meer gevreesd.
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK IX.
Op den Sparendammer dijk.
De winter was voorbijgegaan, en 't was Maart geworden. 't Had maanden
aaneen gevroren, en de Spanjaarden, die nog altoos Haarlem belegerden,
hadden ontzaglijk van de koude geleden. En niet alleen van de koude,
maar ook de dappere Haarlemmers hadden er het hunne toe bijgedragen, om
het den vijanden kwaad te maken. Don Frederik, die zijn intrek genomen
had in het Huis Ter Kleef, bij Haarlem, had meermalen beproefd, de stad
door storm te nemen. Bij duizenden waren zijne krijgers op de muren
toegesneld, hadden de ladders geplaatst, en met woest geweld getracht,
de Haarlemmers van de muren te verjagen. Maar dapper hadden dezen stand
gehouden. Hunne zwaarden hadden de vijanden, die het eerst boven de
muren verschenen, de schedels verpletterd, zoodat zij nederstortende
hunne vrienden in den val meesleepten,--zij hadden hen met kogels
begroet, met kokende olie begoten en hun brandende pekkransen om hoofd
of hals geworpen. Zelfs vrouwen stonden dapper op de muren en streden
mede. Wie heeft niet van de beroemde Kenau Simons Hasselaar gehoord, tot
op dezen dag de roem der Haarlemmers? En wie kent niet haar neef, den
vaandrig Pieter Dirkz Hasselaar, wiens prinsenvlag overal wapperde, waar
het gevaar het grootst, het gevecht het hevigst was?
En telkens weer hadden de Spanjaarden moeten terugtrekken en waren de
Haarlemmers overwinnaar gebleven. De stad kon het lang volhouden, want
de Spanjaarden waren niet bij machte te beletten, dat de Haarlemmers
voortdurend toevoer kregen van levensmiddelen, kruit en lood, die hun
in sleden over de bevroren wateren werden aangebracht. Zelfs nieuwe
vendels krijgslieden konden binnen de muren komen, natuurlijk tot groote
ergernis van Don Frederik, die het met leede oogen moest aanzien, hoe
Haarlem het graf der Spanjaarden dreigde te worden. Hij beproefde wel
den toevoer van levensmiddelen en ammunitie af te snijden, en liet zelfs
eenige duizenden schaatsen komen, waarop zijne soldaten zich oefenen
konden, maar dit bereikte geen doel. Het bleek hun onmogelijk de kunst
in zoo korten tijd machtig te worden, en de vlugge Haarlemmers waren hun
op de gladde ijzers de baas.
Eindelijk, den 5en Februari 1573, was de dooi ingevallen en het water
vrij geworden. De vorst had bijna vijf maanden geduurd. En wat de
Haarlemmers vroeger met sleden deden, geschiedde nu door middel van
vaartuigen. Er heerschte dan ook volstrekt geen gebrek in Haarlem, en
het hardnekkig verzet der dappere bezetting stemde Don Frederik tot
moedeloosheid. Hij verzocht zelfs aan Alva verlof om het beleg op te
breken. Maar Alva wilde daarvan niets hooren. Hij gaf Don Frederik bevel
de stad niet te verlaten, voordat hij haar ingenomen had, en indien hij
mocht sneuvelen of aftrekken, dan zou hij zelf komen of zijne gemalinne,
de Hertogin van Alva zenden, om het bevel over te nemen.
Dit antwoord krenkte Don Frederik zeer in zijn trots, en hij was thans
vast besloten, dat Haarlem vallen moest.
Intusschen had hij telkens toevoer van nieuwe manschappen noodig, want
de Haarlemmers waagden vele uitvallen, die aan de Spanjaarden ontzaglijk
veel afbreuk deden. Ook werden door den Prins van Oranje en diens
Stadhouder Sonoy onophoudelijk pogingen aangewend om de stad te
ontzetten, die niet dan na hevige gevechten werden afgeslagen. Ook deze
kostten menigen Spanjaard het leven. Amsterdam was voor Don Frederik de
groote voorraadschuur. Niet alleen dat het hem van wapens, ammunitie en
levensmiddelen moest voorzien, ook het te kort in manschappen werd van
daar aangevuld, en menig vendel voetvolk, menige ruiterbende trok langs
den Sparendammer dijk, om zich bij de belegeraars te voegen.
Zoo ook op een morgen in het begin van Maart 1573. 't Had den geheelen
nacht geregend, en ook nu nog vermocht de zon niet door het wolkenfloers
te breken. De dijk was zacht, week en modderig, en eene bende ruiters,
ongeveer honderd vijf en twintig man sterk, kon zich slechts langzaam
voortbewegen, want de hoeven der paarden plonsten bij elken stap in den
kleverigen grond, wat hun het loopen zeer bemoeilijkte. Soms gleden de
pooten der dieren uit, en dreigde de ruiter van zijn paard te storten,
zoodat alleen een krachtige ruk aan den teugel zulk een onheil verhoeden
kon. Hadden de paarden dus een zwaren en vermoeienden rit, de ruiters
echter trokken zich daar weinig van aan. Zij voelden zich volkomen
veilig en maakten in het geheel geen haast. Zij boden een vroolijk
gezicht aan. Voorop reden de trompetters, die af en toe een lustig
liedje bliezen, waarmede de krijgslieden gaarne instemden. Hunne
instrumenten waren versierd met roode standaardvaantjes. Achter hen reed
de Overste met zijn Edelen, allen sierlijk in fluweel, zijde en laken
gedost, de beenen in hooge, wijde kaplaarzen, het hoofd bedekt met den
smal geranden fluweelen hoed, en om de schouders den korten Spaanschen
mantel. Dan kwam de vaandrig met ontplooid vaandel, dat geel en groen
gestreept was en op de gele baan het roode Andrieskruis vertoonde. En
daarna volgden de ruiters met de roode, dubbeltongige wimpels aan de
lansen, in blinkende rustingen, het hoofd met den helm bedekt, en aan
den arm het glinsterend schild. Voorwaar een schoone stoet, waarop menig
oog met welgevallen zou hebben gerust, indien niet brooddronkenheid en
ruwheid het kenmerk dier mannen waren geweest, waardoor zij een voorwerp
geworden waren van haat en afschuw bij de landzaten. Thans zag men hen
liever gaan dan komen.
Zij vervolgden langzaam hun tocht, want de paarden hadden moeite, hun
pooten, die soms tot over de knieën in den modder wegzakten, daaruit op
te trekken, en meer dan eens moest de berijder van de sporen gebruik
maken om het dier, dat de moed ontzonk, tot meerdere krachtsinspanning
aan te manen.
De ruiters zelf waren onbezorgd en vroolijk. Gevaar viel er voor hen,
naar zij meenden, niet te vreezen, want welke overmoedige zou het durven
wagen, den strijd aan te binden tegen een goed gewapenden ruiterbende
van wel honderd vijf en twintig man sterk?
O ja, 't Oude Hoen had menigmaal blijk gegeven, dat hij niet tegen een
strijd met een overmachtigen vijand opzag, maar toch--tegen een bende
als deze zou hij het wel laten. Daarvoor waren zijn Vrijbuiters veel te
klein in aantal. Bovendien,--'t Oude Hoen bevond zich te Westzaan, op
een flinken afstand dus, en hem behoefden zij niet te vreezen, naar zij
meenden.
Toch vergisten zij zich deerlijk, de armen, want 't Oude Hoen bevond
zich met een zeventiental Vrijbuiters aan boord van zijn roeijacht op
het IJ, waar zij reeds den geheelen morgen hadden rondgezwalkt in de
hoop, hier of daar den vijand te kunnen verschalken. Zij hadden het
musket over den schouder, sommigen zelfs twee, en een verrejager naast
zich. Ook Marten en Aelbert bevonden zich aan boord, en al waren zij de
jongsten, zij hadden al menigmaal blijken gegeven, dat hun moed niet
voor dien der ouderen behoefde onder te doen.
»De Heer van Sonoy heeft gebrek aan paarden," zei 't Oude Hoen 's
morgens, toen zij aan boord stapten. »De Spanjaarden, die Haarlem
belegeren, hebben zooals je weet, een inval in Kennemerland gedaan, waar
't al heel Spaansch is toegegaan met moorden, rooven en branden. Als
Sonoy flinke paarden tot zijn beschikking had gehad, zou het nooit zoo
ver gekomen zijn. Dan waren ze wel weer naar hunne tenten teruggejaagd.
Maar nu kwamen zijne vendels te laat en was het kwaad al geleden. Wij
moeten hem paarden zien te bezorgen, vrienden."
»Alles goed en wel, als we maar wisten, waar we ze halen konden," zei
een Vrijbuiter schertsend. »Hier in het IJ zijn ze niet te vangen..."
»Daar vangen we alleen Amsterdamsche Oversten," lachte Claes Symensen,
met een knipoogje tegen Marten.
»Zonder hengel of snoer!" zei Jan Walichs. »Ik zou wel willen, dat we
nog zoo'n goudvink konden snappen."
»Dat zal waar wezen!" lachten de anderen.
»Waar zullen we heengaan, mannen?" vroeg 't Oude Hoen.
»Naar Sparendam," stelde Jan Dieuwers voor. »Dáár hebben we ten minste
kans om Spekken te ontmoeten. Hier is niets voor ons te beginnen."
»Mij goed!" zei 't Hoen. »Naar Sparendam dus."
Hij wendde het roer, en stond van zijn bankje op, om den omtrek te
verkennen. Weldra bleef zijn blik op eenzelfde punt gevestigd, en hij
hield de handen boven de oogen, om beter te kunnen zien. Eindelijk sprak
hij:
»Ginds komt voor elk wat wils. Vijanden, paarden en zeker ook wel
goudvinken. 't Is eene ruiterbende, mannen, die zich in deze richting
beweegt."
Verscheidenen stonden op, om uit te zien.
»Ze zijn te talrijk," sprak er een. »Volgens mijne meening zijn er wel
een honderd ruiters..."
»Als het niet meer is," viel een tweede in. »Ze gaan zeker naar
Haarlem..."
»Paarden genoeg!" riep een derde. »Het ergste is maar, dat op elk paard
een ruiter zit."
»De Haarlemmers hebben het zeker nog niet kwaad genoeg te
verantwoorden," sprak Claes Kees Symensen. »Ik wou, dat ik een middel
wist, om ze allemaal over de kling te jagen."
»We konden het in allen gevalle beproeven," stelde 't Oude Hoen voor. En
nauwelijks hadden de Vrijbuiters dezen voorslag gehoord, of zij gingen
weer op hunne banken zitten en keken hun aanvoerder vragend en
verwonderd aan.
»Wij?" vroeg er een. »Hoeveel koppen tellen we?"
»Achttien in het geheel," zei 't Oude Hoen. »Veel te weinig dus, en we
hebben kans, dat we het er geen van allen levend afbrengen. Maar wat het
zwaarst is, moet het zwaarst wegen. De Haarlemmers hebben te strijden
tegen eene ontzaglijke overmacht, en het is onze plicht, hen waar wij
kunnen, te helpen. Ik stel voor, dat wij den strijd wagen."
»Maar de overmacht!" hield een der Vrijbuiters vol. »Wij hebben immers
niet de minste kans van slagen!"
»Wie niet waagt, die niet wint!" sprak 't Hoen. »Ik bedoel ook niet,
dat wij met hen een openlijken strijd beginnen, want dan moeten wij
het natuurlijk verliezen. Maar als deze bende zich op weg bevindt naar
Haarlem, moeten zij langs het Huis Ter Hart trekken. Daar is de dijk
smal, en thans na den regen, natuurlijk modderig en uiterst moeilijk
begaanbaar. Ik wed, dat de paarden er haast niet kunnen loopen. Zoo
ergens, dan hebben we daar eene goede gelegenheid, om een aanval te
wagen. Wat dunkt U, zullen we het doen?"
»Waarom niet?" vroeg Joachim Cleynsorg. »Als we zien, dat we klop
krijgen, springen we aan boord en maken, dat we weg komen."
»'t Is gevaarlijk, vrienden!" waarschuwde Pieter Claessen Yperen.
»Misschien zijn we wel één tegen tien..."
»Des te meer eer, als we winnen!" riep Aelbert uit.
»Juist,--dat zeg ik ook!" zei Marten. »De Spanjaarden moeten in elk
geval niet kunnen denken, dat wij bang zijn."
»Dan met krachtige slagen voortgeroeid, mannen!" sprak 't Oude Hoen.
»Wij moeten de ruiters vóór zijn en een geschikt terrein uitzoeken, want
een goed overleg is het halve werk."
Het jacht schoot thans snel door het water, en de Vrijbuiters, die niet
aan de riemen zaten, benutten hun tijd, om de musketten na te zien en
alles zooveel mogelijk voor den aanval in gereedheid te brengen.
De ruiters reden inmiddels stapvoets verder en hadden eindelijk na
veel tobben met de telkens uitglijdende paarden de helft van den weg
afgelegd. Zij naderden de plaats, waar noordwaarts het IJ tegen het
paalwerk klotste, dat daar den dijk versterkte, die aan de andere zijde
onmiddellijk afglooide in de wateren van het Spieringmeer. De weg was
daar zooals 't Oude Hoen verwacht had, zeer slecht en voor de dieren zoo
goed als onbegaanbaar, zoodat de ruiters al hunne aandacht en rijkunst
noodig hadden, om niet in den modder te blijven steken. Daardoor kwam
het misschien wel, dat zij niet hadden opgemerkt, hoe het roeijacht op
den dijk aanhield, waar negen mannen, met verrejagers gewapend, aan land
sprongen, en dat jacht daarna snel tusschen de rietschooten verdween.
De stoutmoedige Vrijbuiters, klein in getal, maar met een
onvergelijkelijken moed, schaarden zich midden op den dijk, gereed om
den strijd tegen den overmachtigen vijand te beginnen.
Thans moesten de ruiters hen wel zien, maar hunne verschijning boezemde
hun allerminst vrees in. Zij vonden het eenvoudig belachelijk, dat een
zoo nietig troepje boeren den strijd zou wagen tegen niet minder dan
honderd vijf en twintig goed gewapende ruiters, wier borst was gedekt
door een kuras en wier hand gewapend was met een scherpe lans...
»Kijkt die kikkers daar!" spotte een uit den hoop.
»We zullen ze weer in het water jagen, dat is hun element!" lachte een
tweede. »Hallo paard,--vooruit!--Die ellendige modder,--de beesten
kunnen er de pooten haast niet uit optrekken.--Toe, allons,--vooruit!"
De sporen drongen het dier diep in de zijden...
»Die kaerels daar schijnen werkelijk te willen vechten!" zei de Overste.
»Zijn ze gek geworden? Ze zien er uit, of het hun waarlijk ernst is."
Dat was het den Vrijbuiters inderdaad, zooals spoedig bleek. Want negen
schoten knalden over den eenzamen dijkweg, en verscheidene ruiters
stortten van hunne steigerende paarden. Dat gaf eene onbeschrijfelijke
verwarring, en de welaangelegde schoten veroorzaakten eene groote woede
onder de ruiters, die thans plotseling begrepen, dat hun toestand
gevaarlijker was, dan zij eerst wel hadden vermoed. Ha, hoe verwenschten
zij thans den modderigen weg, waar de paarden haast aan vastkleefden,
en die hun ten eenenmale belette, met gevelde lans op de vijanden los
te rennen en hen als met een tooverslag uit elkander te werpen. Die
kleverige kleiweg hield de rossen als het ware bij de pooten vast en
doemde de ruiters tot machteloosheid.
Snel hebben de Vrijbuiters hunne vuurroeren geladen, en opnieuw vallen
negen schoten. Het aantal dooden wordt verdubbeld, en de verwarring
bereikt haar toppunt. Woede en angst gloeit den ruiters uit de oogen.
[Illustratie]
»Voorwaarts! Voorwaarts!" klinkt het bevel van den Overste. De sporen
worden de vermoeide paarden in de zijden geduwd en met gevelde lans
dringt de bende vooruit. Maar de achtersten kunnen niets uitrichten. De
dijk is te smal, om een breede linie te kunnen vormen, zoodat alleen de
voorsten strijden kunnen.
Daar knallen opeens nogmaals negen schoten, thans achter de ruiterbende,
die nu van twee kanten tegelijk wordt bedreigd. Het roeijacht is
teruggevaren en heeft de andere helft van de bemanning achter de kolonne
aan wal gezet.
De achterste ruiters wenden den teugel, en willen het kleine troepje
boeren aanvallen. Maar de lansen zijn korter dan de verrejagers der
Vrijbuiters, in wier handen het zulke vreeselijke wapens waren.
Doodelijk getroffen storten de ruiters van de paarden, die onder luid
gehinnik her en der vluchten en de verwarring nog vergrooten.
Het werd thans een vreeselijk gevecht. De ruiterbende werd van
twee kanten besprongen en de scherpe lansen aan het ondereinde der
verrejagers bewezen verschrikkelijke diensten. Hier en daar en ginds en
overal stortten de ruiters ontzield ter aarde, en onder de levenden
ontstond zoo'n schrik, dat zij geheel hunne bezinning verloren en bijna
aan geen verdediging meer dachten.
Eindelijk waren de achttien Vrijbuiters elkander genaderd,--en geen
enkele Spanjaard was in het leven gebleven.
De Vrijbuiters, verhit door den bloedigen strijd, heffen een woesten
juichkreet aan. Zij zijn overwinnaars gebleven. Achttien eenvoudige
boeren hebben honderd vijf en twintig goed gewapende ruiters verslagen.
Thans vallen zij op hunne prooi aan. De lijken worden van alles beroofd,
wat waarde heeft, waarlijk eene afschuwelijke bezigheid! Maar zij kennen
geen medelijden. Hadden de Spanjaarden ook hen niet beroofd van alles
wat hun lief was, hadden zij niet hunne ouders gedood, hunne hoeven
verbrand of geplunderd, hun vee geroofd? Oog om oog, tand om tand, dat
was helaas de leus van den oorlog. De berooide en uitgeschudde mannen
kennen geen medelijden en hunne harten zijn verhard.
Naakt uitgeschud bleven de ongelukkige slachtoffers op het slagveld,
en de Vrijbuiters haastten zich de verschrikte paarden, die overal
rondliepen, op te vangen. Zij koppelden ze aan elkaar, en een gedeelte
der mannen voerden ze langs den weg, tot zij de plaats bereikt hadden,
waar het water het smalst was. Ook het jacht was daarheen geroeid. De
Vrijbuiters bonden de dieren daaraan vast, dreven hen in het water en
roeiden naar den overkant. De paarden waren dus wel gedwongen om den
tocht zwemmende mede te maken, en als er waren, die den overkant niet
konden bereiken, werd eenvoudig de halster losgesneden en vonden de
dieren den dood in de golven.
De dikke Jan Slob was niet weinig verbaasd, toen hij de Vrijbuiters met
hun kostbaren buit aan wal zag stappen, en groot was zijne vreugde,
toen hij vernam, welk eene schitterende overwinning zij hadden behaald.
Spoedig werden de kannen gevuld met schuimend bier, hetwelk de mannen
zich lekker lieten smaken, maar zij gunden zich geen tijd, om lang in de
herberg te vertoeven. Het roeijacht werd op eene veilige plaats geborgen
en daarna zette men den tocht voort naar Purmerend, waar Heer Diederik
van Sonoy vertoefde, die opgetogen was over de behaalde overwinning en
de paarden gaarne voor een goeden prijs overnam.
De mare van deze overwinning bracht den naam van 't Oude Hoen op aller
lippen, zoowel van vriend als van vijand, en zijn roem werd allerwege
verkondigd, zoo zelfs, dat de Spaansche bevelhebbers, die om Haarlem
gelegerd waren, hun verlangen om hem te zien niet konden bedwingen, en
besloten, hem tot een bezoek aan het vijandelijke kamp uit te noodigen.
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK X.
Hoe de jonge Vrijbuiters in het vijandelijk kamp kwamen, en hoe zij het
verlieten.
Het was enkele dagen na het gevecht op den Sparendammerdijk. 't Oude
Hoen, Aelbert en Marten keerden op de hoeve terug van hun dagelijkschen
tocht naar den toren van de Westzanerkerk, van welks trans zij gewoon
waren de gangen der vijanden te bespieden,--maar dezen keer hadden zij
niets bijzonders opgemerkt. In den omtrek heerschte rust, en die het
niet beter wist zou gedacht hebben, dat het vrede was.
Zij waren echter nog maar kort in de hoeve teruggekeerd, of er kwam
bezoek. Een vreemdeling trad binnen, in wien zij onmiddellijk een
krijgsman herkenden, ook al scheen hij ongewapend.
»Goeden morgen, huisman!" klonk zijn groet, en aan zijn tongval was
duidelijk te merken, dat hij een Vlaming was. Zijn gelaatsuitdrukking
had iets gebiedends, iets, dat den man van geboorte verried. 't Oude
Hoen twijfelde dan ook geen oogenblik, of hij had een man van aanzien
voor zich, misschien wel een Spaansch officier. Deze groette ook de
vrouw des huizes en de beide jongelieden, nam plaats op den hem
toegeschoven zetel, en vervolgde:
»Ben ik hier terecht bij Govert 't Hoen, bijgenaamd 't Oude Hoen?"
»Die man ben ik," was het antwoord, en men kon duidelijk zien, dat de
vreemdeling er door verrast was. Hij keek 't Hoen met groote, vragende
oogen aan, en scheen zelfs wel eenigszins aan de waarheid van 't Hoens
woorden te twijfelen.
»Hoe?" riep hij na eene korte weifeling uit. »Zou U het Oude Hoen wezen,
de man, die met een klein troepje Vrijbuiters eene zoo roemrijke
overwinning heeft behaald op eene talrijke ruiterbende?"
En hij mat met zijne oogen de gestalte van den kleinen boer voor hem,
wiens uiterlijk volstrekt geen aanleiding gaf, om in hem den beroemden
Vrijbuiter te zien, wiens naam alleen reeds geschikt was, om wel een
dozijn Spanjaarden op de vlucht te jagen.
't Hoen lachte even, en ook Aelbert en Marten konden een glimlachje niet
bedwingen bij het zien van de verbazing van den vreemdeling. En 't Hoen
sprak:
»Toch is het zoo, Heer, ik ben 't Oude Hoen en niemand anders. Wat
wenscht U van me?"
De vreemdeling haalde een brief te voorschijn en overhandigde dien met
de woorden:
»Uw roem is tot het leger om Haarlem doorgedrongen en heeft bij
verscheidene Oversten en Hoplieden het verlangen gewekt u te zien en
kennis met u te maken. De Heer Van Licques, die in het bosch het bevel
voert over de Walen, noodigt u in dezen brief uit hem een bezoek in zijn
kamp te willen brengen. Hij waarborgt u, als eerlijk krijgsman, dat u
zelfs geen haar op uw hoofd zal worden gekrenkt en biedt u vrijgeleide
aan. Hij heeft mij gelast er bij u op aan te dringen, dat u deze
uitnoodiging aanneme."
Er heerschte, nadat de vreemdeling deze woorden had gezegd, eenigen tijd
stilte in het vertrek. 't Oude Hoen fronste de wenkbrauwen en verzonk in
diep gepeins. Vrouw Geerte keek haar man met angstige oogen aan, als om
hem te smeeken, de uitnoodiging af te wijzen, en ook de beide knapen
hielden hun blik op hem gericht, alsof zij hem het antwoord van de
lippen wilden lezen.
Eindelijk sprak Vrouw Geerte met een zucht:
»Maar Govert, je denkt er toch niet over, de uitnoodiging aan te nemen?
Je zult je toch niet wagen in het hol van den leeuw? Wie weet, welk lot
je daar te wachten staat! Ga toch niet, wat ik je bidden mag."
Een fijn lachje krulde de lippen van den vreemdeling.
»Vrees niet, vrouw," sprak hij, zonder zich beleedigd te toonen, »ook
een Spanjaard kan een man van eer zijn, trouw aan zijn gegeven woord..."
»Dat hebben wij aan Zutfen gezien, en aan Naarden..." viel vrouw Geerte
scherp in. »Ik vertrouw dat fluiten van den vogelaar niet."
De vreemdeling haalde licht de schouders op, en hernam: »Ook ik ben
Hopman in Spaanschen dienst, vrouw, en ik verpand u mijn eer, dat
hier geen verraad in het spel is. De groote, stoutmoedige daden van
uw man hebben mij en mijn vrienden doen wenschen, hem te zien en te
spreken,--ziedaar alles. Ik herhaal, dat wij hem vrijgeleide aanbieden,
en dat zelfs het geringste gevaar hem niet bedreigt."
»Als vader gaat, zou ik wel meêwillen," viel Aelbert in.
»En ik ook!" riep Marten uit. »Ik zou graag het vijandelijke kamp willen
zien, en de verwoesting van de muren."
»Ik heb in het geheel geen bezwaar ook u beiden onder het vrijgeleide
te begrijpen," sprak de Hopman. »'t Zal wellicht voor 't Hoen ook
aangenamer zijn den tocht in uw gezelschap te ondernemen. Ik herhaal met
nadruk en onder verpanding van mijne krijgsmanseer, dat u geen leed zal
geschieden. Integendeel, men zal uw bezoek op hoogen prijs stellen en u
met eere ontvangen.--Welnu, wat is uw antwoord?"
't Hoen bedacht zich nog een oogenblik, en zei toen bedaard en
eenvoudig:
»Ik neem de uitnoodiging van den Heer Van Licques aan, en zal in
gezelschap van deze jongelieden een bezoek in zijn kamp brengen. Ik
vertrouw, dat uwe woorden waarachtig zijn en neem uw vrijgeleide aan.
Wanneer wenscht u, dat ik komen zal?"
»Uw antwoord doet mij genoegen," sprak de Officier, »en ik stel u voor,
nog heden de reis met mij te ondernemen. Mijne tegenwoordigheid zal u
over alle moeielijkheden heenbrengen, en persoonlijk zal ik u weer naar
uwe vrienden terugvoeren."
»Aangenomen," sprak 't Hoen opstaande. »Wij zijn gereed, en keeren nog
voor de avond gevallen is, hier terug.--Wees niet bezorgd, vrouw, en
droog uwe tranen, want waarlijk, ik zou mij al zeer moeten bedriegen,
indien hier verraad in het spel was en ons eenig gevaar dreigde."
Aelbert en Marten wierpen zich, evenals 't Hoen, een musket over den
schouder en gespten zich een rapier aan de heup, namen afscheid van
Moeder Geerte, die hen met een hart vol angst zag vertrekken, en
verlieten met den vreemdeling de hoeve.
Zij roeiden naar den Westzaner Overtoom en vertelden aan den verbaasden
en ontstelden Jan Slob, dat zij op weg waren naar het Spaansche
legerkamp, waarvan de officieren 't Oude Hoen wenschten te zien.
De dikke waard kon zijne ooren nauwelijks gelooven en keek zijn drie
vrienden hoofdschuddend aan. 't Was duidelijk, dat hij de zaak
allerminst vertrouwde en dat hij haar eenvoudig beschouwde als een
middel van den Spanjaard, om zich op eene gemakkelijke, zij het dan ook
verraderlijke wijze, van een gevreesden tegenstander te ontdoen.
Toen dan ook de Hopman zich een oogenblik verwijderde, zei hij op
gedempten toon, maar met grooten nadruk: