schurken. Ik kon me al niet begrijpen, hoe u er toe komen kon, om hun
zoo in alles hun zin te geven en al de onbeschoftheden te verdragen, die
zij ons geliefden aan te doen. Dat is anders uw aard niet."
»Ja, m'n jongen, ik zat in een moeilijk geval, en geloofde niet beter te
kunnen doen dan te huilen met de wolven, waarmede ik in het bosch was.
Ik had natuurlijk veel liever, dat zij deze twee hanen opaten, dan dat
ze met mijn vier guldens naar huis gingen, of dat zij mij in staat van
beschuldiging stelden en naar Jonkheer Sonoy opzonden. Er behoeft
tegenwoordig niet veel te gebeuren om aan de galg te komen. Eene
beschuldiging van Hopman Wybe Sjoerds weegt zwaar, want hij staat om
zijne dapperheid hoog bij den gouverneur aangeschreven."
»Maar voor onzen Kees ging hij toch op de vlucht!" lachte Marten. En
hij keek den hond, die kwispelstaartend om den groep heen liep, met
welgevallen aan. Want hij hield veel van zijn hond.
»Wij zullen hem voortaan maar los laten loopen, Vader. Dan zijn we voor
bezoeken van zulke fraaie gasten gevrijwaard. Zij mochten anders eens
komen, als u of ik niet thuis waren, en dan waren zij tot alles in
staat!"
»Ik vrees, dat we nu toch nog genoeg van hen te lijden zullen hebben,"
sprak vrouw Fijtje met een zucht. »Zij zullen de ondergane bejegening
niet gemakkelijk vergeten en ze ons nog minder vergeven. Morgen of
overmorgen zullen we de onverlaten wel opnieuw zien verschijnen, en mijn
hart beeft bij de gedachte, wat er dan al niet gebeuren kan."
»Ja Moeder," sprak boer Floris, »wij beleven bange tijden en hebben
bijna, zooals ons thans al weer gebleken is, evenveel te lijden van onze
vrienden als van onze vijanden. Maar komaan, geen zorgen vóór den tijd.
Anna, neem jij de hanen mede naar binnen, dan kan Marten ze vanavond
schoonmaken. Nu ze eenmaal toch dood zijn, zullen ze ons morgen een
heerlijk middagmaal verschaffen. En Moeder, kop jij de boter nog? Morgen
moet Marten ze wegbrengen naar Jan Gerritsz, in de Westzijde. Hij heeft
me gevraagd, of ik ze voor hem bewaren wilde, en hem tevens een zestig
eieren kon bezorgen."
»Moet Marten morgen dus naar Saardam?" vroeg Moeder Fijtje angstig.
»En als dan de Hopman hem ziet,--of de vaandrig? Marten kan niet in de
Westzijde komen, zonder den Dam te passeeren,--en daar móéten zij hem
haast wel opmerken..."
»O Moeder, laat dat maar aan mij over," viel Marten lachend in. »Ik weet
wel een middel om de Westzijde te bereiken zonder den Dam te passeeren,
en bovendien kan ik Kees meenemen. Als Wybe Sjoerds of zijn fraaie
vaandrig dien zien, zullen ze mij wel met rust laten. Kom Vader, willen
wij nu het hooi gaan opschudden? 't Wordt meer dan tijd."
»Wij zullen dubbel hard werken, om de geleden schade in te halen,
jongen," antwoordde de vader.
Beiden begaven zich naar het land, gevolgd door Kees, die als loon voor
den bewezen dienst voor dezen keer mede mocht. Gewoonlijk was het land
echter verboden terrein voor hem, want hij zat de schapen wel eens
achterna en joeg ze dan in de sloot. Maar op het hooiland kon hij niet
veel kwaad uithalen, omdat daar geen vee liep.
Eenige oogenblikken later waren vader en zoon ijverig aan den arbeid.
Het laatste hooi lag te velde, en zij hoopten het nog voor den avond aan
roken te zetten. Dan kon het den volgenden morgen binnengehaald worden,
waarmede niet langer dan een halve dag gemoeid zou zijn. Daarmede was de
hooioogst voor dit jaar afgeloopen. 't Hooi zag er prachtig uit en was
al bijna geheel droog. 't Was den geheelen dag dan ook heerlijk weer
geweest, en de zon had fel geschenen. Eer deze nog geheel ondergegaan
was, stond het reeds op groote hoopen, zoodat den volgenden morgen de
laatste voeren konden worden geborgen.
Welvoldaan en tevreden keerden Floris en Marten 's avonds huiswaarts.
Zij hadden hard gewerkt om klaar te komen, maar zij waren sterk en
konden wel tegen wat zwaren arbeid.
Zoodra zij thuis gekomen waren, begaf Marten zich naar het achterhuis,
om de hanen schoon te maken, wat hem vlug afging, want Marten was een
handige jongen, die niet van talmen hield en de dingen altoos flink
aanpakte. Daarna ging hij het hek sluiten, wat zij in dien bangen tijd
voor eene vaste gewoonte hadden. Als altoos 's nachts bleef Kees vrij op
het erf rondloopen, en een betere bewaker zou moeilijk te vinden geweest
zijn. Wee dengene, die het wagen durfde het erf te betreden. Kees was in
staat hem te verscheuren.
Toen allen binnen waren, sloot de vader de deuren en schoof er de
grendels voor. Daarna deed hij zorgvuldig de ronde, om te zien, of alles
goed afgesloten was.
Moeder Fijtje maakte het avondmaal gereed, en toen dat genuttigd was,
stonden Anna en Marten op, om zich naar bed te begeven. Maar de vader
weerhield hen, en zeide:
»Blijft nog even, kinderen; ik heb jelui nog wat te zeggen."
Anna en Marten keken hem niet zonder eenige verwondering aan, en waren
nieuwsgierig wat dit zijn zou.
De vader stond op en ontsloot eene kast. Hij haalde daaruit een kistje
te voorschijn, dat hij op de tafel plaatste en opende. 't Bleek een
groot aantal zilveren geldstukken te bevatten, die Marten den uitroep
uitlokten:
»Zoo, zoo, Vader, dat ziet er goed uit! Mij dunkt, er zitten daar meer
guldens in, dan duiten in mijne schatkist."
»En in de mijne daarbij!" lachte Anna.
Maar de vader lachte niet. Integendeel, zijn gelaat stond hoogst
ernstig, toen hij de beide jongelieden aanzag.
»Luistert!" zei hij. »Wij beleven een tijd van beroerten, die maakt,
dat wij heden niet weten, of morgen niet reeds de vijand onze woning
binnenvalt en alles rooft en plundert, wat hij krijgen kan. Wij hebben
een gedeelte van het geld, dat je hier voor je ziet, geërfd van onze
ouders, en het overige verdiend en overgespaard. Ik acht het in de kast,
waarin wij het jaren lang bewaard hebben, niet veilig meer, en ben met
Moeder afgesproken, het te verbergen op eene plaats, waar een ander het
niet gemakkelijk vinden zal. Maar wij willen u van die schuilplaats
niet onkundig laten, omdat wij weten, dat we je volkomen vertrouwen
kunnen en dat ons geheim bij jelui veilig is. 't Kan goed zijn, dat de
bergplaats je bekend is, want in deze tijden is alles mogelijk. Ik heb
gisterenavond, toen je reeds naar bed gegaan waart en in diepe rust
laagt, eene geschikte plaats bedacht. Zie maar eens hier."
Boer Floris stond op en begaf zich naar den haard, die van steenen
opgetrokken was. Hij veegde de asch weg, zoodat de vloer bloot kwam, en
haalde de steenen, die den bodem vormden, een voor een weg. Daaronder
bleek een ijzeren plaat te liggen. Met inspanning van al zijne krachten
schoof hij deze op zijde, en nu werd eene opening zichtbaar, die wel
tien zulke kistjes kon bevatten.
»Ziehier," sprak de vader, »deze plaats bedoel ik. Geef dat geldkistje
eens hier, Marten.--Mooi zoo. Kijk, ik plaats het op den bodem van het
gat, en stapel deze losse steenen er rondom en bovenop. Dat kistje bevat
vierduizend gulden, kinderen, en vertegenwoordigt dus een groot bedrag,
dat ik ongaarne in de handen der vijanden zou zien. Nu leg ik de ijzeren
plaat er over en daarop de steenen van den haard. Wanneer nu morgen het
vuur wordt aangelegd, vult de asch al spoedig de voegen, zoodat niemand
op de gedachte zal komen, dat hier geld verborgen ligt."
»Dat is mooi bedacht, Vader," zei Marten. »Ik noem hen knap, die het
geld hier vinden."
»Laten wij hopen, dat God deze woning bescherme, zoodat niemand er naar
kome zoeken," sprak de vader.
»Amen," zei de moeder ernstig. »En nu, kinderen, welterusten."
»Welterusten," zeiden Anna en Marten. En weldra lag het gezin in een
diepe rust, welke dien nacht door niemand gestoord werd. Sloop er
wellicht een of andere landlooper om de hoeve rond met minder goede
voornemens, Kees hield trouw de wacht, en als zijn bassen over het erf
weerklonk, waagde niemand het naderbij te komen.
En 's morgens waren allen reeds vroeg in de weer, om den dagelijkschen
arbeid te hervatten. Toen in de hoeve van de weduwe Bleeker iedereen nog
in een diepen slaap gedompeld lag, waren zij reeds ijverig aan het werk.
Het eerst werden de koeien gemolken en de melk in strem gezet. Daarna
werd het ontbijt gebruikt, en nauwelijks was dat genuttigd, of het paard
werd voor den hooiwagen gespannen, en vader en zoon reden naar het veld,
om het laatste hooi binnen te halen. 't Was alweer een mooie dag, en de
zon scheen zoo heerlijk op de weiden en tuinen, de bloemen prijkten in
zoo heerlijke kleuren en de vogels kwinkeleerden zoo lustig en vredig op
de daken der huizen en de takken der boomen, dat men moeite had om te
gelooven, dat het land geheel in beroering was en de menschen elkander
van den morgen tot den avond vervolgden en vermoordden.
[Illustratie]
Tegen 12 uur werd het laatste voer het erf opgereden, en korten
tijd later behoorde deze hooioogst weer tot het verleden. Marten was
daardoor, en ook door het vooruitzicht van de gebraden haantjes, die nu
weldra op de tafel zouden prijken, in de vroolijkste stemming geraakt,
en hij zong, terwijl hij het paard uitspande en het naar het land
bracht, een geuzenliedje, dat toen algemeen gezongen werd. Lustig klonk
het:
Slaet opten trommele, van dirredomdeyne,
Slaet opten trommele, van dirredomdoes,
Slaet opten trommele, van dirredomdeyne,
Vive le Geus! is nu de loes!
De Spaensche Inquisiti, voor God maliti,
De Spaensche Inquisiti, als Draecx bloet fel,
De Spaensche Inquisiti gevoelt puniti,
De Spaensche Inquisiti ontvalt haer spel.
Vive le Geus! wilt Christelijk leven,
Vive le Geus! hout fraeyen moet:
Vive le Geus! God hoedt u voor sneven,
Vive le Geus! edel Christen bloet!
»Ha-sa, dat is een lustig liedeken, Marten!" klonk het hem toe, terwijl
hij van het land terugkeerde. En opziende ontdekte hij zijn buurjongen
Piet Bleeker, die op den dijk stond met de handen in de zakken.
»Die is ook liever lui dan moê," mompelde Marten zacht voor zich heen.
En luider sprak hij, niet zonder fijne spotternij, want hij wist wel,
dat de familie Bleeker ijverig Spaanschgezind was en den Prins van
Oranje en diens strijden voor de vrijheid diep verfoeide:
»Ja, niet waar? Waarom zing je niet mee, Piet? Of ben je misschien bang,
dat de Spaansche ooren zoo scherp zijn, dat zij te Amsterdam kunnen
verstaan, wat hier gezongen wordt?"
»Die is mooi, hoor!" zei Piet met een smadelijk lachje. »Wat kunnen mij
die Spanjolen schelen? Ik heb er immers niets mede te maken? Voor mijn
part waren ze hier nooit gekomen, alhoewel ik zeggen moet, dat de Geuzen
ook zoo vriendelijk niet zijn. Ik gun hun bezoek ook liever aan de
buren, dan het zelf te ontvangen. De hulp van Kees was gisteren zeker
lang niet onwelkom, hè?"
»Ha zoo, heb je dat ook al gezien, Piet? Maar wat praat ik; jelui ziet
immers alles? Wil ik je eens een goeden raad geven?"
»Wanneer je dat doen wilt,--met alle genoegen," zei Piet. »Een goede
raad is immers altijd geld waard?"
»Nu,--neem dan dienst bij de soldaten. Een goede spion kan daar altoos
werk genoeg vinden en eene flinke belooning bovendien. Je bent er,
geloof ik, beter voor geschikt dan voor het boerenwerk.--Dag Piet!"
Marten was onder het praten de hoeve genaderd en trad deze binnen, waar
de reuk van de gebraden hanen hem reeds dadelijk in den neus drong.
»Hè,--lekker!" mompelde hij, den geur opsnuivende. »Toch prettig, dat
die twee sinjeurs er zoo lekker nuchter van blijven!"
De boutjes lieten zich uitstekend smaken, en onder het middagmaal werd
nog eens smakelijk gelachen om het malle figuur, dat de twee dappere
krijgslieden gemaakt hadden. Moeder Fijtje alleen lachte niet van
ganscher harte mede, want zij vreesde, dat de beleedigde mannen niet
zouden nalaten zich te wreken. En voor die vrees bestond veel grond,
want de watergeuzen waren er de mannen niet naar, om een geleden hoon
ongewroken te laten. En dubbel beangst gevoelde zij zich, nu Marten
straks naar Saardam moest, om boter en eieren naar Jan Gerritsz te
brengen. 't Was haar op het gelaat te lezen, dat zij zich niet op haar
gemak gevoelde, en meermalen zuchtte zij onwillekeurig bij de gedachte
aan de gevaren, die haar eenigen zoon bedreigden.
»Moeder is nog niet op haar gemak," zei Marten lachend.
»Och kind, spot niet met mijn angst, want daar bestaat waarlijk wel
reden voor," zei ze. »Als je nu vanmiddag maar niet naar Jan Gerritsz
moest,--maar de tocht daarheen maakt me bekommerd."
»Wees gerust, moeder," zei Marten. »Ik zal zoo voorzichtig mogelijk zijn
en den Dam vermijden. Ik weet zeker, dat de Hopman en zijn vaandrig daar
hun intrek hebben genomen. En bovendien, zij zullen mij wel ongemoeid
laten gaan, ook al werd ik opgemerkt. Denkt u dan niet, dat zij zich
over het geval schamen? Zij zullen het wel aan niemand vertellen, want
dan worden zij nog uitgelachen op den koop toe. En wat zouden zij mij
doen? Mij opzenden naar Jonkheer van Sonoy, den gouverneur? Dan kwam
hun eigen wangedrag aan het licht. Of mij gevangen houden? Daarvoor
hebben zij geen reden. Neen, Moeder, u kan gerust zijn."
»'t Is te hopen, Marten. Als Vader nu nog meê ging..."
»Dan was het veel erger," viel Anna in. »Vader is een man, en door eene
valsche beschuldiging konden zij hem licht in groote moeilijkheden
brengen."
»Volkomen waar," sprak de vader. »'t Is beter, dat Marten alleen gaat.
Ik geloof ook, dat zij hem wel ongemoeid zullen laten, zelfs al zien zij
hem."
»Toch wou ik, dat die tocht al achter den rug was," hernam de moeder.
Toen het middagmaal afgeloopen was, bracht Marten den botertijns in het
roeibootje, alsmede de mand met eieren, haalde de riemen uit de schuur,
en riep luchtig:
»Nu, ik ga. Goeden dag, tot straks.--Dag Moeder, wees maar niet bezorgd.
Ik ga met het schuitje en heb dus met den Dam niets te maken. Over
enkele uren ben ik weer terug."
De moeder keek hem zuchtend na.
Op het erf gekomen, keek Marten zoekend rond, en riep met luide stem:
»Kom Kees, ga je meê met den baas?"
Maar Kees gaf geen teeken van leven, geheel tegen zijne gewoonte in.
»Wel,--wat is dat? Waar zou Kees zitten? Hij komt nooit van het erf af,
en laat zich evenmin ooit tweemaal roepen.--Kom Kees, waar ben je?--Ga
je meê met den baas?"
Een kort gebrom was het antwoord. 't Kwam uit het hondenhok, en Marten
begaf er zich heen.
Ha, thans was het raadsel spoedig opgelost. Kees deed zich te goed aan
de beenderen van de twee hanen, die Anna hem gebracht had. Hij lag er
bij op den grond, en Marten hoorde, hoe hij de beentjes tusschen zijne
sterke kaken verbrijzelde.
»Smaakt het lekker, Kees?" vroeg Marten lachend.
Kees kwispelde met den staart, maar bleef doorkluiven.
»Kom Kees,--ga je meê met den baas?"
Kees hief een oogenblik den kop op, en zijn staart kwam opnieuw in
beweging. Blijkbaar had hij grooten lust om de uitnoodiging aan te
nemen, maar de beentjes vond hij toch ook erg verleidelijk.
Marten maakte een kort einde aan de besluiteloosheid van Kees. Hij
raapte de beentjes vlug bij elkander, wat Kees met een boos gebrom
beantwoordde, en zeide:
»Kom Kees, ga je meê? Je kunt het eene doen, zonder dat je het andere
behoeft na te laten."
Nu begreep Kees de bedoeling volkomen, en onder vroolijke sprongen
volgde hij zijn jongen meester. Deze wierp de beentjes op den bodem van
het vaartuigje, waar Kees zijn maal kon vervolgen, en stak van wal.
Weldra kliefde het bootje de golfjes van de Zaan.
Marten roeide graag, en sterk als hij was, schoot hij flink op. Langs
den dijk stonden in dien tijd slechts weinig woningen; hier en daar
verhief zich de nok van eene enkele boerenhoeve boven den Zuiddijk.
Voetgangers zag hij in het geheel niet. Maar naarmate hij het dorp
Saardam naderde, werd het ook drukker op de oevers aan weerskanten, en
waren de dijken meer bebouwd. De huizen stonden dichter bij elkander, en
hij hoorde de bedrijvigheid van de menschen, die daar aan den arbeid
waren.
Nog voor Saardam bereikt was, was Kees met zijn middagmaal geheel gereed
gekomen. De kleine beentjes had hij tusschen zijn sterke kaken stuk
gebeten en ze daarna als een fijne lekkernij verorberd. En de grootere
waren zoo zorgvuldig afgekloven, dat zelfs het kleinste vezeltje er niet
meer op gevonden kon worden.
Op enkele minuten afstands van den Dam lag eene scheepstimmerwerf,
waarvan Marten den eigenaar kende. Hij was gewoon, als hij met zijn boot
te Saardam kwam, daar aan te leggen, wat hem gaarne toegestaan werd. Hij
roeide ook nu daarheen, legde zijn schuit vast, en stapte aan den oever.
Den botertijns zette hij zich op het hoofd, want zoo droeg hij hem
altoos, hing de mand met eieren aan zijn arm, en begaf zich op weg.
Kees sprong hem vroolijk achterna. Het scheiden van zijne afgekloven
beentjes had hem nog wel eenigen strijd gekost, maar hij scheen er toch
van overtuigd te zijn, dat er eigenlijk niets meer aanzat. Hij volgde
Marten dan ook met groote blijmoedigheid en bleef hem dicht op de
hielen.
Marten had weldra den Hoogendijk afgeloopen en was de plaats genaderd,
waar de Dam de Oost- met de Westzijde verbindt. Maar daar werd de
doortocht hem bemoeilijkt door een grooten oploop van menschen, en hij
zag, hoe een aantal krijgslieden in volle wapenrusting gereed stond om
uit te rukken.
Verbaasd vroeg hij aan een van de omstanders, wat er aan de hand was, en
niet weinig verwonderd was hij te vernemen:
»De geuzen gaan ons verlaten, goddank. Hopman Wybe Sjoerds schijnt het
hier te vervelend te vinden, omdat er niets te vechten valt, en is van
plan naar Alkmaar te gaan. Nu, de kaerels krijgen van mij het heilige
kruis na, want 't is een ruw volkje, dat weinig verschil maakt tusschen
het mijn en het dijn."
»Gaan zij naar Alkmaar?" vroeg Marten in de grootste verbazing. »En
heeft Heer Diederik van Sonoy daartoe bevel gegeven?"
»Wel neen, jongen," zei een ander. »Wybe Sjoerds handelt geheel op
eigen verantwoording, en ik zeg, dat het eene schande is,--eene schande!
Amsterdam ligt in de onmiddellijke nabijheid, en de Spanjolen zullen
gauw genoeg ingelicht worden, dat Saardam geheel van troepen ontbloot
is. Help maar eens kijken, of binnen drie dagen de Spekken hier niet
heer en meester zijn, en dan komen wij van den regen in den drop. 't Is
eene schande--dat zeg ik, en Wybe Sjoerds is waard, dat hij opgehangen
wordt aan de eerste galg de beste!"
»Of je van de kat gebeten wordt, of van den kater, dat komt op hetzelfde
neêr," hernam de eerste spreker. »De Geuzen zijn ook zulke aangename
gasten niet, en zij zuigen den huisman uit tot op het gebeente. Laat de
Spanjolen vrij komen, als ze willen, mij is het om het even!"
»Jij praat als een Spek," beet de eerste hem toe. Maar de ander viel hem
dadelijk in de rede door te zeggen:
»Een Spek?--Een verrader--ik? God beware me, ik ben met hart en ziel
voor den Prins, maar de euveldaden van de Geuzen ben ik hartelijk moede.
Zij handelen met den huisman, of zij zich in een overwonnen land
bevinden, in plaats van bij vrienden."
»Dan praat je als een kip zonder kop," zei de eerste weer. »'t Is waar,
de Geuzen gaan niet bepaald zachtzinnig met ons om, en ik wil hunne
daden geenszins vergoêlijken, maar hen te vergelijken en in één adem te
noemen met de Spanjolen,--dat is gekkepraat in één woord."
Op dit oogenblik baande een kloek krijgsman zich een weg door de menigte
en liep langs de gelederen der Geuzen. Marten herkende in hem den Hopman
Wybe Sjoerds, en zag, dat deze zich aan het hoofd van het vendel
plaatste. Zijn vaandrig stond naast hem met ontplooid vaandel. De
trommen werden geroerd, bevelen klonken, en de troep zette zich in
beweging, met zeer gemengde gevoelens nagestaard door de menigte, die
op den Dam en in den omtrek daarvan was samengestroomd. Velen schudden
bezorgd het hoofd en gaven luide hun misnoegen te kennen over het
lichtzinnig gedrag van den Hopman, die een zoo belangrijk punt als
Saardam geheel eigenmachtig verliet, alleen omdat hij en zijne soldaten
het daar vervelend vonden, en het volkomen weerloos overliet aan de
vijanden, die niet zouden nalaten deze plaats spoedig te bezetten. En
waren de Watergeuzen lastig, veeleischend en brooddronken,--de wreedheid
der vijanden was spreekwoordelijk geworden. Geen wonder, dat vele
Saardammers de toekomst donker inzagen.
Onder de toeschouwers merkte Marten ook Pieter en Aelbert Bleeker op, de
zonen der weduwe, die naast hem woonde. En hij vreesde mèt den huisman,
dat de verlaten en hulpelooze toestand van Saardam, al was het maar
door hunne tusschenkomst alleen, spoedig in Amsterdam bekend zou wezen.
En daar lag de vijand op den uitkijk!
Hij vervolgde zijn weg en had met zijn hond spoedig de woning van Jan
Gerritsz bereikt. Deze was een reeder, wiens schepen sedert vele jaren
alle zeeën der aarde hadden bezocht, maar die door den oorlog groote
schade geleden had en zijne vaartuigen van de hand had gedaan,
voorzoover zij hem niet door den vijand waren ontroofd. Hij was echter
nog wel een rijk man te noemen en een van de invloedrijkste ingezetenen
der plaats.
Marten bracht zijne waren in de keuken en wachtte op het geld, dat hem
hier altoos contant betaald werd. De heer Jan Gerritsz kwam het hem zelf
brengen. 't Was een man van ongeveer vijftigjarigen leeftijd, met een
prettig, levenslustig uiterlijk.
»Dag Marten,--hier heb je het geld. Is de hooibouw al afgeloopen?"
»We hebben het laatste voer van morgen om half twaalf binnengehaald,
Heer," was het antwoord.
»Mooi, dat hoor ik met genoegen, want ik wou morgen graag een dagje uit
vogelvangen op Ruichoort, evenals verleden jaar, en zou je weer heel
graag tot hulp en gezelschap medenemen. Wat dunkt je, zouden de
werkzaamheden toelaten, dat je een dag vrijaf krijgt?"
»O ja, wat de werkzaamheden betreft, zou ik wel kunnen..." sprak Marten
peinzend, hoewel zijne oogen een wijle geflikkerd hadden van genoegen,
toen hij de uitnoodiging vernam. Hij herinnerde zich nog als den dag
van gisteren, hoe hij het vorige jaar ook met Heer Jan Gerritsz uit
vogelvangen was geweest op Ruichoort, en hoeveel genoegen hij toen had
gehad.
»Welnu, wat schort er aan?" vroeg de reeder lachend. »Je staat daar net
te kijken, of je je laatste oortje versnoept hebt. Heb je misschien geen
lust in de jachtpartij?"
»Geen lust?--Dat zou ik meenen...!" riep Marten uit.
»Of wil vader het je misschien niet toestaan?"
»Ook wel," hernam Marten. »Maar ziet u, zooeven zag ik Hopman Wybe
Sjoerds met zijn vendel Saardam verlaten, zoodat wij elk oogenblik een
inval van de Spanjaarden te wachten hebben. En nu vrees ik, dat
Vader..."
»Kom, wat een dwaasheid!" viel Jan Gerritsz in. »Hopman Wybe Sjoerds is
naar Alkmaar vertrokken zonder daartoe bevel te hebben ontvangen, en je
zult eens zien, hoe gauw hij weer hier terug is. Denk je, dat hij voor
zijn pleizier aan de galg wil komen? Ze zullen het hem in Alkmaar wel
duidelijk maken, dat het zijn plicht is, hier te blijven. Ik heb het hem
zelf ook gezegd, maar hij wilde naar mij niet luisteren. Hij moet het
zelf weten, maar jij behoeft je daarom niet te bekommeren. Ik wed, dat
hij vandaag nog terugkeert; Heer Diederik van Sonoy laat waarlijk niet
met zich spotten."
»Zou u dat heusch denken?" vroeg Marten.
»Ongetwijfeld,--komt hij van avond niet terug, dan stellig morgenochtend
wel. Ik maak mij daar geen oogenblik ongerust over. Dus dat blijft
afgesproken? Morgen om een uur of tien kom ik bij je. We kunnen jouw
boot wel gebruiken, niet waar?"
»O ja, met alle genoegen. Voor de boerderij hebben we haar morgen niet
noodig. En zal ik voor aas zorgen?"
»Uitstekend. Tot morgen dan!"
Vergezeld van zijn trouwen hond nam Marten de terugreis aan, die hij
zonder ongelukken of bijzondere avonturen volbracht, en een paar uur
later betrad hij de ouderlijke woning. Hij vertelde dadelijk, wat er in
Saardam was gebeurd, en zijne moeder slaakte een zucht van verlichting
toen zij vernam, dat de ruwe Geuzen waren vertrokken, en zij dus van
hunne wraak niets meer te vreezen hadden.
Maar Floris Geurtsz schudde bedenkelijk het hoofd, en zeide: »Mij kan
het niet bijzonder verheugen, want ik vrees van deze onverantwoordelijke
daad de ergste gevolgen, althans wanneer zij niet spoedig terugkeeren.
Hoe haalt de man het zich in het hoofd? Laten we hopen, dat Jan Gerritsz
gelijk heeft, en dat het vendel te Alkmaar niet toegelaten wordt."
»Zou ik dus morgen thuis blijven, Vader?" vroeg Marten, wien het speet,
dat het aangename uitstapje hem ontgaan zou.
»Och, mij dunkt, dat is niet noodig. We kunnen morgen zien, hoe de zaken
staan en daarvan ons besluit afhankelijk maken. Als alles rustig blijft,
zou ik niet weten, waarom je niet gaan zoudt.--"