Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project
Gutenberg.
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Vette tekst is weergegeven als ~vet~; |
| onderstreepte tekst als =onderstreept=. |
| |
| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
| »aanhalingstekens". |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij o.a. de html-versie van |
| dit e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
| |
+----------------------------------------------------------------+
DE KENNEMER VRIJBUITER.
Boek- en Kunstdrukkerij--S. W. MELCHIOR Amersfoort.
[Illustratie]
Kieviet's Geïll. Historische Bibliotheek.
De Kennemer Vrijbuiter
DOOR
C. JOH. KIEVIET.
TWEEDE DRUK.
Met illustratiën van JOH. BRAAKENSIEK.
[Decoratieve illustratie]
AMERSFOORT
VALKHOFF & Co.
_Voor het tweede deel der serie Historische Jongensboeken, welke van
mijne hand het licht zal zien, heb ik tot stof gekozen enkele episoden
uit het leven der Kennemer Vrijbuiters, wier heldendaden wel waard zijn
onder de aandacht der jongere lezers gebracht te worden. Hun moed en
vaderlandsliefde behoeft in geen enkel opzicht onder te doen voor die
van mannen als Tromp, De Ruyter en zoovele anderen, wier namen bij elken
Nederlandschen jongen terecht bekend zijn. De lauwerkrans, waarmede het
hoofd dezer mannen door den Geschiedschrijver getooid is, zou niet een
te grootsche hulde zijn voor de eenvoudige lieden, wier namen in dit
boek voorkomen. Onder de moeilijkste omstandigheden hebben zij den
strijd tegen den overmachtigen vijand aangedurfd en zoo den grond helpen
leggen voor Neêrlands onafhankelijkheid._
_Hunne daden, in dit boek beschreven, zijn der Historie getrouw
weergegeven, al mag ik niet beweren, dat de chronologische volgorde
geheel juist is. Als bronnen zijn door mij geraadpleegd, behalve de
gewone geschiedboeken:_
H. SOETEBOOM. _Oud-Heeden van Zaanland, enz., IIe deel._
W. J. HOFDIJK. _Kroniek der Kennemer Vrijbuiters._
C. EKAMA. _Beleg en verdediging van Haarlem._
A. BEELOO. _Noord-Holland en de Noord-Hollanders._
_En voor de lezers, die altoos zoo graag willen weten, wat in een
historisch verhaal wèl en wat niet gebeurd is, voeg ik er nog bij, dat
Wybe Sjoerds werkelijk gehandeld heeft, zooals in dit boek beschreven
is, en dat de inval der Spanjaarden daarvan het gevolg was. Bossu heeft
een groot deel zijner troepen aan den Zuiddijk laten ontschepen, en
plunderende zijn zij naar Saardam getrokken, waarbij de bewoners òf
vermoord werden, òf hun heil moesten zoeken in de vlucht. Brand en
roof kenmerkten dien tocht. Ook het plunderen van een 130-tal huizen
aan de de Westzijde en het verbranden daarvan, benevens de strooptocht
naar Westzaan, zijn geheel historisch. De genoemde Vrijbuiters hebben
werkelijk geleefd en hunne daden zijn naar waarheid beschreven.
Hetzelfde mag ik beweren van den tocht van 't Hoen naar den Heer
De Liques, den edelen Spanjaard, die later op zoo ridderlijke wijze
zijn eerewoord tegenover den eenvoudigen Vrijbuiter inloste. Het
deed mij genoegen, waar ik gedwongen was zoowel van Hollanders als van
Spanjaarden, veel ruwheid en wreedheid te moeten beschrijven, ook eene
plaats te mogen geven aan de schoone daad van dien Spanjaard. En met
blijdschap kon ik haar zelfs eene eereplaats geven._
_C. JOH. KIEVIET._
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK I.
De boerenhoeve aan den Zuiddijk en hare bewoners.
Meer dan drie honderd jaar geleden, wij schreven Juli van het jaar 1572,
verhief de eenvoudige boerenhoeve van Floris Geurtsz. haar nok boven
den dijk, die Waterland tegen de dikwijls woeste golven van het Y
beschermde, ongeveer ter plaatse, waar de Zaan zich in het Y ontlastte.
't Was een veel bewogen tijd. De vrije Hollanders hadden, het vermoorden
der Hervormden moede, het gehate Spaansche juk afgeschud, Alva zijn
tienden penning geweigerd, en in verscheidene steden de vlag met het
roode kruis neergehaald om het geliefde rood, wit en blauw er voor in
de plaats te hijschen. Den Briel was door de Watergeuzen ingenomen,
»Op den eersten April
Verloor Alva zijn Bril!"
en reeds den zesden April volgde Vlissingen, half Mei Vere, 21 Mei
Enkhuizen, daarna Medemblik, Hoorn, Edam, Purmerend, Monnikendam,
Alkmaar, en den 3en Juli ook Haarlem. Alleen Amsterdam hield de zijde
van den koning, en bleef voor de afgevallen Noord-Hollanders een hoogst
gevaarlijke plaats. Immers, hoe gemakkelijk konden de Spaansche troepen
die stad als uitgangspunt nemen voor hunne tochten, zoowel naar het
noorden als naar het zuiden. En hoe moeilijk moest het den eenvoudigen
Waterlandschen boeren vallen, zich tegen den machtigen vijand staande
te houden. Holland lag geheel voor den Spanjaard open. Wel was op bevel
van den gouverneur Jonkheer Diederik Sonoy hier en daar eene schans
opgeworpen, wel lag in Zaandam Hopman Wybe Sjoerds, om zijn Friesche
afkomst bijgenaamd Frieseman, met een vendel krijgsknechten, maar dat
was voor het bedreigde Waterland slechts eene geringe bescherming, en
eene onaangename bovendien, want de bandelooze bewakers maakten het
den inwoners geducht lastig en eischten veel meer van hen, dan zij met
den besten wil van de wereld geven konden. Die woeste krijgsknechten,
aan geen tucht gewoon, stoorden er zich al bijster weinig aan, of zij
met vrienden of vijanden te doen hadden, en hielden met de grootste
willekeur in de Noord-Hollandsche steden en dorpen huis. Zij eischten,
desnoods met geweld, een leventje, of zij Zijne Hoogheid de Prins in
eigen persoon waren, en maakten zich aan de grofste knevelarij schuldig.
Zij waren dan ook zeer gevreesd en gehaat, en slechts de overweging, dat
men van twee kwaden het minst erge moest kiezen, was de oorzaak, dat zij
geduld werden. 't Waren ruwe mannen, die niets liever deden dan vechten
en op den huisman teren, en in boosheid slechts overtroffen werden door
de wreede Spanjaarden, die onder bevel van don Frederik de Toledo hun
krijgstocht gingen ondernemen, om de afgevallen steden weder tot
gehoorzaamheid te dwingen.
Boer Floris, wiens hoeve men het eerst voorbijkwam, als men met een
vaartuig het Y overstak en de Zaan invoer, behoorde tot de Hervormden.
Reeds zijn Vader had in het geheim den nieuwen godsdienst omhelsd en er
zijne kinderen in onderwezen. O, hoe heugde het Floris nog, hoe elken
avond de bijbel uit zijn donkeren schuilhoek te voorschijn werd gehaald,
en zijn Vader, na deuren en ramen gesloten en gegrendeld te hebben, met
plechtige stem uit het gewijde boek de schoone hoofdstukken voorlas aan
de huisgenooten. Hoe bestierven hem soms de woorden op de verbleekende
lippen, wanneer onverwachts in de duisternis van den avond op de deur
werd geklopt. Dan staarden Vader, Moeder, Floris en zijn eenige broeder
Jan elkander ontzet aan en hadden gedurende enkele seconden zelfs geen
besef, om het verboden boek in zijne schuilplaats terug te brengen.
Slechts een herhaald kloppen kon hen tot bezinning brengen. IJlings werd
dan de bijbel verborgen, en daarna begaf Vader zich langzaam naar de
deur, om niet zonder vrees te vragen, wie zich daarbuiten bevond.
En voor die vrees bestond waarlijk wel goede grond, want sedert
vele jaren waren de galgen voor de ketters opgericht en hadden de
brandstapels gerookt, tot groote ergernis van de Hervormden niet
alleen, maar ook van vele Roomschen, die zich niet konden begrijpen, dat
dergelijke moorden konden strekken tot verhooging der glorie Gods. De
volgende namen der slachtoffers uit Waterland zijn voor het nageslacht
bewaard gebleven: Dirk Pietersz. Krood, Pieter Trijntjes, Klaas Rodes,
Pieter Klaas Jansen, Jacob en Seli, zijne huisvrouw, alle ingezetenen
van Wormer; Jan Echtwerker, Klaas Melisz, Aacht Melisz en Willem haar
man, Hein Walicksz, Trijn Amkes, Cornelis Luitsz, Klaas Dirksz en Klaas
Klaasz, allen uit Krommeniedijk; Jonker Dirk Gerritsz Van den Busch,
Pieter Koster van Zaandam en vele anderen. Zij allen werden gehangen,
geworgd, verdronken of verbrand. Ja, zelfs werden meermalen ketters
levend begraven. En ondanks al dat moorden was het aantal Hervormden
grooter geworden. Met samengeperste lippen, trillende neusvleugels en
gebalde vuisten had men de arme slachtoffers, dikwijls lofliederen
zingende, een prooi zien worden der verterende vlammen. En het bloed
der martelaren was het zaad geworden der kerk. Thans was een groot deel
van Noord-Nederland van Spanje afgevallen, en durfde Floris Geurtsz op
klaarlichten dag den bijbel op de tafel leggen en uit dat boek voorlezen
aan zijne vrouw Fijtje, en aan Anna en Marten, zijn beide kinderen.
Zijne ouders waren reeds lang geleden gestorven, en ook zijn broer Jan
was hem door den dood ontvallen. Hij had de hoeve geërfd, die zijne
ouders hadden bewoond en waarin hij geboren was, en voorspoedige jaren
waren zijn deel geweest, totdat de booze dagen kwamen, waarin alle
welvaart uit Holland verdwenen was. Waar destijds tromgeroffel de
komst van krijgsknechten aankondigde, hetzij van vrienden, hetzij van
vijanden, daar vlood alle welvaart heen, want zoowel de een als de ander
maakte zich aan knevelarij schuldig en zoog den landman »tot op het
been" uit.
't Was ongeveer twee uur in den middag, en boer Floris had met de zijnen
het middagmaal gebruikt, bestaande uit eenvoudigen melkkost en eene
snede ham. Hij en zijne vrouw waren tegenover elkander aan de tafel
gezeten, terwijl Anna naast hare moeder, en Marten naast zijn vader had
plaatsgenomen.
Allen luisteren met aandacht naar den vader, die een hoofdstuk uit den
bijbel voorleest. Ernstig en zwaar klinkt zijne stem bij het verhaal van
de verdrukkingen, die de Joden moesten verduren in Egypteland, en de
oogen van de huisgenooten zijn geen oogenblik van hem afgewend, terwijl
hij leest.
Het is duidelijk: de ernst der tijden heeft reeds zijn stempel gedrukt
op de jeugdige gelaatstrekken van de zestienjarige Anna, zoowel als
van den vijftienjarigen Marten, die met onverdeelde belangstelling het
verhaal volgen. En ongetwijfeld denken zij aan de booze tijden, die
ook zij thans beleven, en gansch Nederland, nu het zich kromt onder het
ijzeren juk van Alva, den gestrengen landvoogd, die geen genade kent,
waar het geldt de afvallige kinderen wederom terug te brengen tot de
Roomsche kerk, of hen uit te roeien;--den man, die gansch Nederland des
doods schuldig acht, omdat een troep onverlaten de kerken heeft bestormd
en de beelden daarin vernield. Niemand is volgens hem onschuldig, want
die aan den beeldenstorm niet heeft deelgenomen, heeft hem althans niet
belet, wat in zijn oog even erg is.
Floris Geurtsz heeft zijn kapittel uitgelezen en het boek langzaam
dichtgeslagen. Daarna reikt hij het over aan Marten, die het verbergt
op dezelfde plaats, waar het reeds zoovele jaren onopgemerkt heeft
gelegen. Wel is op dit oogenblik die groote voorzichtigheid overbodig,
maar men weet nooit, wat er gebeuren kan. Amsterdam ligt dichtbij en
is nog Spaanschgezind. De graaf van Bossu, die als Stadhouder voor Alva
het bewind voert, evenals Diederik Sonoy dat doet in naam van den Prins
van Oranje, heeft daar nog vasten voet en bespiedt met vorschend oog de
Zaanstreek, gereed om bij de eerste gunstige gelegenheid het hart van
Noord-Holland te bespringen en te veroveren. De Waterlanders meenen
echter gerust te kunnen zijn, want Hopman Wybe Sjoerds houdt met zijn
vendel krijgsknechten Saardam bezet, en dagelijks begeeft hij zich
voorbij de hoeve van Floris, om den Waterlandschen dijk in oogenschouw
te nemen en te zien, of op het IJ alles rustig is en van Amsterdam uit
geen gevaar dreigt. Ook eenige minuten geleden hebben de bewoners van de
hoeve hem op den dijk zien voorbijloopen, vergezeld van zijn vaandrig
Joachim.
»Laten wij danken," zegt de vader.
Allen vouwen de handen en sluiten de oogen, en de vader spreekt overluid
een dankgebed uit, dat ernstig en plechtig door de kamer weerklinkt.
Nog was het gebed niet geëindigd, toen iemand voor het raam verscheen en
nieuwsgierige blikken naar binnen wierp. 't Was een jongen van een jaar
of zestien, de zoon van eene buurvrouw, eene weduwe, wier kleine hoeve
gelegen was naast die van Floris Geurtsz. De knaap kwam hier wel meer
aan huis, maar men was op zijne bezoeken niet bijzonder gesteld. De
reden daarvan was niet, dat hij en zijne huisgenooten tot de ijverige
aanhangers der Roomsche kerk behoorden, want zoo werden er in Waterland
nog zeer vele gevonden, die daarom toch door de geuzen in het geheel
niet werden gewantrouwd. Maar de familie Bleeker genoot in het geheel
geen vertrouwen, omdat men hen hield voor verraders, die in geheime
verstandhouding stonden met den Spaanschen landvoogd te Amsterdam, en
niet schroomden hem alles aan te brengen, wat er in de Zaanstreek en
in Waterland zoo al voorviel. De blik van dezen jongen had dan ook iets
loerends, terwijl hij zijne oogen snel door het vertrek liet rondwaren,
en hij had in de trekken van zijn gelaat iets ongunstigs, dat afkeer
inboezemde.
»Daar staat Piet Bleeker voor het raam te gluipen," sprak Anna met
onverholen afkeer, toen de vader zijn gebed geëindigd had. »Bah, ik kan
dien loervink niet uitstaan. Ik geloof, dat hij een echte Spek is, die
alles wat hier gebeurt, naar Amsterdam overbrieft."
»Hij is gisterenavond nog laat met zijn bootje naar Amsterdam gevaren,"
zei Marten. »Hij zei, dat hij wat ging visschen, maar toen ik hem
nakeek, zag ik duidelijk, dat hij koers zette naar Amsterdam. Ik
vertrouw hem voor geen duit.--Wel Jan, wat is er?"
Deze laatste woorden golden den buurknaap, die nog altoos voor het raam
stond.
»O, eene kleinigheid maar," was het antwoord. »Ik kom even waarschuwen,
dat een schaap op zijn rug in een greppel ligt. Als het beest niet
geholpen wordt, zal het gauw dood zijn."
»Dank je wel voor de waarschuwing, Jan," zei de boer. »Waar ligt het?"
»Op het voorstuk, dicht bij het hek," was het antwoord. En met een
lichten groet verliet de knaap het erf.
»Jelui hebt alweer voorbarig geoordeeld en daardoor een onrechtvaardig
vonnis geveld, kinderen," sprak de moeder. »Je maakt hem voor niets meer
of minder uit dan voor een Spek, die met de vijanden heult, en dat nog
wel, terwijl hij ons een grooten dienst bewijst en ons komt waarschuwen,
dat er een schaap in onmacht ligt. Dit is niet volgens de Schrift,
kinderen."
Deze woorden klonken als een ernstige vermaning, maar op de gezichten
van Anna en Marten stond duidelijk te lezen, dat zij het met hunne
moeder in deze niet eens waren. Ook de vader deelde hun gevoelen. Hij
sprak:
»Bestraf de kinderen niet, Moeder. Wij beleven ernstige tijden en kunnen
niet te voorzichtig zijn. Wees getrouw en vertrouw niemand, dat is
eene spreuk, die wij geen oogenblik mogen vergeten. Ook ik vertrouw de
Bleekers niet, zoomin de weduwe als haar twee zoons. Altoos loopen ze op
plaatsen, waar zij geen boodschap hebben, 't liefst op de erven en om de
huizen van de buren. Zij zijn met alle nieuwtjes 't eerst op de hoogte
en kijken meer naar hetgeen bij anderen gebeurt, dan bij henzelven.
't Ware beter, dat zij wat meer op hun eigene zaken letten, want de
boerderij ziet er zoo verwaarloosd uit, dat het God geklaagd is.--Toe
Marten, help het schaap even uit den nood, dan zullen wij het hooi, dat
te velde ligt, opschudden. Misschien kunnen we het dan nog voor den
avond op roken zetten."
»En jij, Anna, help mij de tafel afnemen en de vaten wasschen," sprak de
moeder.
Vlug begaf Marten zich naar buiten, maar in minder dan geen tijd was hij
alweer terug.
»Ziet U nu wel, Moeder, dat ik gelijk had? Hij moest het beest bijna
passeeren, om ons te komen waarschuwen, want het lag vlak bij het hek,
naast het erf. 't Was veel gemakkelijker voor hem geweest, om het dier
even op te tillen, dan hierheen te loopen, en stellig had hem dat minder
tijd gekost. 't Was er hem alleen om te doen, om de loervink te spelen,
en anders niet. 't Is een verrader,--een Spek!"
»Laat je maar zoo weinig mogelijk met hem in, Marten," zei de boer.
»Kom, wij moeten naar het land. De zon schijnt prachtig, en als het zoo
doorgaat, krijgen wij dit jaar best hooi, waar de koeien van den winter
in zullen smullen."
Moeder Fijtje zuchtte, en zei:
»Spreek maar niet zoo ver vooruit, man. Wie kan zeggen, wat de toekomst
ons brengen zal? De Spaansche soldaten liggen op korten afstand en
kunnen ons elk oogenblik overvallen. En wat zal er dan van ons worden?"
»God zal ons helpen, Moeder," zei Floris ernstig, met een blik op de
drie vuurroeren, die aan den wand hingen. »Zij zullen u en onze kinderen
geen leed doen dan over mijn lijk."
Boer Floris sprak deze woorden met gefronste wenkbrauwen en diepe
rimpels in het voorhoofd.
»En als zij komen, zullen ze ook met mij rekening hebben te houden,
Moeder," riep Marten met geestdrift uit. »Zij moeten het eens wagen, U
of Anna aan te grijpen,--ha, ik jaag ze een kogel door de ribben, of
steek ze mijn verrejager door het hart. Ze zouden het een tweeden keer
wel laten!"
»Jij bent nog maar een kind, Marten..."
»Een kind?" riep Marten uit. »Maar dan toch een kind, dat zelden mis
schiet en voor geen Spanjaard bang is. Ik ben al vijftien jaar, Moeder,
en mijne kogels zouden evenzeer doodelijk treffen als die van Vader.
Laat ze het eens wagen, U overlast aan te doen, ik zou ze!"
Anna was uit het achterhuis binnengekomen en had het gesprek met
fonkelende oogen aangehoord.
»Ha," zei ze, »hoe jammer, dat ik een meisje ben. Maar wee den soldaat,
die het waagt, mij te bedreigen..."
»Kind, kind, je weet niet, wat je zegt!" sprak de moeder droevig en met
een diepen zucht, terwijl ze hare dochter met liefdevollen blik aankeek.
»De wreedheid der Spanjaarden kent geen grenzen, en de oorlog is vol
verschrikkingen. Laten wij hopen en bidden, dat God ons beschermen moge,
want ons lot is in Zijne handen."
»Amen!" sprak Floris Geurtsz. »Kom Marten, we moeten onzen tijd niet
verpraten. 't Is hoog noodig, om het hooi te schudden, willen we het
vandaag nog droog krijgen."
Vader en zoon verlieten het huis, en ook Anna volgde hen, om zich naar
den walkant te begeven, waar zij iets te verrichten had.
't Erf was niet bijzonder groot, en bestond uit een breed rijpad, met
eene strook grasveld er naast. Daarachter lag een mesthoop, die na
het binnenhalen van het hooi over het land moest worden geslecht. Wel
een twintig kippen liepen op het erf rond, zoekende naar wormpjes en
insecten, en een paar mooie hanen, de lievelingen van Anna, kwamen
haastig naar haar toeloopen, in de hoop, dat zij een overschotje van
het middagmaal zouden krijgen. Tegen een schuurtje, achter op het erf,
dat gebruikt werd als bergplaats voor landbouwgereedschappen, was een
hondenhok geplaatst, waar Kees, de groote hofhond, aan een ketting lag.
't Was een vriendelijke hond voor de huisgenooten, maar vreemdelingen
konden hem niet vertrouwen, want hij beet ze zonder genade met zijn
groote tanden in de beenen, dat het bloed te voorschijn kwam. Daarom
mocht hij niet losloopen en moest altijd aan den ketting liggen.
Nu hij zijn baas op het erf zag verschijnen, en Marten, van wien hij
bijzonder veel hield, sprong hij uit zijn hok te voorschijn en liet
een luid vreugdegebas hooren. De hond kon geweldig blaffen, waardoor
hij de schrik was van iedereen, die eene boodschap op het erf had te
verrichten. Niemand zou het wagen de huisdeur te naderen, zonder eerst
een blik op het hok geworpen te hebben, om te zien, of Kees wel sekuur
aan den ketting lag.
»Dag Kees!" riep Marten hem toe, en hij boog zich voorover en klapte
in de handen. Kees sprong kwispelstaartend en blaffend heen en weer, en
wenschte niets liever, dan dat Marten bij hem zou komen, om hem over den
kop te streelen en op den rug te kloppen, of wat hij het heerlijkst vond
van alles, dat Marten hem los zou maken en zeggen:
»Ga je meê met den baas, Kees?"
Dan was hij dol van blijdschap en rende met woeste sprongen over het
erf rond, zoodat de kippen ijlings wegvlogen en de twee prachtige hanen
op de droogstokken een veilige schuilplaats zochten.
Anna keek glimlachend de beide hanen aan, die haar vlak voor de voeten
liepen, alsof zij haar vragen wilden om een lekker hapje. En ook de
kippen kwamen kakelend naderbij en stonden haar met gerekte halzen aan
te kijken.
»O ja, wacht maar even, ik zou je haast vergeten," zei ze vriendelijk,
en vlug stapte ze naar binnen, om het overschot van het middagmaal te
halen. Weldra kwam zij terug en verdeelde de lekkernij onder de dieren.
Vader en zoon bleven er een oogenblik naar kijken, en spoedden zich toen
naar het land, waar het geurige hooi door de warme zonnestralen
gekoesterd werd.
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK II.
Ongewenscht bezoek, en hoe Kees daar een einde aan maakte.
Nog hadden zij het hek niet bereikt, toen dit geopend werd en twee
mannen het erf betraden. 't Waren krijgslieden, en Floris en Marten
herkenden in hen terstond Hopman Wybe Sjoerds en zijn vaandrig Joachim,
die hun dagelijkschen tocht naar den Waterlandschen dijk hadden gedaan
en het IJ hadden verkend.
»Goeden dag, huisman," klonk hun groet, terwijl zij naderbij traden.
»Dag jongen."
't Waren stoere krijgslieden, die onder de Watergeuzen met moed
hadden medegestreden en zelfs een werkzaam aandeel hadden gehad in de
verovering van Den Briel. Hunne gelaatstrekken waren ruw en woest, hun
vel was verbrand door de zonnestralen, en hunne houding getuigde van
onverschilligheid en zelfs van brutaliteit. Zij hadden een vuurroer
over den schouder, een koppel pistolen in den gordel en een zwaard
aan de linkerzijde. Niet zonder bewondering staarde Marten de stoere
krijgslieden aan, want zijn liefste wensch was, ook eenmaal de wapens te
hanteeren in den dienst van den Prins van Oranje, en hem te helpen de
gehate Spanjaarden tot den laatsten man toe uit het land te verjagen.
Maar Floris Geurtsz deelde die bewondering van zijn zoon niet. Hij kende
de bandeloosheid der Watergeuzen te goed, om niet te vreezen, dat dit
bezoek hem niet veel vreugde brengen zou, ook al waren zij door Diederik
van Sonoy aangewezen, om de landzaten tegen de Spanjaarden te
beschermen.
»Goeden dag, huisman,--dag jongen!" klonk hun groet. En kortaf was het
antwoord:
»Goeden dag, heeren. Wat voert u hierheen?"
»De dorst, vrind, anders niet dan de dorst," was het antwoord van Hopman
Wybe Sjoerds. »Wij hebben eene lange wandeling achter den rug, en de zon
brandt ons zoo fel op de huid, dat wij graag even rusten willen en je
bier eens proeven."
»Een kan bier is U van harte gegund, heeren," was het antwoord. »Komt
binnen--ik zal u voorgaan."
Dit laatste was echter niet meer noodig, want de Hopman liep zonder
complimenten naar de deur, wierp die open en trad, door zijn vaandrig
gevolgd, de woonkamer binnen, waar Fijtje bezig was, den vloer aan te
vegen. Zij keek niet weinig verwonderd op bij dit onverwachte bezoek, en
haastte zich van den vloer op te staan en stoffer en blik in een hoekje
te bergen.
»Goeden dag, Moeder!" zeiden de vreemdelingen. »Heb je lekker zwaar bier
in huis? Haal dat dan te voorschijn en schenk in,--maar wat vlug, want
de tong kleeft ons aan het gehemelte en mijn keel is zoo droog als het
stof op den dijk."
De mannen namen ongenoodigd plaats, Wybe Sjoerds op den stoel voor het
raam, waar Floris Geurtsz altoos zat, en Joachim op dien van Fijtje.
Boer Floris hoorde de vrijpostige woorden van de krijgslieden met
gefronst voorhoofd aan, en hun onbescheiden gedrag was hem een doorn in
het oog. Hij had Anna een wenk gegeven, de mannen zooveel mogelijk uit
de voeten te blijven, want hij wilde haar niet met de ruwe krijgslieden
in aanraking brengen. En zoo spoedig mogelijk was hij hen naar binnen
gevolgd, om een oogje in het zeil te houden en zijne vrouw voor hunne
ruwe bejegeningen te vrijwaren. Marten ging met hem mede, want als kind
van zijn tijd lustte hij ook wel een beker lekker bier, en bovendien
wilde hij graag luisteren naar de verhalen der beide krijgers, die reeds
zooveel ondervinding hadden opgedaan. Vader en zoon plaatsten zich dus
aan het benedeneinde der tafel, en weldra verscheen de vrouw met eenige
kannen schuimend bier, die zij den dorstigen aanbood. Floris nam zijne
kan op, hield haar in de hoogte en sprak:
»Goed heil, Heeren!"
Daarop zette hij de kan aan de lippen en dronk haar half ledig, een
voorbeeld, dat door Marten met gretigheid gevolgd werd.
»Heil!" was het antwoord.
De krijgers hieven hun kan op en begroeven hunne behaarde lippen in het
schuim. Daarna dronken zij de kan tot den bodem toe ledig, smakten met
de lippen, grepen ongevraagd elk eene nieuwe kan, en lieten den inhoud
in hunne maag verdwijnen.
»Dat doet goed!" zei Joachim, zijne kan met een zwaren slag op de tafel
neerploffende, zoodat het Marten verwonderde, dat zij niet in scherven
uit elkander viel. »Lekker bier, dat zeg ik!"
»Maar te licht, 't lijkt wel regenwater!" viel Hopman Wybe in. »Kom
huisman, je hebt wel wat beters, zou ik meenen. Laat ons eens wat
zwaarder bier proeven, dat je naar het hoofd stijgt. Van dit gewone
soortje kan ik wel een vat leegdrinken, en dan voel ik nog niet eens,
dat ik wat gebruikt heb."
»Ik heb geen zwaarder bier, Hopman," was het antwoord van Floris
Geurtsz. »Wij hebben U het beste voorgezet, dat wij hebben. Zal de Vrouw
de bekers nog eens voor de heeren vullen?"
»Maar met beter bier, voor den duivel!" riep de Hopman uit. »Je bent ons
wel wat dankbaarheid verschuldigd voor onze trouwe bewaking tegen de
Spanjaarden, en wij laten ons niet met slootwater afschepen. Hallo,--een
betere soort,--of bewaar je die soms voor je vrienden in Amsterdam?"
De woorden van den Hopman waren voor Floris Geurtsz diep beleedigend,
want zij bevatten eene zijdelingsche beschuldiging, dat hij, Floris
Geurtsz, met den vijand heulde en hem van levensmiddelen voorzag.
Hij antwoordde dan ook kortaf:
»Wanneer de vrienden in Amsterdam niets anders krijgen, dan wat hun door
mijne hand gewordt, zullen zij spoedig van honger en dorst omkomen. Ik
heul niet met den vijand, dat durf ik goddank openlijk verklaren!"
»Kom, kom, man, geen praatjes, maar een beter soortje bier, asjeblieft!"
lachte de Hopman hoonend. »Je staat met een zwarte kool geteekend,
vriendje, en het is ons bekend, dat menigmaal 's avonds je roeiboot het
IJ doorklieft, om naar Amsterdam te gaan. Wat heb je daar te doen? Als
je er geen bier heenbrengt, zal het waarschijnlijk boter of kaas zijn,
wat nog erger is.--Nu, wat heb je hierop te zeggen? Je ziet en hoort,
dat wij goed ingelicht zijn."
Boer Floris werd bleek van verontwaardiging en drift. Hij sprong van
zijn stoel op, en riep den Hopman toe:
»Gij liegt, Hopman,--mijne roeiboot komt nooit in Amsterdam, evenmin als
ik of een van mijne huisgenooten. Wij hebben geen kennissen in die stad
en drijven er ook geen handel. En allerminst heulen wij met den vijand,
dien wij hoe eer hoe liever het land uit wenschen. Weg met de Spanjolen
en leve de Prins van Oranje! Ziet U, dat roep ik uit van ganscher harte,
want weet het, Hopman, dat ik reeds van mijne prilste jeugd af ben
opgevoed in de nieuwe leer en dat ik die met hart en ziel aanhang..."
»Volkomen waar! Wij heulen niet met de Spanjolen!" viel Marten zijn
vader bij. De knaap zag even bleek als de vader, en zijne stem beefde
van verontwaardiging bij de ongegronde beschuldiging van den Hopman.
»Jongen, houd jij je snater!" beet deze hem nijdig toe. Hij schoof
Marten de bekers van zichzelven en van den vaandrig toe, en zei op
gebiedenden toon:
»Daar, ga die vullen bij je moeder, maar met wat beter bier, versta je!"
»Dat hebben wij niet. Vader spreekt de waarheid," antwoordde Marten,
zonder eene hand naar de bekers uit te steken. Een hevige toorn had zich
van den knaap meester gemaakt, en zijn blik dwaalde vliegensvlug naar
de vuurroeren, die aan den wand hingen.
Maar de Hopman sloeg woedend met zijne vuist op de tafel, zoodat de
bekers er van rinkelden, en herhaalde:
»Ga naar je moeder, en laat ze vullen met het beste, wat je in huis
hebt. En doe het spoedig, als je niet wilt, dat ik je met mijn rapier
tusschen de ribben kittel."
»Ga Marten, en vul de kannen," gebood zijn vader.
»Zooals de oude zingt, zoo piept het jong!" grinnikte de vaandrig zijn
Hopman toe. »Wij weten, wat wij weten, en dat is van dezen huisman niet
veel goeds."
»Uwe spionnen moesten hun werk beter verrichten," antwoordde Floris
Geurtsz. »Ik ontken niet, dat van hier menigmaal eene roeiboot naar
Amsterdam oversteekt, en ik vrees, dat de roeier niet veel goeds in zijn
schild voert, maar God is mijn getuige, dat het niet mijne roeiboot is,
en dat zij niet bestuurd wordt door mij of door mijn zoon."
»Praatjes om ons om den tuin te leiden, man!" viel de Hopman in. »Maar
weet, dat een stuk touw niet duur is en eene galg spoedig opgericht. Met
verraders maken wij geen complimenten en voor hen bestaat geen pardon.
Ha,--daar komt de jongen. Wel, wat breng je mede?"
»Het beste, wat wij hebben, Hopman, volgens uw bevel," zei Marten,
terwijl hij de kannen op de tafel plaatste.
»Maar dat is hetzelfde bier!" riep de Hopman uit.
»Wij hebben geen ander, zooals ik reeds zeide," sprak de vader. »En
bovendien, 't is goed bier en volstrekt niet zoo licht, als u belieft te
zeggen."
De krijgslieden deden er het zwijgen toe. Blijkbaar sprak de huisman
de waarheid, en wat hunne beschuldiging betrof, als zou Geurtsz met den
vijand heulen, zij wisten wel, dat daarvan geen woord waar was, en dat
er in het geheel geen grond voor bestond. 't Was echter de gewone manier
der krijgslieden uit die dagen, om de ingezetenen op wier kosten zij
leefden, door dergelijke beschuldigingen angst aan te jagen en hun geld
af te persen.
»Waar niet is, verliest de keizer zijn recht," zei de Hopman met de
lippen smakkende en zich het schuim van den knevel vegende. »Welaan
huisman, ga zitten en laten wij praten. Ik wil de verzekering van je
onschuld op je woord aannemen, maar moet vier blanke guldens van u als
onderpand hebben voor je trouw. Blijkt het later, dat voor ons vermoeden
geen grond bestaat, dan kun je die van ons terugkrijgen. Maar--wee u,
zoo je liegt, want voor verraders hebben wij maar één straf, en dat is
de galg!"
Een sombere wolk overtoog bij deze woorden het gelaat van den huisman.
Het werd hem thans zoo klaar als de dag, dat het de krijgers te doen
was om hem zijn zuurverdiend geld af te persen. En welke middelen zij
daartoe bezigden, was hun blijkbaar volkomen onverschillig. Hoe hij
peinsde, hij zag geen middel, om aan deze knevelarij te ontkomen. Toch
besloot hij, den Hopman maar niet zoo dadelijk zijn zin te geven, want
vier gulden was in die dagen een groote som, daar zij wel het vijfde
gedeelte van de waarde eener koe vertegenwoordigden. Hij veinsde daarom
te gelooven, dat de eisch van den Hopman slechts als scherts bedoeld
was, en hernam lachend zijne plaats aan de tafel. De krijgslieden deden
zich intusschen te goed aan het waarlijk niet lichte bier, en schoven de
ledige drinkkannen aan Marten toe, die ze dadelijk ging vullen.
»Je maakt maar een grapje, niet waar, Hopman?" zei Floris Geurtsz
lachend. »Mijn woord is onderpand genoeg, want nog nooit heeft iemand
Floris Geurtsz op woordbreuk kunnen betrappen."
En zijn kan opheffende, liet hij er op volgen:
»Uw welzijn, Heeren, en den dood aan de Spekken."
»Kinderpraat, man, om ons om den tuin te leiden!" viel de Hopman uit.
»Vier blanke guldens betaal je zonder mankeeren, of we zullen zoo vrij
zijn je mede te nemen naar Saardam, om je vandaar op te zenden naar
Heer Diederik van Sonoy. Die zal dan wel een vonnis over je vellen, en
ik vrees, dat het ver van malsch zal zijn."
Boer Floris begreep thans duidelijk, dat hij door deze beschuldiging,
zij mocht dan totaal valsch zijn en geheel uit de lucht gegrepen, in
groote moeilijkheden kon geraken, en dat in elk geval eene langdurige
gevangenschap en veel ellende er het gevolg van zouden zijn. Maar vier
blanke guldens was een te groote som, om zich die maar zonder
tegenspraak te laten afpersen.
»De Heer van Sonoy is een te verstandig man, om zich op zoo'n domme
wijze de vrienden van den Prins tot vijanden te maken. Vraag gansch
Saardam door, aan wien ge ook wilt, en u zult eenstemmig hooren
verklaren, dat de Spanjaarden geen vuriger vijand hebben dan mij. Ik
laat me niet goedsmoeds mijn zuur verdiend geld afpersen. Maar wat praat
ik; U gelieft immers slechts te schertsen;--komt heeren, een nieuwe
kan. Marten, vul de ledige nogmaals. De heeren zullen thans wel gemerkt
hebben, dat het bier zwaar genoeg is, om er een vroolijk hart van te
krijgen."
»En eene hongerige maag, Hopman," viel Joachim in, die enkele
oogenblikken uit het raam had gekeken en daar de twee groote hanen had
opgemerkt, die er met statigen tred in het kleine grasveldje liepen.
»Wat dunkt u, zou een gebraden haantje niet smaken? Daar loopen er een
paar, die mij het water langs de tanden doen vloeien."
Dat waren woorden naar des Hopmans hart. Hij zette zijne kan met zooveel
kracht op de tafel neer, dat het bier in het rond spatte en riep uit:
»Byloo, dat is eene schoone gedachte, mijn vriend, schooner, dan ik in
langen tijd van je gehoord heb. Komaan, huisman, als je dan zoozeer de
vriend zijt van den Prins, die je schijnen wilt, draai dan die dieren
den nek om, laat dien jongen daar de veeren er afplukken en de beesten
schoonmaken, en zeg aan moeder de vrouw, dat ze ze zoo lekker braadt,
of ze voor den Prins in eigen persoon bestemd waren. Je bier is zoowaar
beter dan ik dacht, en doet mij de maag jeuken naar een hartige beet."
»Den nek omdraaien!" riep Joachim, de vaandrig uit, terwijl hij opstond
en zijn vuurroer greep, dat hij tegen zijn stoel had geplaatst. »Niet
noodig, Hopman, ik zal ze een kogel door den kop jagen, zoo netjes, of
het Spanjaarden waren. Wacht maar een oogenblik, en je zult het mooiste
schot zien, dat ooit door een watergeus losgebrand is."
Lachende begaf hij zich naar de deur.
Maar plotseling stoof Marten op. De knaap was zijne verontwaardiging
over zooveel onbeschoftheid niet langer meester, en hij gaf den vaandrig
met zijn vuist een stomp tegen de maag, die hem deed snakken naar zijn
adem. En nauwelijks was deze daad geschied, of Marten ijlde naar den
wand, greep een der vuurroeren, dat hij aan zijn vader gaf, en wapende
zichzelven met een tweede. Dat alles was zoo snel gebeurd, dat de Hopman
nog niet eens goed begreep, wat er eigenlijk aan de hand was, en met
open mond naar de handelingen van den knaap zat te kijken, terwijl de
vaandrig in de grootste benauwdheid heen en weer liep, zonder zijn adem
terug te kunnen krijgen. Ook boer Floris was ten hoogste verbaasd
over het gedrag van zijn zoon, en hij vreesde, dat een en ander de
onaangenaamste gevolgen na zich zou sleepen. Vrij besluiteloos stond
hij met het vuurroer in de handen, en staarde nieuwsgierig de twee
krijgslieden aan, zichzelven afvragende, wat er nu wel gebeuren zou.
»Voor den duivel, die satansche jongen!" bulderde de Hopman, van zijn
stoel opspringend en zijn rapier uit de scheede trekkende. »Handelt men
hier zoo met een Hopman van den Prins en diens vaandrig? Hallo, Joachim,
hoe is het? Laat je je door een kwâjongen afranselen, dat je de tong uit
den mond hangt? Rijg hem aan je zwaard, dat het hem door de ribben
heenglijdt!"
Maar Joachim had nog altoos geen adem genoeg, om heldenstukken te kunnen
verrichten, en Floris Geurtsz meende van het oogenblik gebruik te moeten
maken om de zaak te sussen.
Hij zette zijn roer in een hoek van de kamer neder, en gebood Marten
het zijne wederom aan den wand op te hangen.
»Je handelt dwaas en onverantwoordelijk tegenover goede vrienden,
Marten," zei hij op quasi gestrengen toon. »Ga heen en verlaat dit
vertrek, voordat er grooter dwaasheden gebeuren."
Marten gehoorzaamde schoorvoetend en onwillig. Hij kon zich de houding
van zijn vader niet verklaren, die toch anders geen man was om met zich
te laten sollen. En het was hoog tijd, dat hij de kamer verliet, want
Joachim was nu weer op adem gekomen, en keek alles behalve vriendelijk.
»Ga zitten, Heer Vaandrig," zei Floris Geurtsz dringend, »en vergeef het
den knaap om de wille van zijne jonkheid. Hij is nog niet wijzer en het
zou voor u een geringe eer zijn hem te straffen, zooals hij verdient.
Weet, dat de hanen, waarvan u spreekt, hem na aan het hart liggen, want
hij heeft ze zelf opgefokt. Ga zitten, en drink uwe kan nog eens leeg."
»Maar eerst het beloofde mooie schot, Joachim!" riep de Hopman uit met
een vuistslag op de tafel. 't Was duidelijk, dat het bier zijne
uitwerking begon te doen.
»Laat mij maar begaan!" pochte Joachim, die opnieuw zijn vuurroer
greep en zich naar buiten begaf. Marten stond diep verontwaardigd
achter op het erf voor het schuurtje, naast het hondenhok. Kees sprong
kwispelstaartend en blaffend tegen hem op. Marten klopte hem op den rug
en zeide:
»Die stomp zal hem heugen, Kees! Hij kwam net op zijne maag terecht,
zoodat de kaerel stond te gieren naar zijn adem. Ik zal hem wel leeren,
om onze hanen dood te schieten en op te eten, den lomperd. Ha, kijk,
daar komt hij toch waarlijk naar buiten, met zijn roer in de handen. Zou
hij toch werkelijk de onbeschaamdheid hebben, om zijn plan ten uitvoer
te brengen? Maar dat is meer dan schandelijk!"
Inderdaad verscheen de vaandrig op dit oogenblik buiten de deur, en
nauwelijks kreeg hij Marten in het oog, of hij stak hem de gebalde vuist
toe, en riep:
»Wacht maar, mannetje,--die hanen gaan er toch aan, of je hoog of laag
springt. En jij zult ze netjes voor ons plukken en schoonmaken, en bij
het eten mag je komen toezien, hoe ze ons smaken!"
Hij liep naar de voorzijde van het huis, waar de hanen nog parmantig
rondstapten, en zag, hoe de Hopman lachende voor het raam stond te
wachten op de dingen, die komen zouden, met de half-volle kan in de
hand.
Joachim stak de lont aan, richtte zijn vuurroer, bracht de lont bij het
kruit en pang! klonk het met donderend geweld. Maar of het door het bier
kwam, dat hij gebruikt had, of door den stomp, dien Marten hem op zijne
maag had gegeven, weet ik niet, maar zeker is het, dat het schot miste
en de hanen en kippen onder een luid gekakel uit elkander stoven en
ijlings een goed heenkomen zochten.
»Ha-ha-ha!" lachte de Hopman voor het raam. »Wat prachtig schot,
Joachim! Dat heb je zeker op de Spanjolen geleerd."
»Dat verwenschte bier ook!" mompelde Joachim beschaamd, omdat hij na
zijn pochen zulk een treurig figuur als schutter maakte. »Mijn hoofd
lijkt wel een molentje, en alles draait me voor de oogen."
Hij gaf zijn edel pogen echter niet op, maar laadde zijn geweer opnieuw
en liep den hoek van het huis om, teneinde te zien, waar de dieren
gebleven waren. Spoedig had hij hen ontdekt; zij liepen bij den
mesthoop, niet ver van de plaats, waar Marten nog altoos bij het
hondenhok stond. Marten lachte er smakelijk om, dat de vaandrig zoo'n
bespottelijk figuur maakte, en Kees baste zoo geweldig met zijn zware
stem, en hij keek den krijger met zijne fonkelende oogen zoo nijdig aan,
dat deze besloot, zich niet al te dicht in de nabijheid van dat dier te
wagen.
Opnieuw legde hij aan, en met een hevigen knal brandde het schot los.
Thans trof hij beter. Een van de hanen deed nog een paar onwillekeurige
sprongen en viel toen dood neer. Maar op hetzelfde oogenblik vloog de
deur open en ijlde Anna naar buiten. Tranen van spijt en woede vloeiden
haar uit de oogen.
»Ha,--wat eene schandelijke daad voor een vaandrig in dienst van
den Prins!" riep zij den soldaat toe, die zich haastte zijn vuurroer
opnieuw te laden. »Lafaard! Schaam je je niet? Is dat doen met eere,
om weerlooze dieren te dooden? Ben je misschien te laf, om het tegen
de Spanjolen op te nemen, en toon je je heldenmoed op deze wijze?"
Ongetwijfeld zou zij in haar toorn den vaandrig nog veel meer
beleedigingen hebben toegevoegd, indien niet de Hopman naar buiten
gewaggeld ware, gevolgd door haar vader. Deze laatste gebood haar met
een gebiedenden wenk, zich te verwijderen. Hij wilde haar niet in de
nabijheid van de half beschonken krijgslieden laten. Schreiende trok zij
zich in het achterhuis terug.
Een oogenblik later klonk een tweede schot--maar weer was het mis, en
nogmaals bracht de haan zich in veiligheid.
»Ha-ha-ha, wat een geweldig schutter!" lachte de Hopman, die zijn roer
in de hand hield en den haan achtervolgde. »Joachim,--ik dacht, dat je
hand vaster was."
»'t Komt door dat verwenschte bier!" mompelde Joachim. »Maar een is er
toch al om koud!"
»Pang!" klonk het, ditmaal uit het roer van den Hopman, en waarlijk, het
dier was doodelijk getroffen, hoe beneveld de oogen van den schutter
ook waren.
»Zóó moet je schieten, brave jongen,--zóó moet je schieten, Joachim!"
pochte Wybe Sjoerds op dronkemansmanier. »Al had ik een heel vat
leeggedronken, ik raak toch nog zoowel een haan als een Spanjaard! Kom
Joachim, laten we nog een beker drinken in afwachting van den maaltijd,
die ons straks zal worden opgedischt."
»Ik kom!" was het antwoord van Joachim, die intusschen de beide dieren
bij elkander zocht. Maar nauwelijks waren Floris Geurtsz en de Hopman
weer in huis verdwenen, of Marten, wiens woede geen grenzen kende,
maakte schielijk Kees los van den ketting, en fluisterde hem toe:
»Sa-sa-Kees, pak ze!"
Dat liet Kees zich geen tweemaal zeggen. De vreemdeling was hem al lang
een doorn in het oog geweest en hij wenschte niets liever, dan hem eens
bij de beenen te pakken. Nauwelijks voelde hij zich dan ook van den
ketting bevrijd, of onder een oorverdoovend geblaf vloog hij op den
vaandrig toe, die nu juist de twee hanen bij de pooten in de hand hield,
en beet hem zonder mededoogen zoo venijnig in zijn rechterbeen, dat de
soldaat het uitschreeuwde van pijn.
»Au, au, smerige hond, laat los, au, au!" kermde hij, van angst en pijn
in het rond springende, maar Kees gaf er niets om en hield hem stevig
bij zijn dijbeen vast. En toen hij eindelijk door de woeste sprongen
van den vaandrig gedwongen was hem los te laten, hield hij een groote
lap van diens broek in den bek. De vaandrig zette het op een loopen, in
de hoop, de deur der hoeve te kunnen bereiken, voordat de hond hem ten
tweeden male aangreep, natuurlijk zonder de hanen, want die had hij bij
den aanval van den hond al dadelijk op den grond laten vallen. Maar dat
mislukte hem. Kees liep vlugger dan hij, en beet hem met een geweldigen
hap nu in zijn linkerbeen, zoodat ook daar de broek vaneengereten werd
en het bloed uit des vaandrigs been te voorschijn kwam. Marten, die zich
in allerijl achter eenig boerengereedschap verscholen had, zag het met
het grootste genoegen aan, en hij had niet den minsten lust, Kees tot de
orde te roepen.
»Au, au, vervloekte hond,--au, au!" schreeuwde de vaandrig, die alle
moeite deed, om de deur te bereiken.
Op dit geschreeuw kwam weer de Hopman naar buiten, teneinde te zien,
wat er aan de hand was. Ook boer Floris verscheen op het erf, maar
nauwelijks zag hij, hoe Kees bezig was den vaandrig de kleeren van het
lijf en de stukken uit de beenen te rukken, of hij trok zich schielijk
in de hoeve terug, niet twijfelende, of met de hulp van dezen bondgenoot
zou hij spoedig van de ongewenschte en brutale gasten verlost zijn.
[Illustratie]
»Help, Hopman, help!--Au--au,--die rakkerd! Au, sla hem dood, Hopman!"
»Ik--ik zal hem een kogel door den kop jagen," riep de Hopman, die vrij
angstig naar den grooten, nijdigen hond keek en allerminst lust had, met
diens tanden kennis te maken.
»Au,--au, neen, niet schieten!--Au--o, o, als je misschiet, krijg ik
misschien den kogel, die..."
Verder kwam de vaandrig niet, want juist op dit oogenblik gelukte het
hem zijn been vrij te krijgen, en ijlings koos hij het hazenpad. Nu
had hij de deur bereikt,--maar zijn pogingen om haar los te krijgen,
mislukten. De boer had er den grendel voor geschoven en stond nu door
het raam te kijken, naar hetgeen op het erf voorviel. Vele pogingen om
binnen te komen deed de vaandrig trouwens niet, want de hond zat hem
alweer op de hielen, wat er niet beter op werd, toen van achter het
schuurtje werd geroepen:
»Sa-sa-Kees, pak ze!--Toe maar Kees, pak ze!"
Dat bevel wilde Kees met alle genoegen uitvoeren, maar hij scheen te
meenen, dat de vaandrig voorloopig genoeg genoten had, en viel nu op den
Hopman aan, die tevergeefs trachtte hem met de kolf van zijn vuurroer op
den kop te slaan.
De vaandrig staakte zijne pogingen om de deur open te maken, en
vluchtte zoo snel zijne voeten hem dragen konden het erf af en den dijk
op, in de richting van Saardam. En Kees vloog brutaalweg den Hopman naar
de keel, zoodat deze moord en brand schreeuwde. Hij greep Kees met zijn
vrije hand aan, wierp hem van zich af, en volgde in stormpas zijn
vaandrig, die al op grooten afstand op den dijk voortholde.
Kees rende den Hopman na en beet hem gevoelig eerst in de eene en daarna
in de andere kuit, maar toen de Hopman eenmaal het hek uitgejaagd was,
meende hij zijn plicht te hebben volbracht. Kwispelstaartend keerde hij
naar Marten terug, die schaterend van lachen uit zijn schuilhoek te
voorschijn kwam en den hond goedkeurend over den kop streelde.
»Goed zoo, brave Kees! Goed zoo, hondje! Je hebt je voortreffelijk
gehouden, hoor, en als wij de hanen morgen bij het middagmaal krijgen,
zal ik voor jou een lekker stuk bewaren. Ik gun het jou liever dan die
twee struikroovers!"
[Decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK III.
Wybe Sjoerds verveelt zich, en Marten krijgt een uitnoodiging.
Marten haastte zich de twee hanen op te zoeken, die Joachim bij den
eersten aanval van den hond reeds op den grond had laten vallen, en hij
bekeek ze met een meewarigen blik, want hij had veel van deze dieren
gehouden. Maar toch verheugde hij er zich in, dat de dappere Hopman en
diens brave vaandrig er zich niet aan zouden vergasten.
Weldra kwamen ook zijne ouders en Anna naar buiten, die met niet weinig
pret den geduchten aanval van Kees hadden aanschouwd en tot hunne groote
blijdschap de twee krijgslieden op de vlucht hadden zien slaan.
»Was dat geen grappig gezicht?" riep Marten hun toe, terwijl hij opnieuw
in den lach schoot. »Ha-ha, ik wist me bijna geen raad van het lachen,
toen die vaandrig zulke malle sprongen maakte, terwijl Kees hem aan
zijne broek hing en er de stukken uitscheurde."
»En wat schreeuwde hij leelijk," zei Anna, die lachen moest door hare
tranen heen, want het deed haar veel verdriet, dat de twee mooie hanen
gedood waren. Zij streelde hen over de fraaie veeren. De dieren waren
nog warm.
»Arme beesten," zei ze zacht.
»Zeg dat wel, Anna," zei Marten, »maar verheug er je in, dat die twee
roovers er althans niet aan zullen smullen. Ha, wat had die brave Kees
ze geducht te pakken!"
»Had jij den hond losgelaten?" vroeg zijn vader, die zich de handen
wreef van genoegen over den goeden afloop van het minder aangename
avontuur.
»Losgelaten niet alleen, maar opgehitst ook," lachte Marten. »Hij vloog
er op aan als een dolle, en ik dacht, dat hij van plan was den heelen
vaandrig aan stukken te scheuren. 't Was een prachtig gezicht! En _wij_
hebben de hanen nog, dat is het grappigste van alles."
»Ja, en mijn vier blanke guldens daarbij, jongen. Die schavuiten
beschuldigden mij van met den vijand te heulen, en dreigden mij naar den
gouverneur Sonoy op te zullen zenden, als ik hun geen vier guldens gaf
als onderpand voor mijne trouw. Een mooie eisch, voorwaar!"
»Maar man, wat heb je aan een groot gevaar bloot gestaan," sprak vrouw
Fijtje. »Ik had me geen raad geweten, als ze die bedreiging hadden
uitgevoerd. Gode zij dank, dat zij in hun opzet verhinderd zijn door
Kees. Hij krijgt een lekkere kluif van me, als blijk van mijne groote
dankbaarheid."
»Hé ja, moeder, dat moet u doen," riep Anna uit. »Kom hier, Kees, laat
ik je eens streelen!"
Marten keek zijn vader een oogenblik peinzend aan. Eindelijk sprak hij
verheugd: