hadden begeven, stak voor de woning van de weduwe Bleeker eene kleine
roeiboot van wal, waarin twee personen gezeten waren. Snel, maar zonder
meer gedruisch te veroorzaken dan beslist noodig was, voer het de Zaan
af en stak het IJ dwars over in de richting van Amsterdam. De twee
roeiers waren Pieter en Aelbert Bleeker, die zich, beschermd door
de duisternis, naar den vijand spoedden, om hun te berichten, dat
Saardam thans geheel van troepen ontbloot en dus eene gemakkelijke
prooi geworden was. Met het verradersloon in den zak keerden zij na
middernacht terug. Hunne riemen gleden bijna onhoorbaar door het water,
en schuw keken zij om zich heen, of zij ook gevaar liepen ontdekt te
worden. Zij wisten te goed, welk een vreeselijk lot hun dan te wachten
stond.
Dien nacht heerschte vreugde bij de aanvoerders van de Spanjaarden.
Bossu bevond zich in eigen persoon te Amsterdam, en het bezit van
Saardam scheen hem zoo belangrijk toe, dat hij dadelijk besloten was,
zich onverwijld van die plaats meester te maken. Hij liet ten spoedigste
alles voor den aanval in gereedheid brengen. Hij wist wel, dat als hij
eenmaal Saardam in zijn bezit had, ook gansch Waterland voor hem bloot
lag.
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK IV.
Een schoone dag, die een droevig einde had.
Den anderen morgen al vroeg stonden velen, niet zonder angst, zoowel op
den Zuiddijk als in Saardam, op den uitkijk. Zij vreesden, dat de vijand
reeds op de komst zou zijn.--Doch alles bleef rustig op het IJ.
Hopman Wybe was echter niet teruggekeerd. »Hij was," zegt Hofdijk in
zijne beschrijving van den Kennemer Vrijbuiter, »een uitmuntende
Watergeus gebleken, maar den eersten krijgsmansplicht--gehoorzaamheid,
was hij vreemd gebleven, en het eerste vereischte van een goed
aanvoerder--zich onvoorwaardelijk te doen gehoorzamen, had hij zich niet
eigen weten te maken. Zijn volk--even lafhartig als ongeregeld mag het
wel geweest zijn--betoonde zeer weinig lust om op den duur een post te
betrekken, zoo gevaarlijk als die te Zaandam was; den Hopman zelf, aan
een gedurig afwisselend leven gewoon, mag dit ook wel te eentonig zijn
geweest. Zoo duurde het dan ook niet veel dagen, of men zag hem met zijn
vendel voor de poort van Alkmaar, waar de Goeverneur, de wakkere Willem
Mostaert, hem den intocht weigerde en, meêwustig van den gegeven last,
hem op nieuw gebood om naar Zaandam terug te keeren. Nauwelijks werd
dit door de soldaten vernomen, of zij weken grootendeels van hem af,
en vonden daarin steun bij den Vaandrig, die zich bij hen voegde.
Wybe zelf was zwak en weerbarstig, beiden genoeg, om daarin met de
weerspannelingen eenstemmig te zijn: de stad omtrekkende koos hij zich
een eigen weg, en wendde het met de hem bijgebleven manschappen dwars
door West-Friesland heen naar Medemblik, van meening zijnde om over te
schepen naar Friesland. Te Medemblik wachtte hem geen beter onthaal.
De Vlaamsche Overste Cabeliau, daar over kasteel en stad gebiedende,
en 's Princen en des volks zake met een warm harte toegedaan, verzette
zich te recht tegen eene handelwijze, die ten allen tijde bij eerlijke
krijgslieden den naam van insubordinatie gedragen heeft, en deed hem
aantasten door den Provoost-geweldiger Joachim Nieuwveen. Aldus in
de engte gebracht, koos Hopman Wybe eieren voor zijn geld, zooals
de Noord-Hollandsche boeren zeggen, en beloofde de op hem rustende
verplichting na te komen. Cabeliau was eerlijk man en geloofde derhalve
aan de eerlijkheid van anderen; hij liet Wybe trekken.
»Maar de koppige Fries, in plaats van zich naar de zoo noodig te
bezetten plaats te begeven, en zijn weg alzoo zuidwaarts te nemen, trok
aanstonds westwaarts langs de boorden der Zuiderzee; en toen hij des
anderen daags tusschen Lambertschaag en Aertswoude gekomen was, met
de zijnen nog vijf- of zes-en-veertig man sterk, preste hij een paar
vaartuigen »met ondank der lieden" en scheepte zich naar Friesland in.
Die inscheping geschiedde evenwel niet zóó spoedig, of Cabeliau werd
er van onderricht, en deze verontwaardigde Overste bracht terstond een
zestigtal arkebuziers in vier vaartuigen te water, die snel genoeg uit
de haven van Medemblik stevenden om den weerspanneling te achterhalen,
en wakker genoeg bleken om hem meester te worden en gevankelijk binnen
te brengen. Cabeliau, thans niet verder eigenmachtig willende handelen,
boodschapte Sonoy wat er geschied was, en vroeg hem een
voorschrift.
»Sonoy--het blijkt uit al zijn daden,--was soldaat in 't hart, en kon
een dergelijk vergrijp tegen de toch al ergerlijk verslapte krijgstucht
niet door de vingers zien. Hij mocht het ook niet; wanneer de
landzaat-zelf zich dergelijke afwijkingen veroorloofde, waar was dan de
grens der gehoorzaamheid, die de als helper aangeworven vreemdeling
zich stellen zou?
[Illustratie]
»»Hangen!" luidde het harde vonnis van den Gouverneur--en het werd
ten uitvoer gebracht. Op het middaguur van den twaalfden July 1572 zette
Hopman Wybe Sjoerds den voet op de sport des ladders, die ongelukkig
genoeg zijn anders gansch niet roemlooze loopbaan besluiten zou.
Weinige oogenblikken later was hij een lijk, evenals zijn vaandrig, die
naast hem gehangen werd."
In Saardam keken velen dus vruchteloos naar zijn terugkomst uit; zij
zouden hem daar nimmer meer zien. En uren lang tuurde men in de richting
van het Zuiden, naar Amsterdam, of wellicht de vijand in aantocht was.
Maar toen de morgen verstreek, zonder dat er eenig onraad van dien kant
dreigde, werd men langzamerhand rustiger, en keerden de Saardammers naar
hun arbeid terug.
Ook Heer Jan Gerritsz had zich vergewist, of er eenig gevaar te duchten
was. Hij hield zich echter vast overtuigd, dat Wybe Sjoerds in den
loop van den morgen wel terugkeeren zou, en maakte zich volstrekt niet
ongerust. Om half tien nam hij vluchtig afscheid van zijn huisgenooten,
die hij op luchtigen toon geruststelde, en liep den Zuiddijk af, om
zich naar de hoeve van Floris Geurtsz te begeven. Ook daar had men zich
meermalen overtuigd, of alles op het IJ rustig bleef, en toen dat het
geval bleek te zijn, was men tot de gevolgtrekking gekomen, dat de
Spanjaarden geen plan hadden om Saardam te bezetten. Want dat zij het
vertrek van Wybe Sjoerds reeds zouden weten, betwijfelden zij geenszins.
Er waren altoos wel verraders, die voor grof geld hun vaderland aan den
vijand prijs wilden geven.
»Goeden morgen! Goeden morgen!" klonk Heer Jan Gerritsz groet, zoodra
hij de hoeve bereikt had.
»Goeden morgen, Heer," was het antwoord. »Nog nieuws te Saardam? Is Wybe
Sjoerds al teruggekeerd?"
»Neen, nog niet, maar hij zal wel spoedig komen. Heer Sonoy zal hem wel
de keus gegeven hebben tusschen Saardam en de galg, en dan zal Hopman
Wybe wel niet lang over een besluit nadenken. Ik ben er dan ook volkomen
gerust op, dat hij in den loop van den morgen wel zal aankomen, als hij
er niet reeds is, en ga zonder zorg naar Ruichoort."
»Op het IJ is althans geen bijzondere drukte op te merken," zei boer
Florisz. »Wij hebben het den ganschen morgen zorgvuldig in het oog
gehouden, maar niets verdachts gezien. Ik begin ook te gelooven, dat de
Spanjaarden ons met rust zullen laten."
»Och, wel ja!" sprak Heer Jan. »Zeg Marten, ben je gereed om meê te
gaan? En heb je tuig en aas in orde?"
»Alles ligt reeds in de schuit gereed."
»Voortreffelijk! Laten we dan gaan."
Marten groette zijne huisgenooten, die hem tot op den dijk vergezelden
om van de afvaart getuige te zijn. Heer Jan nam op het achterbankje
plaats, om te sturen, en Marten greep de riemen. Zij staken van wal.
»Goede reis en een prettigen dag!" werd hun nageroepen, en Anna zeide
lachend:
»Hè, wat een heerlijk tochtje. Ik zou ook wel meewillen."
»Van mij krijg je verlof!" riep Marten. »Stap maar in."
»Maar van mij niet!" sprak moeder Fijtje. »Meisjes hooren thuis en aan
het werk! Wij zullen wijzer wezen."
De hoeve van boer Florisz lag achter den Zuiddijk, in de onmiddellijke
nabijheid van het IJ. Dit was dus spoedig bereikt, en de roeiers zagen
de twee eilandjes De Waardt en den Horn vlak voor zich. Deze waren,
hoewel zij door een breede strook riet omgeven waren en menigen inham
vertoonden, waarin vele watervogels nestelden, evenwel niet het doel van
de reis. Ruichoort, waarheen de steven werd gewend, lag westelijker,
niet ver van Sparendam, dus aan den Zuidkant van het Houtrak. Zij wisten
nog zeer goed van het vorige jaar, hoeveel waterwild daar gevonden werd.
't Was dicht met kreupelhout begroeid, en met zijne ruige rietboorden en
gorzen, zijne inhammen en schorren aan den buitenkant, en zijne poelen,
kreeken en geulen van binnen, voor vele gevederde waterbewoners een
welkom oord.
»Mij dunkt, het was niet kwaad, als wij eenige kannen biers medenamen,"
zei Jan Gerritsz. »Voor de noodige stukken zul je zeker wel gezorgd
hebben?"
»Voor een goeden voorraad brood met ham heeft Moeder gezorgd," zei
Marten lachend. »'t Zou trouwens wel het laatste zijn, wat ik vergat,
want mijn eetlust laat niets te wenschen over. Maar aan bier heb ik niet
gedacht."
»Gelukkig dan, dat ik er aan denk. Ik zal wat noordelijker houden,
Marten. Dan gaan we in de herberg van Jan Slob aan den Westzaner
Overtoom inslag doen. Hij heeft lekker bier, dat weet ik bij
ondervinding, en 't houdt ons niet lang op. 't Is veel te warm vandaag,
om af en toe geen goeden dronk te lusten."
Zoo gezegd, zoo gedaan. Marten roeide met krachtige slagen door en Heer
Jan hield den noordkant van het breede water, zoodat zij spoedig aan
den overtoom aankwamen. Daar was eene herberg gelegen, die in eigendom
toebehoorde aan Jan Slob, een man, bij de Geuzen welbekend om zijn
hevigen haat tegen al wat Spaansch of Spaanschgezind was. Hij had het
bootje reeds in de verte zien naderen en wachtte het aan den dijk op.
»Goeden morgen!" klonk zijn groet, toen het aan den kleinen steiger
aanlegde en de roeiers er uitstapten. »Ha, dat is goed volk: Heer Jan
Gerritsz en Marten Florisz. Wees me van harte welkom!"
Hij ging zijn gasten voor naar de gelagkamer, een klein, laag vertrek,
met een paar houten tafeltjes en eenige zeer eenvoudige stoelen. En
nauwelijks waren zij binnen getreden, of hij vroeg reeds naar het
laatste nieuws uit Saardam.
»'t Is een leelijk geval!" riep hij uit. »En van Wybe eene
onverantwoordelijke daad. Geloof me, als die Spaansche schelmen het in
den neus krijgen, dat Saardam door de Geuzen verlaten is, zullen zij er
geen gras over laten groeien en er spoedig bezit van nemen. Help maar
eens kijken!"
»Gekheid. Wybe zal wel terugkomen," zei Heer Jan. »Maar laten wij onzen
tijd niet verpraten, want wij gaan op de vogelvangst, op Ruichoort, en
komen wat van je lekker bier halen. Wil je eenige kannen in de schuit
brengen?"
»Met alle pleizier," was het antwoord.
»En ons eerst ieder een kan inschenken?"
»Asjeblieft!"
Terwijl Marten en Heer Jan van het lekkere bier genoten, want bier was
in die dagen een volksdrank, die in geen enkel huis ontbrak, voldeed
Jan Slob aan den hem opgedragen last, en na enkele minuten kon de reis
worden voortgezet. De koers was nu naar het Zuid-westen, en na een half
uurtje varens hadden zij Ruichoort bereikt.
»Laten wij het eiland omvaren tot aan den achterkant," zei Heer Jan.
»Aan deze zijde gaan nog al eens vaartuigen voorbij, waardoor de vogels
worden opgejaagd. Ik geloof stellig, dat wij ginds eene betere vangst
zullen hebben."
Deze raad werd opgevolgd, en toen men een diepen inham bereikt had, werd
de schuit daar ingeroeid.
»Niet te dicht aan den kant, Marten," zei Heer Jan. »Ha, wat is het hier
een uitstekend geschikt plekje. Hoor je ze al snateren, Marten?"
»Of ik!" riep Marten met gedempte stem, om de vogels niet te verjagen,
want het was een schuw volkje, dat bij het minste gerucht de vleugels
repte en een goed heenkomen zocht. Ook nu hield het gesnater al spoedig
op.
»Ik zal tusschen het riet roeien. Kijk, dáár kan de boot mooi liggen, en
we zijn er zoo goed als onzichtbaar."
Toen de gewenschte plaats bereikt was, werd het schuitje vastgelegd,
en Marten haalde van onder het voorbankje een paar lange lijnen te
voorschijn, en een bakje met kleine vischjes, die hij 's morgens met een
schepnet had gevangen. Heer Jan en hij namen elk een van de lijnen, en
bonden aan het uiteinde een vischje, dat wel dood, maar toch nog versch
genoeg was, om voor de watervogels een lekker hapje te zijn. De vischjes
werden daarna te water geworpen, waar zij bleven drijven.
Een zacht windje rimpelde de oppervlakte van het water tot kleine
golfjes, die de beide vischjes als spelend met zich medesleepten. Soms
voerden zij een strijd met het kroos, dat de diertjes niet los scheen te
willen laten, maar de golfjes gaven het niet op en bleven telkens
overwinnaar.
De twee jagers zaten onbewegelijk in het schuitje, Heer Jan op het
achterbankje, Marten aan den steven, en hielden de langzaam wegdrijvende
vischjes nauwlettend in het oog. En tegelijkertijd bespiedden zij de
oppervlakte van het water, of zij vogels ontdekten, die wellicht voor de
verleiding bezwijken mochten.
[Illustratie]
Bij hunne komst was echter het toen aanwezige waterwild schichtig
opgevlogen en weggevlucht, en de jagers begrepen, dat zij geduld moesten
oefenen, wilden zij niet platzak huiswaarts keeren.
Soms hoorden zij tot hunne blijdschap eenige wilde eenden door de lucht
vliegen, en dan trachtten zij ze in het gezicht te krijgen, hopende dat
zij in hunne nabijheid mochten neervallen.
Er verstreek echter wel een half uur, eer zij een enkelen vogel zagen
naderen, en Heer Jan begon den moed reeds te verliezen.
»Zouden we geen ander plaatsje opzoeken?" fluisterde hij Marten toe. »Ik
zie hier meerkoet noch eendvogel, en het wachten begint mij duchtig te
vervelen."
»Ik zou het niet doen, Heer," sprak Marten zacht. »Wij hebben de vogels
hier verjaagd door onze komst, en moeten niet te haastig zijn. Op een
andere plaats hebben wij het eerste half uur ook geen kans."
»Dat is waar."
Doodstil bleven zij zitten. De vischjes waren nu al tot op een vrij
grooten afstand weggedreven, en Marten haalde de lijn zoo zacht mogelijk
wat in. Opeens echter hield hij daarmede op.
»St,--een woerd!" fluisterde hij bijna onhoorbaar, en onbeweeglijk bleef
hij zitten. »Ginds, bij het elzenboschje."
»Ja,--'k zie hem," was het antwoord.
De woerd zwom langzaam heen en weder. Telkens stak hij den kop onder
water en wipte zich dan voorover, zoodat zijn staart loodrecht omhoog
wees.
»'t Is een dikkerd," fluisterde Heer Jan. »Zijn wijfje zal ook wel niet
ver uit de buurt zijn."
De jagers verkeerden niet weinig in spanning, en hoopten, dat de
vogel de doode vischjes in het oog zou krijgen. En toen de woerd zich
inderdaad in de richting van het drijvend aas voortbewoog, onbewust van
den list, die hem gespannen was, zaten zij met gerekten hals te kijken
naar elk zijner bewegingen.
»Hij komt naderbij!" fluisterde Heer Jan, die moeilijk zwijgen kon.
»Kijk, daar zie ik de eend ook!--Mooi zoo!"
»Laten wij nu doodstil wezen en ons niet bewegen," fluisterde Marten,
die bang was, dat de vogels hen zouden opmerken en wegvliegen.
»De eend nadert mijn vischje," sprak Heer Jan weer. »Hij is er vlak
bij."
»Stil toch," zei Marten. »Aanstonds merken zij ons op."
Dat deed het eendenpaar echter niet. Langzaam en steeds naar voedsel
zoekende, naderden zij het aas, dat door de golfjes heen en weder werd
gestuwd.
»De woerd is bij jouw vischje!" verbrak Heer Jan opeens de
stilte.--»Ha--nu ziet hij het, .... kijk, hij pakt het beet--ja,
slik maar, 't smaakt lekker!"
»Wees toch stil, Heer Jan!" waarschuwde Marten, die geheel voorover
gebogen de lijn vasthield en naar den woerd tuurde.
»Ze hooren ons toch niet!" fluisterde Heer Jan weer. »Wacht, daar komt
de eend ook naderbij.--De woerd heeft het aas ingeslikt, Marten,--wacht
nog even, dan snap ik misschien de eend ook..."
Maar 't was te laat. De woerd, die inderdaad het vischje had opgeslokt,
bemerkte onraad, want de lijn hinderde hem geducht. Hij probeerde dat
lastige ding te verwijderen en voelde toen plotseling, dat hij in zijne
bewegingen belemmerd werd. Hij trok en rukte, om zich te bevrijden, maar
dat gelukte hem niet. Daarna dook hij onder water, maar toen ook dat
niet hielp, repte hij de vleugels, en vloog over de oppervlakte van
het water heen en weêr, wat een geweldig leven veroorzaakte, want de
vleugels klepten telkens in het water, zoodat het hoog opspatte. Dat
werkte aanstekelijk op de eend, die het voorbeeld van haar gemaal volgde
en ook rondfladderde.
»Haal hem in, Marten! De eend ziet er nu toch niets van!" riep Heer
Jan, die opgetogen was over de gelukkige vangst. Marten haalde de lijn
schielijk in, tot groote verbazing van den woerd, die niet begreep,
wat er aan de hand was en zich geweldig verzette. Hij naderde snel het
schuitje, waar Marten hem greep. Op het volgende oogenblik lag hij met
omgedraaiden nek op den bodem. De eend fladderde nog altoos wild in het
rond, in de meening, dat ook de woerd een vroolijk spel speelde. Maar
eindelijk kwam zij tot bedaren, en toen zij den woerd nergens meer zag,
zwom zij heen en weer, om hem te zoeken. Zoo ontdekte zij het vischje
aan de lijn van Heer Jan, en dit zag er voor haar zoo verleidelijk uit,
dat zij het in den snavel nam en, hoewel met eenige moeite, doorslikte.
Dit geschiedde natuurlijk tot groote pret van Heer Jan Gerritsz, die de
lijn nu inpalmde en de eend het droevig lot liet deelen van den woerd.
»Wat een paar mooie vogels, Marten," zei Heer Jan, die met welbehagen de
beide eenden bij de pooten pakte, om te voelen, hoe zwaar zij waren.
»Kijk eens,--zoo vet als modder!"
»Ja,--'t zijn twee beste," beaamde Marten, die zijne lijn weer voor een
nieuwen liefhebber in gereedheid bracht. De reeder volgde dat voorbeeld,
en spoedig dreven weer twee vischjes langzaam van het schuitje af.
De jagers bleven voortdurend in spanning, want langzamerhand kwamen
er heel wat watervogels in den omtrek rondzwemmen. Mosbruine en
blauwzwarte aalschelvers joegen er met schuwe onrust naar hun aas,
wit gebleste meerkoeten lieten zich nu hier, dan daar zien, zwart
gekuifde zanddrijvers hieven hunne fiere halzen omhoog, om den omtrek
te verkennen, en koppels eenden staken de koppen in de diepte, om naar
hunne prooi te zoeken. Blijkbaar was het schuitje op eene bijzonder
gelukkige plaats vastgelegd.
En de jagers kregen een zoo ruimen oogst, dat hij hunne stoutste
verwachtingen overtrof. Zij vingen zooveel vogels van diverse pluimage,
dat zij hunne buren ook wel een heerlijk middagmaal konden bezorgen en
dan nog meer dan genoeg overhielden voor zichzelven. Zij hadden het zóó
druk met hunne jacht, dat het middaguur al lang vervlogen was, eer zij
er aan dachten, dat Moeder Fijtje voor boterhammen, of zooals zij toen
zeiden, »stukken" met ham had gezorgd. Eindelijk werden hunne magen
echter oproerig, en Marten herinnerde Heer Jan aan den inhoud van het
kastje, dat onder het voorbankje getimmerd was.
»Zoo, krijg je honger?" was het antwoord. »Nu ik ook terdege. Laten wij
het aas eenigen tijd binnenhalen, en zien, wat je moeder voor ons heeft
klaargemaakt. En een frissche dronk zal ook smaken. Wat hebben we eene
gelukkige vangst,--'t gaat voortreffelijk!"
De lijnen werden ingehaald en de stukken met ham uit hun schuilhoek te
voorschijn gebracht. Deze zagen er lekker uit en lieten zich heerlijk
smaken.
Heer Jan schonk elk eene kan bier in, en 't bleek hun, dat Jan Slob zijn
roem niet voor niets droeg, en hem ten volle waardig was.
Door de beweging, die de jagers gemaakt hadden, was het wild verschrikt
opgevlogen en weggevlucht, natuurlijk onder een oorverdoovend gesnater.
Marten keek ze teleurgesteld na, maar Heer Jan zei:
»Laat ze maar gaan, Marten. Zij zullen straks wel terugkomen. Na onze
voorspoedige vangst kunnen wij wel weer een half uurtje geduld oefenen,
zou ik meenen. Ik geloof, dat wij nu al meer hebben dan verleden jaar
van den geheelen dag."
»'k Geloof het ook," zei Marten met een vollen mond, want hij had honger
voor twee en liet het eene stuk na het andere in zijne maag verdwijnen.
»Je gezondheid schijnt weinig te wenschen over te laten," lachte Heer
Jan, die met verbazing aanzag, hoe Marten schranste.
»Dat gaat wel," lachte Marten. »Ik voel me vrij wel!"
Zoodra het maal afgeloopen was, werd de jacht voortgezet. De vischjes
werden te water geworpen, en de jagers hielden zich opnieuw doodstil.
Zoo ging de middag genoeglijk voorbij. De oogst was buitengewoon
voorspoedig, en Heer Jan fluisterde Marten toe, dat hij ook eenige
vogels aan Hopman Wybe Sjoerds zou zenden, om die bij zijn middagmaal te
gebruiken.
»Van mij kan hij de afgekloven beentjes krijgen," mompelde Marten. »'t
Is een brutale kaerel, die geen vetten eendebout verdient."
Eindelijk lag de bodem van het vaartuigje geheel met doode vogels
bedekt, en Heer Jan meende, dat het nu tijd werd, om naar huis terug te
keeren. Ook Marten had zijne bekomst van de jacht, en het zitten begon
hem te vervelen. De lijnen werden dus ingehaald en opgeborgen, en
Marten greep de riemen. De terugtocht werd aanvaard, en het deed den
krachtigen Marten goed, weer eens een flinke lichaamsbeweging te kunnen
nemen. Hij boog zich bij het roeien krachtig voor- en achterover, zoodat
het bootje snel het water doorkliefde.
»Moeten wij niet eerst naar Jan Slob aan den Westzaner Overtoom, om de
ledige kannen terug te brengen?" vroeg hij onder het roeien door.
»Ja,--dat is waar ook. Ik zou er waarlijk niet aan gedacht hebben.
Zeker, we moeten..."
Maar plotseling bleef hij in zijne woorden steken, en Marten zag hem met
wijd opengesperde oogen staren in de richting van Saardam, tot hij
plotseling van zijn zitplaats opsprong, en uitriep:
»Mijn God! Marten,--kijk eens,--daar is brand ginds, wel op twee,--drie
plaatsen tegelijk..."
Met uitgestrekten arm wees hij naar Saardam.
Ontsteld liet Marten de riemen rusten, en vlug stond ook hij op, om te
kijken. Inderdaad,--groote rookwolken stegen omhoog op verscheidene
plaatsen tegelijk. Hij werd doodsbleek, en toen hij een oogenblik naar
het gelaat van Jan Gerritsz keek, zag hij, dat ook deze geen kleur meer
op zijn wangen had.
»Dat is onheil!" mompelde Marten zacht. »De Spanjaarden zijn gekomen..."
»Ja,--dat is onheil," prevelde ook Heer Jan. »'t Moeten de Spanjaarden
zijn!--Dan is--dan moet Wybe Sjoerds niet teruggekeerd zijn."
Marten zocht met zijn oogen de plaats, waar de hoeve zijner ouders
gelegen was. Genadige hemel! Ook daar stegen zware rookkolommen omhoog.
De arme jongen begon te beven over al zijne leden.
»Onze hoeve staat in brand!" stamelde hij verschrikt, terwijl tranen hem
in de oogen sprongen. »O, Heer Jan, wat zou er gebeurd zijn? Zie, ginds
komen mannen en vrouwen aansnellen langs den dijk... O God, hoe
vreeselijk!"
Hij bleef nog een oogenblik staan. Toen nam hij opeens plaats op de
roeibank en greep de riemen. Met groote, krachtige slagen roeide hij
naar huis. Aan de ledige kannen en den eigenaar daarvan dacht hij niet
meer. Pijlsnel schoot de boot door het water. Telkens keek hij achterom
naar de opstijgende rookwolken, en hoe meer hij naderde, des te sterker
werd de zekerheid, dat de hoeve door de vlammen werd verteerd. En
telkens krachtiger nog werden zijne riemslagen, tot zij de naderende
mannen, vrouwen en kinderen hadden bereikt, die zich, velen schreiende,
voortspoedden in de richting van de herberg aan den Overtoom.
Marten liet de riemen hangen en sprong op. Ha, die menschen kende hij;
't waren immers boeren en arbeiders met hunne gezinnen, die, evenals
hij, aan den Zuiddijk woonden. Zie, schrik en ontsteltenis stonden hun
op het gelaat te lezen, en de kinderen lieten hun luid jammergeschrei
hooren, terwijl de vrouwen snikten. De mannen liepen voort met gebalde
vuisten; hunne gelaatstrekken teekenden woede en wraaklust.
»Wat is er gebeurd?" riep hij de menschen toe.
»Ja, wat is er gebeurd?" riep Heer Jan Gerritsz, die eveneens opgestaan
was.
»O, ben jij het, Marten?" riep een van de mannen terug. »Vreeselijk!
De Spekken zijn gekomen, met schepen, en zijn aan den Zuiddijk geland,
vanwaar zij roovende en brandende zijn voortgetrokken naar Saardam. O,
ga daar niet heen, Marten, maar vlucht, zoo snel je kunt. Ginds wacht je
de dood,--vlucht zoo schielijk mogelijk!"