»'t Is een onmogelijkheid," riep hij uit. »'t Is altoos druk aan den

IJkant, en de Overste is meestal in gezelschap van eenige krijgslieden,

die maar niet goedschiks zullen toelaten, dat wij hun hoofdman tegen wil

en dank meenemen. Bovendien is hij nooit ongewapend, zoodat het een

hoogst gevaarlijke onderneming zou zijn."

»Gevaarlijk!--Gevaarlijk!" mompelde 't Oude Hoen, die zijn zoon niet

zonder eenig misnoegen aanzag. »Al onze ondernemingen zijn gevaarlijk,

en wij, Vrijbuiters, mogen dat woord niet kennen. De vraag is alleen:

Is de zaak uitvoerbaar. Zoo ja, dan wagen wij de kans, zoo niet, dan

stellen wij ons haar uit het hoofd. En ik geloof, dat zij wel slagen

kan."

't Was Aelbert niet ontgaan, dat zijn vader hem van lafheid scheen te

verdenken, en dat kon hij niet verdragen. Daarom zei hij:

»U moet niet denken, dat de vrees mij zoo doet spreken, Vader. Ik ben

niet bang en geloof, dat al meermalen getoond te hebben..."

»Dat heb je!" werd hij van verschillende kanten in de rede gevallen. En

Symensen, een van de voornaamste Vrijbuiters, sprak luide, terwijl hij

hem op den schouder klopte:

»'t Jonge Hoen bang? Wij denken er niet aan, jongen. Je bent wat

dapperheid betreft de waardige zoon van je vader, en die gelooft het

zelf ook niet."

»Mijn meening is alleen, dat de onderneming schipbreuk moet lijden,"

hernam Aelbert, die zich gestreeld voelde door de goede meening, die de

Vrijbuiters omtrent hem koesterden. »Amsterdam is de stad der

Spekken..."

»Ja, ja, dat is waar," viel Symensen in, »maar 't zaakje lijkt me toch

te mooi toe, om er niet eens over te praten."

»Och, wàt praten!" riep Jan Slob uit. »Praten helpt niets, zeg ik

altoos, maar dòèn, dàt is je ware."

»En goed overleg is het halve werk, Jan," zei 't Oude Hoen ernstig. »Ik

geloof, dat ik wel een plan weet."

De oogen der Vrijbuiters tintelden van genoegen bij deze woorden. Zij

namen hunne bierkannen in de hand en schoven wat naderbij. Als 't Oude

Hoen zeide, dat hij een plannetje had, was het gewoonlijk wat goeds, dat

wisten zij bij ondervinding.

»Laat hooren," klonk het nieuwsgierig. En 't Oude Hoen hernam:

»Als gewoonlijk gaan Aelbert en Marten uit visschen, en als zij een

goede vangst gehad hebben, roeien zij niet in de eerste plaats naar

Amsterdam, maar komen hier in deze herberg, om ons daarvan mededeeling

te doen."

»Mooi zoo," zei Jan Slob, zich de handen wrijvende van genoegen, »dan

zoek ik er eerst de lekkerste paling uit, want daar zijn mijn vrouw en

ik groote liefhebbers van.--Dat is goed bedacht, 't Hoen!"

»Jij blijft er nuchter van!" zei Symensen lachende.

»En verder?"

»Wij brengen dan eenige groote tobben aan boord, en in elke tobbe neemt

een Vrijbuiter plaats...."

»O jé, wat dikke palingen!" lachte Jan Slob. »Veel te dik, zelfs voor de

maag van een Spek."

Een daverend gelach weerklonk door de herberg, en Jan Slob kon men er

gemakkelijk bovenuit hooren. Hij had zelf kolossaal veel pret over zijne

grap.

»Zou je dan denken, 't Hoen, dat die Spanjaard geen verschil kan zien

tusschen een Vrijbuiter en een paling?" vroeg een ander.

»Elke tobbe wordt toegedekt met een andere tobbe, die wij er omgekeerd

bovenop plaatsen. Dan roeien de jongens naar Amsterdam en zien den

Spanjaard aan boord te lokken en aan de praat te houden, terwijl zij de

boot langzaam laten afdrijven. Zijn ze ver genoeg van den walkant, dan

springen de Vrijbuiters voor den dag, rekenen den Spek in...."

»En brengen hem hier!" vulde Jan Slob aan. »Een vat van het fijnste bier

zal den goeden uitslag loonen."

»Top! Aangenomen!" klonk het vroolijk. »Zoo kan de zaak best

gelukken...."

»Maar als zij nu niet eens gelukt?" vroeg Symensen. »Als die Overste nu

eens te vroeg ontdekt, welke dikke palingen in die tobben zitten,--wat

dan? Dan zijn onze twee dappere jongens onherroepelijk verloren en kost

het hun het leven."

»Daarom moeten wij zorgen dicht genoeg bij de hand te zijn, om ter hulp

te kunnen komen, als dat noodig mocht blijken," zei 't Oude Hoen. »Er

zijn rietzudden in overvloed in den omtrek daar, en als wij het wat slim

aanleggen, kan er menige boot van de Vrijbuiters tersluiks heenroeien en

den loop van zaken afzien."

»Juist,--dat kan," sprak Engel Lastpenning. »Bovendien is het niet waar,

dat de twee jongens onherroepelijk verloren zijn, als de list ontdekt

wordt. Zij moeten natuurlijk de meest snelvarende boot hebben, en de

mannen, die zich in de tobben verbergen, moeten flinke roeiers zijn.

Ziet nu die Hoofdman, dat er verraad in het spel is, welnu, dan

springen de mannen direct te voorschijn, nemen hem zijn rapier af en

grijpen de riemen, om zoo gauw mogelijk weg te komen. De vijanden hebben

maar niet dadelijk eene boot bij de hand, om hen te kunnen

vervolgen...."

»Dat is waar,--maar zij hebben musketten en kunnen dus schieten," viel

Aelbert in. »Doch dat doet er niet toe. Ik krijg zin in het zaakje en

waag het er op.--En jij, Marten?"

»Dat behoef je niet te vragen!" riep deze uit. »'t Is mijn eigen plan,

dus 't spreekt van zelf, dat ik meêdoe. Wanneer zal het gebeuren?"

»Hoe lang is het geleden, dat de Overste 't laatst visch van jelui gehad

heeft?" was de wedervraag van 't Oude Hoen.

»O, wel al eene week," was het antwoord. »Hij heeft bepaald wel weer

trek in een lekker zoodje...."

»Dikke paling," vulde Jan Slob lachend aan. »De brave man zal ditmaal

over de dikte geen klagen hebben."

»Ik wil wel voor paling spelen," zei Claes Kees Symensen. »En ik beloof

den Overste, dat ik moeilijk te verteren zal zijn. Kom, Jan Slob, geef

mij nog een kan bier."

»En mij ook!" riep Jan Walichs uit. »Ik houd je gezelschap, Claes!"

»Ook in een tobbe? Uitstekend."

»Twee is genoeg, vrienden," zei 't Oude Hoen. »Meer dan twee zou direct

de aandacht trekken. Wij moeten de zaak dus morgen wagen. Als Aelbert

en Marten dezen nacht een goede vangst hebben, zou ik niet weten, waarop

wij wachten moesten."

»Bravo, dus morgen kost het mij een vat bier, als het goed afloopt," zei

Jan Slob. »Ik heb het er graag voor over."

»Wij moesten maar dadelijk de netten gaan uitwerpen," stelde Aelbert

voor. »Dezen keer hebben we een extra goeden voorraad noodig, zoodat de

Overste niet dadelijk zijne keus bepaald heeft."

Marten vond het goed, en nadat de Vrijbuiters afgesproken hadden, den

volgenden morgen tijdig bij Jan Slob in de herberg te zullen zijn,

gingen zij uiteen.

De twee knapen stapten in de boot en roeiden het IJ op, koers zettende

naar Ruichoort. Zij wisten, dat de visch zich gaarne in de omgeving van

dat eiland ophield. Marten was er in den laatsten tijd meermalen

geweest, en altoos bracht het hem den vreeselijken dag in herinnering,

die hem van zijne ouders beroofd en van zijne zuster gescheiden had. En

terwijl hij de netten uitzette of inhaalde, waren zijne gedachten bezig

met de vraag, waar Anna toch kon gebleven zijn, van wie hij in al dien

tijd taal noch teeken ontvangen had. O, hij begreep zeer goed, dat de

toestand in Kennemer- en Waterland veel te gevaarlijk was voor een

meisje, om er te kunnen reizen, en hij duidde het haar in het geheel

niet ten kwade, dat zij niet gekomen was, om hem te zoeken. Hij wist

wel, dat dit eene onmogelijkheid was, maar toch,--dat zij hem nooit

eenig bericht gezonden had omtrent de plaats van haar verblijf, dat kon

hij zich niet begrijpen en stemde hem verdrietig. Zij wist toch, hoeveel

hij van haar hield, hoe lief hij haar had. O, hij verlangde

onuitsprekelijk naar haar....

»Waar denk je zoo ernstig over, Marten?" riep zijn vriend hem toe, die

zag, hoe hij de armen slap liet hangen en peinzend op het water staarde.

»Speelt zuster Anna je weer door het hoofd?"

»Ja," zei Marten zacht. »Ik kan het niet helpen, Aelbert. Altoos als ik

hier bij Ruichoort kom, nemen mijne gedachten denzelfden loop, en 't is

nu al zooveel weken geleden, dat zij is weggegaan."

»Moed houden, Marten! We hebben alles gedaan, wat we konden, om haar te

zoeken, en we zullen haar eenmaal vinden ook, daar twijfel ik niet

aan..."

»Ja, maar dat zij nooit eenig bericht heeft gezonden, maakt me toch wel

bezorgd en angstig," viel Marten in. »Ik vrees, dat haar een ongeluk

overkomen is, of dat zij wellicht in de handen der vijanden viel. O, dat

zou verschrikkelijk wezen."

»Hoe had ze je bericht kunnen zenden?" vroeg Aelbert schouderophalend.

»In de eerste plaats weet ze niet, waar je bent, en is het dus

onmogelijk om met den een of ander bericht meê te geven, en dan nog

wemelt het hier van vijanden, die.... Och kom, wees toch wijzer! Je weet

zelf wel, dat je het onmogelijke van haar vergt.--Willen we de netten

nu weer inhalen? De visch heeft tijd genoeg gehad, om er in te zwemmen."

Zoo werd gedaan, en de vangst was niet onvoordeelig. Enkele karpers, een

paar palingen en wat witvisch werden opgehaald en in de kaar gedaan.

Daarna werden de netten weer uitgezet, en roeiden de jongens naar een

andere plaats, om ook daar den oogst binnen te halen. Zoo bleven zij den

geheelen nacht bezig, met het gevolg, dat zij vroeg in den morgen naar

de herberg van Jan Slob konden terugkeeren in het bezit van eene ruime

vangst, die menigen lekkerbek kon doen watertanden.

De Vrijbuiters waren daar reeds bijeengekomen, in afwachting van de

tijding, die de knapen zouden brengen. En toen zij vernamen, dat de

vangst voorspoedig was geweest, meesmuilden zij in hun ruwen baard en

wreven zich de handen van genoegen bij de gedachte aan de poets, die zij

den Overste gingen spelen. En Jan Slob lachte luidkeels en trommelde

genoeglijk met zijne vingers op zijn dikken buik. Hij had schik in de

zaak.

»Kijkt eens hier, wat prachtige tobben!" riep hij uit. »Daar kan Claes

Kees Symensen zoo gemakkelijk in liggen, of hij in Abrahams schoot lag.

Deze tweede is wat kleiner, en zal wel geschikt zijn voor Jan Walichs.

Nu,--wat zeg je er van? Heb ik niet goed gezorgd?"

»Opperbest," zei 't Oude Hoen. »Laten wij de tobben aan boord brengen.

De schuit van Marten loopt zoo licht, als ik er geen tweede ken, en is

dus uitstekend voor ons geschikt."

[Illustratie]

Jan Slob droeg met een anderen vrijbuiter de tobben naar het schuitje,

en zei lachend:

»Zie zoo, de paling kan er in. Als de Overste zijn tanden maar niet stuk

bijt op de graten. Komaan, Claes, rol je op!"

Claes keek eerst de pistolen, die hem in den gordel hingen, nog eens

goed na, voelde naar den dolk, dien hij in zijn wambuis verborgen had,

en stapte in de tobbe. Hij werd zorgvuldig met eene tweede toegedekt.

Toen kroop Jan Walichs in de andere, de twee jongens grepen de riemen,

en de tocht nam een aanvang.

De overige Vrijbuiters verdeelden zich twee aan twee in andere

schuitjes, en roeiden hen snel vooruit, om zich in de onmiddellijke

nabijheid van Amsterdam tusschen de rietzudden te verbergen, ten einde,

als dat noodig mocht blijken, dadelijk te hulp te kunnen snellen.

Marten en Aelbert haastten zich daarom niet. De anderen moesten

gelegenheid hebben, om hen een goed eind vooruit te komen. Stil en onder

den indruk van het stoute waagstuk, dat zij thans gingen ondernemen,

roeiden zij bedaard verder. Jan Slob stond nog op den dijk, om hen na te

kijken, en hij wuifde hun telkens toe met de hand, of zwaaide met zijne

muts.

De jongens waren met pistolen en dolken gewapend, maar deze waren

zorgvuldig onder hun wambuis verborgen. De Overste moest natuurlijk in

hen slechts een paar jonge visschers zien, die in Amsterdam kwamen,

enkel om wat te verdienen.

Soms keken zij even achterom, teneinde te zien, hoever de anderen hen

reeds voor waren.

»Zijn we er haast?" werd er uit de tobbe geroepen. »Ik kan niet zeggen,

dat het me hier erg bevalt."

»Wij beginnen pas," zei Aelbert lachend. »Maar u moet niet praten, Claes

Symensen, want de kleinste onvoorzichtigheid kan ons noodlottig worden."

»Je hebt gelijk. Ik zal zoo stom wezen, als een--paling," was het

antwoord.

»Zeg je wat?" riep Jan Walichs uit de andere tobbe.

»Houd je stil, er zijn Spanjaarden dicht in de nabijheid," antwoordde

Marten gekscherend, maar Jan Walichs schrok er toch zoo erg van, dat

hij verder op de geheele reis geen geluid meer durfde geven.

Amsterdam kwam meer en meer in het gezicht, en hoe dichter het gevaar

naderde, hoe stiller de twee jongelieden werden. Dat was ook waarlijk

geen wonder, want hunne onderneming was een brutaal stuk, dat groote

gevaren opleverde. Eindelijk konden zij de menschen aan den IJkant reeds

duidelijk onderscheiden, en het rumoer van het stadsgewoel drong tot

hen door. Hier en daar zagen zij tusschen de rietschooten eene enkele

visschersboot, waarvan de bemanning ijverig in de weer scheen te zijn,

zonder echter een enkel net uit te werpen. De knapen herkenden hen zeer

duidelijk, en Marten sprak:

»Nu dubbel voorzichtig, mannen! Wij naderen de stad."

Een enkel woord uit de tobben gaf te kennen, dat de waarschuwing gehoord

was en opgevolgd zou worden.

't Was een vrij vermoeiende roeitocht geweest, want de wind blies sterk

uit het Oosten, wat zij bij de uitvoering van hun plan in hun voordeel

hadden. Langzaam roeiden zij naar den walkant, en omziende ontdekten zij

den Overste, die hunne nadering reeds had opgemerkt. Hij was een echte

smulpaap, bijzonder op visch verlekkerd. Toen de jongens even omkeken,

riep hij hun uit de verte toe:

»Goede vangst gehad?"

»Die is Goddank wèl, al kon het beter," schreeuwde Aelbert terug. De

aankomst van de jongelieden was door meer Amsterdammers opgemerkt, wat

bleek uit de vraag:

»Hei daar, visschers, legt hieraan, als je wilt. Heb je wat goeds in de

kaar?"

»Wij komen!" was het antwoord, »en je zult eens zien, wat een prachtige

waar wij hebben."

Ze meenden er echter niets van, want aanleggen lag ditmaal heelemaal

niet in hunne bedoeling. Zij hoopten natuurlijk, dat de rijke Overste de

eerste keuze zou willen hebben en met een bootje bij hen komen. En dat

gelukte. De lekkerbek maakte zich inderdaad bevreesd, dat de andere

kooplustigen hem vóór zouden wezen en hem de lekkerste visch voor den

neus zouden wegkapen. Daarom riep hij hun toe:

»Wacht nog even. Ik kom bij je."

»Goed zoo, Heer," mompelde Marten zacht voor zich heen. En Aelbert

antwoordde:

»Als u dan maar wat spoed wil maken, Heer, want wij zien daar heel wat

koopers..."

De Overste stapte in een bootje, greep de riemen, en roeide naar de

visschersboot, tot groote verontwaardiging van de andere kooplustigen,

die aan den wal moesten blijven staan.

»Hij zal de beste visch wel eerst uitzoeken," mopperde er een. »Die

groote Heeren hebben altoos een schreefje voor."

Nauwelijks had de Overste de groote tobben opgemerkt, of hij zeide,

terwijl hij zijn schuitje met een touw aan het roeibankje van de andere

schuit vastbond:

»Zoo, zoo, je schijnt een heelen voorraad te hebben. Zijn die groote

tobben dáár vol visch?"

»Allemaal witvischjes, Overste, voor den minderen man," antwoordde

Aelbert. »De lekkerste visch hebben wij hier in de kaar, paling, om van

te watertanden."

Hij deed het deksel van de kaar, greep een schepnet, en wilde de

palingen opscheppen, maar met voordacht deed hij dat zoo onhandig, dat

de dikste beesten hem telkens ontsnapten. De overste bleef in zijn eigen

schuitje, wat natuurlijk niet in de bedoeling der jonge Vrijbuiters lag.

Zoodra de twee booten aan elkander vastgelegd waren, hadden zij de

riemen ingehaald, zoodat de vaartuigjes thans langzaam door wind en

stroom werden medegevoerd en van de stad afdreven.

»Ha, dat ik dien dikkerd, daar in dien hoek, maar niet krijgen kan!" zei

Aelbert, telkens vergeefsche pogingen doende, om hem in zijn net te

krijgen.

»Je weet wel, Marten, dien dikkerd, dien wij al dadelijk voor den Heer

Overste bestemd hadden. O, als U hem ziet, weet ik zeker, dat U hem

hebben moet."

De Overste rekte den hals, om in de kaar te kijken, maar dat ging niet

gemakkelijk. En toen het Aelbert maar in het geheel niet wilde gelukken,

den heerlijken paling gevangen te nemen, kon hij zijn nieuwsgierigheid

niet langer bedwingen. Met een vlugge beweging stapte hij in de andere

boot over.

De mannen in de tobben grepen onder hun wambuis en haalden hunne

pistolen te voorschijn.

De Overste bukte zich voorover, om in de kaar te kijken,--en had er geen

erg in, dat de booten langzamerhand van de stad afdreven. Maar Aelbert

en Marten zagen het wel, en ook, dat andere visschersbootjes langzaam

van tusschen de rietschooten te voorschijn kwamen en ongemerkt naderden.

»Daar is hij weer!" riep de Overste uit. »Schep hem nu op!"

Aelbert deed het, maar zoo onhandig, dat de dikke paling weer ontsnapte.

»Daar gaat hij weer!" zei Aelbert boos. »Dat ding is zóó vlug..."

»Laat mij het probeeren," riep de Overste hem toe. »'t Is een prachtige

paling, dat heb ik wel al gezien."

Hij nam het net van Aelbert over en dompelde het in de kaar. Maar nu zag

hij zooveel heerlijke visch, dat hij bijna niet wist, welke het eerst

te scheppen. Hij smakte met zijne tong tegen zijn verhemelte bij het

vooruitzicht van het lekkere middagmaal, dat hem wachtte. En hij zag in

het geheel niet, dat de boot thans reeds op een betrekkelijk flinken

afstand van den walkant dreef. Evenmin merkte hij op, dat Marten het

touw, waarmede de twee schuitjes aan elkander verbonden waren,

losmaakte.

»Ha!" riep de krijgsman op verheugden toon uit, »daar heb ik den

dikkerd! Een prachtstuk van een paling, dat moet ik..."

Opeens echter bemerkte hij, dat zijn boot geheel onbeheerd op eenigen

afstand langzaam wegdreef, en tegelijkertijd trok het zijn aandacht,

dat verscheidene visschersbooten, die hij straks niet had gezien, thans

dicht in de nabijheid gekomen waren. En de bemanning daarvan boezemde

hem in het geheel geen vertrouwen in. Snel wierp hij een blik op de

beide jonge visschers, en de uitdrukking van hun gelaat zeide hem

genoeg, dat hij in een valstrik gelokt was. Hij richtte zich op en trok

met een snelle beweging zijn rapier.

»Wat heeft dat te beduiden,--schelmen, rakkers! Denk je soms, dat ik mij

zoo gemakkelijk laat overrompelen!"

De overste was een moedig krijgsman, die zich nog in het geheel niet

als een verloren man beschouwde. De vijand bestond immers slechts uit

twee jongelingen, nauwelijks den kinderschoenen ontwassen! Hij zou ze

spoedig genoeg onschadelijk gemaakt hebben, en dan naar Amsterdam kunnen

terugkeeren. Maar Aelbert en Marten hadden met een snelle beweging hunne

pistolen te voorschijn gehaald en de lonten aangestoken. Dat alles ging

vliegensvlug in zijn werk. De Overste hief zijn rapier omhoog, om Marten

een geduchten slag toe te brengen, toen plotseling eene tobbe hem zoo

onzacht tegen de beenen terecht kwam, dat hij wankelde en bijna over

boord viel.

»Hier heb je een paling, zooals je er nog nooit een gegeten hebt," riep

Claes Symensen spottend uit, terwijl hij uit de tobbe wipte en den

Overste van achteren aangreep. Aelbert en Marten hadden hem reeds het

rapier ontwrongen, wat hun betrekkelijk gemakkelijk viel, omdat de

Overste bijna overboord gevallen was en zich aan het boord moest

vastgrijpen.

Nu sprong ook Jan Walichs uit zijn tobbe te voorschijn, tot groote

verbazing van den Overste, die door hunne onverwachte verschijning zoo

verrast was, dat hij bijna geen besef had, om zich te verdedigen.

En nu roeiden ook de andere Vrijbuiters met groote snelheid nader,

lachende om het welslagen van hun list. Evenwel, er moest nog met

grooten spoed gehandeld worden, want Amsterdam was nog dichtbij, en men

had daar met niet weinig verbazing de overrompeling van den Overste

aangezien. De soldaten legden hunne musketten aan en vuurden op de

Vrijbuiters; maar de kogels sisten rondom de schuitjes in het water.

De Overste was spoedig ontwapend, en hij zag zeer goed in, dat verder

verzet hier nutteloos was. Symensen en Walichs hadden hem tusschen zich

in genomen en bewaakten hem, zooals zij lachend opmerkten, »met de

grootste liefde." Maar de Overste hoopte vurig, dat het zijne vrienden

en soldaten aan den walkant mocht gelukken, hem te verlossen. Hij zag

hen naar de booten ijlen en daarin plaatsnemen.

De Vrijbuiters waren het visschersbootje nu genaderd, en hadden de

grootste pret.

»Die vogel is geknipt!" riep er een. »'t Is een echte goudvink, wiens

veêren waarde hebben."

»Jongens, hijsch het zeil,--spoedig!" beval 't Oude Hoen, die wel

begreep, dat er nog groot gevaar dreigde, want de soldaten roeiden snel

herwaarts.

Marten en Aelbert zetten den mast omhoog, sloegen het zeil aan, dat

dadelijk door den wind gebold werd, en grepen bovendien nog naar de

riemen, om den behaalden buit in veiligheid te brengen. 't Oude Hoen

gunde zich nog den tijd om het schuitje van den Overste op sleeptouw te

nemen, en zette daarna ook koers naar de herberg van Jan Slob, die al

geruimen tijd op den dijk op den uitkijk stond.

[Illustratie]

De soldaten achtervolgden hen snel, en hielden niet op hunne musketten

op de Vrijbuiters af te vuren. Gelukkig werd niemand van hen getroffen,

en de afstand tusschen vervolgden en vervolgers werd gaandeweg grooter.

De Vrijbuiters zagen dat tot hunne vreugde, de Overste en zijne soldaten

tot hun leedwezen. Eindelijk gaven de laatsten hunne vervolging op en

keerden naar Amsterdam terug.

[Illustratie]

Wat had Jan Slob een pret, toen hij zag, dat de list gelukt was. Hij nam

zijne muts voor den Overste af, en zei buigend:

»Kom binnen, Edele Heer! U is van harte welkom, en 't zal mij een groote

eer zijn, u een kan van mijn beste bier aan te bieden.--Gegroet,

vrienden, het vat staat reeds te wachten, en de kannen zijn in een

oogenblik gevuld. Kom binnen!"

Die uitnoodiging werd met gejuich aangenomen, en de Overste was de

eenige van het gansche gezelschap, die niet vroolijk keek. Hij vroeg

zichzelven niet zonder zorg af, wat deze ruwe mannen wel met hem

voorhadden, en 't scheen hem nog een vraag toe, of hij wel ooit weer in

Amsterdam zou terugkeeren. De Vrijbuiters waren niet gewoon, met de

vijanden vele complimenten te maken. Dat hadden zij van de Spanjaarden

geleerd.

Weldra zaten allen in de kleine gelagkamer om de tafels geschaard, waar

de bierkannen lustig geheven en snel geledigd werden. Ook de Overste

kreeg zijn deel van het vocht, en Jan Slob bediende hem met de grootste

deftigheid, maar hij kon niet laten spottend te glimlachen tegen de

mannen, die in de nabijheid zaten.

De Overste bleef niet lang in onzekerheid over de plannen van de

Vrijbuiters, want 't Oude Hoen zeide hem zonder omwegen, dat hem de

keus werd gelaten tusschen een groot losgeld of den dood. En hij zag

duidelijk, dat er met deze mannen niet te spotten viel. Hij had al lang

begrepen, dat hij in de handen gevallen was van 't Oude Hoen, wiens naam

bij de vijanden zoo gevreesd was. De keuze was dus niet moeilijk voor

hem en spoedig gedaan. Hij stemde er in toe het gevraagde losgeld te

betalen, indien iemand maar zoo goed wilde zijn, als bode een brief voor

hem naar Amsterdam over te brengen.

»Naar Moorddam?" vroeg Claes Symensen lachend, want zoo werd toen

Amsterdam gewoonlijk door de Geuzen genoemd. »Ik bedank er feestelijk

voor. 't Mocht mij den kop eens kosten."

»En ik evenzoo!" riep Jan Walichs uit. »Vriendelijk dank!"

Geen der Vrijbuiters bleek lust te hebben, den gevaarlijken tocht

te ondernemen, en zij wisten ook geen raad, om met de vijanden in

onderhandeling te treden. Gelukkig voer op dit oogenblik een jongeling

in een bootje voorbij de herberg, in wien Marten dadelijk zijn

voormaligen buurjongen, Aelbert Bleeker herkende, wien hij er altoos van

verdacht hield, met de vijanden in geheime gemeenschap te staan.

»Daar vaart iemand, die ons helpen kan. Aelbert Bleeker van den

Zuiddijk. Hij zal voor geld en goede woorden den brief wel naar Moorddam

willen brengen, en dan betwijfel ik zeer, of het zijn eerste reis

daarheen wel zal zijn."

Men bedacht zich niet lang. Aelbert Bleeker werd bevolen aan te leggen,

en de Overste, die hem scheen te kennen, droeg hem op naar Amsterdam te

gaan, en het losgeld te halen. Den brief gaf hij hem mede.

Nog vóór den avond keerde hij terug, en bleek, tot groote vreugde van

de Vrijbuiters, het geëischte geld bij zich te hebben. Ook de Overste

zag dat tot zijn genoegen. Jan Slob vulde de kannen opnieuw, want de

Vrijbuiters waren aan een woest leven gewoon en lustten graag bier,

en toen werd de buit gelijk onder de deelnemers verdeeld. De Overste

herkreeg zijn vrijheid, waarvan hij gebruik maakte door zoo spoedig

mogelijk in de boot van Aelbert Bleeker naar Amsterdam terug te keeren,

en de Vrijbuiters namen van Jan Slob afscheid en zochten hunne woningen

op.

De Kennemer Vrijbuiter · 第 7 / 12 段