werd door eene menigte mannen, die in de verte naderden. Hij zag scherp
toe, en merkte al spoedig op, dat het een vendel krijgsknechten was.
Neen, daarin kon hij zich onmogelijk bedriegen, want hij zag, hoe de
stalen lansen flikkerden in de zonnestralen. Ongetwijfeld waren het
vijanden, die op weg waren, om Westzaan te bespringen en te plunderen.
Het gevaar naakte dus. Hij klom van den trans naar beneden en greep het
klokketouw. Met zwaren galm verkondigde het brommen van de kerkklok de
komst van den vijand. In allerijl verliet hij het kerkgebouw, om zich
naar zijn hoeve te begeven en daar de noodige maatregelen te nemen.
Overal snelden de bewoners de huizen uit, angstig en verschrikt, en niet
wetende, wat te beginnen. De vrouwen en kinderen jammerden. De mannen
grepen naar de wapens.
»Wat is er?--Wat is er?" werd er angstig gevraagd, en 't Oude Hoen
antwoordde, zonder zich echter ook maar een oogenblik op te houden:
»Bergt je, menschen, de vijand komt!"
En nu klonk het van mond tot mond:
»De Spanjaarden komen! De Spanjaarden komen!"
In een oogenblik tijds heerschte in het anders zoo vreedzaam Westzaan
eene onbeschrijflijke verwarring. Vele mannen droegen alles van waarde
naar buiten, en zochten met vrouw en kinderen hun heil in eene
overhaaste vlucht. Anderen deden de grendels op de deuren en wapenden
zich met vuurroeren en verrejagers, om den vijand eene ver van
vriendelijke ontvangst te bereiden. Weer anderen laadden hun voornaamste
huisraad in schuiten, en brachten het met hunne vrouwen en kinderen naar
eene naburige plaats, terwijl zij zelven zich in vaartuigen vereenigden,
om zich tusschen de rietlanden in den omtrek te verbergen en den vijand
zooveel mogelijk afbreuk te doen.
Tot deze laatsten behoorde ook 't Oude Hoen.
Toen zijn huisraad in eene schuit geladen was, deed hij ook zijn vrouw
daarin plaatsnemen, en beval Marten en Aelbert haar naar Knollendam te
brengen. Daar woonde hare zuster, bij wie zij voorloopig wel veilig zou
zijn, omdat te Knollendam een vendel Hollanders lag. De Spanjaarden
zouden hun strooptocht wel niet tot die plaats uitstrekken, en mochten
zij dat doen, daar wel geen gunstig onthaal vinden.
Vrouw Geerte schreide, toen zij afscheid van haar man nam, doch deze
troostte haar.
»'t Is maar eene scheiding voor korten tijd, beste Geerte," sprak hij.
»Zoodra het huis weer veilig is, betrekken wij onze woning weder.
Vaarwel, God bescherme u!"
Aelbert en Marten staken van wal. Tijd tot talmen hadden zij niet, want
de vijand naderde snel.
De mannen, die besloten hadden voortaan het leven van den vrijbuiter
te leiden, vereenigden zich in pramen of roeijachten, die zij ijlings
van proviand en wapens hadden voorzien, en verdwenen achter de hooge
rietpluimen, die hun aan het oog der vijanden onttrokken. En zij waren
er het best aan toe, want de boeren, die in hun hoeven gebleven waren,
kregen het spoedig kwaad te verantwoorden. Zoodra de Spanjaarden
Westzaan hadden bereikt, nestelden zij zich in de huizen en maakten zich
aan de grootste knevelarij schuldig. Hun aantal was te groot, dan dat de
ongelukkige dorpelingen het konden wagen zich te verzetten, en wie dat
nog poogde, moest het bitter bezuren. Want doodslag en brand kenmerkten
elk bezoek van de Spanjaarden. Hunne hoeven werden eenvoudig gemaakt
tot eene prooi der vlammen. Alles wat eenige waarde had, persten zij de
bewoners af, en als zij dachten, dat deze of gene zijn geld of sieraden
ergens op eene geheime plaats verborgen had, wisten zij wel middelen, om
ze te voorschijn te roepen.
»Als men een boer pijnigt, zweet hij goud," was de leuze der vijanden,
en zij brachten haar zonder medelijden in toepassing.
De ongelukkige Westzaners waren diep te beklagen, en zij, die tot nog
toe gemeend hadden, dat de vrees voor de Spanjaarden overdreven en niet
gegrond was, hadden thans eene goede gelegenheid om van de dwalingen
huns weegs bekeerd te worden. Menigeen dan ook, die tot nog toe in
het geheim Spaanschgezind was geweest, veranderde nu in een ijverig
aanhanger van den Prins van Oranje, en hunkerde naar den aftocht
van de wreede soldaten. Indien zij echter gemeend hadden, dat hunne
tegenwoordigheid slechts van korten duur zou zijn, hadden zij zich
deerlijk bedrogen, want de Spanjaarden namen ongevraagd bezit van hunne
woningen, en lieten zich goed bedienen. Blijkbaar waren zij niet van
plan, spoedig naar Saardam terug te keeren. Dat lag ook in het geheel
niet in de bedoeling van den Hopman, want daar zijne krijgslieden
in langen tijd hunne soldij niet hadden ontvangen, meende hij hen
schadeloos te moeten stellen, door hen de ongelukkige Westzaners
zooveel mogelijk hun geld en goed te laten afpersen, welke middelen
zij daartoe ook wilden gebruiken. Zij handelden dan ook geheel met hen
naar welgevallen, beschouwden zich volkomen als heer en meester over
de in beslag genomen hoeven, namen de beste plaatsjes voor zich, kozen
de zachtste bedden uit, eischten eene goede tafel en lekker bier, en
plaagden en kwelden de eigenaars, zelfs de vrouwen en kinderen, op de
ergerlijkste wijze. Zij hielden woeste drinkgelagen en verdobbelden
onder elkander het geld, dat zij den boeren afgeperst hadden. Zoodra
alles verloren was, namen zij tot nieuwe wreedheden hun toevlucht, om
met het aldus verkregen geld of goed opnieuw te kunnen dobbelen.
's Avonds trokken zij van de eene hoeve naar de andere, zingende en
tierende, en niet weinig onder den invloed van het genuttigde bier.
Al hunne daden getuigden van de grootste tuchteloosheid.
Soms knalden dan opeens schoten uit het riet, aan weerszijden van den
landweg, gevolgd door de kreten van de getroffenen, die wankelend nog
een paar schreden aflegden en daarna nederstortten. Een groote schrik
maakte zich dan van de Spanjaarden meester. Snel trokken zij hun rapier,
maar--waar was de vijand? Van welke plaats waren deze doodelijke schoten
gelost?
't Waren de Vrijbuiters, die met de grootste omzichtigheid waren
genaderd, en op deze wijze wraak namen over de wandaden van den vijand.
Hoe deze ook rondkeek in de duisternis,--zij ontdekten niemand.
»Vuur!" klonk het na eenige oogenblikken met gedempte stem, en opnieuw
knalden de musketschoten, die maar al te goed troffen. In groote
verwarring vluchtten de Spanjaarden ijlings heen, om op eene andere
plaats opnieuw te ervaren, dat de Hollandsche boeren zich maar niet
lijdelijk lieten mishandelen en uitplunderen. 't Duurde maar kort, of
de Spekken durfden zich niet meer in de duisternis buiten de hoeven te
bewegen, want indien zij dat waagden, konden zij er verzekerd van zijn,
dat een of meer hunner het met het leven zouden moeten bekoopen.
Wel werd in den vroegen morgen van den volgenden dag een
verkenningstocht gemaakt door het geheele dorp, hetwelk zich over eene
groote lengte uitstrekte, maar deze bleef zonder gevolg. Geen Vrijbuiter
kregen zij te zien. Wel werden op verschillende plaatsen van tusschen de
rietlanden musketschoten op hen gelost, die hen tot de uiterste
behoedzaamheid maanden.
De groep Vrijbuiters werd bij het uur grooter, want ieder, die kans zag
Westzaan te ontkomen, voegde zich bij hen, uiterst verbitterd over de
ondervonden geweldenarijen. Ook Marten en Aelbert waren van hun tocht
naar Knollendam behouden teruggekeerd, en hadden zich bij hunne vrienden
aangesloten. De beide jongelieden haakten naar den strijd en zouden
niets liever gewenscht hebben, dan aan wal te stappen en een openlijken
strijd aan te binden. Maar de ouderen waren wel wijzer. Zij wisten wel,
dat zij daarmede hun ondergang tegemoet zouden gaan. En 't Oude Hoen,
wiens naam reeds gevreesd begon te worden bij de Spanjaarden, verbood
het ten stelligste.
»Dapperheid is goed en prijzenswaardig, jongens," sprak hij, »maar dit
zou roekeloosheid wezen, die ik niet mag toestaan. Wij doen thans den
vijand al meer afbreuk, dan hem lief is, en daarmede moeten wij
tevreden zijn."
De Vrijbuiters gingen onvermoeid voort met het bestoken van de vijanden,
en dezen ontdekten al spoedig, dat zij, zoodra zij een voet buiten de
deur zetten, hun leven niet meer zeker waren. Onverwachts knalden van
uit verborgen schuilhoeken de doodelijke schoten, die al menigen
Spanjaard in het gras hadden doen bijten.
[Illustratie]
»'t Oude Hoen!" mompelden zij dan verschrikt, en ijlings brachten zij
zich binnenshuis in veiligheid.
Eindelijk, nadat zij langen tijd op den huisman hadden geteerd en de
overtuiging hadden opgedaan, dat van de Westzaners thans niets meer
te halen viel, klonk het bevel, naar Saardam terug te keeren, wat
geschiedde met slaande trom en vliegende vaandels. Maar bij zijn vertrek
bracht Hopman Van der Linden aan de welvaart van Westzaan den genadeslag
toe. Hij beval namelijk, al het vee uit de landen te drijven en het naar
Saardam te voeren. Wie beschrijft de woede, den haat, die den armen
boeren bezielde, toen zij zich hun kostelijk vee zagen ontrooven! Hoe
moesten zij thans aan boter, melk en kaas komen, van welke producten zij
immers moesten leven! Wel vierhonderd en tien koeien werden hun op dien
noodlottigen dag ontstolen, die een waarde vertegenwoordigden van ruim
acht duizend gulden, want een koe kostte in dien tijd ongeveer twintig
gulden. Met tranen van spijt moesten zij het toezien, hoe de vijanden
met hunne woede spotten.
Thans hadden zij alle middelen van bestaan verloren, en schoot hun niet
anders over dan te leven van den buit, dien zij met de wapenen in de
hand op den vijand moesten veroveren. Ja,--voortaan zou het ook bij hen
zijn »oog om oog en tand om tand!" De ijzeren noodzakelijkheid dwong hun
er toe.
Nauwelijks was de woeste bende vertrokken, of 't Oude Hoen en de andere
Vrijbuiters keerden op hunne hoeven terug, die duidelijk de kenmerken
droegen, dat zij door ruwe gasten bewoond waren geweest. De geleden
schade werd zooveel mogelijk hersteld, de vrouwen en kinderen kwamen
van lieverlede terug, ook Vrouw Geerte, en voorloopig keerde in Westzaan
de oude rust weder. Maar de ongelukkige bewoners waren thans voor het
meerendeel in armoede gedompeld, en wie zijn geld op eene geheime plaats
had weten te verstoppen, zoodat het aan het scherpziend oog van den
vijand was ontsnapt, waagde het niet, ander vee aan te schaffen. Wie
toch gaf hun de zekerheid, dat de Spanjaarden niet morgen of overmorgen
een nieuwen inval zouden doen?
't Was al laat in den avond van een der volgende dagen, toen drie
personen de hoeve van 't Oude Hoen verlieten. De vuurroeren hingen hun
over den schouder, maar in plaats van den verrejager droegen zij thans
elk eene spade. In de drie personen herkennen wij 't Oude Hoen, Aelbert
en Marten. Zij liepen den weg dwars over en stapten in het schuitje van
Marten, waarin de riemen reeds gereed lagen, evenals de verrejagers, die
de Vrijbuiters niet gaarne misten.
Zij staken van wal, 't Oude Hoen gezeten op het roerbankje, de beide
knapen aan de riemen, en weldra plasten deze in het water. Met krachtige
slagen roeiden zij in de richting van den Overtoom. Daar aangekomen
brachten zij de boot over den dijk het IJ in, roeiden Oostwaarts en
bereikten den mond der Zaan en daarmede de plaats, waar eenmaal de
hoeve van Martens ouders had gestaan. 't Stemde den knaap droevig, dien
hem welbekenden grond opnieuw te betreden, en hij dacht aan de gelukkige
jaren, die hij daar in den schoot zijner familie had doorgebracht.
De boot was vastgelegd, en met de spaden in de hand betraden zij het
erf. Daar lag de ruïne van de voormalige hoeve vóór hen, en Marten zag
met een enkelen oogopslag, dat zij reeds veel kleiner geworden was.
Blijkbaar waren er reeds kapers op de kust geweest, die alles, wat nog
eenigszins bruikbaar was, hadden medegenomen.
»Wij zijn de eersten niet, die hier komen," sprak hij. »Er is hier
geducht gestolen. Al het goede hout is weggehaald...."
»Als zij het voornaamste maar lieten liggen, Marten," sprak 't Oude
Hoen. »Op welke plaats ongeveer moeten wij het zoeken?"
Marten keek nauwlettend rond, mat met zijne oogen de verschillende
afstanden, betrad de ruïne, en zei eindelijk:
»Hier moeten wij zijn, denk ik. Wij dienen eerst de half verbrande
balken weg te ruimen, en de neergevallen steenen. Maar veel tijd zal dat
niet kosten."
Men sloeg de hand aan 't werk, want 't Oude Hoen hield niet van talmen,
en de twee jongens evenmin. Zonder meer leven te maken dan noodzakelijk
was, werd het puin opgeruimd en de vloer blootgelegd. Marten had goed
geraden, want het bleek hun, dat zij precies waren, waar zij wezen
wilden. Zij hadden de plaats schoongemaakt, waar eenmaal de schouw was
geweest. Marten bukte zich voorover, ruimde de steenen een voor een weg,
verwijderde met behulp der beide anderen de ijzeren plaat, en tilde
daarna het kistje omhoog, dat door de plunderende soldaten niet in zijn
schuilhoek was ontdekt. Ook hadden de vlammen van het brandende gebouw
het niet gedeerd.
Zij brachten het schielijk over naar de boot, waar het een plaatsje
kreeg onder de achterste bank; de riemen werden opnieuw gegrepen en de
terugtocht aanvaard. Zonder eenigen tegenspoed kwamen zij te Westzaan
terug, waar het geld geborgen werd naast dat van 't Oude Hoen, die het
zijne begraven had midden in zijn land, waar geen Spanjaard het zoeken
zou.
Marten was recht verheugd, want wanneer het hem nu gelukken mocht Anna
weder te vinden, was hij in staat, haar voor broodsgebrek te behoeden en
voor haar te zorgen. Ach, hoe verlangde hij naar haar!
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK VIII.
Aelbert en Marten vangen een vink met gouden veêren.
Dagen en weken gingen voorbij, maar nog altoos had Marten niets van
zijne zuster gehoord. En de kansen daarop zouden nog veel minder worden,
want het land in de omgeving van Amsterdam was met vijanden overstroomd.
Alva, verbitterd over den afval van de vele steden, die na de
inneming van den Briel de zijde van den Prins hadden gekozen, was vast
besloten niet te rusten, voor hij ze alle wederom tot gehoorzaamheid
gedwongen had. En eene vreeselijke straf zou hun deel zijn, als een
afschrikwekkend voorbeeld voor de steden, die nog mochten willen
volgen. Hij stelde zijn zoon Don Frederik de Toledo aan het hoofd van
een machtig leger en beval hem, de afgevallen steden te heroveren.
Mechelen was eene van de eerste steden, die het zouden ondervinden, wat
het zeggen wilde door den Spanjaard getuchtigd te worden. Den tweeden
October van het jaar 1572 was het gedwongen de poorten voor den vijand
te openen, en stond toen gedurende een drietal dagen aan de plundering
der soldaten bloot. Het vreeselijk lot der ongelukkige stedelingen
verwekte een storm van verontwaardiging door het gansche land, en in
plaats van tot verdeemoediging wekte het het hevigste verzet op.
Na Mechelen kwam de beurt aan Zutfen, en reeds den 16en November was
deze stad gedwongen zich over te geven. Ook hier hadden de gruwelijkste
tooneelen plaats, die in zooverre doel bereikten, dat Naarden, welke
stad thans stond belegerd te worden, den moed verloor en afgezanten
uitzond, den vijand tegemoet, om eerbiedig de sleutels der stad aan te
bieden en genade af te smeeken.
Ook dit mocht echter niet baten. In het gemoed van Don Frederik de
Toledo, noch in dat van Alva, zijn vader, was plaats voor medelijden, en
op zijn bevel werd Naarden bijna geheel uitgemoord. Driehonderd menschen
werden, ongewapend als zij waren, in de kerk als weerlooze beesten
geslacht, en het gelukte slechts aan enkele burgers aan het algemeene
bloedbad te ontkomen. En dat alles geschiedde nog wel ondanks de
herhaalde belofte, dat Naarden niet geplunderd zou worden.
Thans wisten de Hollanders volkomen, wat zij van de genade der
Spanjaarden te hopen hadden. De veroverde steden zeiden het hun genoeg,
en zij waren vast besloten, den strijd vol te houden tot het uiterste.
Op den zesden December reed een stoet aanzienlijke Edelen Amsterdam aan
den Zuidkant binnen, en Don Frederik, Alva's gevreesde zoon, bevond zich
als de eerste in hun midden. En zij werden gevolgd door vendel op vendel
krijgslieden, die zich buiten de wallen neersloegen. Niemand behoefde te
twijfelen, wat dit te beteekenen had, en het gerucht ging al spoedig van
mond tot mond: »Thans is het om Haarlem te doen."
Hopman Maerten Pruys, die met zijne vendels gelegen was in de Schans
te Sparendam, zag zich in den vroegen morgen van den elfden December
plotseling door een overmachtig heir van Spanjaarden overvallen, en al
verdedigde hij zich met de grootste dapperheid, waarbij hij het grof
geschut duchtig liet donderen, het mocht hem niet gelukken de Schans
te behouden. Hijzelf sneuvelde met den degen in de hand, en zijne
krijgslieden moesten, onder bevel van de Hoplieden Michiel en Gerrit van
der Laen, de vlucht nemen. Toen twee vendels uit Haarlem, die op het
geschutgedaver te hulp waren gezonden, de Schans naderden, vonden zij
deze reeds bezet, en moesten zij onverrichterzake terug trekken.
In Saardam evenwel was er heel wat veranderd. De dappere en onvermoeide
Overste Lazarus Muller had zich aan den Waterlandschen dijk vaste
stellingen weten te verschaffen. Daarna besloot hij een aanval te doen
op de schansen te Saardam, en aan zijne onstuimige dapperheid was het
te danken, dat de Spanjaarden het onderspit moesten delven en een goed
heenkomen zochten naar Amsterdam. De vlaggen met het kruis werden van de
stengen nedergehaald, en de Oranjevlag er voor in top geheschen. Dat gaf
een weldadige verademing voor de arme Saardammers, die geducht onder de
knevelarijen van de Spanjaarden hadden geleden.
Bossu, die thans aan de overzijde van het IJ de Geuzenvlag zag wapperen,
en de Hollanders bezig zag geduchte versterkingen op te werpen aan den
Waterlandschen dijk, besloot het verzet der Hollandsche boeren voor goed
te fnuiken. Hij rustte eene vloot uit, die bestemd was om de schepen
der Geuzen, die op het IJ lagen en trotsch den Oranjewimpel van stengen
en masten lieten wapperen, te vernietigen. Aan den uitslag daarvan
twijfelde hij geen oogenblik; de kleine vaartuigen der Geuzen zouden òf
spoedig in den grond worden geboord, òf een gemakkelijke buit voor zijne
lieden worden.
Het kwam echter heel anders uit, dan hij gedacht had. De Hollanders
hadden hunne kanonnen op den dijk geplaatst, en begroetten de Spaansche
schepen met een waren kogelregen, waardoor deze gedwongen werden te
wijken, nog wel met een groot verlies van volk.
Den volgenden morgen voer de Spaansche vloot opnieuw uit, en zond
branders op de schepen der Geuzen af. Maar de matrozen zagen het
dreigende gevaar, grepen haastig de riemen en brachten hunne schepen
in veiligheid op eene plaats, waar zij door de kanonnen op den dijk
beschermd werden. De matrozen zelf verlieten de schepen en klommen tegen
den dijk op, waarachter zij zich verscholen.
Nauwelijks hadden de Spanjaarden dat opgemerkt, of zij meenden, dat de
Hollanders op de vlucht geslagen waren, en onder luid gejuich stapten
ook zij aan wal, om hen te achtervolgen. Maar pas kwamen hunne hoofden
boven de dijk uit, of de schoten knalden, en menige Spanjaard viel
doodelijk getroffen neder. Salvo op salvo daverde, zoodat de schrik
den Spanjaarden om het hart sloeg en zij ijlings naar hunne schepen
terugkeerden. De vervolgers waren nu vervolgden geworden: de rollen
waren omgekeerd. Aan den voet van den dijk werd een moorddadig gevecht
geleverd, en de schepen werden door het vuur van de kanonnen op den dijk
deerlijk geteisterd. Sommige geraakten aan den grond, zoodat de krijgers
kanonnen en ankers over boord moesten werpen om weer vlot te komen.
Berooid, gehavend en vernederd keerden de Spanjaarden in Amsterdam
terug.
Den 11en December trokken, zooals wij zeiden, de Spanjaarden op, om
Haarlem te gaan belegeren. De Hoplieden Steenbach, Vader, Wittenberg
en Pruys kregen onmiddellijk bevel om op te breken en naar Haarlem te
trekken, ten einde de burgerij bij de verdediging ter zijde te staan, en
nauwelijks kwam dit Bossu ter oore, of hij zond Hopman Van der Linden
opnieuw uit, om de Zaanstreek te bezetten.
De Noord-Hollandsche Vrijbuiters hadden hun tijd niet in ledigheid
doorgebracht. Overal zwierven zij op de wateren rond, en zij waagden
zich zelfs op het IJ, tot in de nabijheid van Amsterdam. Zij leefden
thans van den behaalden buit, want door het wegrooven hunner koeien
waren zij zonder middel van bestaan. Dikwijls bestegen zij den hoogen
Westzaner toren om den omtrek te verkennen, en wee dan de kleine
afdeelingen Spaansche soldaten, die hier of daar langs den landweg
trokken, uitgaande op roof. Schielijk stapten de Vrijbuiters in hunne
vaartuigen, en verscholen achter groote rietvelden kozen zij den
kortsten weg, om de vijanden onverwachts te bespringen. 't Oude Hoen en
zijne Vrijbuiters waren de schrik der Spanjaarden geworden, en de naam
van den aanvoerder alleen was soms reeds in staat, hen op de vlucht te
doen slaan.
Marten en Aelbert ondernamen dikwijls de stoutste stukjes, ja, waagden
zich zelfs in Amsterdam, om daar den stand van zaken op te nemen. Zij
hadden eene flinke visschersboot, waarmede zij in den nacht het IJ
opvoeren om de netten uit te werpen. Was het geluk hun dienstig, zoodat
zij een flinken voorraad visch vingen, dan voeren zij brutaalweg naar
Amsterdam, om den visch daar aan den man te brengen, maar stapten dan
ook meermalen aan wal, om rond te spieden, de vijanden uit te hooren en
met het gehoorde hun voordeel te doen.
Zoo maakten zij ook kennis met een voornaam Overste, die een groot
liefhebber van visch was en 's morgens vroeg al op den uitkijk stond om
te zien, of de beide jongelieden haast kwamen. Zoodra hij ze ontdekte,
stapte hij in een bootje, om de eerste keuze te hebben, want hij wist
het bij ondervinding: Amsterdam telde meer vischliefhebbers dan hem
alleen. En al menigmaal was hem een heerlijk middagmaal voor den neus
weggekocht.
Toen Marten en Aelbert weer eens een dergelijken tocht hadden gemaakt en
huiswaarts voeren, zei Marten: »Mij dunkt, Aelbert, dat het zoo moeilijk
niet zou zijn, dien Overste eens eene poets te spelen, die hem
levenslang heugen zou."
»Hoe bedoel je dat?"
»Wel, als wij willen, kunnen wij hem gemakkelijk genoeg gevangen
nemen..."
Aelbert schoot in een lach.
»Ben je dwaas, Marten?" riep hij uit. »Zou je dien overste, die bepaald
een hoogen rang in het leger bekleedt en een adellijk personage is, uit
Amsterdam durven weghalen, terwijl zijn vrienden hem omringen? Dat is àl
te dwaas!"
»Ja, ik geloof toch wel, dat ik het zou durven, en dat het wel slagen
kon ook," hield Marten vol. »Hoe dikwijls stapt hij niet bij ons aan
boord, om zelf de visch uit te zoeken? Wij hebben dan eenvoudig de
riemen te grijpen en hard weg te roeien...."
»En dan neemt hij intusschen zijn rapier en steekt ons op zijn gemak
allebei dood, heel eenvoudig," lachte Aelbert. »'t Is gemakkelijk
genoeg, dat geef ik toe, maar ik bedank voor de eer."
»'k Geloof toch, dat het wel kan," hield Marten vol. »Wij zouden
natuurlijk met de grootste voorzichtigheid te werk moeten gaan en niet
handelen, zonder zeker van onze zaak te zijn. Ik moet er toch nog eens
over denken, want hij is bepaald een rijk heer, die een goed losgeld kan
betalen. En dat konden wij tegenwoordig best gebruiken. Die Spekken
hebben ons totaal broodeloos gemaakt."
»Dat is waar, en ik geef toe, dat het een stout stukje zou zijn, wat me
wel lijken zou,--maar 't is te gevaarlijk en heeft weinig kans van
slagen."
Marten gaf zijn plan echter niet op, en toen de Vrijbuiters eens bij
Jan Slob aan den Westzaner Overtoom bijeengekomen waren, om plannen te
beramen en een glas van diens lekker bier te drinken, kwam hij met zijn
voorstel voor den dag, hetwelk met de noodige belangstelling werd
aangehoord.
Jan Slob vooral had er schik in, en hij riep uit:
»Bijloo, mannen, dat noem ik een mooi zaakje. Als het gelukt, geef ik
een vaatje van mijn fijnste bier present. Wat zou het heerschap vroolijk
kijken, als jelui hem hier brachten en wij de kan op Zijn-Edeles
gezondheid ledigden."
Deze voorstelling van den vroolijken waard had een algemeen gelach
tengevolge, en maakte de tongen los. De Vrijbuiters hadden wel lust in
de zaak. Het avontuurlijke trok hen aan. Maar Aelbert gaf zich niet zoo
dadelijk gewonnen.