotseling uit het bosch achter hem kwam breken,

juist van den tegenovergestelden kant dan waar hij gemeend had dat

hun wild verscholen zat. Mitchell begon door het boschje te kruipen;

maar nauwelijks hadden de echo's geantwoord, of vóór hen weerklonk

scherp en heftig een tweede uitdaging, en ze zagen recht tegenover

zich, aan den anderen kant van de open vlakte, het kreupelhout van

den boschzoom hevig heen-en-weer bewegen, terwijl het mannetje, dat

ze er al lang vermoed hadden, ziedend van woede voor den dag kwam

kraken. Maar hij ging slechts langzaam vooruit en Mitchell glipte

snel door het kreupelhout, waar een oogenblik later een opgewonden

gefluister zijn metgezel riep. Aan den anderen kant had het tweede

mannetje zich uit de ruigte van het bosch gestort, en kwam met woest

gegrom recht op hem aan galoppeeren.

Diep in de varens gedoken wachtten ze af hoe hij hals over kop

naderstormde, niet zonder dikwijls angstig achteruit te kijken en met

een heel onplezierige gewaarwording, dat ze leelijk in de val geloopen

waren en angst voelden, zooals Mitchell me later bekende. Hij had

zijn geweer in het kamp gelaten; daar had zijn meester op gestaan,

begeerig als hij was om zelf den eland te schieten.

Het mannetje kwam snel onder schot. Een oogenblik later zou het in

hun schuilplaats zijn en 't vizier trachtte een doodelijke plek te

ontdekken, toen een vreeselijk gebrul en woedend hoefgestamp vlak

achter hen--het leek wel aan den rand van het boschje--hen met een

sprong op de been bracht. Een seconde later lag het geweer in de

struiken, en een jager die totaal de kluts kwijt was krabbelde alles

vernielend in een wanhopige vaart tusschen de takken van een lagen

spar naar boven, alsof het alleruiterste topje ook nog maar half

hoog genoeg was. Mitchell was nergens te zien, tenzij men de oogen

van een uil bezat om hem tusschen de wortels van een gevallen den te

ontdekken. Maar de eerste eland stormde, zonder op of om te kijken,

dwars door het boschje, en op de open vlakte begon een geweldige

strijd. Een minuut lang was er alles in verwarden opstand van

woest gegrom en kletterende geweien en stampende hoeven en heesche,

moeilijke ademstooten; toen was de opwinding over 't gevecht te sterk

om weerstand te bieden: een donkere figuur scharrelde uit de wortels,

om dadelijk plat onder een struik te gaan liggen en omzichtig naar de

worstelende monsters, geen dertig voet van hem af, te gluren. Twee keer

fluisterde Mitchell zijn meester toe naar beneden te komen; maar de

held zat veilig schrijlings op den hoogsten tak die zijn gewicht wilde

dragen, en had klaarblijkelijk geen verlangst om een beter gezicht op

den strijd te hebben. Toen vond Mitchell het geweer in de struiken,

en het oogenblik afwachtend dat de elanden achteruitweken voor een

van hun woedende aanvallen, doodde hij den grootsten in den loop. De

andere stond een oogenblik versteld, met opgeheven kop en trillende

spieren, en stormde toen weg de vlakte over en 't bosch in.

Zulke ontmoetingen hooren dikwijls tot de treurspelen van de groote

wildernis. Als ge door de bosschen zwerft treft ge wel eens twee

reusachtige geweien aan, vast ineengeklonken, en wit gebeente, door

hongerige roovers schoon geknaagd. Er is geen geschreven relaas noodig

om hun geschiedenis te verhalen.

Eens zag ik een tweestrijd die anders afliep. Ik hoorde een vreeselijk

rumoer, en kroop door het bosch met de gedachte dat 'k een woest

tooneel uit de wildernis daar voor mezelf alleen zou hebben. Twee

jonge mannetjes waren wanhopig aan het vechten op een open plek, om

geen andere reden, dan dat ze sterk waren en trotsch op hun eerste

groote gewei.

Maar ik was niet alleen, zooals ik verwachtte. Een groote vlucht

kruisbekken [9] streek neer in de sparren en hield van verbazing met

fluiten op. Een dozijn roode eekhoorntjes juichte het gichelend en

klakkend toe als de mannetjes op elkaar losrammeiden. Mieko is altijd

blij wanneer er ergens kwaad geschiedt. Hoog in de lucht zweefde

een zeldzame boschraaf met haar kop recht naar beneden gebogen om

te kijken. Elandvogels [10] glipten in rustelooze opgewondenheid

van boom naar struik. Kagax de wezel stelde haar bloeddorstigen gang

naar de jonge konijntjes uit. En vlak naast me, onder de toppen der

sparretwijgen, vergat Tookhees de boschmuis haar angst voor den uil

en den vos en haar honderd vijanden, en zat in 't volle daglicht bij

haar holletje zenuwachtig over haar snorren te strijken.

Zoo keken we toe, tot de eland die het af moest leggen vlak bij me

achteruitweek, mij in den neus kreeg, en het gevecht was uit.

Het Boschvolkje · 第 13 / 19 题