je je zóó laat bedriegen door die Spaansche bloedhonden! Hebben zij dan
ooit hun woord gehouden? Begrijp je dan niet, dat het er hun om te doen
is, je in hunne macht te krijgen en je op te hangen?--Keer terug, wat ik
je bidden mag,--keer terug! 't Is een list, een valstrik, een..."
Op dit oogenblik kwam de Hopman weder binnen, en zag Jan Slob zich dus
genoodzaakt zijne verdere waarschuwingen te staken.
Maar 't Hoen liet zich niet raden.
»Ik heb vertrouwen in het mij aangeboden vrijgeleide," antwoordde hij
kalm aan het oor van Jan Slob. »En wie weet, waar mijn bezoek misschien
goed voor is. De toekomst is duister te lezen."
De reis werd vervolgd. Het viertal roeide het IJ over, langs het
eilandje Ruichoort, en legde aan de overzijde het schuitje op eene
veilige plaats vast. Te voet gingen zij verder tot zij het Spaarne
bereikten, waar een jacht gereed lag, bemand met Spaansche krijgers, die
thans echter als roeiers dienst moesten doen.
»Ziedaar het vaartuig, dat ons naar het kamp zal brengen," sprak de
Hopman, terwijl hij aan boord stapte. Met een hoffelijk gebaar wees
hij 't Oude Hoen een plaats aan naast zich op de bank, en de beide
jongelieden op een andere. Daarna gebood hij de krijgsknechten van wal
te steken, en voegde hun toe:
»Mannen, ziehier drie dappere Vrijbuiters, die zich op verlangen van Uw
Overste naar ons kamp begeven. Vergeet niet, dat Uw leven borg is voor
het hunne."
Onder den tocht voerde de Hopman een druk gesprek met 't Hoen, en Marten
zei zacht tot zijn vriend:
»Geloof jij, dat er verraad in het spel is?"
»Neen,--geen oogenblik!" was het antwoord. »En ik vind het wat aardig,
dat ik nu eens op mijn gemak een kijkje kan nemen in het kamp der
Spanjaarden. Ik heb daar al lang naar verlangd."
»Ja," zei Marten droevig, »maar nog meer wensch ik in de belegerde stad
te komen..."
»Waarom?" vroeg Aelbert met eenige verwondering. »Heb je dan lust, daar
vandaag of morgen den plunderenden vijand in handen te vallen? Want het
staat bij mij vast, dat Haarlem verloren is. Alle pogingen, die de Prins
tot ontzet heeft aangewend, zijn tot nog toe mislukt."
»Och ja, dat alles weet ik wel," zei Marten. »Maar de gedachte wil mij
maar niet uit het hoofd, dat mijn zuster Anna zich in die stad bevindt,
en ik zou het vreeselijk vinden, als zij bij de overgave, die ook
volgens mijne meening volgen móet, den vijand in handen viel."
»Hoe kom je toch op de gedachte, dat Anna juist dáár zou wezen?"
»Omdat ik stellig al bericht van haar had gehad, als zij ergens anders
was. Neen Aelbert, ik geloof vast en zeker, dat zij zich in Haarlem
ophoudt, en ik maak mij daarover bekommerd en angstig. Zeg,--zou er geen
middel voor mij zijn, om in de stad te komen? O, ik verlang zoo
vurig..."
»Om er in te komen misschien wel, maar om haar te verlaten, zeker
niet..."
»Dat is ook niet noodig!" viel Marten in. »Als ik er maar eerst in was,
dan kon ik zoeken en zoeken, totdat ik haar gevonden had, en wie weet,
of ik dan ook geen middel zou vinden, om met haar te vluchten. Maar dáár
mag zij niet blijven."
»Wij zullen er met Vader over spreken en diens raad vragen," zei
Aelbert peinzend. En zijn vriend de hand drukkende vervolgde hij met
ernst:
»Vergeet nooit, dat waar jij ook heengaat, ik je vergezellen zal. Ik heb
je beloofd, dat ik je zou helpen zoeken, en ik zal mijn woord houden,
zelfs al moesten wij haar terughalen uit het paleis van Alva zelf!"
Deze hartelijke woorden deden Marten goed, en hij bleef gedurende den
verderen tocht steeds peinzen op een middel om in de bedreigde stad te
komen. Doch hoe hij zich ook pijnigde met het ontwerpen van allerlei
plannen, hij zag geen kans zijn doel te bereiken.
Zonder eenigen tegenspoed bereikten zij het kamp om Haarlem. De Hopman
geleidde hen naar den Hout, waar de veldheer de Licques met zijne Walen
gelegerd was.
Den veldheer zelf troffen zij echter niet in zijn tent aan, daar hij
bij Don Frederik ontboden was, om diens bevelen te vernemen. De Hopman
noodigde hen uit plaats te nemen en een oogenblik te wachten. Hij zou
dadelijk van de aankomst der Vrijbuiters kennis gaan geven aan de
verschillende Oversten, die het verlangen hadden te kennen gegeven hen
te zien, en spoedig terugkeeren.
Zoo bleven zij dus met hun drieën alleen, en had Marten een goede
gelegenheid, om 't Oude Hoen zijn wensch kenbaar te maken en diens raad
te vragen.
't Oude Hoen keek hem ernstig aan, maar gaf geen antwoord.
»Schijnt mijn verlangen u eene dwaasheid toe, Neef?" vroeg Marten.
»Neen,--ook ik houd het voor mogelijk, dat Anna naar Haarlem is
gevlucht," was het antwoord. »Ik zou er ook niets op tegen hebben, dat
je eene poging..."
»Maar als Marten gaat, houd ik hem gezelschap, met uw goedvinden," viel
Aelbert in.
Zijn vader glimlachte even, en zeide:
»Welnu, ik heb niets tegen je plan, en Aelbert mag mijnentwege
meêgaan,--doch met den besten wil ter wereld zou ik geen middel weten te
bedenken, om binnen gindsche muren te komen. Ik acht dat bepaald eene
onmogelijkheid."
Er werd nog geruimen tijd over het plan gesproken, maar van welken kant
zij de zaak ook bekeken, zij stuitten telkens op onoverkomelijke
moeielijkheden.
Het duurde niet heel lang, of de Hopman keerde terug, thans in
gezelschap van een groot aantal voorname Veldoversten, die allen
nieuwsgierig waren naar den gevreesden Vrijbuiter, dien zij zich
voorstelden als een voornaam Hollander, met een groote, indrukwekkende
gestalte en buitengewone spierkracht.
Wie schetst echter hunne verbazing, toen zij daar een eenvoudig boertje
voor zich zagen, klein van gestalte en zonder eenig aanzien. Want de
kleeding der drie Vrijbuiters bestond slechts uit eene wijde broek,
een eng, maar geschoot wambuis en een breedgeranden hoed. Was deze
eenvoudige man 't gevreesde Hoen? En behoorden die twee knapen tot de
zoo beroemde Vrijbuiters? Zij konden hunne oogen nauwelijks gelooven, en
keken elkander vragend aan.
Het drietal was bij de nadering der deftige Heeren opgestaan en had het
hoofd ontbloot.
»Zijt gij het Oude Hoen?" riep de Heer Van Licques uit, terwijl hij het
boertje van het hoofd tot de voeten opnam.
't Hoen glimlachte fijntjes, en sprak:
»Om U te dienen, Edele Heer, ik ben Govert 't Hoen. Op Uw verzoek ben ik
hier gekomen, vertrouwende op Uw woord als krijgsman..."
»En daar hebt ge wèl aan gedaan!" riep de Heer Van Licques hem toe. »Gij
hebt niets te vreezen, en ik dank U zeer voor uwe komst. Uwe dapperheid,
pas nog zoo klaar gebleken bij het gevecht op den Sparendammerdijk,
heeft onze bewondering opgewekt, en wij allen wenschten U te zien. Gaat
zitten, Heeren!"
De aanzienlijke krijgsoversten namen plaats, en de Heer de Licques
haalde een paar kostbare steenen te voorschijn, die hij 't Hoen als een
aandenken aanbood. Maar 't Hoen weigerde met groote beslistheid.
»Hartelijk dank, Heer, voor uwe vriendelijke bedoeling, maar ik mag van
den vijand geen geschenken aannemen."
De Heeren keken den eenvoudigen, waardigen man met bewondering aan, en
de Heer de Licques bleef er op aandringen, dat hij het geschenk zou
aannemen.
»Zeer zeker niet, Heer,"--sprak 't Hoen, en glimlachend liet hij er op
volgen: »Maar mocht het lot willen, dat ik ooit als krijgsgevangene
tegenover u kom te staan, wil dan mijner gedachtig wezen."
»Daarop geef ik U mijn woord!" zei de Licques met een krachtigen
handslag.
Er volgde nu een levendig gesprek, waaraan allen deelnamen, en de drie
Vrijbuiters gevoelden zich volkomen op hun gemak. Zij waren er thans ten
volle van overtuigd, dat hier geen verraad in 't spel was.
Zoo ging er een uurtje voorbij, toen plotseling de stemmen verstomden en
alle aanwezigen opschrikten door een hevig musketvuur en het gedruisch
van wapenen.
Vlug sprongen de aanwezigen van hunne zetels op, en onder den uitroep:
»De Haarlemmers doen een uitval! Te wapen! Te wapen!" snelden zij de
tent uit. In minder dan geen tijd was ons drietal alleen, en ook zij
begaven zich naar buiten, om te zien, wat er aan de hand was.
Er heerschte in het Spaansche kamp een groote levendigheid. Van alle
kanten zag men krijgslieden naar de bedreigde plaats snellen, vanwaar
zich een verward gedruisch van menschelijke stemmen, musketschoten en
wapengekletter deed hooren. In de verte zagen zij den strijd...
Ha, de oogen der Vrijbuiters tintelden met een heeten gloed, en zij
sloegen onwillekeurig de handen aan het rapier.
»Vader!" riep Aelbert met geestdrift uit, »Vader, laten wij toch hier
niet als lafhartigen blijven staan, terwijl ginds onze broeders hun
leven wagen..."
En hij trok zijn rapier half uit de scheede met bevende handen. Maar 't
Oude Hoen zei kalm en bedaard:
»Dat kan en mag niet, jongen. Ik ben onder vrijgeleide hier gekomen, en
daardoor tegen wil en dank verplicht hier te blijven.--Maar je wilt
immers binnen gindsche muren komen?"
»Ja,--ja!" riep Marten heftig uit. »Dat wil ik!"
»Ga dan, mijn jongen," klonk het ernstig. »Ginds doen de Haarlemmers een
uitval, zooals zij er reeds zoovele deden. Ga, en sluit u bij hen aan.
Ook nu zal wel het einde wezen, dat zij teruggedreven worden. Voeg U bij
hen, en de poorten zullen u, als voor hen, geopend worden. Ga, zeg ik,
en God bescherme u!"
»Ja, ik ga!" riep Marten vurig uit. »Eene betere gelegenheid krijg ik
nooit!"
»En ik ga met je!" sprak Aelbert.
Haastig drukten de jongelieden 't Oude Hoen de hand, en snel
verwijderden zij zich in de richting van de plaats, waar de strijd
gevoerd werd. 't Oude Hoen zag hen na zoo lang hij kon, en het was den
dapperen Vrijbuiter aan te zien, dat hij ontroerd was...
Enkele uren later keerde hij naar zijne hoeve terug, geheel alleen. De
Heer de Licques had eerlijk zijn woord gehouden en hem door eenige
krijgsknechten, onder bevel van denzelfden Hopman, naar 't IJ terug
laten brengen. Toen hij van 't Hoen vernomen had, dat de beide
jongelieden hun strijdlust niet hadden kunnen bedwingen en zich bij de
Haarlemmers hadden aangesloten, had hij even geglimlacht en gezegd:
»Dat is niet volgens de afspraak, doch ik zal maar denken: »'t Muist,
wat van de katten komt." Jammer, dat zulke rappe gasten de zaak der
oproerlingen dienen."
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK XI.
In de bedreigde veste.
In stormpas waren de twee jonge Vrijbuiters naar de plaats des gevechts
geijld, de oogen glinsterende van strijdlust, en met het wapen in de
vuist.
't Was waar, wat zij gedacht hadden. De Haarlemmers deden dien middag
een geduchten aanval op het zoogenaamde Voorhout. Des middags waren een
twee- of driehonderd Engelsche, Waalsche en Schotsche haakschutters
de Zijlpoort uitgetrokken, en hadden de vijandelijke regimenten naar
die plaats gelokt, waardoor verscheidene kampen geheel van krijgers
waren ontbloot. Toen deze list zoo goed gelukt was, trokken zes- à
zevenhonderd vendels soldeniers en schutters de Leidsche Waterpoort en
de Kleine Houtpoort uit, zoodat de Waalsche en Duitsche vendels, die
in den Hout gelegerd waren, van verschillende kanten tegelijk werden
aangevallen. De Walen stonden onder bevel van De Licques, de Duitschers
onder Fronberg en Ebersteyn. Deze vendels kregen het ontzaglijk kwaad te
verantwoorden, en de Haarlemmers vochten met onstuimigen moed.
»Weg met de Spanjaarden! Leve de Prins van Oranje," was de strijdleus,
waarmede zij zich op de overmachtige vijandelijke vendels stortten.
»Weg met de Spanjaarden, leve de Prins van Oranje!" was ook de
kreet, waarmede Aelbert en Marten zich onbevreesd te midden van het
krijgsgewoel wierpen. 't Werd een vreeselijke strijd. Overal hoorde men
het rinkelen der zwaarden op de kurassen en helmen, de woeste kreten der
strijdenden, het gereutel der stervenden en gewonden. En in het leger
der Spaanschen ontstond eene groote verwarring. Zij waren tegen dezen
verwoeden aanval niet bestand.
»Vlucht! Vlucht!" werd er geroepen. En niet minder dan 14 vendels
Duitsche voetknechten en 12 Waalsche zochten een goed heenkomen in
het achterste gedeelte van het Bosch, waar zij zich opnieuw trachtten
te vereenigen om den aanval te weerstaan. Maar zij konden het niet
volhouden tegen het geweldige schieten, slaan en steken, en moesten
opnieuw hun heil zoeken in de vlucht, achtervolgd door de Haarlemmers,
die hen voortdreven tot zelfs over de Noordwijkervaart en de daarachter
gelegen duinen.[1] De Spaanschen verloren niet minder dan 600 man,
waaronder hoplieden, luitenants, vaandrigs, wachtmeesters, »groote
monsieurs," »groote cadetten" en »groote hanssen."
[1] Zie over dezen uitval C. Ekama, Beleg en Verdediging van Haarlem,
bladz. 151 enz.]
De Haarlemmers staken een aantal huizen, hutten en tenten in den brand,
waarin de vijanden gehuisvest waren, en werden daarbij onverwachts
aangevallen door Spaansche ruiters en haakschutters, die van Heemstede
en andere plaatsen kwamen opdagen, en hen dwongen tot den aftocht. Met
verlies van niet meer dan tien of twaalf man werden zij genoodzaakt af
te trekken en zich binnen Haarlems muren in veiligheid te stellen. Maar
groot was de buit, dien de krijgers met zich medevoerden, bestaande
uit harnassen, spietsen, stormhoeden, rapieren, hellebaarden, kostbare
kleederen van hoplieden, vaandrigs en oversten, juweelen en goud, zelfs
schotels en gouden ringen, trommels, ketels en nog vele andere dingen.
Aelbert en Marten hadden zich in den strijd geducht geweerd, zoodat zij
zelfs de opmerkzaamheid trokken van den vaandrig Pieter Dirksz
Hasselaar, die den uitval had medegemaakt.
»Leven de Vrijbuiters van 't Oude Hoen!" riepen zij meermalen in de
hitte van den strijd, en die kreet had de aandacht van den vaandrig
gaande gemaakt, terwijl hij met bewondering had gezien, hoe dapper de
beide jongelieden zich in het gevecht gedroegen. Toen hij zich gedurende
eene korte poos dicht in hunne nabijheid bevond, hief hij zijn vaandel
omhoog, en riep hun toe:
»Leven de Vrijbuiters van 't Oude Hoen! Goed zoo, dappere jongens, goed
zoo! Weg met de Spanjolen en leve de Prins!"
Later had hij hen meermalen in het gevecht opgemerkt, en telkens weer
had het hem goed gedaan te zien, met welk eene dapperheid zij streden.
Eindelijk was de terugtocht begonnen. Aelbert en Marten hadden zich bij
elkander aangesloten, en Marten had gezegd:
»Nu zullen wij dan toch ons doel bereiken. Thans gaan wij naar Haarlem!"
En meegesleurd door den stroom der strijdende krijgslieden waren zij de
muren der bedreigde veste al vechtende genaderd, en deze eindelijk door
de geopende poort binnengetrokken. Groote vreugde heerschte onder de
stedelingen over de behaalde overwinning en over den rijken buit, die
binnen gebracht werd. Overal zag men mannen en vrouwen, die de
terugkeerende krijgers toejuichten....
Maar langzamerhand werd het stiller in de straten, want de uitgeputte
mannen zochten hunne kwartieren op, om uit te rusten van de vermoeienis.
En doelloos dwaalden Marten en Aelbert door Haarlems straten. Zij
kenden daar niemand, en niemand kende hen. Overal keken zij rond, of
soms iets hun op het spoor zou kunnen brengen van de verloren zuster,
maar tevergeefs. Zij dwaalden de stad door van het eene einde tot het
andere, en overal zagen zij de sporen van den geduchten strijd, die nu
reeds vier maanden had geduurd, en de verbrokkelde en vergruisde muren
en de gehavende poorten, waarin de bressen met aarde, puin, meubelen, en
zelfs met de beelden uit de kerken waren dichtgestopt.
Op hun tocht door de stad ontmoetten zij den bevelhebber der vesting,
Wybot Ripperda, den dapperen krijgsman, die door zijn moed en krachtig
beleid reeds zooveel had bijgedragen tot het behoud der stad. En zij
zagen ook Kenau Simons Hasselaar, de dappere vrouw, wier moed reeds
tot ver buiten de muren bekend was. Met bewondering aanschouwden zij
de kloeke weduwe, die zich zoozeer beijverd had bij het herstellen
van muren en poorten, en die zich zelfs niet had ontzien de mannen ter
hulp te snellen op de wallen, als de Spanjaarden de stad bestormden en
mannenkrachten te kort schoten, om hen te wederstaan. Dan snelde zij met
het zwaard in de hand ter hulp, en verscheidene vrouwen en meisjes,
aangevuurd door haar moed, volgden haar in den strijd.
De beide jongelingen bleven staan om haar goed te kunnen zien, en zij
deden dit met een blik vol bewondering. Hoe kloek en sterk was die
gestalte, hoe vurig tintelde dat oog!
Toen Kenau bij het voorbijloopen hunne bewonderende blikken opmerkte,
knikte zij hen vriendelijk toe. Ook ontmoetten zij den dapperen vaandrig
weder, dien zij in den strijd hadden gezien, en van de voorbijgangers
vernamen zij, dat het Pieter Dirkz. Hasselaar was, de neef van de
beroemde Kenau.
Maar,--van Anna ontdekten zij geen spoor, en de avond begon reeds
te vallen. Gelukkig dat ook zij een gedeelte van den buit hadden
bemachtigd, en dus niet met ledige handen behoefden te komen, als zij
hier of daar om een nachtverblijf verzochten. Toen het reeds geheel
donker was geworden, traden zij een eenvoudige taveerne binnen, en het
gelukte hun, daar voorloopig een onderkomen te vinden. De waard was een
oud man, die niet moede werd hun te vertellen over alles, wat de stad
reeds had moeten verduren. Hij sprak over de geduchte bestormingen,
die de Spanjaarden hadden beproefd, en over de verschrikkelijke
bombardementen, die hadden plaats gehad en waarbij al meer dan zeven
duizend bommen in de stad waren geworpen.
Den volgenden morgen al vroeg zetten de beide jongelieden hun onderzoek
voort. Overal informeerden zij, of hier of daar ook menschen woonden,
die vóór het beleg uit Saardam waren gevlucht,--maar even dikwijls
werden zij teleurgesteld. En toen het middag geworden was en zij nog
geen stap nader tot hun doel gekomen waren, zei Aelbert:
»'t Is moeielijk zoeken in een vreemde stad, waar wij niemand kennen en
zelfs den weg niet weten. Ik geloof, dat wij beter gedaan hadden door in
Westzaan te blijven. En hoe moeten wij de stad weer verlaten? Ik weet er
geen middel op."
Marten antwoordde niet, maar ook hij voelde zich teleurgesteld. Zoo
stellig had hij verwacht, Anna hier te zullen vinden. 't Was zijn
laatste hoop geweest, en thans begon hij steeds meer te vreezen,
dat zij in de handen der Spanjaarden zou gevallen zijn, wat wel het
schrikkelijkste lot was, dat haar treffen kon. Verdrietig dwaalde hij de
stad door, van de eene straat in de andere, en ook de tweede dag was nu
bijna verstreken. Hij sprak weinig of niets, en op de vragen van Aelbert
antwoordde hij slechts met een enkel woord. Toen de schemering inviel,
zei Aelbert:
»Willen wij ons nachtkwartier maar weer opzoeken, Marten; de avond
valt..."
Opeens greep Marten hem bij den schouder, en riep uit:
»Kijk dáár eens, Aelbert,--dáár...!"
Aelbert stond stil en keek in de aangewezen richting, maar hij zag niets
dan enkele krijgslieden, die in druk gesprek op eenigen afstand liepen.
En zijn vriend aanziende, bemerkte hij, dat deze doodsbleek zag en zijn
fonkelende oogen steeds op dezelfde plaats gevestigd hield.
»Dáár,--dáár,--zeg, is dat Kees niet, onze hond?--O, 't móét hem
zijn,--'t kan niet anders!--Maar, groote God,--dan kan ook Anna niet ver
weg zijn!"
Aelbert zag nu ook een grooten, zwarten hond, die eenige huizen voor hen
uit op de straat liep, snuffelende aan de stoepen en steenen palen, die
hij passeerde.
Marten klapte in de handen, en riep op gejaagden toon:
»Kees! Kees! Waar ben je dan?--Hallo Kees!--Kees! kom hier! kom bij den
baas!"
De hond stond stil en keek om. Maar hij bewoog zich niet.
»Kom Kees!--kom Kees!--Kees--Kees--Kees!" hield Marten vol, en hij
klapte met beide handen op zijne knieën, om den hond tot zich te lokken.
Het beest stond nog eenige oogenblikken onbeweeglijk,--toen kwam zijn
staart langzaam in beweging, wat weldra in een levendig kwispelen
overging,--en »woef, woef!" blafte hij, zoodat de zware stem van den
hond door de geheele straat weerklonk. Op hetzelfde oogenblik rende Kees
op zijn jongen meester toe, dien hij herkend had. Met groote sprongen
kwam hij nader en hij vloog woest tegen Marten op, blaffende van
blijdschap. Hij deed dat met zoo'n geduchte vaart, dat Marten bijna
omver viel.
Wat was Kees blij! Als dol rende hij nu eens om Marten heen, blaffende
en jankende, en dan weer vloog hij plotseling op hem toe, en legde hem
de dikke pooten op de schouders.
»Kees!--Goede Kees!" zei Marten, den hond streelende en liefkoozende. De
goede jongen had tranen van blijdschap in de oogen.
»O Aelbert,--nu kan Anna niet ver weg zijn," stamelde hij door zijne
tranen heen.
Ook Aelbert was ontroerd. Hij verheugde zich er in, dat Marten zijn hond
teruggekregen had, en hij hoopte voor zijn vriend, dat nu ook Anna zou
gevonden worden. Maar dit was toch immers nog niet zeker? Al was Kees
gevonden, daarom kon toch Anna wel een ongeluk getroffen hebben?
Hij zei daarvan echter geen woord, want hij wilde de vreugde van zijn
vriend niet vergallen.
Kees kwam langzamerhand tot kalmte. Hij stond thans stil bij Marten en
liet zich diens liefkoozingen gaarne welgevallen. De lange, roode tong
hing hem uit den bek, wat een gevolg was van zijn geducht rennen en
springen, en hij keek met zijn trouwe oogen zijn jongen meester aan,
alsof hij hem vragen wilde, of hij hem nu voortaan niet meer verlaten
zou. En Marten kon niet nalaten, hem de armen om den ruigen nek te
slaan en hem tegen zich aan te drukken.
»Hoe nu verder, Marten?" vroeg Aelbert. »Wij hebben Kees nu wel, maar
Anna nog niet. En Kees kan, wat jammer genoeg is, niet praten."
»O, wij zullen haar wel vinden!" riep Marten uit. »Laten wij langzaam
oploopen. Misschien wijst Kees ons dan den weg wel."
»'t Is te probeeren," zei Aelbert. En langzaam wandelden de jongens
verder. Kees liep vroolijk om hen heen, doch hij bleef voor geen enkel
huis stilstaan, zoodat de jongens niet wijzer werden. Toen zij aan het
einde der straat gekomen waren, stelde Marten voor:
»Wij moesten de straat een poosje op en neer loopen. Ik geloof vast, dat
Kees hier thuis hoort. Misschien zoekt hij eindelijk zijne woning zelf
weer op, dan kunnen wij hem volgen."
»Goed!" zei Aelbert. »Misschien heb je gelijk."
De jongelieden wandelden langzaam in de straat heen en weer, en hielden
den hond nauwlettend in het oog. En toen Kees over de eerste vreugde van
het wederzien heen was, en niet meer zoo zorgvuldig in de onmiddellijke
nabijheid van Marten bleef, werd hunne spanning op het grootst. Want
Kees begon blijken te geven, dat het wandelen hem ging vervelen en dat
hij naar huis verlangde. Blijkbaar werd hij onrustig, en was hij niet
gewoon, als het donker werd buiten te zijn.
't Werd stiller in de straat; de menschen trokken zich in de huizen
terug, voorzoover zij de wacht niet moesten houden op de muren.
Opeens klonk een heldere stem op eenigen afstand achter hen, terwijl een
handgeklap zich deed hooren. Kees spitste de ooren.
»Kees!--Kees!--Waar zit je, Kees?--Kees!"
Een luid blaffen was het antwoord van den hond.
Marten bleef ontroerd stilstaan.
»Dat is Anna!--Dat is haar stem!" mompelde hij zacht. Kees keek Marten
aan, alsof hij hem wilde vragen, met hem mede te gaan. En de heldere
stem achter hem herhaalde: »Kees!--kom, Kees!"
Met groote sprongen ijlde Kees weg, en de jongens liepen even hard met
hem mede. Ha, ginds zagen zij in de geopende deur de gestalte van een
meisje.
»Brave hond!" zeide ze vriendelijk, toen Kees tegen haar opsprong, en
zij wilde hem streelen, maar toen zij de beide knapen op zich zag
afkomen, maakte zij eene beweging van schrik en wilde snel de deur
sluiten.
»Anna!--Anna!" riep Marten haar toe, en zijne stem bleek tooverkracht te
bezitten. Zij herkende dadelijk de stem van haar broeder.
Schreiende van geluk en aandoening vielen zij elkander in de armen en
zij konden geen woord uiten van ontroering. Hoe hadden zij beiden naar
dit oogenblik van wederzien verlangd!
De tegenwoordigheid van Aelbert waren zij gedurende enkele oogenblikken
geheel vergeten, zoodat deze eindelijk zeide:
»En wanneer kom ik nu aan de beurt, Anna? Of ken je mij niet meer?--Wat
ben jij groot geworden!"
Anna maakte zich uit de omarming los, en keek hem aan. En nog met tranen
in de oogen zei ze:
»Neef Aelbert 't Hoen! Of ik je ken!" En zij drukte hem hartelijk de
hand.
»Maar komt beiden binnen," vervolgde zij. »O, ik heb zooveel aan je te
vragen!"
»En ik niet minder," zei Marten, wiens oogen tintelden van vreugde, nu
hij zijn lang gezochte zuster gezond en ongedeerd terug had mogen
vinden.