Maar het kind, met de uiterste stuwing van haar opgedreven wil,
weerstond de uitbarsting.
"'k Mot geld hebben," joeg het uit haar verwrongen mondje.
"Wat? geld?"
"De twee guldens," fluisterde ze, heet-heesch.
"O!" smaalde de jongen, opeens weer bedaard, "o!... is 't dáárom te
doen?.... Ozóó....!"
Hij weifelde; zijn rood voorhoofd trok moeilijk van gedachten, die
hij ontwarren moest.
"Je liegt," zei hij dan nog eens.
Het kind zag hem omdraaien en met groote zomp-stappen het hagenpad
uitgaan.
Even was dat een verademing; duizel-licht van hoofd zuchtte ze diep
en in een oogenblikkelijke zenuw-uitviering sperde haar mondje tot een
flauwen grijns, die half haar lachen was en half een sidderende snik.
Dan, kijkend weer, zag zij, aan de weghelling onder den lantarenschijn,
den jongen den singel opslaan; zijn hand ging in het vestzakje,
als voelend naar de gespaarde guldens, die hij daar borg....; dan
was hij weg.
Het geld! het geld!.... ze moest hem na.... ze moest hem
achterna.... ze moest.... ze moest het geld.... Maar toen ze, met 'n
wanhopige krachts-inspanning, haar bevende beenen in draf zette, kwam,
't zelfde oogenblik, de jongen het pad weer op.... Ze schrok achteruit.
"Wàt weet je van Sien?.... toe.... Merietje....," smeekte hij.
"'k Heb 'n briefie," zei het kind weer met stuggen drang.
"Wàt toch voor briefie?"
En toen, heet in één adem, kwam 't verhaal: ze had een briefje
gevonden, Zaterdag-avond.... op Sien 'r bed.... zeker uit 'r
zak gevallen.... Sien ging met 'n andere jongen vrijen.... Barend
heette-d-ie.... meer wist ze er niet van.... als zij de twee gulden
kreeg, dan kreeg hij het briefje....
"Als 't waar is, zàl je ze hebben," zei de jongen wild.
"Zal je geen herrie maken, Hein, zal je mij niet noeme.... zal je me
niet verraje?" smeekte op haar beurt het kind.
"Geef dan op! hier!" bulderde nu de jongen, en in zijn rooien
kop staken als van 'n stier de lichte, naakte oogen. Hij deed een
boosaardigen greep naar den arm van het kind.
Opschreiend ineens van angst, week die terug. "'k Heb niks.... 'k heb
niks.." griende ze, doodsbang, den brief met het knuistje verfrommelend
in haar zak.
"Verdomme!" donderde nog eens de jongen; met een driftigen vinger-graai
haalde hij 't pakje uit zijn vestzak, ketste het op 't kolen-pad. 't
Papiertje scheurde in den nijdigen worp; even tolden, al kantelend, de
geldstukken over den grond; dan, twee blinkende witte schijfjes, lagen
ze, onder 't veeg lantaren-licht, stil in 't doorgruisde gras terzijde.
't Kind, door die twee witte vlekjes van heftige begeerte als bezeten,
had de oogen er niet af. Werktuigelijk ging haar hand vooruit, het
brief-flardje er nog in. Hij greep haar bij den pols in een stalen
omklemming. Ze liet het vallen. Maar voor hij 't op kon rapen,
had zij al de twee geldstukken van den grond gegrist, en rende,
ze klemmend in haar vuist, den weg op naar huis.
"Nou heb ik 't geld!" dacht ze met een woeste vreugde.... "nou ga ik
naar de naaister!.... nou heb ik 't geld!" Doch nauwlijks de Hanekamp
voorbij, hoorde zij de zware gramme stappen van Hein al klatsen achter
zich aan.
Bij hun deur had hij haar ingehaald.
"Niet zegge.... niet zegge, Hein," fluisterde het kind.
De jongen grauwde alleen een onverstaanbaar woord terug, rukte,
dol van woede, de kamerdeur open.
"O God!" zei het kind.
Toen, klappertandend, sloop ze de krakende treedjes van de vlieringtrap
op....
In het hoekje, achter de kist waar haar rol jurkegoed verstopt
lag, bleef ze gehurkt zitten. Ze wist vaag dat er iets vreeselijks
gebeuren ging.
Van beneden klonk, na een eerste spoedig gedempte los-tiering,
'n dof gerucht; 't schenen enkel de zware stemmen van moeder en Hein.
't Kind rilde in die stilte, die haar nog onheilspellender leek dan
't aanvankelijk geweld.
Ze luisterde met ingehouden adem; ze kon niets onderscheiden.
Haar rechter, stijfgenepen hand hield ze tegen haar borst gedrukt;
in de linker zaten de twee guldens geklemd.
Dan klapte weer de voordeur open.... het stemmengeluid in de keuken
sloeg even neer, brak dadelijk er na opnieuw uit in een opgier van
geraas.... God! nou was Sien thuis.... Sien schreeuwde.... toen was
er een bolderend gestommel.... een woest geschrei.... schreeuwen van
moeder, schreeuwen van Ant.... God! hij had 'r geslagen....
Weer een stilte, die het kind in ijskoude gudsing langs den rug schoot.
En plotseling, uit die stilte op, hoorde ze Ant, die zei: "Waar zit
die Judas?"
"O God! O Onze-Lieve-Heer! ik ben zoo slecht geweest," bad het kind,
radeloos. "O God, help mij toch.... vergeving, God, o lieve Heere
Jezus, o God...."
En eenmaal de uitzinnige bidwoorden van haar lippen gehijgd, bleef
ze, tegen het weer oploeiend krakeel van beneden in, vol angst en
zelf-afschuw de aanroepen uit-stamelen, zonder ophouden.
Een enkele maal deed een snerpende stem, een verstaanbaar-opklinkend
woord, even den kreunenden woord-deun tot staan komen. Dan, met
een nog krampiger in haar borst gedrukt vuistje, bad weer haar
angst-verschroeide stem in vertwijfeling....
Als een gloeiend schijfje sneden de guldens een pijncirkel in 'r
nijpende hand:
"O God, die twee guldens, o God, o God! ik zal 't niet weer doen,
o lieve Jezus, lieve Heere Jezus, ze hebben me Judas genoemd! o
God ik heb Sien verkocht voor zilverlingen, o lieve Jezus, o God,
genade, genade...."
"Sprot...." hoorde ze plotseling, met een nijdigen krijsch, boven
het geruzie uit.