beide jongelieden aan. Een man en een vrouw heetten hen hartelijk
welkom, en Marten herkende in hen direct een echtpaar, dat hij te
Saardam meermalen had gezien. 't Waren Willem Hooft en zijn vrouw, die,
dadelijk na den inval der Spanjaarden in Saardam, met hun geld en
kostbaarheden de vlucht hadden genomen naar Haarlem, waar zij veilig
meenden te zijn. Zij noodigden de beide jongelieden vriendelijk uit, bij
hen hun intrek te nemen, wat natuurlijk gaarne aangenomen werd. En het
vijftal bracht den avond druk pratende door. Marten vernam van Anna, hoe
zij bij den vreeselijken dood van hare ouders tegenwoordig was geweest,
en dat de Spanjaarden getracht hadden haar gevangen te nemen, maar
dat dit door den trouwen Kees belet was. Verder, hoe zij naar het
arbeidershuisje aan den Waterlandschen dijk gevlucht en door Willem
Hooft in diens schuitje opgenomen en naar Haarlem gevaren was, waar
zij sedert haar verblijf had gehouden. En nu bleek het Marten ook,
hoe zij op middelen had gepeinsd, om hem bericht te zenden van hare
tegenwoordige verblijfplaats, maar daar zij niet wist, waar hij zich
bevond, was haar dit onmogelijk geweest. Meermalen had zij zelfs het
plan opgevat, om de stad te verlaten, en hem op te sporen. Maar waarheen
moest zij zich wenden? En hoe had een jong meisje zonder geleide in
dezen boozen tijd een dergelijken tocht kunnen ondernemen? Willem Hooft
en Maartje, zijne vrouw, hadden het haar ten stelligste ontraden.
Eindelijk was het ook zelfs eene onmogelijkheid geworden door het beleg.
»Zoo zie je, Marten,--we zijn van den regen in den drop gekomen,"
zei Hooft met een diepen zucht. »Te Saardam zijn wij de honderden
Spanjaarden ontloopen, om hier door duizenden te worden ingesloten. God
weet, wat nog het einde zal zijn. Ik vrees, dat Haarlem bezwijken zal,
en wat dan?"
»Ja, wat dan?" vroeg Marten. »Ik weet het niet, maar Anna moet in ieder
geval het einde niet afwachten. Wij moeten Haarlem zien te ontkomen..."
»O, als dat eens kon!" riep Anna uit. »Ik ken de Spanjaarden genoeg om
te weten, wat wij van hen te duchten hebben."
»Wacht maar en heb geduld, Zusje," zei Marten vroolijk. »Twee
Vrijbuiters van 't Hoen zijn gekomen om je te redden, en zij zullen het
wel klaarspelen. Heb maar geduld, tot er een geschikt oogenblik gekomen
is."
Anna antwoordde niet, maar richtte peinzend haar blik op de beide
menschen, die haar zoo liefderijk in hun huis hadden opgenomen. Vrouw
Maartje schudde zacht het hoofd en sprak, hare bedoeling radende:
»Neen Anna,--wij kunnen u niet vergezellen, hoe gaarne wij deze stad ook
zouden ontvluchten. Ik ben oud en grijs, en niet meer in staat, een
dergelijken gevaarvollen tocht te ondernemen. Wij moeten hier blijven
en geduldig afwachten, welk lot de Hemelsche Vader over ons beschoren
heeft. Ons leven is in Zijne hand. Maar jij moet vluchten, als de
gelegenheid daartoe openkomt. Jij bent jong en sterk, en hebt nog een
lang leven vóór je."
Zoo werd er nog langen tijd gesproken.
Soms werd het gesprek gestoord door het doffe geluid van kanonschoten,
en hield men den adem in om te wachten, of wellicht een bom op het huis
zou nederstorten. Want voortdurend bevond men zich in gevaar. Ook hoorde
men af en toe den regelmatigen tred van krijgslieden, die de wachten op
de muren gingen aflossen.--
Voordat zij zich te bed begaven, richtten ook de twee jonge Vrijbuiters
hunne schreden naar de wallen, om het vijandelijk kamp bij nacht te
zien. En zij ontwaarden rondom de stad brandende wachtvuren, en zagen in
de verte krijgslieden als zwarte schimmen langzaam heen en weder loopen.
Ook dáár werd goede wacht gehouden.
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK XII.
In de nachtelijke duisternis, en hoe een Spanjaard zijn woord van eer
inloste.
Uit de handelingen van Marten en Aelbert bleek het de volgende dagen
al spoedig, dat zij over een middel ter ontvluchting hadden nagedacht
en bezig waren, de voorbereidende maatregelen te treffen. Van het
buitgemaakte geld hadden zij zich een snelvarend schuitje aangeschaft,
met riemen, mast en roer, en meermalen waagden zij er zich mede buiten
de poort, en voeren tot dicht bij het vijandelijk kamp. Dergelijke
tochten deden zij gewoonlijk als de zon ondergegaan was, en soms kwamen
zij pas na middernacht terug. Hun doel was alleen het terrein te
verkennen en er goed den weg te leeren. Zoo duurde het niet lang, of
elke rietschoot was hun bekend, elke inham hadden zij bezocht. Ja,
zij hadden zelfs buiten de Schalkwijkerpoort de Fuikvaart, waarlangs
heel dikwijls levensmiddelen en ammunitie werden aangevoerd, geheel
afgevaren, en waren de vijandelijke Rustenburgerschans bij de Kwakelbrug
meermalen gepasseerd. En overdag waren zij ijverig in de weer, om het
bootje nog meer snelheid te bezorgen door het aanbrengen van een fok
en een topzeil, terwijl zij tevens de twee roeispanen met vier
vermeerderden, zoodat drie personen tegelijk aan de riemen konden
zitten.
Eindelijk waren zij met hunne toebereidselen gereed, en wachtten zij nog
alleen op een geschikt oogenblik.
Intusschen zaten zij niet stil, maar hielpen de bezetting ijverig bij
de verdediging van de bedreigde wallen en poorten, zoodat zij al spoedig
goede bekenden van de krijgslieden waren geworden, die hen graag mochten
lijden en hen nooit anders noemden dan de twee Vrijbuiters. En vooral
boden zij dikwijls de behulpzame hand bij de Schalkwijker poort, welke
zij voor hunne vlucht noodig hadden. Zij konden bij de wachten doen, wat
zij wilden, en genoten een onbeperkte vrijheid van beweging. Trouwens,
de Fuikvaart, die in het Haarlemmermeer uitliep, was nog in handen van
den Prins, die den uitgang beschermde en zoo het vrije verkeer met
Haarlem zooveel mogelijk openhield. Wel had Don Frederik de straks
genoemde Rustenburgerschans in zijn macht, en zocht hij de vaart door
de Fuik te beletten, maar dat gelukte hem slechts ten deele.
Telkens waren er weer stoutmoedigen, die den gevaarlijken tocht durfden
ondernemen, ook al waren de vele lijken van hunne voorgangers, die aan
de galgen hingen in het vijandelijk kamp, even zoovele afschrikwekkende
voorbeelden.
Ook Marten en Aelbert waren besloten, den gewaagden tocht te ondernemen.
Zij wilden echter zooveel mogelijk de kansen in hun voordeel hebben, en
wachtten geduldig op een gunstige gelegenheid.
Eindelijk, op een donkeren avond, werd het waagstuk ondernomen. Zwarte
wolken dreven langs het zwerk, en er blies een sterke wind uit het
Zuid-Oosten. 't Was donkere maan, en geen sterretje liet zich zien.
's Avonds om ongeveer elf uur stapten drie jeugdige Vrijbuiters aan
boord van het kleine vaartuig. Het vuurroer hing hun over den schouder,
het rapier aan de heup, en de pistolen staken in den gordel. Kees sprong
als vierde reiziger mede aan boord.
Anna had haar lange vlechten afgeknipt, zich in het gewaad van een
Vrijbuiter gestoken, en het hoofd bedekt met een breedgeranden hoed. Met
moeite had zij afscheid genomen van de brave menschen, bij wie zij zoo
lang een vriendelijk tehuis had gevonden, en met tranen in de oogen had
zij hunne gastvrije woning verlaten. Zij wist, dat de beste wenschen van
Hooft en diens vrouw haar volgden.
De boot stak van wal, en zonder een enkel woord te spreken roeide
Marten naar de Schalkwijkerpoort, waar de wacht hen aanriep.
»Wie daar,--en waarheen?" was de vraag.
[Illustratie]
»Goed volk," riep Marten. »De Kennemer Vrijbuiters."
»Goede reis!" sprak de wachter, en weldra hadden zij de stad verlaten.
't Was zoo donker, dat het den jongen reizigers moeite kostte, iets te
onderscheiden. Maar zij hadden de reis niet voor niets reeds dikwijls
gemaakt, en wisten den weg.
»Zeilen hijschen?" vroeg Aelbert zacht.
»Goed," sprak Marten, die op het voorbankje gezeten, half over de plecht
hing met het vuurroer in de hand en de brandende lont naast zich. Scherp
tuurde hij voor zich uit, of er ook onraad dreigde.
Anna hield intusschen het roer. Zij had vroeger dikwijls gevaren en kon
roeien en sturen als de beste. Vlug zette Aelbert den mast omhoog en
heesch het groote zeil en het topzeil, terwijl Marten met een snelle
beweging de fok aansloeg.
't Woei hard, en de boot kreeg onmiddellijk een snellen gang. Anna
verliet het achterbankje en gaf het roer over aan Aelbert. Zij ging op
eene andere bank zitten, met Kees aan hare voeten.
»Anna," sprak Aelbert, »als er een hevige windvlaag komt, laat dan het
groote zeil wat vieren, want je begrijpt wel, dat we veel te veel zeil
voeren, en kans loopen om te slaan. Houd het touw vast met één slag om
den knop, zoodat je het gemakkelijk kunt laten schieten."
Anna was vlug van bevatting en begreep hem volkomen. Bepaald vrees
voelde zij niet, hoewel zij ten volle overtuigd was, dat deze tocht met
groote gevaren gepaard ging. Als zij ontdekt werden door den vijand, die
in een nacht als dezen ongetwijfeld dubbel waakzaam zou zijn, waren zij
onherroepelijk verloren.
De wind gierde door de zeilen en langs den mast, en de boot schoot
pijlsnel door het water. De drie vluchtelingen hoorden het water tegen
de boot klotsen, en soms helde het vaartuigje zoo dreigend overzij, dat
het maar weinig scheelde, of het sloeg om. Ook dat was een gevaar, dat
hun boven het hoofd hing. Maar de jonge Vrijbuiters kenden geen vrees;
daarvoor hadden zij reeds te dikwijls allerlei gevaren onder de oogen
gezien en overwonnen. Bovendien wisten zij, dat juist van de snelheid
van hun vaartuigje alles kon afhangen. Zij moesten sneller kunnen
zeilen, dan de vijand roeien, als dat noodig was. En als de wind zoo
fel bleef razen, was dat ongetwijfeld het geval.
Anna vertrouwde zich geheel aan hare beide geleiders toe. Zij wist, hoe
moedig zij waren, en dat zij beiden waakten voor haar leven en hare
vrijheid. En mocht soms de boot dreigen om te slaan, zoodat zij een
gilletje van schrik bijna niet bedwingen kon, toch beheerschte zij zich
en liet geen angst blijken.
»Ginds nadert iets!" waarschuwde Marten zacht, terwijl hij zich nog meer
inspande, om iets in de duisternis te onderscheiden.
Op 't zelfde oogenblik grepen zoowel Anna als Aelbert naar het vuurroer,
en Anna drukte het in voorovergebogen houding tegen den schouder.
Zwijgend vroegen zij zich af:
»Wat zal het zijn: vriend of vijand?"
En doodstil wachtten zij af, wat er komen zou. Zij hoorden het geluid
van gedempte mannenstemmen, afkomstig van een naderend vaartuig. En een
oogenblik later zagen zij een kleinen vonk, ongetwijfeld van een lont.
Zeker hadden de mannen ook het naderen van een vaartuig opgemerkt en
stonden zij gereed, om zich zoo noodig te verdedigen.
»Wie daar?" werd er geroepen.
Maar ons drietal gaf geen antwoord. Alleen Kees liet een dof gegrom
hooren. Zij vernamen het geklots van riemen, en nogmaals klonk de vraag:
»Wie daar?"
Thans was Marten gerustgesteld. 't Waren vrienden, die zich,
ongetwijfeld met kruit en levensmiddelen, op weg bevonden naar Haarlem.
»Leve de Prins van Oranje!" riep hij hun zacht toe, en onmiddellijk
verdween op dit tooverwoord de brandende lont.
»Leve de Prins van Oranje!" was het antwoord, en op 't volgende
oogenblik voer de boot vlak langs hen heen. Zij bevatte verscheidene
roeiers, die zwaar werk hadden tegen den wind in.
»Dreigt er gevaar?" vroeg Marten snel.
»De bezetting houdt goede wacht!" was het antwoord. »Maar 't is Goddank
erg donker. Goede reis!"
»Goede reis," zeiden de Vrijbuiters, maar tegelijkertijd kwam aan de
reis bijna een ongewenscht einde, want een hevige rukwind deed de boot
zoodanig overhellen, dat het water over het boord stroomde.
»Laat vieren 't zeil!" riep Aelbert Anna toe, en deze bracht het bevel
met groote handigheid ten uitvoer. Dat was hun geluk. Anna hoosde het
water uit de boot, tot groot genoegen van Kees, die bijna geheel
ondergedompeld geweest was. Hij schudde zich brommend het water uit de
haren en legde zich weer op den bodem neder. Maar hij voelde zich daar
toch niet zoo rustig meer als eerst, vooral niet, als de boot weer sterk
overhelde. Dan stond hij soms al uit eigen beweging op.
Na eenigen tijd klonk opnieuw de waarschuwende stem van Marten.
»Thans dubbel voorzichtig," sprak hij zacht. »Wij naderen de
Rustenburgerschans."
De drie jonge vluchtelingen hadden werkelijk nu het gevaarlijkste punt
van de reis bereikt, en verkeerden dientengevolge in groote spanning.
Anna voelde, dat haar hart onstuimig klopte in haar borst, en dat hare
handen beefden. Maar zij verloor hare tegenwoordigheid van geest niet,
en was vast besloten, zich te verdedigen tot het uiterste. Liever vond
zij den dood in de golven, dan in de handen der Spanjaarden te vallen.
Marten kon op een korten afstand de schans zien, die zich als eene nog
donkerder massa in de duisternis afteekende. Gelukkig bleef de wind even
sterk en behield de boot haar ongewoon snelle vaart.
Plotseling werd het den jongelieden duidelijk, dat zij opgemerkt waren,
want er ontstond gerucht aan den oever in hunne nabijheid.
»Hallo! Wie daar?" werd er met forsche stem geroepen.
Maar er kwam geen antwoord. Alleen hief Kees den kop op en liet een
nijdig gebrom hooren.
»Aanleggen, of ik geef vuur!" werd er thans geboden, en Anna zag het
flikkeren van de lont.
Tegelijkertijd hoorde zij zeer duidelijk, dat eenige mannen in eene boot
stapten en van wal staken. Het geklots van de riemen was duidelijk boven
't razen van den wind en het bruisen van de golven te onderscheiden.
Aan den oever klonk een musketschot, dat weldra gevolgd werd door enkele
andere. Maar de kogels misten hun doel.
Aelbert hield het roer met vaste hand, en de boot sneed door het water.
Een hevige rukwind kwam de vluchtelingen helpen, die de naderende boot
nu gepasseerd waren en dus een kleinen voorsprong hadden.
Marten stond overeind aan de plecht, met het musket tegen den schouder
en de lont in de hand.
Hij brandde los op goed geluk af, zijn roer gericht houdende op de
naderende boot, die hij wel hooren, maar niet zien kon. En hij had goed
getroffen, want een akelige kreet drong tot hen door.
Nogmaals klonken schoten van den wal, die blijkbaar ook op goed geluk af
werden losgebrand, want geen enkele kogel trof de boot of een van de
vluchtelingen.
Dezen merkten echter duidelijk, dat zij met kracht werden achtervolgd.
Zij hoorden de gelijkmatige riemslagen der vijanden.
Marten had zijn roer weer geladen, en wachtte een gunstig oogenblik af
om opnieuw te vuren.
De wind gierde door het want, en soms schepte de boot water, maar dat
verwekte thans geen vrees meer, integendeel blijdschap, want het scheen
hun onmogelijk toe, dat de vijanden zóó snel konden roeien.
Ook de vijanden begonnen dat te begrijpen, en ziende, dat de prooi hun
dreigde te ontsnappen, schoten zij hunne musketten af. Aelbert hoorde,
dat een der kogels door het zeil vloog, en riep Anna toe:
»Buk, Anna, zoo diep als je kunt!"
Anna deed het, en hij zelf maakte zich ook zoo klein mogelijk.
»We vliegen door het water!" riep hij de anderen toe.
»Ja, Goddank!" zei Marten, die nog altoos het geladen musket gereed
hield om te vuren. »Ik verneem geen riemslagen meer, en geloof, dat wij
winnen."
Kees stond overeind in de boot en liet een nijdig geblaf hooren.
Gelukkig voor de Spanjaarden, dat hij hen niet bereiken kon, want anders
zou hij hen even feestelijk getrakteerd hebben als indertijd Hopman Wybe
Sjoerds en diens Vaandrig.
Nogmaals knalden de schoten, en Anna hoorde een kogel rakelings langs
haar hoofd fluiten.
»Marten, buk toch!" riep zij verschrikt haar broeder toe. »Breng je niet
onnoodig in gevaar!"
Na enkele minuten gaven echter de Spanjaarden de vervolging op, tot
groote vreugde van de vluchtelingen, die nu overtuigd waren, dat het
grootste gevaar geweken was.
Weldra hadden zij den uitgang van de Fuikvaart bereikt en voeren het
Haarlemmermeer op. En enkele uren later kwamen zij behouden aan den
IJoever aan, waar zij zich geheel veilig voelden. Hunne harten klopten
onstuimig van vreugde. Het waagstuk was gelukt en Anna bevond zich in
veiligheid. Zij brachten het bootje over den Westzaner Overtoom, zonder
Jan Slob te wekken, die in diepe rust lag, en bereikten in den vroegen
morgen de hoeve van 't Oude Hoen.
Met een gelukkigen glimlach op het gelaat stapten zij aan wal en traden
de hoeve binnen, waar Geerte, Aelberts moeder, hen met een kreet van
vreugde ontving.
O, hoe was zij bezorgd geweest over het lot van de beide dappere
jongelingen, die zich zoo stoutmoedig binnen de benarde stad hadden
gewaagd, om Anna te zoeken en zoo mogelijk te redden. En Anna drukte
zij schreiende van vreugde aan haar hart. Maar daarna werd haar gelaat
overtogen door een uitdrukking van onuitsprekelijke droefheid, en zij
trok Aelbert tegen zich aan en riep zacht uit, terwijl uit haar toon
jammer en droefheid klonk:
»Ach Aelbert, dat je Vader deze vreugde nu niet zien mag. Hoe zou hij
zich verheugd hebben...."
Verschrikt en ontsteld maakte Aelbert zich uit de armen zijner moeder
los, en vroeg:
»Moeder,--wat zegt u daar?--Vader is toch niet--"
Vrouw Geerte barstte in hevige snikken uit, en zacht antwoordde ze:
»God weet het, kind, of hij nog leeft. Hij is in de handen der
Spanjaarden gevallen, en ik ducht, dat zij met den gevreesden 't Hoen
weinig medelijden zullen hebben. O,--gisteren is hij bij de Diemerschans
door de Spanjaarden gevangen genomen,--en wreedaardig als zij zijn,
zullen zij hem wel gedood hebben..."
Doodsbleek hoorden Aelbert en Marten deze vreeselijke tijding aan, en
Aelbert drongen de tranen in de oogen.
»Arme,--arme vader," mompelde hij zacht, en in zijne verbeelding zag
hij reeds, hoe de vijanden den ongelukkige hadden doodgemarteld...
Zij begaven zich naar de woonkamer, waar enkele Vrijbuiters om de
tafel zaten. Zij hadden den noodlottigen strijd aan de Diemerschans
medegemaakt, waar Oranje een laatste poging had gedaan om Haarlem te
ontzetten, maar waar zijn leger totaal verslagen en zijne vloot op de
vlucht gejaagd was. De Kennemer Vrijbuiters hadden na een dapper gevecht
een goed heenkomen moeten zoeken, en 't Oude Hoen was daarbij door de
vijanden gevangen genomen en in triomf medegevoerd.
Zwijgend en somber zaten de Vrijbuiters, die zoo pas waren aangekomen en
de vreeselijke tijding hadden medegedeeld, om de tafel, en met weemoed
dachten zij aan het vreeselijke lot, dat hun dapperen aanvoerder
getroffen had. O, zij twijfelden er niet aan, of de Spanjaarden zouden
hem een ontzettenden marteldood laten sterven.
De komst der jongelieden bracht eenige levendigheid onder deze stoere
mannen en verschafte hun vreugde, want de jonge Vrijbuiters stonden bij
hen in hoog aanzien. Zij verheugden zich in hunne terugkomst en waren
blijde, dat Anna de belegerde stad ontkomen was. Maar spoedig werd het
weer stil in de kamer, en hoorde men bijna niets anders dan het zuchten
van vrouw Geerte, die hare droefheid en tranen niet bedwingen kon en
hevig snikte. En zij zagen met deernis het bleeke gelaat van Aelbert,
die door de vreeselijke tijding diep geschokt was.
Opeens verbrak Marten de stilte door te vragen:
»Vrienden, zouden wij geen poging kunnen doen om hem te redden? Wie
weet, waarheen hij gevoerd is?"
»Hem redden?" vroeg Claes Kees Symensen, »hoe zouden wij dat moeten
doen, Marten? Wij weten niet eens, waar hij zich bevindt..."
»En zou hij nog wel in leven zijn? Ik betwijfel het," sprak Jan Dieuwers
zacht. »Voor een Vrijbuiter heeft de Spanjaard geen genade, en stellig
niet voor 't Oude Hoen!"
»Maar we konden het toch beproeven," hield Marten vol. »Als een van ons
een dergelijk lot getroffen had, weet ik zeker, dat hij rust noch duur
zou gehad hebben..."
»Maak je geen illusies, Marten," viel Symensen in. »Hadt jij, evenals
wij, de vreugdekreten der vijanden gehoord, toen 't gevreesde Hoen hun
in handen viel, dan zou je geen oogenblik twijfelen aan zijn lot. Ik ben
er van overtuigd, dat hij niet meer leeft..."
»O, als zij hem maar niet gemarteld hebben," snikte Aelbert, terwijl hij
zijne moeder de armen om den hals sloeg en zijn hoofd tegen haar
schouder vlijde.
[Illustratie]
Anna stond met tranen in de oogen naast de bedroefde vrouw. Zij sprak
niet, want woorden van troost wist zij niet, maar zij had de hand der
arme vrouw in de hare genomen, en drukte die met innig medelijden.
Weer ontstond een diepe stilte in het vertrek.
Tot plotseling de deur geopend werd, en--'t Oude Hoen in levenden lijve
aan den ingang verscheen.
Geerte slaakte een kreet van vreugde en wierp zich schreiende in zijne
armen. Ook Aelbert en Marten sprongen op en ijlden naar hem toe, en de
Vrijbuiters stonden in de grootste verbazing hem aan te staren. Maar
vreugde tintelde in hun oog, en een blijde glimlach plooide hunne
lippen.
»'t Oude Hoen!" riep Claes Kees Symensen verheugd uit. »God lof! Hij is
het gevaar ontkomen!"
En van alle kanten klonk het: »Godlof! Godlof! Hij leeft, en is het
gevaar ontkomen!"
't Oude Hoen sloeg zijn eenen arm om zijne vrouw en zijn anderen om
Aelbert, die beiden niet spreken konden van vreugde, en zeide met
krachtige stem:
»Ja, mijne vrienden, ik ben het gevaar ontkomen, maar niet door
eigen kracht. Thans weet ik, dat ook in het hart van een Spanjaard
edelmoedigheid kan wonen. Vrijwillig en zonder losgeld heeft mijn vijand
mij de vrijheid hergeven..."
De grootste verbazing stond op aller gelaat te lezen, en menigeen
mompelde: »De vrijheid hergeven, zonder losprijs? Hoe is dat mogelijk?"
»Ik was gevangen genomen door de Walen, die mij voor hun veldheer
brachten, en verwachtte niets anders dan den dood, en wel den
smartelijksten, dien men mij zou kunnen aandoen. Maar de Overste zei met
vriendelijke stem:
»»'t Hoen, dit is de tweede maal, dat ik u ontmoet. Den eersten keer
bood ik u als gedachtenis een geschenk aan, dat door u geweigerd werd.
Thans schenk ik u niet alleen het leven, maar ook de vrijheid. Ga heen,
en onthoud, dat ook een Spanjaard edelmoedig kan zijn.""
»Zijn naam?" riep de voortvarende Symensen uit. »Hoe is de naam van dien
edelen Spanjaard?"
En kalm was het antwoord:
»De Heer Van Licques!"
* * * * *
Hiermede is mijn verhaal ten einde. Anna bleef in de Hoeve van 't Oude
Hoen, waar Vrouw Geerte haar weldra lief kreeg als eene dochter.
De Kennemer Vrijbuiters zetten nog langen tijd den strijd tegen de
Spanjaarden voort, en bedreven nog menige roemrijke daad, zooals men die
in elke uitgebreide beschrijving van onze Vaderlandsche Historie vinden
kan. En zij rustten niet, voordat Holland voor goed van de Spanjaarden
was gezuiverd. In het volgende jaar begon van Alkmaar de Victorie, die
in 1648 met een eervollen vrede en eene algeheele vrijheid werd
bekroond.
EINDE.
INHOUD.
Blz.
I. De boerenhoeve aan den Zuiddijk en hare bewoners 7
II. Ongewenscht bezoek, en hoe Kees daar een einde aan
maakte 21
III. Wybe Sjoerds verveelt zich, en Marten krijgt eene
uitnoodiging 41
IV. Een schoone dag, die een droevig einde had 65
V. De jonge zwerver 88
VI. Onder de Vrijbuiters 134
VII. De Spanjaarden te Westzaan. Een bezoek aan de ruïne
der verbrande hoeve 119
VIII. Aelbert en Marten vangen een vink met gouden veêren 136
IX. Op den Sparendammer dijk 165
X. Hoe de jonge Vrijbuiters in het vijandelijk kamp
kwamen, en hoe zij het verlieten 180
XI. In de bedreigde veste 194
XII. In de nachtelijke duisternis, en hoe een Spanjaard
zijn woord van eer inloste 209
=DE PERS OVER:=
De Kennemer Vrijbuiter
DOOR
C. JOH. KIEVIET.
Rijk geïllustreerd door JOHAN BRAAKENSIEK.
Prijs in geïll. omslag ~f1.50~, in prachtband ~f1.90~.
Met veel genoegen hebben wij dit boek van den bekenden kinderschrijver
gelezen. Het voert den lezer terug naar de tijden van het beleg van
Haarlem en Alkmaar. De levendige beschrijving van de vele avontuurlijke
lotgevallen der handelende personen zal door meisjes zoowel als door
jongens met graagte genoten worden, terwijl ook hun geschiedenis er door
wordt uitgelegd en bevestigd.
_Het Nieuwe Schoolblad._
* * * * *
Een solied geschiedenis-verhaal uit den tijd van 't Hoen, belangwekkend
gemaakt door de beschrijving van de lotgevallen eener familie, die te
lijden heeft.
Kinderen, die van Vaderl. historie houden, zullen het boek met veel
genoegen lezen.
_Rapport der Commissie voor Kinderlectuur in »Het Schoolblad"._
* * * * *