Het kind had het wonder in den zin.
Achter haar, verstopt op het lâkastje, met er voor de portretjes en
't blauwe vaasje, lag onopengemaakt in den hoek, het pak cadeau
gekregen kleeren.
Stil werkten ze beide.
De moeder was een groote, breedgebouwde, hoekige vrouw; hoogroode
koonen, strak netwerk van barstige aartjes over het jukbeen, stonden
scherp-afgescheiden op haar gelig gezicht, het verweerde gezicht
met de groote slapen en langs de ooren de lange vale zijstukken der
wangen; over de koonen, onder het bolle voorhoofd, waren de stille
zwarte oogen, vlak en als altijd afgetrokken; en het dichte zwarte
haar, van voren schuin-weg in vlakke golfjes, waaruit de grove,
droge haartjes wriemelend sprongen, werd op de kruin gekroond met het
zwart-wollen frommeltje van 'n muts, die van achter op een breed-uit
en los vastgestoken, warrige dot rustte.
Zij kon wel midden in de veertig en wel achter in de vijftig
zijn. Een lang zwart jak droeg ze, en een grijs-zwarte schort, een
weeshuis-schort, als 't kind zei.
Met felle sissertjes tikte telkens 'r natgelikte vinger tegen het
zilverig-blinkend bout-vlak; als 't sissen dofte, haalde ze 'n nieuw
ijzer van het keukenvuur.
De tafel lag vol luchtig uitgelegde, nog opstijvende, witte en
gekleurde manshemden, stapeltjes gevouwen zakdoeken en losse
boordjes,--'t was voor ongetrouwde arbeiders en klerken bij
't spoor meest, dat ze werkte,--en met een wondere fijnheid van
aanvatten, zonder één rimpeltje te maken of één deuk, tastten de
stokkerige, werk-gekerfde vingers tusschen al dat teer te hanteerene,
kreukeloos-blanke.
"Hei je geen meidewaschje van de week?" vroeg plotseling het kind.
"Meidewaschje!.. meidewaschje," teemde de moeder haar na, "hoor nou
die aap met 'r meidewaschje!"
En in haar zwaar, stram gestap haastte ze nijdig de openstaande keuken
binnen, om weer een heeten bout te krijgen.
Wàs dat nou niet om giftig te worden.... eeuwig dat gezanik over 'n
meidewaschje.... mutsjes passen.... mutsjes dragen.... allemachtig,
ze zou nog zoo'n spul krijgen met dat kind.... zoo'n kleine
pest.... als er bij geluk nou gauw eris 'n plaatsje kwam op 't
fabriek zij zou d'r nog niet ééns heen willen!.... 'n dienstje,
'n dienstje hebben.... zoo'n Luthersche stijfkop!.... was daar nou
eer aan te behalen?.... als ze d'r nog heil in zag, 't kind er
goed mee af was.... maar wat nou?.. een kakdienstje van zestien
stuivers in de week, en 's avonds twee kale boterhammen mee naar
huis.... en nog komplimente van d'r volk ook.... witte schorten,
mutsen, lichte jurken.... wie kon d'r voor mevrouw d'r meissie aan
de waschtob staan?.... zoo'n kind was al genoeg afgejakkerd.... de
móeder, o zoo!.... Ant ging op 't fabriek, en Sien ging op 't
fabriek.... klaagden die nou ooit over 't werk?.... waarom dan Merie
niet?.... ze waren maar weduw-kinderen, hoor!.... Zijzelf werkte toch
ook tot ze d'r bijna bij neerviel..?
Nog een tijdje foeterde ze zoo in 'r zelve na, terwijl met
behendig-zwenkende wendingen het suizelend ijzer over de laatste
linnen-stukken streek.
Maar de stille gemoedelijkheid van 't kind was door het smalen van
de moeder niet verstoord, en de nabroeiende brommigheid merkte ze niet.