Nauwelijks was hij dan ook uitgesproken, of een van hen, Goesinnen

genaamd, sloeg woedend met zijn vuist op tafel, en riep uit:

»Is het plegen van eene dergelijke schanddaad niet Gode geklaagd? En

eischt het geen wraak? Neen mannen, 't is zooals 't Oude Hoen zegt: wij

moeten ons zooveel mogelijk vereenigen en den vijand bestoken, waar wij

maar kunnen. Wel is Saardam bezet, maar nog is Kennemerland en Waterland

in handen van den Prins. Als wij willen, kunnen wij den Spanjaard nog

ontzaglijk veel afbreuk doen. Heer Diederik van Sonoy zal spoedig genoeg

krijgslieden zenden, om de bedreigde plaatsen te bezetten. Ik stel voor,

dat wij 't Oude Hoen tot onzen aanvoerder benoemen en onder zijne

leiding tochten te water ondernemen, om den vijand te bestoken!"

»Goed gesproken," viel Jan Walichs in. »'t Oude Hoen zal ons aanvoeren

en onze leidsman zijn. Een beteren konden wij niet wenschen."

»Volkomen waar," beaamde Jan Dieuwers. »Maar wat kunnen wij eigenlijk

doen, dat zou ik wel willen vragen. Wat kan een handvol boeren beginnen

tegen de machtige vijandige vendels? Wij zijn immers een tegen vijftig?"

't Oude Hoen stond op.

»Mannen," sprak hij ernstig, »'t Oude Hoen wil je aanvoerder zijn, en

met Gods hulp zullen wij trachten onze vrouwen en kinderen, onze have

en ons goed te beschermen tegen de vijanden. Wàt wij doen kunnen, zal de

tijd ons leeren. Wij moeten in elk geval doen, wat onze hand vindt om te

doen. Wij mogen niet versagen, want moed verloren is àl verloren, zegt

het spreekwoord. En als het waar is, dat wij tegen de Spanjolen zijn als

een tegen vijftig, welnu, dan moeten wij list stellen tegen overmacht.

Alle wateren hier in den omtrek zijn ons bekend, en tusschen het riet en

de schooren weten wij plaatsen genoeg te vinden, die ons aan het oog van

den vijand onttrekken. Begeven de vendels zich hier of daar heen, uit

onze schuilhoeken vellen wij hen man voor man neder, zonder dat zij ons

bereiken kunnen of ons zelfs maar zien. Neen, wij mogen niet moedeloos

bij de pakken gaan neerzitten, maar moeten strijden voor huis en haard,

voor godsdienst en vaderland! Wie zichzelven helpt, dien helpt God!"

Deze woorden van 't Oude Hoen maakten diepen indruk op de aanwezigen, en

meer dan een herhaalde de woorden: »Wie zichzelven helpt, dien helpt

God."

Het gezelschap werd allengs grooter, want telkens ging de deur open en

traden mannen binnen, die zich, nu de nood aan den man kwam, als bij

afspraak naar de woning gespoed hadden van 't Oude Hoen, dien zij allen

stilzwijgend als hun hoofd en leidsman beschouwden. Zoo verschenen daar

nog Joachim Cleynsorg, die door Diederik van Sonoy belast was met het

bevel over een vendel krijgslieden, Engel Lastpenning van Krommenie,

Claes Kees Symensen, Pieter Claessen Yperen van Oostzaan, en nog

verscheidene anderen. Man voor man waren zij bereid voor de zaak

der vrijheid te sterven. Ook de zoon van 't Oude Hoen was onder

de aanwezigen. Hij heette Aelbert, maar werd gewoonlijk 't Jonge

Hoen genoemd. Hij stond bekend als een verstandig jongeling, die

bedachtzaamheid aan moed paarde. Zoodra Marten binnen gekomen was, had

hij zich bij hem gevoegd, en hij fluisterde met hem over Anna, over wier

lot Marten zoo bezorgd was.

»Je blijft bij ons, Marten," sprak hij hartelijk, »en samen zullen wij

haar zoeken. O, ik twijfel niet, of we zullen haar wel opsporen. Nu

zij den vijanden ontkomen is, is dat slechts eene kwestie van tijd en

van geduld. Zij zal zich thans wel hier of daar in eene veilige haven

bevinden. Wie zou zoo wreed kunnen zijn, aan een ouderloos meisje een

onderdak te weigeren, wanneer de vijanden haar van alles beroofd hebben,

wat zij op de wereld bezat? Neen, Marten, maak je over haar lot niet al

te bezorgd."

»Dat is ook mijne meening, Neef!" viel 't Oude Hoen in, die het gesprek

stilzwijgend had aangehoord. »We mogen gerust aannemen, dat zij zich

hier of daar in veiligheid bevindt. De menschen, met wie zij gevlucht

is, zullen haar wel niet aan haar lot hebben overgelaten. Ook mijn raad

is, geduld te oefenen. Waar zou je haar ook moeten zoeken? In Alkmaar?

In Haarlem? Of op een van de omliggende dorpen? 't Is een zoeken in het

honderd, met weinig kans van slagen.--Ik geloof, dat je het beste doet,

door hier te blijven, en ons te helpen in den strijd, die ons wacht. Je

hebt een paar sterke armen aan het lijf, en kunt met een verrejager even

goed treffen als een onzer. Een vuurroer kun je van mij wel krijgen en

een verrejager daarbij. Sluit je bij ons aan, Marten, en wordt een

Vrijbuiter als wij, in dienst van den Prins. Wij strijden voor een

eerlijke zaak, en God zal ons de overwinning geven."

Marten had wel ooren naar dien raad, en hij moest toegeven, dat hij

niet verstandiger handelen kon. Op goed geluk af een zwerftocht te

ondernemen, om Anna op te sporen, had bij nader inzien weinig kans van

slagen, en 't vermoeden lag voor de hand, dat zij zich wel hier of daar

in veiligheid zou bevinden. Bovendien lachte het vrije leven van den

Vrijbuiter hem wel aan met al zijn gevaren en afwisseling, en in den

grond van zijn hart deed hij niets liever, dan den gegeven raad volgen.

Maar nog weifelde hij. Mocht hij den voorslag wel aannemen? Was het niet

zijn plicht zoolang te zoeken, tot hij haar gevonden had? Wanneer zijn

ouders nog spreken konden, zouden zij dàt dan niet in de eerste plaats

van hem vergen?

Opeens stond een van de mannen op en wees naar buiten.

»Brand!" riep hij uit. »Brand te Saardam!"

Allen stonden op om uit te zien, en begaven zich naar buiten, waar zij

een beter uitzicht hadden.

»Zou er nog niet genoeg gebrand en geroofd zijn?" vroeg een hunner,

terwijl zijne oogen van verontwaardiging fonkelden.

»Kijk, dáár stijgen ook rookwolken op, iets noordelijker," sprak een

tweede, terwijl hij de plaats aanwees, waar weldra een roode gloed

zichtbaar werd. En zacht voegde hij erbij: »Arme Saardammers!"

»De brand wordt heviger en woedt op vele plaatsen tegelijk," zei een

ander. Zwijgend staarden de mannen naar de bedreigde plaats.

't Was dan ook een vreeselijk schouwspel, dat zich aan hun oog

vertoonde. Blijkbaar grepen de vlammen snel om zich heen, want de

vuurgloed werd bij de minuut grooter en woedde over eene groote

oppervlakte. Dichte rookwolken maakten het uitspansel donker, en de

roode vlammen verlichtten het met een fantastischen gloed.

»Die onmenschen!" mompelde een der toeschouwers.

»Beulen zijn het, onmenschelijke beulen!" knarsetandde een ander,

terwijl hij het schouwspel met een van woede verbleekt gelaat aanzag.

»Hoe zij daar weer huishouden! Mannen, vrouwen en kinderen worden

vermoord en uitgeschud. O, maar het schreit ten hemel!"

De oogen der mannen gloeiden van haat, en zij zwoeren elkander niet te

zullen rusten, eer de laatste vijand uit deze landpalen verdreven was.

Ook Marten verkeerde diep onder den indruk van het ontzettende

schouwspel, en het kostte hem weinig moeite om zich voor te stellen al

den jammer, al de ellende, die op dit oogenblik te Saardam geleden werd.

Hoe hadden immers de ellendelingen gehandeld op de hoeve zijner ouders!

Zijn hart beefde van ontsteltenis, en tranen vulden zijn oogen. Een

ontzettende haat tegen alles wat Spanjaard was, maakte zich van hem

meester, en hij haakte er naar, den strijd tegen die roovers en

moordenaars aan te binden.

»Neef!" riep hij uit, en zijn stem trilde van edele

verontwaardiging,--»Neef, mijn besluit is genomen; ik blijf hier, om met

u te strijden tegen die monsters, die zich niet ontzien, om zulke daden

te doen. Ook ik schaar mij onder de Vrijbuiters!"

»Goed gesproken, Marten," zei 't Oude Hoen, terwijl hij hem de hand

drukte. En 't Jonge Hoen voegde zich bij hem en sprak:

»Wij strijden voortaan samen, Marten, en al zijn we jong, de Prins van

Oranje zal geen trouwer aanhangers hebben dan ons! Leve de Prins!"

»Leve de Prins van Oranje!" klonk het dof uit vele monden, want men was

te diep ontsteld door den vreeselijken brand, dien zij op betrekkelijk

korten afstand zagen woeden, om luidruchtig te zijn.

De vlammen hadden zich nu over eene groote breedte verspreid, en namen

nog steeds in hevigheid toe.

»Gansch Saardam wordt geplunderd en platgebrand," sprak een der mannen

weer. »'t Is hemeltergend."

»Ja, 't is afschuwelijk!" beaamden anderen. »Er blijft, naar ik vrees,

geen huis gespaard. 't Is een schrikkelijk schouwspel."

»Dat ons leeren kan, wat wij van de Spanjaarden te wachten hebben,

mannen!" viel 't Oude Hoen in. »Ons rest niets, dan met de wapenen in de

hand te strijden voor het leven der onzen, en gelooft me, dat het gevaar

naakt. Spoedig genoeg, wellicht dezen dag nog, zullen wij de beulen hier

zien. Westzaan is rijk en belooft een goeden buit. Een ieder zij op zijn

hoede! Bergt al uw geld en kostbaarheden op eene veilige plaats, opdat

het hun niet in handen valle..."

»Of wij dat al niet gedaan hebben!" lachte Goesinnen. »Zij zullen bij

mij lang moeten zoeken, eer zij het vinden."

Bij deze woorden dacht Marten opeens aan het geld, dat zijn vader 's

avonds vóór den moord onder den haard verborgen had. In al zijn ellende

had hij daar nog niet aan gedacht, maar nu nam hij zich voor, er zoo

spoedig mogelijk met zijn neef over te spreken.

Intusschen nam de brand te Saardam nog steeds in hevigheid toe, en

niemand van de toeschouwers twijfelde meer, of het gansche dorp werd met

den grond gelijk gemaakt.

»Ik zie mannen naderen, dwars door het land," riep 't Jonge Hoen

plotseling uit. »Zij hebben polsstokken bij zich, en springen over de

slooten. Weldra zullen wij dus weten, wat er ginds gebeurt."

»Ja, ik zie ze ook!" zei Cleynsorg. »'t Moeten vluchtelingen zijn!"

Met spanning werd de nadering dier mannen tegemoet gezien. 't Jonge Hoen

stapte in de boot, en riep Marten toe:

»Ga je meê? Straks komen zij voor breede waters, waar hunne verrejagers

hun van geen dienst kunnen zijn. Laten wij ze met de schuit helpen."

Marten was dadelijk bereid, en 't Oude Hoen zeide:

»Ja, laten wij allen in de booten gaan en Saardam zoo dicht mogelijk

naderen. Wie weet, hoevele menschen wij van een anders wissen dood

kunnen redden."

»Ja, in de booten! In de booten!" riep men van alle kanten. En weldra

staken de mannen van wal, maar--met het vuurroer over den schouder, en

de verrejagers aan boord. Verrejagers waren polsstokken met een lange,

stalen punt aan het benedeneinde, waardoor zij dubbele diensten konden

bewijzen. Met de stokken sprongen de vrijbuiters over de breedste

slooten, terwijl de stalen punten een vreeselijk wapen waren in de

handen der verbitterde Hollanders. Eer de vijand dicht genoeg genaderd

was, om met lans of zwaard te kunnen treffen, was de verrejager hem

reeds in het lichaam gedrongen.

Zij hadden nog geen kwartier geroeid, toen zij een breed water genaderd

waren, dat de vluchtelingen niet anders dan zwemmende konden oversteken,

en ongetwijfeld zouden zij dat hebben gedaan, indien zij de nadering der

Vrijbuiters niet hadden opgemerkt.

»Wat gebeurt er te Saardam?" was de eerste vraag, die tot hen werd

gericht. »Wordt de plaats geplunderd?"

»'t Is afschuwelijk, mannen!" was het antwoord. »Admiraal Bossu is naar

Amsterdam teruggekeerd, en heeft Hopman Van der Linden in zijn plaats

gezonden, om in vereeniging met Hopman Quickel, die gisteren den

Zuiddijk plunderde, de plaats te bezetten. En omdat Hopman Van der

Linden nu meent, dat hij een vrij uitzicht op den omtrek moet hebben,

laat hij een groot gedeelte van de Westzijde platbranden. Wel een

honderddertigtal huizen is in brand gestoken..."

»Honderddertig huizen!" mompelden de mannen in de grootste

verontwaardiging. »En plunderen zij die eerst?"

»Op de vreeselijkste wijze!" was het antwoord. »Als wilde dieren dringen

zij de huizen binnen en rooven alles, wat zij grijpen en vangen kunnen.

Zij nemen mannen, vrouwen en kinderen de kleederen van het lijf, het

geld uit de laden, het brood uit de kasten,--niets, niets hebben zij den

armen schepsels gelaten. En wie zich verzet tegen deze euveldaad wordt

mishandeld of gedood. O God, o God, het schreit ten hemel en roept om

wraak! 't Is hartverscheurend om de ellende aan te zien, en droevig, om

het gejammer van vrouwen en kinderen te hooren. De arme beroofden, wien

niets, zelfs geen kruimel brood gelaten is, vluchten naar alle

kanten..."

»Wij zullen u over het water brengen, opdat gij uw tocht kunt vervolgen,

en roeien daarna verder naar Saardam. Onze hulp is daar noodig, mannen!"

sprak 't Oude Hoen somber. En dreigend liet hij er op volgen: »Wee den

Spanjaard, die in onze handen valt!"

Aldus geschiedde, en met krachtige slagen roeide men voort in de

richting van Saardam. Vele vluchtelingen, waaronder ook vrouwen en

kinderen, zag men in de verte naderen, en men hoorde hun jammergeschrei.

't Jonge Hoen stond op, om beter en verder te kunnen zien. Plotseling

riep hij uit:

»Zij worden achtervolgd door de Spekken! Roeien, mannen, zoo snel je

kunt, opdat wij niet te laat komen! Zeker denken die roovers, dat de

menschen nog geld of kostbaarheden met zich medevoeren..."

De Vrijbuiters spanden al hunne krachten in, en de booten vlogen

pijlsnel door het water. De gesloten lippen, de vonkelende oogen gaven

duidelijk genoeg te kennen, dat het elken Spanjaard, die in hunne handen

mocht vallen, kwalijk zou vergaan.

»De vijanden naderen snel! Zij hebben de vluchtelingen bijna bereikt!"

riep Aelbert uit, terwijl hij zich het vuurroer van den schouder nam en

gereed stond om aan te leggen. Zijn lont brandde reeds.

»Help! Om Godswil, help!" klonk het hun toe, en het gejammer der

kinderen maakte hun het bloed aan 't koken.

»Legt aan wal!" beval 't Oude Hoen, en op 't volgende oogenblik

schuurden de booten tegen den oever. Zij hadden de vluchtelingen thans

bereikt, en nauwelijks waren de Vrijbuiters, met het vuurroer in de eene

en de brandende lont in de andere hand aan wal gestapt, of de vluchtende

vrouwen en kinderen bestormden in hun doodelijken angst voor de

naderende vijanden de booten.

Marten en Aelbert wierpen de verrejagers op het land, opdat hunne

vrienden zich daarmede zouden kunnen wapenen, als de vuurroeren

afgeschoten waren. Tijd om ze opnieuw te laden zou hun wel ontbreken.

Onder een luid geschreeuw naderden de Spanjaarden, wier woede geen

grenzen kende, nu een rijke buit hun dreigde te ontgaan. Met getrokken

zwaard stormden zij op de Vrijbuiters los, niet twijfelende, of deze

kaasboeren, zooals zij ze noemden, zouden spoedig genoeg op de vlucht

slaan. Marten zag, dat onder de vluchtenden zich ook Heer Jan Gerritsz

bevond, met zijne vrouw en kinderen. De laatsten waren reeds in de

booten gesneld, maar Heer Jan greep een verrejager en keerde zich tegen

de Spanjaarden.

»Vuur!" gebood 't Oude Hoen kort en krachtig.

Verscheidene schoten knalden, en dat de boeren geleerd hadden niet te

schieten zonder eerst goed te hebben aangelegd, werd duidelijk bewezen,

want verscheidene Spanjaarden stortten gewond of gedood ter aarde. Toen

wierpen de Vrijbuiters de vuurroeren over de schouders en grepen met een

vlugge beweging de verrejagers of trokken het rapier, zoo zij er een

droegen.

't Werd een geweldige strijd. De Vrijbuiters, uiterst verbitterd over

het rooven en plunderen der Spanjaarden, wisten van geen genade, zelfs

niet voor de gewonden, en hun aanval was onweerstaanbaar, want zij

voelden, dat zij streden voor vrouw en kind, voor huis en hof. Maar ook

de Spanjaarden gaven geen kamp. Moesten zij wijken voor een troepje

boeren, wier hoofdwapen bestond uit een polsstok, waarmede zij gewoon

waren over de slooten te springen, die hunne landerijen van elkander

scheidden? Dat nooit! Met getrokken zwaard vielen zij op hunne

tegenstanders aan,--doch 't was hun onmogelijk, de mannen te naderen. De

lange stokken met de gevaarlijke punten hielden hen overal tegen, en

menigeen stortte doodelijk gewond ter aarde. 't Bleek hun al spoedig,

dat de vijand hun te machtig was; de eenvoudige boeren waren leeuwen

geworden, en nadat menige Spanjaard gesneuveld was, kozen de anderen het

hazenpad en keerden zoo snel mogelijk naar Saardam terug.

»Leve 't Oude Hoen en zijn vrijbuiters!" klonk het hun in triomf

achterna. »Leve 't Oude Hoen en zijne Vrijbuiters!"

De gevallen Spanjaarden werden zonder mededoogen van hunne kleederen en

wapens beroofd, en hunne zakken, die gevuld waren met den te Saardam

geroofden buit, werden geledigd. Toen liet men hen liggen als een prooi

voor de roofvogels.

»Oog om oog, tand om tand!" was de leuze dier tijden. De buit werd

onder de Vrijbuiters verdeeld, maar menigeen stond zijn deel af aan de

vluchtelingen, die van alles beroofd waren en niet wisten, waar een dak

te vinden om onder te slapen.

Verheugd over de behaalde overwinning keerde men naar Westzaan terug.

[Decoratieve illustratie]

HOOFDSTUK VII.

De Spanjaarden te Westzaan. Een bezoek aan de ruïne der verbrande hoeve.

[A]»Hopman Van der Linden verzuimde niets, om Saardam tot een

duchtig versterkt punt te maken, en aan alle zijden van goede

gemeenschapsmiddelen te voorzien. Behalve de schansen, die hij liet

aanleggen op den Dam, werden ook nog op vier andere plaatsen gronden

uitgemeten en afgepaald, en aan de Voor- en Achterzaan nieuwe schansen

opgeworpen. Op den mond der Braak, bij het gat van de sluis, die aan de

Oostzijde in den dijk lag, bezuiden den Dam, werd eene groote schans

gelegd, en op een werf daartegenover, aan de Westzijde der rivier, in

't begin van den Horn, een tweede, dwars door den stroom aan elkander

verbonden met een of twee rijen palen, die door twee Saardammers,

Jacob Teeuwissen en Barend Smit, goed van ijzerwerk was voorzien. Een

wachthuisje werd daarbij getimmerd, om den boom nauwlettend te kunnen

bewaken.

[A] W. J. Hofdijk, Kronijk der Kennemer Vrijbuiters.

»In de Achterzaan werd eene schans opgehaald ter plaatse, waar thans

de kerk van Zaandams Westzijde ligt; ongeveer daar tegenover aan de

Oostzijde, op den Schinkeldijk een tweede, van kleineren omvang, en

eenige schreden verder nog een derde, »op eenige rietbordjes" aangelegd.

Deze alle drie werden over den stroom met elkander vereenigd door

paalwerk en twee boomen, waarbij twee vaartuigen met gewapenden steeds

ter beveiliging en dekking op de Zaan de wacht hielden.

»Eenige huizen op den Dam waren opzettelijk voor het vuur gespaard

gebleven, om te dienen tot berging van krijgs- en mondvoorraad, dat

steeds in niet geringe hoeveelheid aanwezig diende te zijn, want de

schansen, die allen van hier uit moesten worden voorzien, waren sterk

bezet."

Voor dien arbeid werden Saardamsche burgers geprest, die zonder loon

en tegen wil en dank daartoe door den Hopman werden aangewezen. Wee den

onvoorzichtige, die hierover eenig blijk van ongenoegen durfde geven, of

zich onwillig betoonde. Hij werd zonder vorm van proces opgehangen.

Diederik van Sonoy had echter evenmin stil gezeten. Tot zijne groote

teleurstelling ontving hij het bericht van het bezetten van den Dam

door de Spanjaarden, en bij alle narichten, die hij daaromtrent inwon,

kwam hij tot de overtuiging, dat hij er op dit oogenblik niet met goed

gevolg tegen handelen kon. Hij stelde zich echter ten plicht, het verder

doordringen van den vijand te beletten, en zond met dat doel eenige

vendels onder bevel van Nicolaas Ruychaver, Jacob Cristal en Lazarus

Muller uit, om den Waterlandschen dijk te bezetten van de Oostzijde van

Saardam af tot Nieuwendam toe. En toen de vijandelijke vendels zoo dicht

in elkanders nabijheid gelegen waren, spreekt het van zelf, dat het al

spoedig tusschen hen tot eene botsing kwam. De Hollanders waagden een

moedigen aanval op de verschansing aan den Schinkeldijk, en streden

daarbij zoo geducht, dat de schans weldra in hunne handen zou gevallen

zijn, indien het geknal der musketten niet tot de mannen op den Dam ware

doorgedrongen. Dezen werden daardoor op het dreigende gevaar opmerkzaam

gemaakt en snelden ter hulp. Toen werd het een bloedig gevecht. De

Hollanders werden tot wijken gedwongen en moesten de koeien op het

land zelfs tot borstwering gebruiken, zoo dicht vielen de kogels. Met

medeneming van hunne gewonden en dooden trokken zij terug. De vijand was

meester van het terrein gebleven, en de Hollandsche vendels moesten er

zich toe bepalen, behalve den Waterlandschen dijk ook de plaatsen Jisp,

Wormer en Knollendam te bezetten, waarmede zij het Noorderkwartier tegen

mogelijke invallen van de Spanjaarden beveiligden.

De Westzaners waren tot dusverre ongemoeid gebleven, en zij hoopten, dat

de Spanjaarden zich met de bezetting van Saardam tevreden zouden

stellen.

Marten hielp zijn vriend Aelbert elken dag bij den arbeid op het veld.

's Morgens al vroeg werden de koeien gemolken en de kaas of boter

gemaakt, en daarna werd de mest over het land geslecht, of hielden zij

zich bezig met het scheren der schapen. 't Spreekt van zelf, dat Marten

niet ophield nasporingen te doen naar het verblijf van zijne zuster

Anna, aan wie hij dacht van den morgen tot den avond. O, hoe vurig

verlangde hij er naar, haar te zien en te spreken, en haar in zijne

nabijheid te hebben, om als dat noodig mocht zijn, haar helper en

beschermer te kunnen wezen. Aelbert stond hem in zijne pogingen getrouw

ter zijde. Soms gingen zij in den namiddag samen naar eene naburige

plaats, om een onderzoek in te stellen, maar telkens keerden zij

onverrichter zake terug. Anna was spoorloos verdwenen, en niemand had

iets omtrent haar gehoord of gezien. 't Maakte Marten dikwijls moedeloos

en verdrietig, maar dan sprak Aelbert hem nieuwen moed in en wist hem

gewoonlijk weer op te monteren.

»Kom Marten, niet zuchten!" zei hij dan op luchtigen toon. »Zoo heel

ver weg zal ze niet zijn, en 't zou me niets verwonderen, als we haar

vandaag of morgen onverwachts tegenkwamen.--Zeg Marten, wat zou je dan

vreemd opkijken!"

De dagen verliepen echter,--maar Anna liet zich niet zien, en Marten

werd er stil en somber van.

Soms dacht hij erover, naar Alkmaar te gaan, om daar zijne nasporingen

voort te zetten. Hij kon dan Heer Jan Gerritsz opzoeken, die daar na den

grooten brand te Saardam met zijn gezin een toevlucht had gezocht, en

wien hij gesmeekt had hem onverwijld bericht te zenden, indien hij Anna

misschien vinden mocht. En Heer Jan had hem dat op handslag beloofd.

»Je kunt op me rekenen, Marten," had hij bij zijn vertrek gezegd. »Ik

zal je geen bode zenden, maar zelf komen, dat beloof ik je. Ik meen dat

aan de nagedachtenis van je ouders verplicht te zijn. Zoowel jij als

Anna kunt ten allen tijde over mij en mijn huis beschikken. Ik ben, Gode

zij dank, nog altoos een vermogend man, want de Spanjaarden hebben bij

mij achter het net gevischt. Ik was hun te vlug af en had nauwelijks de

eerste rookwolk opgemerkt, of mijn besluit was genomen. Met vrouw en

kinderen stapte ik in een schuit en roeide zoover mogelijk landwaarts

in, tot wij te voet verder moesten trekken. Het overige weet je, want

zonder de hulp van de dappere Vrijbuiters waren wij den Spekken toch nog

in handen gevallen.--Daarom,--wanneer je ooit in nood verkeert, wend je

dan tot mij. En mocht ik Anna hier of daar ontmoeten, dan zal ze in mij

een vriend vinden, die haar als eene dochter behandelen zal."

Zoo had Heer Jan gesproken,--en nu was hij al sedert eenige dagen

vertrokken, maar nog altoos was er van hem geen tijding gekomen.

Zeker had hij omtrent Anna nog niets vernomen, en Marten voelde een

onbedwingbaren lust, om zelf naar Alkmaar te gaan. 't Oude Hoen en Nicht

Geerte raadden hem dat echter af, want zij hielden veel van Marten en

achtten hem nog te jong, en den toestand van het land te onveilig, om

hem als een zwerveling weg te laten trekken.

't Zou intusschen te Westzaan niet zoo rustig blijven, als het daar tot

dusver geweest was. Hopman Van der Linden wist wel, dat een rijke buit

hem daar wachtte, maar hij wilde eerst de schansen te Saardam in

gereedheid brengen, voor hij de omliggende dorpen ging bespringen.

Elken morgen besteeg 't Oude Hoen alleen, of in gezelschap van een of

meer zijner vrienden, den hoogen kerktoren, om den omtrek te verkennen.

Hij had daar eene uitstekende gelegenheid om ver rondom zich te zien, en

was daardoor in staat, een naderend gevaar spoedig op te merken. En 't

meest tuurde hij in de richting van Saardam, waar de vijand zich

genesteld had.

De Kennemer Vrijbuiter · 第 5 / 12 段