kort oogenblik zijn gelaat met de handen. Maar toen vermande de knaap
zich. Hij bedwong zijn snikken en vroeg, maar zijne stem klonk heesch:
»En mijne ouders, Willem, mijn vader en mijne moeder?--En Anna?"
In ademlooze spanning wachtte hij het antwoord af. Zijn schrik werd nog
grooter, toen de man blijkbaar met zijn antwoord weifelde.
»Maar spreek dan toch, Willem Pietersz, spreek dan toch," riep hij uit,
stampvoetend van ongeduld en spanning.
»Jullie hoeve was de eerste, die in brand gestoken is, Marten," klonk
het zacht terug. »Ik vrees, dat een groote ramp je getroffen heeft. Ga
niet naar huis, maar vlucht zoo snel je kunt. De vervloekte Spanjolen
ontzien niets en hebben als bare duivels huisgehouden..."
»Maar mijne ouders, Willem, zeg me dan toch, waar zij zich bevinden..."
»Arme jongen!" klonk het terug. »Ze zijn vermoord..."
Een akelige gil klonk over het water, en in vertwijfeling wrong de knaap
de handen. Maar weer bedwong hij zich, en riep uit met een stem, door
snikken afgebroken:
»En Anna, is ook zij--vermoord?"
»Ik heb Anna zien vluchten, het land in, in de richting van Oostzaan, en
twee van die duivels achtervolgden haar. Wat er van haar geworden is,
weet ik niet... Ook mijne hoeve is in vlammen opgegaan, en slechts door
eene haastige vlucht hebben wij ons leven kunnen redden.--Wij bezitten
niets meer, niets..."
En dreigend de vuisten opheffende naar Saardam, waar de gevloekte
Spanjaarden thans den vergaarden buit verdobbelden en verbrasten, riep
hij uit:
»Maar wreken zal ik mij op dat gespuis, dat mij tot den bedelstaf heeft
gebracht. Ja, bloedig zal ik mij wreken!"
En de andere mannen balden evenzoo de vuisten, en starende op de
vlammen en rookwolken in de verte, mompelden zij met op elkander
geklemde kaken: »Wraak! Wraak!"
»Heeft men ook de Saardamsche woningen geplunderd?" vroeg Heer Jan,
terwijl hij de riemen greep, want hij zag wel, dat Marten te zeer
ontsteld en geschokt was, om iets te doen.
»Ik weet het niet, Heer," was het antwoord. »'t Schijnt mij toe, dat de
plundering zich tot den Zuiddijk heeft bepaald, althans verderop bespeur
ik nergens brand."
»Ik ook niet, Gode zij dank!" mompelde Heer Jan.
De vluchtelingen vervolgden hun tocht. Zij waren thans bedelaars
geworden, die zelfs geen dak meer hadden, waaronder zij rusten konden.
Zij trokken verder, zonder te weten waarheen.
Heer Jan wendde den steven naar de Zaan. Hij wilde zelf hoe eerder, hoe
liever thuis zijn, om zoo mogelijk over de zijnen te kunnen waken, en
hij verweet zich de lichtzinnigheid, waarmede hij zijn pleiziertochtje
van Ruichoort had ondernomen. Met diepe deernis staarde hij zijn
reisgezel aan, die thans op het achterbankje gezeten was, met de
ellebogen op de knieën en het gelaat in de handen. Hij zag, hoe dikke
tranen hem door de vingers rolden.
»Marten," zei hij zacht, en hij deed zijn best om iets te bedenken, dat
hem troosten kon.
»Marten!" herhaalde hij.--»Marten!"
En even later liet hij er op volgen:
»Misschien heeft Willem Pietersz het mis gehad. In zijne verbijstering
kan hij zich gemakkelijk vergist hebben..."
Maar Marten schudde ontkennend het hoofd, en Heer Jan Gerritsz sprak
niet verder. Hij vreesde zelf, dat hij den ongelukkigen knaap met eene
ijdele hoop vleide.
De boot voer snel voort en had weldra de Zaan en even later de hoeve
bereikt. Beiden stapten aan land. De vlammen stegen nog uit den puinhoop
op en kleine rookkolommen waren nog zichtbaar. Marten betrad het erf.
Geen levend wezen was daar te zien. Zelfs het vee uit het land was
weggevoerd.
Hij ging verder, terwijl zijne oogen rusteloos ronddwaalden. Opeens
slaakte hij een luiden kreet. Dicht bij de schuur, die door de vlammen
was gespaard, lagen de lichamen van zijne ouders op den grond. Naast
zijn vader lag diens vuurroer,--afgeschoten. En met zijn arm hield hij
nog het lijk van Moeder Fijtje omkneld. Blijkbaar was hij gedood in den
strijd om haar tegen de onverlaten te beschermen...
Marten knielde bij hen neder, en schreide jammerlijk, en ook Jan
Gerritsz was bij dit vreeselijk schouwspel zijne tranen niet meester.
Hij legde Marten de hand zacht op het hoofd, en zeide:
»Arme,--arme jongen."
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK V.
De jonge zwerver.
Langen tijd zat Marten als vernietigd bij de lijken van zijne ouders,
van wie hij zoo innig veel gehouden had. Ach, dat hij hen nu zóó moest
wedervinden! Dat hij nu nooit meer hunne vriendelijke stem hooren, nooit
meer hun liefdevol oog zien zou. Thans waren zij hem ontnomen voor
altoos door de wreede Spanjaarden, die hen goedsmoeds en zonder de
minste noodzakelijkheid hadden vermoord.
Heer Jan Gerritsz kon het niet van zich verkrijgen den armen knaap
alleen te laten, hoewel hij als op heete kolen stond, want hij brandde
van verlangen om thuis te komen en te zien, hoe de zijnen het maakten.
Hoe vreesde hij, dat de vijanden ook te Saardam op barbaarsche wijze
hadden huisgehouden, en wellicht waren ook zijn vrouw en kinderen door
hunne handen om het leven gebracht. Eindelijk, toen Marten maar steeds
roerloos op dezelfde plek bleef zitten, kon hij het niet langer
uithouden, en zeide:
»Marten, ik móét vertrekken, hoe graag ik ook bij je zou willen blijven.
Bedenk, dat mijne vrouw en kinderen thans ook aan de grootste gevaren
zijn blootgesteld en behoefte hebben aan mannelijke hulp,--als zij nog
leven.--Ga met mij mede, Marten; hier kun je toch niet langer blijven.
Je huis is verbrand en je ouders zijn er niet meer. Kom meê, arme
jongen. Mijn huis zal jouw huis zijn..."
Marten liet hem niet uitspreken. Hij stond op, droogde zich de tranen
van het gelaat, en zeide met heesche stem:
»U màg niet langer blijven, Heer Jan. Vergeef mij, dat ik daar niet
eerder aan gedacht heb. Uw plicht roept u naar uw huis en naar de uwen.
Maar ik ga niet mede. Ik moet mijne ouders begraven en mijn zuster
zoeken. Vergeet niet, dat zij thans niemand op de wereld meer heeft dan
mij. Wij behooren voortaan bij elkander..."
»Maar de avond valt, Marten, en het wordt reeds duister. Ga met mij mede
tot morgen..."
»Neen, Heer, voortaan ben ik een zwerver op Gods aardbodem, en het maakt
al weinig verschil, of dat heden begint of morgen. Ga gerust heen, Heer
Jan, en bekommer u niet over mij. Ik moet mijne zuster zoeken. Zij heeft
mijne hulp noodig."
Hij stak Heer Jan de hand toe, en deze nam haar aan, blijkbaar nog
weifelend of hij heen mocht gaan. Maar toch voelde hij, dat hij langer
niet mocht blijven.
»God bescherme u, Marten!" sprak hij ernstig. »En zoo de omstandigheden
je te machtig worden,--kom dan tot mij; ik zal toonen je vriend te
zijn."
»Dank u," zei Marten ontroerd.
Heer Jan vertrok. Eerst keek hij nog telkens om naar den verlaten knaap,
maar de angst over het lot der zijnen deed hem al spoedig zijne schreden
verhaasten.
Toen Marten alleen was, ging hij over tot eene droevige daad. Achter de
hoeve lag een bloementuin, waarin een paar mooie, groote struikrozen
bloeiden. Die rozen waren de lievelingsbloemen zijner moeder geweest.
Onder die struiken dolf hij een graf.
Toen het gereed was, wachtte hij, totdat iemand de nu nog eenzamer
geworden plaats voorbijging. 't Was een Saardammer, die zich in het dorp
niet meer veilig achtte en een goed heenkomen zocht.
Marten riep zijne hulp in bij de droeve daad, die hij nog moest
verrichten, en hoe gejaagd de man ook was, de smeekbede van den
verweesden knaap durfde hij niet weigeren. Samen droegen zij de dooden
in de groeve. Daarna was Marten weer alleen. 't Was nu reeds geheel
avond geworden, maar heldere sterren flonkerden aan het firmament, en de
maan goot haar bleek schijnsel over de aarde. Nog rookte de puinhoop.
Met een droevigen zucht begaf Marten zich op het land, waarop
Anna gevlucht was, toen zij door de Spanjaarden achtervolgd werd.
Hij wanhoopte echter, eenig spoor van haar te zullen vinden. De
verschillende landstrooken waren door vele slooten gescheiden. Zou
Anna zich daardoor hebben laten weerhouden? Hij dacht van niet, want de
angst, om in de handen der vijanden te vallen, zou er haar wel doorheen
gejaagd hebben. Bovendien was zij vlug en dapper, dat wist hij.
Hij vond dan ook nergens iets, dat hem eene aanwijzing kon geven,
waarheen zij gevlucht was. En voor een nauwkeurig onderzoek was het te
donker.
Opeens bedacht hij, dat zij wellicht eene schuilplaats gevonden kon
hebben bij Kees Aartsz, een arbeider, wiens eenvoudig huisje aan den
Waterlandschen dijk gelegen was. Want in die richting moest zij gevlucht
zijn, als zij haar toevlucht op de landerijen had gezocht. Hij besloot
zich onmiddellijk daarheen te begeven, en koos daartoe den kortsten weg,
dwars door het land, zonder zich door slooten te laten weerhouden.
Marten kon goed springen, en dat kwam hem nu te pas. In betrekkelijk
korten tijd kwam hij bij Kees Aartsz aan.
De bewoners waren nog op, maar de deur was zorgvuldig gesloten.
Op zijn roepen klonk eene stem van binnen:
»Wie is daar?"
»Goed volk, Kees,--ik ben Marten Florisz. Doe even open."
Dat geschiedde, en de man, die in de deuropening verscheen, zeide: »Kom
binnen, Marten."
»Neen, ik kom niet binnen. Alleen wil ik graag weten, of u mijn zuster
misschien gezien heeft. Zij is het land opgevlucht voor de
Spanjaarden,--en ik weet niet, waarheen zij gegaan is."
De man keek hem met innig leedwezen aan, en de vrouw, die evenzoo aan de
deur verschenen was, kreeg de tranen in de oogen, toen zij den armen
jongen zag. De menschen wisten wel, wat er op de hoeve gebeurd was.
»Wij hebben Anna gezien, Marten," sprak de man. »En zij is Godlof den
Spanjaarden ontkomen. Door de breedste slooten vloog zij heen, en dat
was haar geluk, want de soldaten met hunne stalen wapenrustingen durfden
zich in de modderige slooten niet wagen. Zij kwam hier in de grootste
ontsteltenis aan, want zij had alles gezien, wat er bij jelui gebeurd
was.--Och, zij was zoo bedroefd..."
»Geen wonder, het arme meisje," zei de vrouw schreiënd.
»Wij boden haar aan hier te blijven, maar dat durfde ze niet. Zij was
zoo angstig en gejaagd, dat zij bijna niet wist, wat zij deed, en zij
vreesde, dat de soldaten over den dijk zouden komen, om haar te
halen..."
[Illustratie]
»Maar waar is zij nu?" vroeg Marten ongeduldig.
»Er kwamen enkele bootjes met vluchtende Saardammers hier langs,
die door de Gouw wisten te ontkomen. Met een van die booten is zij
medegegaan,--maar waarheen, dat weet ik niet. De menschen wisten zelf
niet, waarheen het lot hen voeren zou. Vermoedelijk bevindt zij zich
hier of daar te Westzaan of te Assendelft, of Beverwijk,--wie zal 't
zeggen?"
»Dan weet ik nu genoeg," sprak Marten. »Heb dank voor de hulp, die u
beiden aan haar verleend hebt. Goeden nacht."
De man kon den knaap zoo echter niet laten vertrekken. Hij wist immers,
dat deze geen dak meer had, om onder te rusten. Daarom zei hij:
»Blijf vannacht hier, Marten. De nieuwe dag geeft nieuwen raad, maar
vergt ook weer nieuwe kracht."
»Dank voor uw vriendelijk aanbod, buurman," zei Marten. »Ik kan het
echter niet aannemen, want ik zal rust noch duur hebben, voor ik mijn
zuster wedergevonden heb. Nog één vraag: weet u ook, waar onze hond
gebleven is? Ik heb hem nergens gezien, dood of levend."
»Hij was bij Anna, en 't is voor een groot deel aan hem te danken, dat
zij ontsnapt is, want hij vloog telkens op de kerels aan. En dan hadden
zij 't kwaad te verantwoorden. Maar een van de soldaten heeft hem
eindelijk met de kolf van zijn vuurroer een zoo hevigen slag op den kop
gegeven, dat hij bijna niet meer loopen kon. Toch volgde hij Anna nog,
zoo goed en zoo kwaad, als het ging. Hij kroop bijna over den grond,
toen hij hier aankwam."
»Arme Kees!" mompelde Marten.
»Maar hij kwam langzamerhand weer op zijn verhaal," viel de vrouw in.
»Hij was half verdoofd geweest van den slag. Anna heeft hem medegenomen
in de schuit."
»Aan wie behoorde die?" vroeg Marten.
»'k Weet het niet, want ik ken weinig Saardammers, omdat ik hier nog
maar zoo korten tijd woon.--Blijf hier van nacht, Marten. Je kunt haar
nu toch niet zoeken. 't Wordt nacht."
Maar Marten schudde ontkennend het hoofd, en na een korten groet keerde
hij over den dijk terug naar de plaats, waar eenmaal de hoeve zijner
ouders had gestaan.
Bij het heldere maanlicht zag hij, hoe de Spanjaarden de naaste woning,
die van de familie Bleeker, hadden gespaard.
»Het verradersloon," mompelde Marten bitter.
Blijkbaar had hij onder het loopen zijn plan gevormd, want zonder zich
een oogenblik te bedenken stapte hij in zijn boot, maakte het touw los,
greep de riemen, en roeide het IJ op, in de richting van den Westzaner
Overtoom.
De doode vogels lagen nog op den bodem van het vaartuigje. Hij koos
zijne richting naar het Westen, en hield de Noordzijde van het water.
Zoodra hij de herberg van Jan Slob genaderd was, bond hij de boot vast,
en trad de herberg binnen, die nog niet gesloten was. Er bevond zich
geen enkele gast in de gelagkamer, en de kastelein maakte zich blijkbaar
gereed, om naar bed te gaan. Hij had zijne blauwe slaapmuts ten minste
al op, en was reeds half ontkleed.
»Zoo laat in den avond nog volk?" vroeg hij niet zonder eenige
verbazing, terwijl hij een brandende kaars omhoog hield, ten einde
te kunnen zien, wie er binnengekomen was. »Hé, dat is Marten Florisz
zoowaar nog. Wel, ik dacht dat je de kannen geheel vergeten waart, en...
Maar jongen, wat zie je er uit? Je bent zoo bleek als een lijk, en je
handen beven. Ha, die vervloekte Spekken hebben zeker..."
»Zij hebben mijne ouders vermoord, mijne zuster op de vlucht gejaagd, en
onze hoeve verbrand!" sprak Marten kortaf, en opnieuw barstte hij in
tranen uit.
»Dat gespuis! Dat addergebroedsel!" riep Jan Slob uit, terwijl hij bij
Marten kwam staan, die op een stoel neergevallen was en zijne tranen
den vrijen loop liet. Slob legde hem de hand op het hoofd. Woorden van
troost kon hij niet vinden, en daarom deed hij niet anders dan schelden
op de bedrijvers van zooveel wreedheid. En ruw als hij was, vloeiden
hem de vreeselijkste scheldwoorden over de lippen. Wel honderdmaal
herhaalde hij: »Aan de galg moesten zij hangen,--aan de galg moesten zij
hangen, de bloedhonden!"
Marten maakte eindelijk aan zijn woordenvloed een einde door hem te
vragen, of hij ook iets van zijne zuster had gemerkt, en misschien ook
wist, waarheen zij zich begeven had.
»Niets van gezien, Marten,--heelemaal niets. Alleen weet ik, dat er nog
verscheidene vluchtelingen hier gepasseerd zijn, die zich misschien naar
Beverwijk of Alkmaar begeven hebben. En velen heb ik ook naar Westzaan
zien vluchten, misschien omdat zij daar familie hadden. Wie weet, is
Anna daar ook niet bij geweest. Het is ook mogelijk, dat zij den wijk
naar Haarlem heeft genomen. Ik moet ronduit zeggen, dat ik er niets van
weet. Maar wèl weet ik, dat de eerste Spanjaard, die in mijne handen
valt, er vreeselijk voor boeten zal. »Oog om oog en tand om tand," zoo
zal het voortaan wezen."
»Ja," zei Marten somber en binnensmonds, »oog om oog en tand om tand.
Mijn arm zal voortaan gewijd zijn aan den Prins."
»Flink zoo, mijn jongen! Je bent sterk genoeg, om mede te strijden voor
de vrijheid van het vaderland. Weg met de Spanjolen! Wij moeten niet
rusten, voordat de laatste Spek over de grenzen is gejaagd. Wij hebben
nù gezien, wat wij van hen te wachten hebben. O, ik vreesde het al,
zoodra ik hunne schepen het IJ zag oversteken. Naar ik gehoord heb, is
Admiraal Bossu zelf aan boord geweest en was het op zijn bevel, dat
zijne krijgslieden aan den Zuiddijk werden ontscheept. Plunderende zijn
zij tot den Dam toe verder getrokken, en dat zij onbarmhartig hebben
huisgehouden ... maar daarover behoef ik tegen jou niet te spreken. Die
beulen! Aan de galg moeten zij, tot den laatsten man toe! Maar zeg mij
nu, Marten, wat is je plan? Waarheen denk je je te begeven?"
»Ik weet het niet, Jan Slob, ik weet het niet. Natuurlijk ga ik mijne
zuster zoeken, want zij heeft nu niets meer op de wereld, dan mij. Wist
ik maar, waarheen zij zich gewend heeft..."
»Daar kun-je morgen over nadenken, mijn jongen," hernam de waard goedig.
»Je brengt den nacht hier door, dat spreekt van zelf, en morgen zullen
wij verder zien..."
»Maar ik moet Anna zoeken," sprak Marten, die van droefheid en
vermoeienis bijna te uitgeput was om te denken.
»Natuurlijk," zei Slob, die wel opmerkte, hoe afgetobd de knaap zich
gevoelde. »Morgen ga je zoeken, overal in den omtrek,--maar nu blijf
je hier; kom mede, op den zolder heb ik een lekkere slaapplaats gereed,
waarvan al menigeen gebruik heeft gemaakt, die voor de Spekken vluchten
moest. Ik laat je thans niet verder trekken, Marten, al zou ik je met
geweld hier moeten houden."
Dat was trouwens niet noodig, want Marten gevoelde zeer goed, dat hij
behoefte had aan rust, en verzette zich niet tegen het gulle aanbod van
den waard. Zwijgend volgde hij hem eene trap op naar boven. Daar was een
bedstede getimmerd, waarop een zacht bed gereed lag.
»Wil je eerst niet wat eten?" vroeg Slob plotseling. »Domoor, die ik
ben, om daar niet eerder aan te denken. 't Is zeker al lang geleden, dat
je wat gebruikt hebt."
Marten bedankte echter; hij had in 't geheel geen eetlust.
Gelukkig viel hij spoedig in slaap, tot groote blijdschap van Jan Slob,
die beneden nog een half uurtje gewacht had, om nog eens naar hem te
kunnen zien, voor ook hij zich ter ruste begaf.
Wel werd Martens slaap dikwijls verontrust door benauwde droomen,
vooral in den voornacht, maar later werd hij rustiger en kalmer. Zijne
ademhaling werd minder gejaagd, en hij sprak niet meer in zijn slaap.
Hij werd den volgenden morgen zelfs veel later wakker dan gewoonlijk,
en Jan Slob liet hem rustig liggen. 't Was al bijna acht uur, eer hij
ontwaakte, maar toen voelde hij zich ook verkwikt en versterkt. Hij
stond op en begaf zich naar beneden. Slob en zijne vrouw bevonden zich
in de gelagkamer, en zij reikten Marten hartelijk de hand. Toen hij zich
frisch gewasschen en daarna verder gekleed had, nam hij plaats aan de
eenvoudige ontbijttafel, waar een flinke boterham met kaas voor hem
gereed stond.
»Komaan, voorgezet is voorgediend, moet je maar denken," sprak vrouw
Marye, »en 't is je van harte gegund."
»Wat is nu je plan, Marten? Heb je al nagedacht over hetgeen je te doen
staat?" vroeg de waard. En hij liet er hartelijk op volgen: »Je moet me
goed begrijpen, Marten; ik bedoel met deze vraag volstrekt niet, dat je
ons hier te veel bent, en dat we je hoe eerder hoe liever weg willen
sturen. Volstrekt niet, hoor. Al wou je hier je anker voor goed
neerleggen, wij zouden er niets tegen hebben en het zelfs wel aangenaam
vinden, want wij kunnen een jongen met een paar stevige armen aan het
lijf best gebruiken. Maar wij begrijpen zelf zeer goed, dat je hier rust
noch duur zoudt hebben, voor je Anna wedergevonden hebt..."
»Dat is ook zoo, al ben ik u uiterst dankbaar voor uw vriendelijk
aanbod," viel Marten in. »Mijn plan is, eerst naar Westzaan te gaan. 't
Zou best mogelijk kunnen zijn, dat Anna daar eene toevlucht heeft
gezocht. Wij hebben er nog een neef wonen, weet u..."
»Een neef op Westzaan? Wie is dat dan?"
»Govert 't Hoen,--u kent hem ongetwijfeld wel."
»Govert 't Hoen,--of 't Oude Hoen, zooals hij gewoonlijk genoemd wordt.
Zou ik dien niet kennen?" lachte de waard met een knipoogje. »Wel
jongen, 't is een van mijne beste vrienden, en een dappere kaerel
bovendien. Als er één is, die een hekel heeft aan de Spekken, dan is hij
het! Welzoo, is 't Oude Hoen een neef van je?"
»Een verre neef eigenlijk, Slob, maar hij kwam nog wel eens bij ons op
de hoeve..."
»Nu, dan heb je groot gelijk, je 't allereerst naar hem te begeven. 't
Is een verstandig man,--een man, voor wien ik het meeste respect heb,
en 't zou inderdaad niet onmogelijk wezen, dat Anna naar hem gevlucht
was.--Zeker, best mogelijk, en al is dat niet het geval, dan zal hij
je toch ten beste raden. Ik geloof, dat het een heel wijs besluit van
je is, en ik mag er je niet van terughouden.--Ik heb gezien, dat je
schuitje bij mij aan den steiger ligt. Ik zal met je meêgaan tot aan den
Overtoom, om het over den dijk te brengen."
Marten stond op en nam afscheid van zijne gastvrouw, wie hij zijn
hartelijken dank betuigde. Maar daar wilde zij niet van hooren en zij
deed hem tot aan de deur uitgeleide. Slob en hij brachten het schuitje
naar den Overtoom en wonden het met vereende kracht over den dijk in de
Westzaner Gouw. En weldra was Marten weer alleen.
Hij roeide met krachtige slagen voort, want de ongerustheid over het
lot van Anna dreef hem tot spoed. Zij waren hun geheele leven niet
alleen broer en zuster geweest, maar ook trouwe vrienden, die innig veel
van elkander hielden. En nooit had hij dit sterker gevoeld dan thans, nu
zij hunne ouders verloren hadden en niets ter wereld meer bezaten dan
elkander. Zij verschilden maar een goed jaar in leeftijd en waren samen
opgegroeid. Samen hadden zij gespeeld, samen schoolgegaan, samen lief
en leed gedeeld. Eerst was Anna in zijn oog altijd de groote zuster
geweest, omdat zij de oudere was, maar dat verschil was allengs
weggevallen en eindelijk was hij de grootere en sterkere geworden,
die zijne zuster soms beschermen moest tegen baldadigheden van andere
jongens, als zij haar plagen wilden. Zoo waren langzamerhand de rollen
omgekeerd en was hij het geweest, bij wien zij hulp en steun zocht. O,
hij voelde het: daaraan had zij thans dubbel behoefte. Als eene arme
wees zwierf zij nu in den vreemde rond en zag ongetwijfeld reikhalzend
uit naar haar broeder, den eenigen, dien zij op de wereld bezat.
Deze en dergelijke gedachten gingen hem door het hoofd, terwijl hij met
regelmatigen slag doorroeide naar Westzaan. Af en toe keek hij even om
naar den toren van de kerk, om te zien hoe groot de afstand was, die hem
nog van het dorp scheidde. Eindelijk had hij het doel van zijn tocht
bereikt en was hij de hoeve van zijn neef Govert 't Hoen genaderd.
Hij legde het bootje vast en stapte aan wal. Weldra trad hij de woning
binnen, die hem welbekend was, want hij was er meermalen geweest, soms
wel in gezelschap van zijne ouders en van Anna. Bij de gedachte daaraan
ontsnapte hem een diepe zucht. Helaas, die gelukkige dagen zouden nooit
terugkomen....
[Illustratie]
Hij opende de kamerdeur en trad binnen.
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK VI.
Onder de Vrijbuiters.
Er zaten eenige mannen om de tafel geschaard. 't Waren allen boeren
uit den omtrek, aanhangers van den Hervormden godsdienst, en trouwe
volgelingen van den Prins van Oranje. De meesten ervan kende hij wel,
want hij had ze meermalen in de hoeve zijner ouders ontmoet, en hij
begreep dadelijk, dat zij hier bij elkander gekomen waren om te
overleggen, wat hun na den inval van de Spanjaarden in Saardam te doen
stond. 't Waren mannen in boersche kleeding, maar hunne gelaatstrekken
teekenden zoowel vastberadenheid als moed, schranderheid als list.
Bij de binnenkomst van Marten keken zij verwonderd op, en 't Oude Hoen,
die tegenover Geerte, zijne vrouw, voor het raam aan de tafel zat, riep
uit:
»Wel,--wie komt daar binnenstappen? Dat is zoowaar Marten Florisz! Kom
nader, neef. Je brengt zeker slechte tijding, niet waar?"
»'t Kon niet slechter, neef," was het antwoord van Marten, terwijl hij
't Oude Hoen eene hand gaf. Deze was een klein manneke, maar hij had
breede schouders en gespierde armen, en zijn gelaat teekende zooveel
verstand, oprechtheid en zielenadel, dat het onwillekeurig vertrouwen
inboezemde. Hij schudde Martens hand recht hartelijk, en viel hem in de
rede met te zeggen:
»Wij weten er alles van, mijn jongen,--en Geerte-nicht en ik hebben je
komst verwacht. Maar zeg me--waar is Anna? Of hebben die verwenschte
Spekken ook haar...?"
»Zij is gevlucht, neef, maar ik weet niet waarheen, en zoek haar overal.
Ik had zoo gehoopt, dat zij haar weg naar hier zou genomen hebben..."
»Wij hebben haar niet gezien," viel Geerte in. »Maar ga zitten, Marten,
en vertel ons nader, wat er gebeurd is."
Marten voldeed aan dezen wensch, en 't spreekt vanzelf, dat hem bij dat
droevig verhaal de tranen telkens in de oogen opwelden.
De mannen hoorden hem sprakeloos aan, maar bij het verhaal van de
gepleegde wreedheden nepen zij woedend de vuisten samen, en hunne lippen
prevelden woorden van wraak. Zij hadden zeer met den ongelukkigen knaap
te doen, en hunne verontwaardiging kende bijna geen grenzen.