Draadje afknippen.... draadje aanhechten.... "honderd-en-vier."

Stilletjes overleggend dwaalden haar denkinkjes weer rond en rond het

zoo vaak overpeinsde geldzorgje.... de schorten, die ging ze lekkertjes

zelf maken, maar de jurk.... knippen had ze nooit geleerd.... d'r

moeder en d'r zusters konden 't ook niet.... Achttien stuivers

vroegen ze voor 't maken.... en acht voor de voering, en nog wel

zes voor verschot.... en een mutsje van tachtig cente.... eer kon

je tòch niet bij de naai-juffrouw komme.... achtenveertig stuivers

was 't bij mekaar.... tjee, achtenveertig stuivers.... daar zou ze

wel achtenveertig weken voor moeten sparen.... achtenveertig weken,

tòe maar!.... en plotseling, met haar geluidloos mond-sperrinkje en

haar krampige schoudertrekkinkjes, zat ze, over haar werk gebogen,

zoo te lachen, dat 'r moeder, opkijkend, moest meelachen van de

weeromstuit....: wat of die malle piet nou weer had.... En met goedige,

spotvragende oogen keek ze naar het kind, maar die naaide door....

"Kijk ze nou eris werken," dacht ze dan, "'t is toch zoo'n goed

schaap...."

Draadje afknippen.... 'r schaar gleed weer tinkelend onder den rand van

't schoteltje in 'r schoot; ze nam het klosje van tafel, wikkelde

wijd den draad af; dan, met 'n handig vinger-strengelingetje,

rukte ze 'm stuk, belikte 't eind, draaide 't in een puntje,

en hield draad en naald tegen 't licht.... de oogjes half dicht

knijpend met een bibberig schuin-optrekken van 'r linker-wangetje,

mikte ze dan.... en de derde maal glipte fijn het witte spietsje door

't smalle staal-splitje heen....

Hè, als je 's avonds op straat die meiden zag, de meiden uit de deftige

diensten.... ze deed niets liever dan dáárnaar kijken.... brandhelder,

die meiden, in de lichte, stijf gestreken japonnen met de witte

schorten, waarin de blokjes nog zaten der vouwlijnen, en met de

glanzig gepepen tulen mutsjes op 't gladde haar! Daar moest je dan de

fabrieksmeiden naast zien, hàar zusters, met 'r flodderige jurken van

valige wollen stof, 'r slordige wollen doeken, 'r lorrig-opgemaakte

hoeden.

Ze was zelf ook zoo gekleed, nog wel in een uitgestukte aflegger

van Sien, maar of ze alles, tot in de kleinste bizonderheden toe,

van die zoo hevig begeerde meiden-kleeding af wist! In een oogwenk

onderscheidde ze, als zoo'n meid, kieskeurig, met 'r boodschappenmandje

onder den arm, haar voorbij ging, of 'r muts een enkelen of een

dubbelen gepijpten rand had, en, naardat de tule haar fijner of

ordinairder leek, raadde ze binnen die schulp-krans een effen bodempje

of eentje van gebloemd batist.... Wat zij zou willen, dat had ze al

lang uitgemaakt: niet zoo'n groote, die stond ouwelijk, en ook niet

zoo'n hooge prop, net of-i zoo op je haar gewaaid is, nee, er waren er

die prachtig als een kroon, los en recht op 't hoofd pasten, met een

zwarte hoedespeld door den haarknoet gestoken:... zóó een; maar dan

nog mèt de mutsebanden!.... dat blank-gestevene, fijne wit vlak onder

'r gezicht, dat ze zelf zou kunnen zien, als ze naar omlaag keek,

en voelen aan 'r kaken... ze zou er wel iederen dag schoone moeten

aanspelden, om altijd ordentelijk te zijn.

Lang kon ze voor de winkel-ruiten staan kijken naar al de patroontjes

voor de katoenen japonnen; je hadt blauw-en-witte en zwart-en-witte

ruitjes; streepjesgoed met witte of blauwe erwtjes, met slangetjes,

ankertjes, of klaverblaadjes van vieren; ook gespikkeld donker marine,

dat niet zoo gauw vuil wordt, en voor 's-avonds, als 't grof werk

aan kant is, het effen licht-blauw en licht-grijs....

En dan de schorten! Ze wist er wel fijne, met kantjes onderaan, met

tusschenzetseltjes boven den zoom, met festons rondom. Die met een

hartje, dat op de borst wordt gespeld, waren maar flutterig; als je

wat degelijks wou hebben, dan nam je een galgeschort, met van die

banden, die kruiselings over den rug gingen.... had zij maar vast

een paar gewone, dacht ze dan, met een opnaaiseltje of twee!

Honderdveertig.... Honderdeeneveertig.... Het schoteltje op haar

schoot liet, door de schaarschere gulden kringetjes heen, al het

rood-en-groen haantje kleuren, dat in den bodem stond.

Als zij eindelijk opkeek, was langzaam-aan de zon gezakt tot laag boven

de verre badhuis-boomen. Het roode daakje en de witte muur-stukjes,

die met het lente-ijle olmen-rijtje zacht-ver over het groen-duistere

dijkje te kijk lagen, waren als met teeren schemer beslagen onder de

blakende goud-bank, waardoor nog de zon zijn felle straal-kern boorde.

Door het kamertje viel, schuin aan den achterwand, langs de gele

bedstee-deuren, en met een hoekje over de roode tichels van den

keukenvloer, een breede baan rood-goudige gloed, waarin lang en dwars

gerekt het kleine ruitwerk van het raam schaduwde en fijn-zwart de

bloem-figuren van het gordijn.

Het kind, onderuit gegleden in haar wijden stoel, had de zware

rol linnen nu voor zich op tafel liggen, en bewreef haar vingers,

dunne vingertjes met kortgeknipte nagels aan de vierkante toppen,

die pijn-prikten van 't pikken door de harde stof.

Haar stille muizen-oogen, grooter en donkerder nu in 't warm-bezonkene

avond-licht, volgden spiedend haar moeders doening, hoe die de laatste

ijzerhalen over het laatst te vouwen boezeroen streek, luchtigjes

het linnen in stapeltjes deelde en handig in de manden schikte; dan

ging ze haar plank en haar bouten bergen, en rinkelde in de keuken

met kommetjes en een waterketel.

Het kind, met een schrijn-schurend geluid over de hard-gladde

zitting, schoof nog verder onderuit in den stoel, trok de tafel

naar zich toe, over haar knieën heen; met haar spitse ellebogen op

de twee paardenharen armkussentjes, en haar inééngevingerde handen

over de ingedrukte borst gespannen, lag zij dan lekkertjes-lui

rechtuit-gestrekt.

Nu ging 't weer eens goed worden.... nu was 'r moeder aan

't koffiezetten, kregen ze een kopje vooraf, voor de zusters

kwamen.... Zij hoorde het knisterend brijzelen der boontjes in den

molen, het bruisend watergutsen in de tinnen kan.

Met halfdichte oogjes snoof zij den geur op, die hartig doordrong,

en bleef vaag kijken naar de donkere gedaante van haar moeder, die nog

kwam en ging door 't roodige licht, dat in de open keukendeur stond.

Vrouw Plas bracht één kommetje voor, dan nog een.... met de dampende

kommetjes in de hand zaten zij nu samen, de vrouw vlakbij geschoven,

haar voeten op de breede richel van 't potkacheltje,--het kind, weer

overeind-gewerkt, vóór in den stoel, met een klein-ronden rug, waarover

'r haarstaartje, een rossig hagedisje, nog juist wat goud ving.

Zij spraken zacht, met droomerige stemmen en met lange poozen

van eensgezinde stilte. De vrouw dacht aan 't afgedane werk, aan

't rondbrengen, dien avond, van de waschjes; het kind, diep in haar

hoofd, zag aldoor de kleur en de teekening van het jurkegoed, dat

zij dien middag gekregen had, dat water-heldere blauw met de takjes

van drie fijne witte blaadjes daarover gespreid....

"Je zal wel moe zijn," zei het kind, "twee zulke manden vol...."

"Och.... zóó...." zei de vrouw.

Dan zwegen zij weer, lipten voorzichtig aan 't heete vocht, zaten

peinzend te kijken in den opkrinkenden damp.

"Als 't alle dagen nog Zaterdag was," herbegon mijmerend de

vrouw.... "je kon alle dagen je waschjes brengen, je geldje halen...."

"Waschjes op je eige is niet veel meer tegenwoordig," zei ouwelijk-wijs

en bedenkelijk-knikkend het kind.

En later de vrouw weer: "Je mot dichter bij de rijke buurte

wone.... bekender wone.... 't Dijkje, dat willen ze niet.... En de

inrichtingen...."

"De inrichtingen, die doen véél scha," peinsde het kind. Ze vond

't heerlijk, zoo stil met haar moeder te praten, als twee groote

menschen, en wat warms drinken, in den schemer, en 't huisje in rust;

wàt ze praatten, dat gaf niet, als ze maar zoetjes zoo wat zeiden,

om beurten....

"De Antwerpsche wasscherij.... en de Hoop.... en de Nieuwe

strijkinrichting...." vaagde, met lange rusten, de stem van de vrouw

weer door 't lage kamertje, waar het scheidende zonne-rood in een

laatste verdwaalde veeg nog de bruine zoldering bestreek....

"En de wasscherij op de Steengracht...." ging zachtjes de kinderstem.

De vrouw zat flauwtjes, langzaam-nadenkend te knikken, boven haar

leege kommetje, stond op en goot beiden nog een warm scheutje bij.

Dan dronken ze weer en zwegen een langen tijd.

Ze zaten hoe langer hoe meer weggewischt voor elkaar in den winnenden

schemer; het kind zag nog klaar haar moeders gezicht, en de moeder

de kleine handen, die het kind nu in elkaar hield op den tafelrand.

Het licht aan den zolderhoek was weggeslonken, en het kamertje waasde

in één grijzige bruinheid van avondduister.

Maar buiten, over het open dijkje en de donkere badhuisboomen,

waartusschen zooeven de dof-roode vuur-drop in lood-grijs versmolten

was, stond nog de wijde hemel van wonder schemer-rood gepluimte

volgewaaid.

"Wát 'n lánge dagen al," zuchtte tevreden de moeder.

"En 't spaart je nog al geen olie uit...." femelde zoetjes de stem van

't kind terug.

Toen, óver half acht,--'t was Zaterdag--kwamen, vlak na elkaar, de

twee zusters thuis van 'r fabrieken; eerst Sien, die in de plooien

van 'r kleeren altijd de scherp goor-zure lucht meebracht van 'r

azijn-makerij, dan Ant, uit 't tricot-fabriek.

Dat was opeens een herrie en volte in 't stille huisje, een lawaaiig

loopen, waterkletsen aan de pomp op 't plaatsje, roepen om koffie,

om boterhammen.

En de moeder dadelijk in de weer.

In de keuken geelden de muren aan, doofden weer even, stonden dan

kalm-belicht. En het kind, uit het voorkamertje komend, keek met

een schichtig-knipperende gluring der weer verfletste oogjes in de

scherpe lampe-vlam, waar het kapje nog niet over was gezet.

"Dáár hei je Sprot!" lachte plagerig Sien, die 't kleintje niet erg

lijden mocht.

Zij zei niets terug, wachtte nog even bij de deur, tot de moeder geen

licht meer noodig had in de kast, en ze alle drie goed en wel zàten

aan de nu rustig-overschenen kleptafel. Dan sleepte ze haar stoel aan,

en hield zich stil, klein en minnetjes tusschen de gezonde posturen van

'r twee zusters,--Ant, breedgebouwd, mager en donker als haar moeder,

Sien, blonder, blanker, wat smaller maar molliger ook, en met sterke

staal-blauwe oogen onder de zwarte wenkbrauw-streepjes.

Het kind, zonder een woord, zat haar avondbrood te eten, dat zij met

zorgvuldig overleg in reepen en blokjes sneed, en in haar aangelengde

koffie doopte. Zij scheen daar wel al haar gedachten bij te hebben,

niets te hooren van wat Ant en Sien zaten op te praten tegen elkaar

en tegen de moeder over een ruzie, waar ze bij waren geweest, tusschen

Sien d'r vrijer en z'n famielje.

"En als je dan eindelijk dacht, dat 't gedaan was," vertelde Ant,

"dan zeit dat ouwe wijf: "vos, je zel mij nie vange," en dan begon

't spektakel weer van voren af aan."

"Hein ken d'r genéén van z'n eige femilie an," mokte Sien, met 'n

teleurgesteld-minachtend lippen-pufje achterna.

Dan aten ze zwijgend een oogenblik.

Toen, opeens, zei het kind, raar van boven haar bord oploenzend naar

den vensterhoek, zonder iemand aan te zien, en pratend met een fijn,

vies mondje:

"Hein.... die ziet 'r net uit, oftie altijd 'n poepje mot late."

"Vèrrek! hoor háár nou!.... hóór d'r nou...." schaterde Ant, die

stampvoette van 't lachen. Ook de moeder lachte met haar goedigen

spotlach van: hei je nou ooit!

Maar Sien, felrood op eens, beet van zich af met een venijnig

gescholden "Sprot! Zòt!"

"Nou......" zei de moeder, "ze dòet je toch niks?"

't Kind, haar hoofd weer laag over haar bord, zat moeilijk haar

lach-sperrinkjes te verbijten; alleen het zenuwachtig saamtrekken

van 'r schriele schouwertjes verried haar plezier; en zoo duurde

haar stiekeme lolletje tot, na 't eten, ze Sien het voorkamertje zag

ingaan en op 't lâ-kastje kijken. Plotseling vloog ze, angst-gestoken,

overeind; om klaterde de stoel.

"Kleerkoop!.... kleerkoop!" zong tergend Siens schelle stem, en ze

hield hoog boven haar hoofd het pak, terwijl de holle schuit van het

afgescheurde papier naar omlaag zeilde.

"Wat?.... wat?" vroeg de moeder....

Het kind, met doodsbleeke wangen en een trillend-verkrompen mondje,

kreet, schor van drift, of de klanken haar niet uit de keel wilden.

"Van mij! Van mij!" krijschte ze.

"Toe! laat maar...." goelijkte Ant, die 't van andere meiden d'r

zusjes gehoord had, "'t is van de bedeeling op de naaischool...."

Maar dan de moeder aan 't lamenteeren: en God nog en toe, en had ze

nou niet een uur wel zitten praten met 'r, en koffie met 'r zitten

drinken.... en zou zoo'n naarheid nou ook eens een bek opendoen,

eris wat vertellen.... 't eris laten kijken aan d'r moeder? Geen

kik had ze gegeven, niet eens gezeid, dat 't de laatste keer was van

't naaien! was 't nou niet God geklaagd....

"As gluiperdje dood is...." sarde Sien, 't kind voorbij de keuken

inschietend, en Ant, die nu ook boos op 'r werd, zei schamper,

terwijl ze, omkijkend, achter tegen haar elleboog tikte: "Nou! jij

heb ze hier, hoor!"

De drie vrouwen, bijeengedrongen, neusden om het goed, dat Sien nog

hoog hield voor de grijpvingers van het kleintje, bewreven en bestreken

de afgerolde einden, gristen de lappen door elkaar; zwaar vulden de

drie groot-breede lichamen het midden van de keuken.... en klein,

in hun schaduw, een paar stappen af, stond het kind 't aan te zien,

zonder een woord meer of een beweging. Maar 'r oogjes staken kwaad,

valsch de schrille pupillen, en haar bleeke mondje was in verbetenheid

tezaam geperst...... Zouden ze haar helpen met 'n dienstje? zouden

ze haar geld geven voor de naaister?.... dan ging hun dat goed toch

ook niet aan?.... 't was haar goed.... van haar alleen.... ze hóefde

't toch niet te laten kijken, als ze niet wou....?

Toen, met een plotseling genoeg hebben van de pret, plof, liet Sien 't

heele pak vallen, en liep dan zingende 't schemer-donkere voorkamertje

door en de deur uit.

Het kind, zenuw-haastig, scharrelde het los-gevouwene in haar armen

bij elkaar, sloeg, terwijl zij de keuken uitvloog, beschermend haar

jurk-rokje er rondheen, en door de deur, die Sien opengegooid gelaten

had, strompelde ze de smalle treedjes op van de vliering-trap, die,

als een ladder met breede sporten dadelijk om den hoek der kamerdeur

in het portaaltje steil omhoog stond.

Boven bleef ze eerst versuft in het duffe donker, waar alleen 'n plekje

sidderend licht, van de eenige lantaren buiten, bij het dakraampje

aan de balken weifelde.

De tranen sprongen haar fel in de oogen. "'t Is gemeen, 't is gemeen,"

grijnde ze en schopte tegen de vale bult van Sien 'r afgehaalde bed.

Zoo stond ze nog een oogenblik, trillend-gespannen van machtelooze

woede, snikkend, 'r twee handen verstijfd aan 'r rokje met 't

builende pak.

Plots dan voelde ze wàt ze daar droeg,.... óch-Gód dat goed, dat op die

smerige grond was gevallen, dat ze hadden geknoeid en beduimeld.... en

met al haar gedachten dáár ineens bij, liep ze op 't raampje toe,

kroop op de kist die daarvóór onder de donkere dak-schuining school,

en op 'r knieën bij het drein-wiebelend licht, dat achter de twee

smalle, grijs-bedropen ruitjes waasde, bekeek ze de lappen-hoop,

streek een voor een de stukken uit, veegde ze glad, en paste en

plooide, tot haar mooie goedje weer kreukeloos in de vouwen zat,

zooals ze 't had gekregen.... Gelukkig, er was niets aan bedorven!

Dan lei ze het voorzichtig naast zich op de kist, liet zich omdraaiend

neer-glijen, en bleef zoo zitten, langzamerhand tot 'r zelve komend,

zonder veel gedachten meer.

Toen sinds een tijd al het kind beneden zich het huisje gehoord had

als een putje van stilte tusschen de kleine, bekende geluiden der

buurt, nam ze haar goed op, en, 't voor zich uit houdend, tastte ze de

vliering-trap weer af, luisterend toch telkens nog, of wel werkelijk

iedereen uit was.

In de keuken brandde als een gloeiend spijkertje de lamp, die ze

gauw ging opdraaien. Ze had nu geen trek in vóór zitten, want de

luiken waren opengebleven, en naar buiten gaan om ze dicht te doen,

dat dorst ze eigenlijk niet goed.

Met knussigheidjes van bedisselen liet zij dan het keukengordijn

zakken, zette een schoon blad van de kleptafel op, lei daar nog de

Advertentie-bode over, haalde zich de minst doorgezeten stoel en de

hoogste stoof, ging even haar naaizak uit 't kamertje krijgen; dan,

de lamp vlak achter zich, zat zij opzij van de tafel, haar knieën

opgetrokken, haar hoofd wat kouwelijk diep in de schouders, haar

halve haartje en haar eene sproetenwang goudig in den lichtschijn.

Nu, eindelijk, op haar verdrag, kon ze dan genieten van haar

schatten....

Ze hield 't blank-blauwe katoen, een slag of wat uitgerold, onder

haar kinnetje, langs haar borst, streek 't omzichtigjes glad, keek,

schuin van boven af, er langs neer.... 't was héél mooi....; dan

liet ze het lager, opzij langs haar been afvallen, keek weer, haar

bovenlijf scheef achteruit.... keek lang, lachte er tegen; nuffige

neepjes van plooivalling gaf ze, poefte de stof op, aaide ze weer

effen langs 'r smalle heup.... 't was héél mooi....!

Dan, tusschen haar twee duimen en wijsvingers, vlak met 'r neus erop,

wreef ze 'n hoekje van 't katoen, hield het gewrevene onder de lamp:

"niks geen pap.... dóórgedrukt.... deugdelijk goed.... wel acht

stuivers de el," dacht ze.

Nu kreeg haar witte schortegoed een beurt, en dan het bonte.... "bijna

niks geen pap," zei ze nog eens.

Ze liet alles breed-uit voor zich op de schoone krant liggen; ze had

alle tijd: 'r moeder was met de grootste van de twee waschmanden uit;

'r zusters kwamen 's Zaterdagsavonds nooit voor tienen thuis.

Ze zat in een genoegelijke verademing van zekere rust.

Het licht, onder de deukige, zwart-gelakte kap uit, lag, om de

kern-schaduw der platte porceleinen peer, in een bochtige schijf

over tafel en half over haar heen; achter haar stond het in grillige

vakking over den tichelvloer en een eindweegs tegen den muur op.

't Was heel stil in 't keukentje; de buurmenschen van weerszij

leken wel allemaal op Zaterdagavond-boodschappen uit; alleen klonk

bij poozen, dof lang, als een gedempte donder, 't balrollen in de

kegelbaan van de Hanekamp, de groote uitspanning, die om den hoek van

't Dijkje lag.

En friemel-plooiend de stof tusschen haar dunne vingertjes, begon

juist het kind een zoom te leggen aan haar eerste blauwe schort, als

er plotseling een driftig klink-rammelen ging aan de voordeur, en met

een paar nijdig-wijde stappen Siens vrijer op den keuken-drempel stond.

"Is Sien uit?" vroeg hij barsch.

't Was een korte, zware jongen, met een rood, stevig gezicht, en met

bolle blauwe oogen zonder veel wimper.

Het kind was wel even geschrokken, maar gek, voor die Hein was ze

nooit bang; "tjee," lachte ze in 'r zelf, "kijkt-ie weer drukke."

"Is Sien er of niet?" herhaalde de jongen, kwaadaardiger nog dan de

eerste maal.

"Nee, ze is uit," zei het kind eindelijk....

"Ze is al wel een uur uit," zei ze nog achterna, toen haar lachertje

bezonk; en de jongen, die al weg was, trok met een vloek de voordeur

dreunend achter zich dicht.

"Tjee, die Sien!" dacht het kind, "nou zal ze ruzie krijgen!" en

door 'r kleine, groenig beslagen tandjes, gedrukt in de onderlip,

haalde ze "ffff" de lucht op, terwijl ze, schoudertjes omhoog, even

met bedenkelijke oogen groot-strak onderuit keek.... "Nou efijn" zei

ze dan, en de nijvere handjes priegelden alweer aan het schortegoed,

plooiend den zoom precies op het ruitje af, met 'r eene hand de

vouwtjes opeen-voegend tusschen het telkens zich openende kneepje

van de andere wijsvinger en duim.

Vijf minuten later was de jongen al weer terug, kwam nu bedaarder

de keuken binnen, tot bij de tafel, die warm het lamplicht in zijn

gezicht opscheen.

"Zeg nou 's, Merie, waar is Sien heen?" vroeg hij, probeerend zijn

stem vriendelijk te maken.

Maar 't kind, niet denkend dat hij 't weer zijn kon, was bij 't klikken

van de klink erger geschrokken dan de eerste maal, had instinctmatig

het goed bijeen gepakt, de krant er over geslagen.

Schichtig trok ze de schouders op.

"Toe, je weet 't wel," zei de jongen, "wanneer is ze dan uitgegaan?"

Het kind maakte eerst nog een schutterig beweginkje van niet-weten,

zei dan plots:

"Ze hadden me getreiterd, toen ben ik naar boven geloopen, en toen

ik weer beneden kwam, waren ze allemaal uit...."

"Zoo, had ze je getreiterd...." zei de jongen.

Zij haalde haar bonte schortegoed weer uit de krant, rolde die rond

't andere heen, om er gauw mee weg te kunnen, nam haar naaizak....

De jongen was op een stoel achter de tafel gaan zitten, keek met zijn

felle, naakte oogen schril in de lampevlam, terwijl zijn gave, gevulde

wangen van te hoogrood vleesch even zacht blonken op de koonen, en de

kaken, fijn-blond-overdonsd, een glanzigen schemer vingen óver hun

blakende kleur; onder z'n dun, wittig snorretje zat zijn rauw-roode

mond met een kwade groef naar beneden getrokken.

't Kind vond hem raar en griezelig als altijd, maar ze had nu ook

wel medelij met 'm.

"Wou je wachten tot Sien thuis kwam?" vroeg ze, bedeesd voorkomend,

"je ken wel hier wachten...."

Hij zei eerst niets, bleef in de lampevlam staren tot zijn oogen

knipperden, keek dan naar 't kind, dat steelsgewijs naar hem keek.

"Je ken toch altijd zoo gek doen, Sprotje," zei hij op eens.... "zoo

gek lachen.... maar je meent het niet kwaad."

Het kind, dat begonnen was 'r zoom-steekjes te leggen, bleef diep over

haar werk gebogen zitten; ze vond 't niet aardig, dat hij 'r bij d'r

scheldnaam noemde, maar hij deed 't zóó vrindelijk, dat 't toch wel

prettig was. En te verlegen om op te kijken, zat ze bij zichzelf stil

berouw te hebben, dat ze zoo leelijk over hem gedacht had, strakjes.

Een uitval van den jongen deed haar plotseling opschokken.

"Een kreng is je zuster.... een krèng!" snauwde hij, met zijn fellen

kop vooruit naar de deuropening, zijn twee vuisten gebald op zijn

knieën, "een groot kreng...."

"Ze weet veel te goed, dat ze zoo mooi is!".... mokte hij achterna.

Daar hadt je 't nou weer, dacht 't kind, nou was Sien weer mooi; die

wilde, rooie Sien, met haar waaierige haren, die altijd zoo zuur rook,

en zulke groote rare tanden had.... net een jodenkerkhof.... als die

nou mooi was!

"Ik vin me zusters niks mooi," zei ze met een vies mondje.

De jongen keek haar goedig aan.... "Ant niet, maar Sien.... Sien is

'n mooie meid, Sprotje.... jezes, zoo'n mooie meid! Maar ze weet

't te goed, ze het lak aan de jongens, ze kan d'r krijge zooveel ze

maar wil. Na mijn weer 'n ander. Ze geeft er om geneen wat. Ze mot

een jonge hebbe, die cente het...."

"Weet je wat ze nou wil," zei hij opeens vertrouwelijk over de tafel

leunend, "ze wil 'n goue kettinkie van drievijvetwintig hebbe.... Als

ik de cente nou niet heb, ken ik toch zoo'n kettinkie nie koope.... en

dan zeit ze maar, Jan Aalders zou 't wèl geve.... en 'n andere dag

weer, die jonge van Bertels zou 't wèl geve.... makkelijk genog,

die z'n vader het de guldens maar voor 't opscheppe.... die kan mooi

geve.... ik heb de cente niet...."

"Jij verdien nog nie veel, wel?" vroeg 't kind.

"Vijf gulde," zei de jongen. Hij zuchtte, en zijn rooie gezicht werd

nog rooier.

"Vijf gulde, da's nie veel.... en da's wèl veel" zei nadenkend 't kind,

met klem van spreken.

Dan, plotseling, moest ze lachen, omdat hij zoo'n kleur gekregen had.

"Toe," zei de jongen kregel, "begin nou niet weer.... doe nou niet

zoo gek!"

"En jij dan?" had 't kind al gezegd voor ze 't wist; toen bloosde ze

zelf tot op 'r voorhoofd, en bukte snel weer over 'r werk.

Er was een lange stilte in het keukentje.

Zij, al priegel-pikkend, luisterde aandachtig, of moeder of Ant nog

niet terugkwamen. Ze begon 't eng te vinden.

De jongen zat weer te staren in de lampevlam.... nou had-ie nog al z'n

nieuwe boezeroen angedaan met dat rood-zije koretje, en z'n goeie pak,

omdat 't Zaterdagavond was.... lamme meid!

Hij schoof z'n pet achterover, zoodat zijn kortgeknipt wit haar met

een stijf-scheef kuifje er onder uit kwam plukken; dan wreef hij met

zijn paarsig-roode hand langs z'n voorhoofd:

"'k Ben wel stapel, dat 'k hier zit te wachte," zei ie, maar hij

bleef zitten.

"'k Ga 'n pot bier drinke," zei ie een tijdje later, maar hij bleef

nòg al zitten.

Hij haalde een zwarte dikke sigaar uit z'n buiten-bovenzak, draaide

'm rond tusschen z'n lippen, bekeek 'm, stak 'm weer weg.

Het kind begon hard te verlangen, dat er nu een eind aan zou komen;

ze was moe, en branderig in 'r gezicht, en rillerig tegelijk....

Het rustige onweer van de kegelbaan pomde nog altijd los met lange,

zachte uitrommeling.... In de verte was het dof geruisch, als een

eindelooze zucht door wijde eenzaamheden, van een trein; en een vaag

gekrijt schreide toen op, vlood met een kort flauw fluitje.

"Kwamen ze nou maar thuis," dacht 't kind.

De jongen begon te schuiven op z'n stoel, wreef met z'n handen over

z'n knieën....

"Je zou d'r.... je zou d'r...." barstte hij dan los. Maar hij hield

zich in; dat kind had 'm toch niks gedaan.... en hij streek maar eens

met z'n zwart-nagelige vinger over 'n hoekje van 't blauwe katoen,

dat uit de krant piepte: "netjes," zei ie.... "fijn...."

"Pas op, pas op!" schrok het kind "'t is me goed van de bedeeling,

op 't naaien."

"Fijn," zei de jongen nog eens, "maar licht, zal gauw vuil worde op

't fabriek."

"'k Gà niet naar 't fabriek," zei 't kind fel, met ronde schrikoogjes

hem aankijkend.

"Zoo," zei de jongen alleen.

"'k Gà niet naar 't fabriek," zei 't kind nog eens, "'k ga dienen."

"Dienen is ook hard werken," kwam nu de jongen bij, "me zus het

gediend, maar ze het 't niet kenne volhoue.... ze is nou op 't fabriek

van de Lange.... Waarom wou jij niet naar 't fabriek, Sprotje?"

Hij vroeg 't weer zacht-vriendelijk, in een soort ondergrondsche

vertrouwelijkheid, omdat hij aldoor dat kind met zich gevoeld had,

tegen Sien.

En het kind voelde ook wel de goedgezindheid van den jongen,

begon zachtjes klagend te vertellen, dat zij zoo bang was voor

't fabriek, zoo vrééselijk bang....: "altijd zoo'n leven om je

heen, en allemaal tussche vreemde," ze ging haast huilen van moeie

opwinding.... "allemaal vreemde, en altijd opzichters achter je aan,

en overal groote wielen...."

Ze sidderde, kneep 'r handen in elkaar, terwijl ze doorklaagde, wat

kalmer weer: "en zoo zwart.... en zoo smerig.... en al de manne,

as die er uitkomme... ze zou'e je doodloope.... ik droom er soms

van.... altijd vloeke en lol...."

"Hoho maar," zei de jongen, die 'r als een gek had zitten aankijken,

"die lol, die kenne ze wel op. Hard werken en 'n beetje verdienste...."

Toen schoot het kind opeens in haar plooi van plezierige

oud-vrouwtjes-praat. Ze borg haar spullen in de krant, haar naaigerei

in den sitszak, zat kleintjes gedoken, met kouwelijk 'r handen

kruiselings onder de oksels, doodmoe van den langen dag, van al de

opwinding en al 't verdriet, haar oogjes slaperig flets, en diepe,

blauwige kringen ingezakt boven het strakgespannen vel der jukbeenen.

"Een beetje verdienste.... en een groot huishou'e," kwam ze zachtjes

bij-femelen, "armoe lij'e.... en dan worden 't sociale...."

"Niet allemaal," zei de jongen.... "ikke niet."

"Jij dan niet... maar later... as ze getrouwd zijn..."

"En dán," zei de jongen, "'n werkman mag toch wel voor z'n rechte

opkomme...."

"Nou.... ja...." rekte zeurig-bedenkelijk de kinderstem.

Toen, met blinkende oogen en bebloosde wangen van den frisschen

avondwind, kwam Sien binnen-gevallen.

Ze ontstelde wel even, als ze Hein zag zitten, maar dadelijk was ze

klaar met 'n brutaal-spottend:

"Nou, as jij liever met me zussie vrijt...."

De jongen stoof op! Zoo'n beest.... nou dorst ze nog zoo te

beginnen.... had hij niet 'n uur op 'r loopen wachten?.... een heel uur

op en neer geloopen?.... nou hier nog 'n uur zitten wachten....? Gemeen

kreng!

Het kind, met wakker-geschrikte oogjes, was achteruit geschuurd,

de stoof omver trappend, had 'r pak gegrepen, stond achter de

tafel 't aan te zien.... hoe dorst ze, die Sien,.... nou nog

terug te schreeuwen.... en die stakkerd van 'n Hein, hij had toch

gelijk.... Kijk-tie paars worden in z'n gezicht.... en die astrante

meid.... die was nou mooi, die meid!.... oogen waar je bang van

werdt, en die ragebol van dat haar, en die tanden met dat tandvleesch

allemaal bloot als ze lachte.... nou lachte ze weer.... kijk nou.... ze

lacht 'm in z'n gezicht uit.... en tjee, kijk die Hein nou woeiend

worden.... als-t-ie maar nie slaan ging, tjééee....!

Dan, klak, klak, vielen de luiken van 't kamerraam dicht,.... daar

hadt je moeder!

Sien, Hein 'r achterna, 't kamertje door, liep in 't portaaltje de

vrouw tegen 't lijf....

"Heila! waar mot jij na toe?" baasde die ruw; maar Sien, dol, gilde

van lol en angst door elkaar, "hij slaat me! help! hij slaat me!" en

rende door de open deur het dijkje op.

En Hein, die even had willen gaan sussen: "Hoor nou, vrouw

Plas...." razend 'r achterna.... "Sien! toe nou, Sien!" hoorde 't

kind hem nog roepen.

"Wel voor den donder," gromde de moeder, die 'r leege mand ijlings

neerzette, de volle greep.

"Ben jij daar, Merie?"

"Ja moeder."

Maar ze haastte zich al 't portaal door, de twee achteraan, de deuren

openlatend.

Even klonken nog hooge stemmen langs den dijkweg, dan lag het huisje

leeg-stil in huivere holheid.

"Hu!" zuchtte 't kind door 'n rillertje heen: "zullie liever dan ik!"

Wat verwezen was ze op den stoel bij de kamerdeur gaan zitten, voelde

dan weer, in de nacht-kilte, de rillingen over haar pijnlijke ruggetje

loopen; haar oogen staken van den slaap.

Het pak had ze nog op schoot; dat ging ze eerst vóór, op den stoel bij

't bedstee-deurtje leggen. Dan kwam zij de lamp van de keukentafel

halen, droeg 'm met twee handen, voorzichtig over den drempel stappend,

op de tafel voor 't raam .... hèèè, daar lag die rol gordijnen

nou.... die nare Sien ook.... en "ffff" zoog ze de lucht weer door

'r tanden: de voordeur stond open....!

Op 'r teenen sloop ze òm langs den muur, leunde tegen den post

van de kamerdeur, en helde met 'r uitgestrekten arm 't portaaltje

in.... Net bereikte 'r hand de voordeur.... met twee vingertoppen

trok ze 'm moeielijk aan, keek even huiverig naar buiten--'t was

koud.... nachtvorsten.... dacht ze--en duwde 'm zachtjes, gauw, in

't slot. Ook de kamerdeur sloot ze goed, ging dan de bedsteedeurtjes

openzetten.

Van binnen waren die, als het achterbeschot en de beddeplank, donker

gras-groen geverfd. Daartusschen, als in een groen-afgeschut kamertje,

den stoel met haar pak tegen het voeteneind-deurtje naast zich,

voelde ze zich veilig, ging zich snel uitkleeden.

't Bruine merinos-jakje, met de lichtere lapjes op de ellebogen en

onder de oksels, wou nooit dan met omzichtig en stroef trekken uit;

dan hing ze 't over de stoel-leuning als over een kapstok; 't rokje

was al uitgegleden.... de grijs-en-blauw baaien onderrok zakte na;

ze stapte er uit, en stopte ze zorgvuldig om haar kostelijke pak.

De laarzen waren gauw losgeveterd, de roodbruine kousen afgestroopt

en omgetrokken.

En nu, vaal-wit schimmetje in 'r groen-schemerigen hoek buiten

den lampe-schijn, stond ze op 'r bleeke voetjes voor de bedstee,

die kleine Sprot.... 't Staartje, langs den dunnen bruinigen hals,

puntte neer over het witte keper, dat 'r smalle lijfje omspande;

uit de half-lange mouwen van dat borstrokje pijpten de magere armen;

en sluik om 'r heupjes weg, viel plooiend 'r gestreept wit-katoenen

onderbroekje tot laag op de dunne kuiten.

Even stond ze zoo, 't kippevel op 'r armen.... Ze schoot haar

nachtjakje aan, sloeg het dek open; dan, met een geeuwtje draaide

ze zich om naar de kamer toe, tilde zich op den bedstee-rand, en

met 't zelfde vieze vissche-snoetje, dat ze elken avond trok als

ze in bed kwam, wipte ze om, en schoof zich op haar plekje tegen

het keukenbeschot.

Maar slapen kon ze niet.... hè, als ze nou later is 'n groote dienst

had, en ze had 'r eigen bed, een open ledikantje met lekker beddegoed,

op een lief zolderkamertje,.... en d'r eigen kastje.... als er nou

maar gauw een dienstje kwàm, al was 't dan maar voor dagmeisje 't

eerste jaar.... En zoo dwaalden al 'r zorgjes 'r door 't hoofd.... de

achteveertig stuivers.... wat er Maandag voor werk zou zijn.... of

ze nog wat mee zou krijgen van 't ringen naaien van dien middag....

Dan dacht ze er aan, dat 't morgen Zondag was.... het witte kerkje

zou wel vol zon staan.... in de zijbanken, waar behalve zij nog maar

twee of drie menschen zaten, in haar hoekje dat de stovenzetster

'r altijd gaf, zou ze wegduiken in den koesterenden groen-gouden

schemer van het toegehaalde saaien gordijn.... als ze noù nog 's een

nieuwe jurk had om aan te trekken.... ze zou maar vroeg gaan.... lang

het orgel hooren voor domeni binnen kwam, het orgel, waarin zoo'n

heerlijk-zacht fluitje kon kwinkeleeren... en zoo sliep ze in.

Den volgenden Maandag-middag, opgewonden, kwam Ant met nieuws uit

't fabriek.

Ze waren met 'r drieën op 't kleine, bruine klinker-plaatsje,

dat aan het weiland grensde; Ant stond in de open keukendeur, de

moeder, in den schaduwhoek bij 't pleetje, was aan 't tobben boenen,

en warmpjes in de zon, leunde Marietje met de handen op 'r rug tegen

het achterhekje, een grijs-geverfd staketseltje, dat even wiebelend

meeboog onder haar zwaarte.

"Die meid van de Nijs.... die is nou al wéér gesnapt"--vertelde Ant,

"van mòrgen vroeg;.... die zalle we óók niet werom zien.... de patroon,

die is op stelen.... nou!.... en zoo astrant.... weer in 'r vuile

schort gepakt.... een heele kluit wol.... d'r broertje stond aan de

poort te wachten...."

"Tjee, hoe durft ze!" deed Marietje overdreven méé met het

verhaal, om het voort te dringen en voorbij de oppering van een

mogelijkheid.... maar ze moest slikken onder 't zeggen; haar grijze

oogjes sperden bang in 't smalle gezicht.

Toen--daar wás 't--voelde het kind zich koud worden en heet tegelijk;

het bloed schoot weg uit haar hoofdje, dat raar en ijl stond op

'r zinderend lijf.... Onder het verder-vertellen van Ant had zij

haar moeder zich half zien oprichten van de druipende tobbe, even

hoofd-wenken háár kant uit, en dan, vragend met 'r oogen, kijken

naar Ant....

"O! O!" kermde het kind inwendig, alsof zij kromp van 'n plots

in-vlijmende pijn.

Maar Ant, goddank, knikte van nee.

"Nee," zei ze, "'t is een meid van zestien, en groot voor d'r

jaren.... Merietje ken d'r wel drie keer uit!... en werken dat die

meid kon!"

Ant praatte nog door, de moeder gaf antwoord en vroeg, maar het

kind had zich afgewend, stond stijf-aangedrukt tegen het hekje,

'r handen geklemd om de schilfer-splinterige punten, tuurde duizelig

uit in het bezinken van den angst-schok.... wat 'r hart klopte!.... 't

bloed voelde ze bonzend jagen langs het hout.... parelige sliertjes

versprongen en tril-dreven over de helle lucht....

Dan, langzamerhand, kwam ze tot een leege, gedachtelooze rust, waarin

'n vage naarheid zachtjes verdreinde, bleef ze staan kijken, zonder

wil, naar al de bekende dingen van hun achteruit....

In de Hanekamp hoorde ze de ringen van den schommel knarsen; ze boog

wat over; rechts, boven de hooge haag, wist ze het zware paalwerk

opstaan tusschen de loover-dakjes der prieelen. De touwen zwingden

hevig toe en weg, en een hoed tuimelde telkens boven het groen uit.

De timmerwerf naast de uitspanning blaakte in de middagzon, laag

met zijn platte, open schuren vol stapeling van blanke planken;

er liep niemand....

Maar van-achter die werf, onder de bolle kruinen van een rij

kastanjes-in-bloei, kwam de lijnbaan een eindweegs het weiland

ingehoekt; daar, onder het lage, lichte gebladerte, door-strepeld van

roomgele kaarsjes, zag het kind den touwslager, handfrutselend boven

zijn wijde schort vol gevezelte, langzaam stappend de baan afkomen,

keeren bij 't zwart-houten huisje aan 't eind, en terug-gaan weer

onder het boomen-groen langs de deinende touw-lijnen.

In de verte waren er woninkjes achter zwart-geteerde schuttingen,

en een zwart terrein met kolen-loodsen van 't spoor.

Doch recht voor haar uit tot aan den nauw-zichtbaren trein-dijk, en

links-af zoo ver het oog maar mat, wemelde, groen en vlijend zilver

in zon en zachte wind, de vlakke wijdheid der weiden, waar alleen

diep-weg wat flauwe vlekken waren van blank vee.

Het gras stond malsch en hoog, met kleine pluimen in den top. Over

een paar weken zouden ze wel gaan maaien, dacht het kind. Dan kregen

ze misschien weer zoo'n hooge hooiberg vlak voor hun hekje, als 't

laatste jaar. Dat rook nog lekkerder dan een schoone wasch.... ze

zouen nou wel gauw maaien gaan....

En met dat plezierige gedachtetje op streek weer, liep ze 't huis in.

De moeder en Ant hadden het stille kind nagekeken, moesten even lachen

om dat sluike wegloopen.

"Ze zal nog wel 's loskomme," zei Ant, "ze is bijdehand genog,.... laat

ze eerst maar 's op 't fabriek weze...."

Een evene besluiteloosheid kwam over 't gezicht van de vrouw:

"'k Had anders net zoo gedacht, van morrege...." zei ze, "às Merietje

nou 'r heele hart op diene heit gezet.... wat zou jij nou zegge....?"

"Malligheid," zei Ant, beslist, "je mot er geen bang-schieter van

maken.... wat hei je nou voor leve as je dien.... altijd alleen.... ze

telle je de aardappels in je mond.... En je mot ommers zoo'n kind

niet toegeven, om 'r bestwil."

"Nee," zei de moeder, "dat mòt je ook niet."

Hoog en breed stonden de twee vrouwen in de schaduw-en-zon van het

plaatsje. Beiden hadden hetzelfde soort grof-pluizig, zwart krulhaar

boven een hoog voorhoofd, dezelfde beenig-breede, koonen-gezichten, de

moeder wat geliger alleen, en dezelfde mager-forsche vormen van lijf.

Met leege staar-oogen bleven ze vaag over de verre weilanden kijken,

zoo, zonder dat zij 't zelf wisten, doende uitrusten even hun lichamen

van den langen morgen hard werk.

Dan, bijna tegelijk, met een diepen, zuchtenden ademhaal en een

stijf-rukkende lende-rekking, zetten zij zich weer in postuur, als

paarden, die aan-trekken in 't gareel. Even verstreek door de oogen

der vrouw een vleug van vreemde verdrietelijkheid. En dan, achter

elkander aan, gingen zij het keukentje binnen.

Het kind naaide dien dag haar schort af, omdat er geen ander werk

voor haar was.

Den volgenden morgen mocht ze wiegelakentjes letteren voor de vrouw

uit de Hanekamp, die op bevallen stond, en verdiende een kwartje.

's Middags deed ze een boodschap voor de buurmenschen en kreeg

drie centen. De drie centen waren voor haar, maar 't kwartje moest

ze afgeven.

Den dag daarop bracht haar moeder uit een werkhuis een pak kapotte

kousen mee. In één avond stopte ze alle gaten en gaatjes dicht, ging

's and'rendaags ze terugbrengen, kreeg dertig centen; ze mocht er

niets van houden.

Ze had daar wel hartzeer van, maar 't was ook billijk vond ze, en ze

zei geen woord van beklag.

Toen kwam er weer een dag, dat er géén werk voor haar was, dat ze

maar stil in veilige hoekjes, op 't plaatsje, op de vliering, aan

'r schorten zat te pikken, telkens haar rol goed ergens anders

verstekend. Ze sleepte er mee, zei Ant, als een kat met 'r jong.

Maar ook Vrijdags was er weer geen uitkijk op een verdienstetje....

"Je mot vragen, wanneer dàt wurm eris zal verdienen als de anderen,"

praatte ineens, ongewoon bits, de vrouw hardop, terwijl zij in 't

keukentje de vaten van den vorigen dag stond te wasschen, en 't kind,

muis-stil achter in den stoel aan het voorkamerraam, haar vragen voor

de catechisatie leerde.

"Zou je niet eens opkomme.... zou je je moeder niet eris helpe," begon

de vrouw weer, ongeduldig, met een boozen blik schuin het kamertje

in.... Er was die week acht stuivers op de huur tekort, omdat ze

een werkhuis had gemist; ze tobde daar in haar eentje over....; en

nou zat dat kind maar thuis, en had nog wat te commandeeren van dit

niet willen en dàt motten; dat zat maar te dreinen over een dienstje,

al zei ze niks, en over een lichte jurk.... kè-je begrijpe, as-t-er

niet eens genog voor de huur was!

"Zeg! hóór je me niet?" snauwde ze nu ruw.

't Kind kwam onwillig overeind; 'n mokkend-koppige uitdrukking was er

op haar bleeke gezichtje. Zij gleed het vragenboekje in 'r jurkzak

en met een vinnige genepenheid in 'r flets-grijze oogjes, ging ze

naar achter.

Verdienen.... verdienen.... had ze niet, op die drie centen na, alles

afgegeven wat ze die week verdiend had, heel de elf stuivers?.. had ze

niet gewerkt wat ze kon?.... en zij was er zelf toch ook nog.... aan

háár dacht niemand.... moest die japon van háár niet gemaakt worden?

Een vijandige geslotenheid trok haar heele gezichtje strak; zonder één

woord tegen elkaar, redderden de vrouw en het kind den keukenrommel

aan kant.

Toen het klaar was, ging ze weer vóór haar vragen leeren.

Zachtjes-raffelend fluister-las ze aldoor hetzelfde, aldoor hetzelfde;

maar eerst drongen tusschen en dwars-over die toonlooze woord-reeksjes

nog telkens haar verbitterde gedachten van daareven, herhaalde ze

zonder den zin te vatten; langzaam dan begon 't geen aan dat klein,

blank-bladig boekje verbonden was, het dénkbeeld van: de catechisatie,

het witte boogramen-zaaltje naast de kerk, de damping en de vale reuk

van domeni's pijp, de goedige stem van domeni, het te winnen,--en ze

leerde nu ijverig, keek even omhoog met half-dichte oogjes, dreunde

op uit het hoofd: "Gij zult niet stelen, wat is dat, wij moeten God

vreezen en liefhebben, dat wij onzen naaste zijn geld niet...." tot

ze steken bleef, even neer-oogde: "o-ja, dat wij onzen naaste zijn

geld of goed.... niet nemen, noch het door valsche waar....," turend

onder het door-ruddelen, zonder zien, naar den bovenpost van de deur.

En als eindelijk, met 't dun, grijs boekje dicht op tafel,

zoo stoorloos-vlot 'lijk een vlietend watertje, de rijtjes

catechismus-woorden door haar geheugen liepen, zij zonder één hapering

kon afprevelen: "Het zevende gebod, gij zult niet stelen, wat is dat,

wij moeten God vreezen en liefhebben, dat wij onzen naasten zijn geld

of goed niet nemen, noch het door valsche waar of handelingen aan ons

brengen, maar hem zijn goed en nering helpen verbeteren en bewaren;

het achtste gebod, gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen

uwen naaste, wat is dat,".... als zij ten slotte het "of goed" niet

meer vergat en elken keer dacht om de "handelingen," dan was alle

spanning weggetrokken van haar hersens.

Montertjes ging zij in den namiddag naar haar catechisatie; nog

monterder kwam ze er weer uit. Ze ging graag naar catechisatie,

luisterde graag naar de vertellingen van domeni, veel mooier als-'t-ie

't in de kerk dee, en als ze dan haar beurten goed wist en domeni,

onder een haal aan zijn pijp, knikte goedkeurend....

Nu óók had ze haar vraag pront gekend, en 'r gezichtje stond stil-open

opgeruimd, toen, in den vooravond door de leege kleine-stads-straten

naar huis gaand, zij àl maar de woordrijtjes nog in haar hoofdje

voelde na-vlotten, "het zevende gebod, gij zult niet stelen, wat is

dat".... maar zij had nu geen zin in haar geboden, en als van zelf,

in de guldene klaarheid om haar heen, gingen 'r gedachtetjes zich

rijen in het rhythme van 'r versje van deze week:

Daar is uit 's werelds duistere wolken

Een Licht der lichten opgegaan.

Komt tót zijn schijnsel àlle volken!

En gij, mijn ziele, bíd het aan!

Het komt de schaduwen beschijnen

De zwarte schaduw ván den dood,

De nacht der zónde zal verdwijnen

Genàde spreidt haar mòrgenrood.

Ze vond 't een erg mooi versje, vroeger had ze 't in de kerk ook

wel eens gezongen, en 'r moeder had 't ook écht mooi gevonden, toen

ze 't Zondagavond zat te leeren. 'r Versje, dat leerde ze altijd

dadelijk,--'t was veel gemakkelijker te onthouden, en ze vond 't ook

te prettig, om er tot 't lest van de week mee te wachten. Ze kon er

nu al zooveel, ook van vroeger van zondagschool! Dat van verleden week

Hoog omhoog, het hart naar boven,

dat was ook erg mooi; hartverheffend was 't, had domeni gezegd;

en dat van onderlaatst

Zoo blij de landman móe van 't ploegen,

maar dat begreep ze eigenlijk niet goed.

Zoo, door de lange, verlaten buiten-straat, waarin alleen haar

zachte pasjes even verklonken,--in de avond-kalme atmosfeer vol

voorjaars-zoelte en verschen groen-geur uit de tuintjes vóór en

tusschen de lage huizen, liep het kind genoegelijk haar versjes op

te zeggen, stil in-zich-zelf, met nauw-bewegende lippen, òm 't andere

regeltje, mee met haar ademing, inhalend met hijg-geluid.

Zoetjes-aan kuierde ze voort; 't was lekker buiten, ze had geen haast

om naar huis te keeren....

Toen, voor 'r schrik-verbaasde oogen, liepen plotseling, een huis

of tien voor haar uit in de stille straat, twee meiden in lichte

japonnen, uit een zij-steeg gekomen.... Oooo! kreunde 't kind.... 't

waren naaischool-meiden; ze hadden 'r uitzetkleeren aan; die gingen

naar de naai-juffrouw; die gingen om een dienstje.... Ze kende ze

goed; 't was de meid van de Weert en de meid van Karseboom.... 't

waren de robbedoezigste en slonzigste meiden van heel de naaischool

geweest.... en kijk ze nou groot lijken in die lange jurken....

"Hèèè, kijk nou toch...." zei het kind zacht-hardop. Ze had zoo'n

verdriet! "Kijk ze nou loopen," dacht ze dan weer.

Midden op de straat, even van elkaar af, om elkanders gloednieuwe

jurken niet te kreuken, gingen de meiden met gauwe, stramme passen,

recht-op, en keken recht voor zich uit, de hoofden stijf en schuin

geheven. Met de volle hand, maar nauw het goed aanrakend toch, hielden

ze beide gelijkelijk, als samen vooraf geleerd, de jurken een ietsje

van den grond. Ze hadden tulen mutsjes op, en 'r haarvlechtjes zaten nu

in keurige, vaste knoetjes tusschen het japon-kraagje en den mutsrand

gedraaid; 't leken gróóte meiden.... volwàssen meiden....

"Och-och, hoe mooi," zei het kind nog eens. Het schreien kropte

haar heet in de keel. Zij zag zichzelf loopen in haar korte,

gelapte merinos-jurk, onder haar flaphoedje met verkleurd lint, en

haar staartje op den rug. Ze vond zich 't armoedigste meisje van de

heele stad....

Een van de twee meiden zag even om, keek dan weer met 'r trotschig,

stijf-schuin geheven hoofd recht-uit.

Haar gang inhoudend kwam het kind met een groot, mokkend verdriet

achter de twee aan.

Niets was er voor haar in de straat dan die twee benijde lichtheden.

En toen de meiden al de zij-steeg naar het Turfgrachtje waren

ingeslagen, bleef het kind, langzamer loopend, zonder weten, met

hopeloos-begeerige oogen staren, of nog altijd dat klare water-blauw

en dat glanzende wit voor haar uit deinde.

Maar de zij-steeg langs komend, keek zij er niet meer binnen......

Thuis zaten ze al om de tafel; ze zei niemand goeden dag, ging met

een strak-bleek gezichtje aanzitten, om haar avondbrood te eten. De

zusters letten er niet op; vrouw Plas zei: "Kè je niet genavond

zeggen? mot je niet bidden? leer je dat op catechisatie?" maar ze

lei 'r toch, een oogenblik later, nog een boterham op 'r bord, omdat

't wicht zoo pips zag.

's Avonds, in den flauwen lantaren-schijn op de vliering, lag 't kind

op de knieën bij haar lap goed, die ze uitlei en vouwde en mat.... maar

ze zag wel, dat het niet gaan zou, en toen begon er een ander plan

te broeien in haar hoofd.

Daar liep ze dan vele dagen mee rond, vele dagen van moeizaam overleg

in haar moeë, pijn-zware hersens.

Ze zou naar de naai-juffrouw gaan, zóó als ze was, ze zou zeggen,

dat 'r schorten al klaar waren, en dat 'r japon ook wel gauw gemaakt

zou worden.... òf de juffrouw nou niet een dienstje open had.... als

moeder maar wist dat ze een dienstje kòn krijgen, ziet u, dat dàn

de kleeren wel gemaakt zouen worden.... als ze had kunnen knippen,

nou dat wist de juffrouw wel, dan zou de japon al wel een week af

wezen, de schorten had ze ook zelf gemaakt, de juffrouw moest maar

's zien of 't netjes was.... Dat zou ze zeggen; ze zou de schorten

in een rolletje meenemen.... ze zou goed haar woord doen....

Maar als ze dan, een oogenblik, volkomen zich wegdacht midden in de

gebeurtenis: hoe ze zou aanbellen, binnen gaan, in de kamer komen bij

de juffrouw, hoe die met het strenge gezicht, dat ze zoo goed kende,

zou vragen: zoo Marie Plas, en wat kom jij doen?--dan voelde ze weer,

dat ze toch nooit zou durven....

Tot, op een middag, feller dan ooit, de gedachte in haar neersloeg,

dat straks, of morgen, of overmorgen, Sien of Ant moest thuis komen

met de boodschap, dat er een plaats was op 'r fabriek, dat er een

plaats was op de fabriek van 'n vrindin.... dat ze dan mee zou

moèten,.... dat ze dan onherroepelijk naar de fabriek ging....

En dien middag liet de angst haar niet meer los.

'r Moeder was uit werken en ze was alleen thuis.

Bij het keuken-aanrecht, te zenuwachtig om voort te komen, ging ze

haar toebereidselen maken tot den grooten tocht.

Ze begon met zich te wasschen, haar jurklijfje uit; ze poetste haar

gezichtje en haar hals, poetste en wreef, eerst met groene zeep, dan

nà met de rauw-natte handdoekpunt, boende moeilijk zich droog met den

dunnen lap, tot het vel heet-roodig beet over de koonen, en er onder

haar gloeiende oortjes, waarin van binnen de kneukeltjes jeukten,

fijne pijn-striemen brandden in haar schrielen hals.

Dan ving het haar-opmaken aan, de toch al erge levensverandering van

't "opgestoken" haar, waarmee ze voor 't eerst zou worden gezien,

gek-anders en oud, voor 't eerst op straat zou loopen, raar-trotsch

en akelig-naakt tegelijk; nu, door de àl-beslissende rol, die 't

zou hebben te vervullen, een angst-droom, waarin ze met krampachtige

inspanning iets moèst bereiken. En 't was zoo moèilijk! 'r Bevende

vingers togen wriemelend aan 't werk. Ze had 't al zoo vaak, heimelijk,

geprobeerd, sinds ze dien avond de twee naaischool-meiden voor zich

uit zag loopen. Maar meestal ging 't niet!

De drie stugge achterhoofd-strengetjes van 'r vlecht, die kon ze

maar niet gelijkelijk, met de kam-halen mee, omhoog krijgen; en àls

zij al 't achterhaar gladjes in haar linkerhand tot aan de kruin had

opgegrepen, dan zakten de voor-haren aan de slapen weer als piekerige

slierten uit 't vastgehouden bosseltje los; hàd ze dan eindelijk al

't haar stijf beet, dat rond voorhoofd en nek 't alles in roodige

pukkeltjes weggetrokken zat, dan wisten 'r ongewende vingers nog maar

amper om het dunne haar-bundeltje het bandje te strikken.

Telkens en telkens moest ze het overdoen.

Ten leste hing het; 't zweet, met een zwoel-opslaande wàlm van

warmte, brak haar uit, prikkelde hittig op 't strakke vel; schokkerig

schikten en wonden de handen dan het knoetje rond, lagen het uit op

't achterhoofd, staken het vast met de paar haarspelden, die er in

Siens naai-doosje over waren.

Bij het raam, want 't begon al te schemeren, keek ze in 't krom-golvig

spiegeltje van den deksel; nog altijd sprongen er zij-haren los;

en òm er maar netjes uit te zien, plakte zij met haast-dringerige

streekjes van water ze tusschen de andere vast; donkere vegen liepen

over 't bleeke blond omhoog.

Dan krabde en veegde ze alle vlekjes en spatjes uit haar jurk,

borstelde en blies haar hoedje af, stofte haar schoenen schoon,

waschte nog eens haar handen, vijlde het vuil, dat er door 't smerige

bombazijn-naaien van dien morgen ingezwart was, met puimsteen weg.

Zij was wel een uur bezig; en willens hield ze al haar denken zoo

sterk ze kon bij dat werk, om te vergeten, waartoe het gebeurde.

Toen ging ze op weg.

Zij liep maar, jachtig, wetend wel, dat ze niet tot kalmte moest komen,

want dat ze dan niet durven zou.

Haar smalle gezichtje, met de vlekkerig-trekkende waschplekken

onder de heete oogjes, was aan de kaken nog spitser dan anders,

nu elk piekertje haar, nat-gekleefd, naar het dunne knoetje hoog op

het achterhoofd weggespannen was. In haar hevige ontdaanheid voelde

ze de velschroeiing ternauwernood: "'t is niks," dacht ze, "dan zie

'k er gezonder uit."

Soms merkte ze, aan de avond-koelte die er fijntjes in-streek, 'r nu

kale, even uitgeholde nekje; en ook hinderde haar wel 't onwennig en

onvast voorover staan, door 't hooge haardotje, van 'r hoed, waarvan

de rand scherp op 't voorhoofd drukte.

En terwijl de beenen zwoegend voort-repten, was in haar

wonderlijk-klaar hoofd een vlucht van woorden en stukjes gesprek,

heele einden verhaal, dat ze houden zou, straks, als ze voor de

juffrouw stond.

Toen ze dicht bij het Turfgrachtje kwam, begon ze schichtig te kijken

naar de menschen, die haar langs gingen, maar te haastiger liep ze

door, het hoofd neer, even de oogen onder den hoed-rand uit.

Hier was 't; zonder bedenken stapte ze de stoep op, trok de bel over.

Hoog boven haar geelde de daklijst nog aan den wit-groenen hemel, maar

de stoep met de grijs-arduinen paaltjes stond al in schemer-vaalte.

Een meisje deed open, het dienstmeisje van de menschen, bij wie de

juffrouw in huis was. Die liet haar in de gang komen, een hooge,

witte gang, òveral weifelig licht-doorreikt van het kaarsje, dat,

in een hooge glazen ballon aan koperen kettingen, helder brandde.

Voor den tweeden keer vroeg het meisje, wie ze zeggen moest, dat

er was.

Het kind fluisterde, kortaf, haar naam, en de meid ging heen,

onhoorbaar tredend over den zachten looper.

Toen, van het oogenblik af, dat zij daar stond, alleen, in de hooge,

bevend-blanke gang, kwam er een bedwelmende bewondering over haar,

waarin al haar denken en bewegen als verstolde, en waarin zij maar

vaag meer wist van den angst, die haar gedreven had tot dezen tocht.

Ze zag een oude juffrouw de gang inkomen, als recht op haar toe, haar

aankijken, even knikken, wenden en de trap opgaan; zij was bewegeloos

gebleven, zonder goedendag-zeggen, met een verbijsterde staring in

de starre oogbollen.

Zonder gedachten stond ze, de voeten vast aaneengesloten, op de

deurmat.

De meid, die in 't verschiet van 't smaller en donkerder gang-einde

een kamer was binnengegaan, kwam weer naar buiten, de deur achter zich

latende aanstaan, liep als de juffrouw van daareven eerst op haar toe,

en zei dan, wendend ook naar de trap, met een wijsknik van het hoofd

achterom: "daar mot je wezen." Toen ging ze de trap op.

Het kind, weer alleen in het licht-wemerende voorhuis, dorst zich niet

te verroeren; de gang-blankte sloot als een betoovering om haar toe;

met dezelfde schril-verdwaasde oogjes bleef zij staan turen.

Dan klonk achter uit de op een kier gelaten deur een ongeduldige roep,

de roep van haar naam, door een stem, die ze kende.

En dat bekende verbrak eensklaps de benauwing. Vanzelf zetten zich

nu haar voeten in beweging, kwam zij de dood-stille, kerkachtige

blankte door, en het vertrouwelijker halflicht van de achtergang,

tot aan het schijnsel voor de schelle kier. En opeens was de deurknop

in haar hand, en stond ze op den drempel der kamer.

Het kind zag een groot vertrek, waarin laag sterk licht was, veel

rood in dat licht, en boven schemer. Aan den wand vóór haar zag ze

een zwart scherm met gouden vogels; tusschen het laatste schotje en

den muur vaagde iets wits van een bed.

Toen, van achter de deur, kwam nog eenmaal de bekende stem-klank:

"Nou, Marie Plas...."

Het kind sloot werktuigelijk de deur, en stond in 't volle licht voor

de tafel. Ze dorst niet opzien.

"Zoo" .... zei de stem weer, maar snijdend-bits nu, zooals ze 't

vaak tegen de ondeugende meiden gehoord had: "Kom je nou zóó bij

mij.... dat had ik anders verwacht...."

't Kind stond als in een ijlte, zonder den grond te voelen onder haar

voeten, en de stem kwam van ver, in een droom. Als vervluchtigende

vlokken vielen de bestraffende klanken in haar wonderlijk-leeg hoofd.

Zij bracht geen woord uit, bleef strak vóór zich kijken.

"Wat kwam je nu eigenlijk doen?" vroeg de stem opnieuw, maar wat

aanmoedigender.

Het kind waagde een blik.

Op een schuin in den hoek gezetten canapé, achter tafel, zat de

juffrouw. Zij leunde met de beide voorarmen, de ellebogen uiteen,

de handen bij elkaar, op het donker-mahonihouten blad, en ze droeg

dezelfde bruin-en-zwarte japon, die ze vaak in de naai-les aanhad. De

licht-en-schaduw-scheiding van den lampekap-rand viel midden over haar

gezicht. Als ze wat onderuit keek, om, onder de lamp door, het kind

op te nemen, kwam het licht-lijntje tot schuin over haar oogen. Zij

knipperde even, en, terug met 't hoofd, zat ze weer als te voren.

Met schrille, genepen oogjes moest het kind naar die verschuivende

licht-en-schaduw-lijn kijken. Toen voelde zij, dat ze zelf in den

baren lampeschijn stond, als naakt in haar sjofele kleeren.

En in die plotselinge schaamte kwam zij tot haar volle bewustzijn.

"De schorten zijn wel klaar," zei ze met een haperende stem, "maar

de jurk is nog niet gemaakt...."

"Zoo...." zei de juffrouw "en waarom niet?"

Nu, gesteld voor die vlakke vraag in 't schelle licht, was 't kind weer

heelemaal in de war. Al haar duidelijke en begrijpelijke verklaringen

was ze vergeten. Ze was duizelig.

"Nou, waarom kon die japon niet gemaakt worden?"

"'k Had geen tijd, juffrouw."

Zonder begrip te hebben van wat ze zei, viel dàt uit haar mond.

"Hadt je geen tijd om dat goed weg te brengen? En heb je wel tijd,

om hier in je ouwe kleeren te komen?"

"Nee juffrouw," zei het kind.

"Hè?" vroeg de juffrouw.

"Nee, juffrouw, me moeder wou 't niet," bracht het kind uit.

De juffrouw begreep 't niet wel. 't Verwonderde haar. Ze had altijd

gemeend, dat ze 't van Plas nog al goed hadden, wist van d'r vaders

ongeluk, van de flinke moeder.... zij had voor een paar stille, knappe

dienstjes vaak aan dit kind gedacht, dat altijd zoo netjes op school

was geweest, zoo oppassend en gewillig....

"Zóo," zei de juffrouw, "kon je moeder dat geld niet missen....?"

't Kind kleurde fél.

"Nou, vertel nou maar eens," drong de juffrouw aan, wat korzelig.

Zij had ook dikwijls iets tègen dat kind gehad,.... dat kind had iets

stiekems, iets wonderlijks; wat stond ze nu weer raar onder dien hoed

uit te kijken. Je wist nooit recht wat je aan 'r had....

Toen, met een rilling door 'r schouwertjes, een schok-scheut in

'r beenen, zei 't kind:

"Me moeder wil, dat ik naar 't fabriek ga; me zusters zijn er ook op;

me moeder wil niet, dat 'k ga dienen."

't Gezicht van de juffrouw trok bedenkelijk: Jaaa... als 't zóó

zat.... Haar wat bol-uitstaande, bruine oogen tuurden, half-neer,

naar den uitersten tafelhoek.

't Kind, midden door haar verwarring heen, voelde toch, dat ze iets

verkeerds had gezegd.

De juffrouw rimpelde het voorhoofd op....

Even gingen, aan de rusten-blijvende polsen, de beide vleezige

handen omhoog, vielen dan, met een plofje, op de vingertoppen

weer neer.... ja.... als 't zóó zat.... als de ouders, als de

moeder niet meewerkte.... dáár kon zij niet tegen-ingaan.... zij

kon die kinderen niet tegen hun ouders op gaan zetten.... zij kon

niet zeggen: kind, ga niet naar de fabriek.... de menschen schenen

daar niets meer in te vinden.... vroeger, een fatsoenlijk meisje,

niewaar?.... maar tegenwoordig.... dit kind scheen nou liever te gaan

dienen.... maar zij kon er de dames toch niet in laten loopen.... ze

kwamen bij haar om wat knaps te krijgen.... die bij haar om zoo'n kind

kwamen, deden 't ook al niet uit overdaad.... zoo'n kind moest toch

allereerst fatsoenlijk voor den dag komen.... kostte eerst meer dan

ze verdiende.... bonte japonnen, mutsjes.... pantoffels.... tegen 't

winter een regenmantel.... ja, als de moeder niet wou meewerken.... 't

was jammer.... 't was toch geen kwaad kind.... 't was erg jammer....

En nog eens, met een schouderbeweging van "niets aan te doen,"

gingen de beide breede handen aan de rustende polsen op, vielen

met een nadrukkelijk, afdoend plofje der vingertoppen op tafel weer

neer.... 't was geen sterk kind.... wat bloed-arm.... in een stil

dienstje zou ze.... maar als de moeder 'r naar de fabriek wou....

De bolle bruine oogen keken dan recht het kind aan, dat zich niet te

bergen wist onder dien blik, zoo vernederd als zij zich voelde.... voor

hoe arm moest de juffrouw hun wel aanzien....

"Moeder zoù 't geld voor de japon wel kunnen geven...." stootte ze

nog uit.

"Ja, juist...." zei, practisch, de juffrouw.

Even keken de bruine oogen en de kleine grijze in elkaar.

"Wil je moeder nog eens bij me komen?" vroeg de juffrouw.

Heftig knikte het kind van nee.

Toen schoof er voor de starre pupilletjes plotseling een

fel-glinsterend waas, en zonder een woord meer of een knik draaide

het kind zich om en liep, de kamerdeur openlatend, de gang in.

"Je mag zelf óók nog wel eens terugkomen over een tijdje," riep de

juffrouw, die opgestaan was, in de open kamerdeur haar na.

't Kind morrelde even, met trillende handen, aan het voordeur-slot,

kreeg het open. En toen liep ze weer op straat.

Ze liep, ze liep, gauw naar huis, als om bescherming en troost te

zoeken dáár, vanwaar ze de angst-vervolging ontvlucht was; ze kon

niet meer denken, hoe alles eigenlijk was, en 'r heele hoofd was vol

heet geschrei.

Diep-neer met 'r gezichtje liep ze, dat de menschen niet zien zouen

hoe ze huilde.

Toen ze thuis kwam, wat bedaard, maar met brandende oogen en een zoute

keelpijn van 't schreien, vond ze haar bordje met boterhammen op een

hoekje der alweer opgeredderde kleptafel, en de vrouwen, bij elkaar,

er achter, saam aan een groot werk bezig.

De moeder en Sien hielpen Ant met het afhechten der draadjes aan de

gebreide kleeren, waarvan zij een gestampte mudzak vol, als overwerk,

mee naar huis had gekregen.

Over hun wijde schooten met goed zaten ze gebogen, terwijl de vingers

friemelden, om de korte eindjes wol, onhandelbaar aan de groote

stukken, in de stopnaalden te krijgen.

Op tafel lag al een stapel afgewerkte borstrokken en lijfjes. En

boven den zak, opstaande tegen den wal van hun knieën, bewogen groot

in het kleine bestek de zes bedrijvige handen.

"Eet maar gauw, Merietje," zei Ant, "dan mag je meedoen; d'r zalle

nog wel een paar centen op overschieten voor je."

De vrouw was aan 't vertellen geweest, vertelde door:

"Nou, en toen zeit je oom, nee, zeit-ie, dat doen ik niet, en je

vader kwaad; die was te fesoendelijk; die had nou graag...."

"Heeremejeetje!" schetterde opeens Sien 'r schelle stem door 't

verhaal heen, "kijk die Sprot er uitzien!"

't Kind, aan de andere zijde der tafel, met haar roode oogen en

bleek-getrokken, vlekkerig gezichtje, bukte nog dieper boven haar bord,

voelde het bloed opjagen onder de blikken der drie vrouwen.

"Háár, waar mot je met dat kind naar toe!" gilde Sien weer, en

werktuigelijk tastten Marietje's handen naar het kleine knoetje,

waarvan de plukjes sprietsel rondom uitpiekten.... en plotseling

voelde ze nu ook aan haar slapen en midden op 't voorhoofd de prikkende

trekking der te strak gespannen haartjes, en de weeë pijn, die daarvan

klopte hoog in 'r hoofd.

"Kind, wat mòt dat?" had de moeder gevraagd, met haar blik van

goedigen spot.

"Ze lijkent wel een stekelverreken," relde Sien.

"Ik wed...." plaagde Ant, die in haar sas was over het buitenkansje

van de fabriek, "ik wèd.... dat jij op een dienstje ben uitgeweest!"

"Toe," zei Sien, "ga door! zoo'n klein merakel, wie zou daaran willen?"

En Ant er weer tegen in: "de kleintjes motte d'r ook weze, wat zeg jij,

Merietje? En de een krijg veel haar van onze lieve Heer, en de ander

weinig.... kom, allé meid, laat Sien praten, help maar gauw mee...."

Doch Ants wijdloopige troosterigheid maakte de maat vol; de dikke

tranen sprongen 't kind in de oogen; een laatste, uitgebeten boterham

viel terug naast haar bordje; losbarstend in gesnik vluchtte zij het

plaatsje op.... En terwijl in een bevenden grijns haar lippen wijd om

de klapperende tandjes trokken, vloog links de eene haarspeld tegen de

steenen, tikkelde rechts de andere neer. In de zwakke licht-geling door

't keuken-gordijn hing als een dun, asch-bleek, sluik-sliertig vachtje

het haar 'r tot even over de schouders. Al snikkend vlocht ze het

weer in een staartje, en dan, gedrukt tegen het staketsel aan, huilde

ze nog lang, stiller en milder, tot ze zag, hoe in haar tranen de

lantarens op den singel achter de "Hanekamp" goudene sterren geleken,

die wijd-uit trillende stralen schoten, en ze daar naar ging kijken....

Zoo stond ze in donker te suffen. Ze had hoofdpijn, pijn overal.

Een uurtje later, toen het werk voor de fabriek af was, kwam Ant eens

kijken. Die lachte wat met haar, troonde haar mee naar binnen. Sien

was uit, hoor!

"Zeg," zei ze tegen het kind, "heb jij gezien, dat Sien een goue

kettinkie had?.... Hein was er.... 'n opstand dat die maakte.... hei

je niks gehoord? hij zei maar, dat Sien nou tòch 'n goue kettinkie

had,.... op de azijnmakerij had ze 't angehad,.... 'n jongen had 't

'm verteld.... en hij wou weten van wie ze 't had..."

"Fff" trok het kind haar adem op tusschen de tanden. Dan volgde ze

willig, huiverig van 't huilen en 't lange staan in den frisschen

meinacht, waardoor nog 'n vinnig windje sneed.

Maar den Zondag daarop was heel de ruzie tusschen Sien en Hein weer

bijgelegd. Hein kwam om vier uur een kommetje koffie drinken, en de

moeder gaf--ze had een goede week gehad--er 'n snee zoete koek bij,

en Sien was welgemutst, en Hein zei, dat hij voor 'n kettinkie spaarde,

en hij liet twee nieuwe guldens zien, die hij in een papiertje in zijn

vestjeszak droeg. Driemaal liet hij dien middag de guldens rinken,

en ieder was in zijn schik.

Alleen de oogen van het kind hadden een zonderlinge gluring....

En ook nà dien Zondag bleef een ongewone gedachten-broeiing bij

haar omgaan.

Als een licht-schuw rotje kon ze tijden in den duisteren hoek bij de

bedstee zitten, zóó stil, dat de moeder, die haar uit dacht, schrok,

als ze een beweging maakte.

En de zachte avonden, dat ze allen hun stoelen buiten haalden,

schoof zij haar lage tabouret zoo ver mogelijk van de anderen af,

en haar stijfgenepen lippen waren van 't zelfde flets-bleek als haar

wangetjes, waar nog geen sproeten die kleurden. Twee gleufjes diepten

er dan tusschen de wenkbrauwen, van 't tobbend gedenk; en den ganschen

dag door stonden haar oogjes zoo bloo-verschrikt, hadden plots zoo'n

schichtigheid van betrapt-worden, dat Ant, onwillekeurig, op een morgen

"kleine Judas" tegen haar zei.

Dat was wat geweest! 't Kind had zóó onbedaarlijk gehuild, dat de

moeder, die eerst van de fratsen niets weten wilde, met kopjes water

haar zenuwen weer onder bedwang moest krijgen.

Een dag lang had zij toen haar best gedaan, om opgeruimd te wezen

en gewoon met de anderen mee. Maar den volgenden morgen, toen ze op

boodschappen uit was, had ze weer een naaischoolkind in 'r nieuwe

kleeren gezien.

"Heb jij nog geen dienst?" had die gevraagd, "ikke wel.... bij twee

dames.... twaalf stuivers in de week, en de halve kost...."

"Hei je 'n mooi keukentje?" vroeg 't kind belust.

"Nou!--en wat 'n groote!" gichelde de ander, "je ken der je net in

keeren.... maar 't is een lief keukentje hoor!.... netjes.... kopere

knoppe aan 't fornuis, en twee kopere krane.... en een kopere

poffertjespan aan de muur.... en een spiegeltje op de schoorsteen....

"Hei je 'n mooi kamertje?" vroeg het kind weer, in nog grooter

spanning.

"Nee ommers.... 'k ben er niet voor dag en nacht... maar later

wel.... als ik goed beval.... dan krijg ik een kamertje op

zolder.... met een groot raam en rooie blommen op 't behang...."

Toen was 't bleeke snoetje van het kind saamgetrokken in een strakke

spichtigheid van onverzettelijk besluit.

En heel den weg over naar huis had haar gezichtje dien trek als

ingegroefd gehouden.

Dien avond--'t was een druilig-koude avond met telkens buien van

motregen--wachtte het kind bij den ingang van een doodloopend paadje

naast de Hanekamp, Sien 'r vrijer op.

Tusschen de twee hooge hagen stond ze, opzij in 't gras, waar de

kringende wiebel-schijn van de singellantaren niet meer viel. Er

kwam daar nooit iemand dan overdag kinderen. Achterin was een altijd

op-slot-zittend hekje, dat in den tuin van de Hanekamp uitkwam,

en er lag kolengruis en vuilnis.

'r Voeten koud in 't drassig gras, 'r goed klam van den stofregen,

'r hoofdje heet, wachtte ze....

"Hein!" riep ze, "Hein!" toen de jongen eindelijk langs kwam om het

Dijkje op te gaan, "Hein!"

De jongen, die zachtjes te fluiten liep langs den eenzamen singel-weg,

keek, opgeschrikt, om zich heen, ontwaarde dan, achter den

lantarenschijn, het kind, sluik in 'r natte kleeren, tusschen de hagen.

Haar oogen, als twee flakkerende kooltjes, koortsten hem tegemoet.

"....Nou?.... wat wou je......?" vroeg hij, onwillig, met een paar

ingehouden stappen het pad opkomend.

"Sien.... ik weet wat van Sien...." stootte schor 't kind uit, en

haar oogen waren strak naar 't gezicht van den naderende.

De jongen, ontstellend, keek gespannen terug haar aan, vroeg fél met

zijn oogen....

"Sien vrijt met een ander," stootte nog eens 't kind uit.

"Godver...." De jongen beet zijn vloek af; dan streek hij verbijsterd

met zijn hand over zijn oogen. Het kind was achteruit geweken, trapte

door 't gruis tusschen de schemerige hagen.

Met een bruusken hoofd-gooi kwam de jongen weer tot bezinning: kóm,

en Zondag dan!....

"Je liegt," snauwde hij van zich af, en hij maakte 'n beweging,

of hij terug wou gaan.

Maar het wonderlijk-helle kijken van het kind trok hem nog verder

het wegje in.

"Wat?.... wat dan....?" hakkelde hij, weer van streek geraakt.

"Sien.... het een andere jongen.... al een week... ik weet

't.... verleden Zaterdag.... 'k heb 'n briefie gevonden," stamelde

't kind, en haar genepen hand bibberde tegen haar jurk, waar papier

kraakte achter het merinos.

Sprotje · 第 6 / 9 题