Toen om even voor vieren, met een uitjoel van vrijgelaten baldadigheid,
de zwerm deerns de school kwam uitgestoven, bleef achter in de plots
huiver-leege gang, aan de schemere deur-opening van 't lokaal, dat
voor naaikamer diende, een bleekneuzig kind in een bruin jurkje nog
staan talmen, haar pak onder den arm.
't Was de laatste les van den cursus geweest, en de grooten, die niet
weerom zouden komen, hadden haar bedeeling gekregen, een lap goed
voor een katoenen japon, een lap voor twee blauwe schorten, een lap
voor twee witte.... Dat werd het "uitzet" genoemd, 't eerst-noodige
voor een dienstbodenplaatsje.
Met een schichtige onrust in haar kleine, fletse oogbollen, zag het
kind telkens verstolen naar de zonnige licht-reep der half-open
straatdeur,--de woelige bende dólde nog buiten--, keek dan weer,
stil, met een verdrietig vraag-mondje, het verlaten naai-lokaal in:
"Als 't goed gemaakt is, Marie Plas," zei terloops, achter uit het
vertrek, de naai-juffrouw, die druk bezig was op te ruimen, "dan
mot je maar 's komme.... 's avonds tusschen zeven en acht.... met je
nieuwe spullen an.... zulle we wel 's kijke.... voor 'n dienstje....",
en met 'n korten knik, schuin uit haar bukken op, zonder aankijken,
gaf ze 't kind haar afscheid.
Die, even opgemonterd, bleef nog aarzelend staan luisteren in de
gang. Verder-af reeds rumoerde het klossen van al de klompevoeten,
het schreeuw-gepraat.... plotseling werd er als een groot brok uit
het lawaai weggebroken: "Dat zijn de meiden van de Weert, die de
Kepélsteeg ingaan," dacht het kind, en de zorgelijkheid streek wat weg
uit haar spitse gezichtje. Maar ze wachtte nog even. De helpster, die
'n paar maal de gang door kwam, scheen niet op haar te letten. Dan,
in de dichte voordeur-helft, klepte met 'n licht-flits de brievenbus
open, en was weer zwart tegelijk met den plons van wat wits achter
het glaasje; de postbode, het deur-open voorbij, stak de stoep over,
was weg....
Als zijn stappen verklonken waren, was de straat zonder gedruisch
geraakt.
Met een slim, bleek lachje nam het kind den sitsen zak vol naai-gerei
van den kapstok-haak, en als een muisje schoof ze de gang door,
slipte langs de wit-heete zonnevlakken over muur en vloer bij de
straatdeur, en daardoorheen ineens in de wijde zoelte van den Meidag,
liep ze buiten.
Aan de overzij, in de schaduw der hooge olmen langs de gracht, kwam in
de verte een vrouw, die een kinderwagen duwde; op tintelende wielen,
tegen een zachte overglijding van zonne-vlokken in, naderde het; en
druk met blikken bussen en een netje, liepen en hurkten twee jongens
aasjes te visschen op de steenrichel aan den waterkant.
Zij stak de keien-straat niet over, maar hield in de lekkere
middag-warmte op haar eentje de zonne-klinkers, waar de
verst-uitwiegende boombladeren een dansend glij-schaduwtje streken
over haar zwart-strooien flaphoedje en het piekerig-blonde vlechtje,
dat stil hing op 't warm-bruin van haar kleinen rug.
Ze liep stilletjes gauw-aan, in jacht om naar huis te komen,
haar sitsen bengel-zak aan den eenen arm, haar pak in den andere,
voorzichtig het omhoogdringend telkens tusschen elleboog en heup,
bang dat het uitschieten zou.
Een vriendelijk, pips gezichtje was het, met een bloedloos dun mondje,
en dun haar, en met twee bruinige sproeten-veegjes onder de kleine
grijze oogen; 'n ouwelijk gezichtje, omdat het schamel postuurtje,
minner nog lijkend in de korte jurk, die ze afdragen moest, lang niet
haar dertien jaren aangaf.
Ze was blij en 'n beetje verdrietig tegelijk.
"Leukies," zei ze bij zichzelf, en ze maakte een zacht tong-klakkertje
achterna, als ze dacht aan het zoo lang begeerde kleeren-goed, dat ze
nu eindelijk in haar bezit had, dat ze nu naar huis droeg, een pak zoo
groot en zwaar, dat het telkens onderdoor gleed uit haar moeden arm.
Maar ze had ook een àl zachtjes morrelend verdriet over dat nu
voorgoed gedaan-zijn van de naaischool, 't jaartje naaischool tóe na
den kinder-schooltijd tot 'r twaalfde;.... nu was ze inééns groot,
nu moest ze mee opwerken en verdienen met de anderen.... èchies! ze
wóu wel!.... toch, 'n vage angst.... hoe zou dat gáán?--groot, ineens,
nu,.... en ze had 'n raar en zielig gevoel, of ze als 'n ander kind
langs 'n ander grachtje liep, en ze moest maar weer eens "salig"
denken en 'n tong-klakkertje maken, om zich 't huilerige gewring uit
de keel te houden.
En toch had ze maanden naar dit einde verlangd. Nu nóóit meer de
kwelling van elken dag komen en gaan tusschen de hurrie der dertig
kinders en meiden, groote, sterke, plagerige meiden, waar ze bang
voor was en zich weerloos tegen wist in de schrielte van haar
achterlijken groei en in de schuchtere verbouwereerdheid van haar
stillen aard. Het leeren zelf en het werken, dat had ze wel prettig
gevonden, prettig vooral als ze in een hoekje van stille of kleinere
meisjes had gezeten, waar ze dan, ongemoeid, haar taak kon afmaken,
wat bedaardjes en knusjes babbelend. Dan was ook haar kind-zijn
wel weer boven gekomen in kleine giechelarijtjes en heimelijke,
wat bloohartige grapjes van mekaars klosjes verstoppen en mekaars
schortebanden los-frutsen. Maar schuw-benauwd en dood-ongelukkig was
ze geweest de keeren, dat ze was terechtgekomen tusschen de groote,
woeste deerns, die met klompvoeten stompten naar elkaar, elkander
uit de bank reden of met spelden in de kuiten prikten....
Het kind was geboren toen al sinds twee jaar haar vader, na verminking
bij een trein-ongeluk, zijn thuis-zittend prutsleven leidde, en aan
zijn vrouw moest overlaten, bij te verdienen, wat ze op het karige
pensioentje, eerst nog maar met hun vieren, dan met hun vijven,
te kort kwamen. Die paar dubbeltjes van zijn lijstjes-snijden, z'n
beuzelige karton-plakkerij, dat kon niet meetellen.
Van een degelijk werkman, altijd al wat stijf en teuterig door overmaat
van ordentelijkheid, was hij gauw genoeg, in zijn gedwongen niets-doen,
door al 't medelijden van de menschen en het zelfbeklag, verweekelijkt
tot een soort burgermenheer, teemerig en kniezend, terwijl zijn vrouw,
optornend voor 't heele gezin, verheiebeide in 't slovig werk.
Het nakommertje had toen de man zelf verzorgd; hij had de flesschen
gespoeld, de papjes gekookt, de flokkers gemaakt, later er speelgoed
voor geknutseld; de tien lange jaren, dat hij het nog uithield, was
't zijn tijdpasseering geweest en zijn eenig plezier.
En het kind, aldoor levend om en bij den lijzigen invalide, meedeelend
in de lekkere hapjes, die de rijken uit de buurt stuurden, als ze
hem weer voorbij hadden zien komen met zijn strompelend kunstbeen
en zijn misvormde hand,--het kind, onvoordeelig al bij de geboorte,
was altijd een nietig poppetje gebleven, verwend en eenzelvig, en
met een ouwelijken angst voor wilde spelen en lawaai.
Vader-en-Marietje, dat was met de jaren in de huishouding van 't
goedig-ploeterend wasch- en werk-wijf, en de twee gezonde bonken van
aankomende deerns, het aparte geworden, dat men ontzien moest en met
omzichtigheid behandelen.
Vader-en-Marietje,--vóór het ongeluk had hij er minder om gegeven,
en met de vrouw mee waren de meisjes "geriffermeerd" geworden; maar
later, door zijn "domeni" drukker bezocht, en meer aan den godsdienst
doende, was hij weer geregeld naar zijn Luthersche kerkje gegaan, en,
toen Marietje kwam, had hij 'r Luthersch willen hebben, wat de moeder
best vond: 't maakte geen onderscheid;--Vader-en-Marietje hadden
hun aparte geloofje, hun aparten scheur-kalender met plaatjes van
Luther en den Wartburg, boven zijn stoel naast 't raam; gingen samen
's Zondags naar 't kleine, verwarmde kerkje op de Steengracht.
Vader-en-Marietje hadden ook hun aparte spulletjes. Vader dronk
niet uit een kom, maar had z'n eigen knevel-kop, waarop in blauwe
letters "Leendert" stond; Marietje had 'r eigen bordje, met binnen
een wit-glimmenden korrel-rand een vaal-zwart schilderijtje van een
vrouwtje, dat barrevoets naast een ezel door 't water stapte.... "le
gue" stond er onder, en geen van allen had ooit geweten wat dat wilde.
Vader, met z'n stijve hout-stomp, kon zich niet redden aan 't lage
ijzeren pompje op de plaats, had zijn wasch-teiltje, waarin Marietje,
schuw voor de kouwe pomp-plenzen, ook zich mocht wasschen.
En hoe minder de vader werken kon, hoe meer hij ver-heerde; hij werd
lastig op z'n onderkleeren, kamde tienmaal per dag z'n nattige haren,
en als maar even de lijm aan zijn vingers pikte, moest Marietje
hem z'n waschboel halen, en poetste hij met het borsteltje in de
drie strak-rood-vliezige vinger-kootjes van z'n overreden hand, de
geel-hoornige nagels van de gezonde linker. Het kind vond dat een
spelletje, stil genoegelijk, en dee mee van netjes handjes wasschen,
haartje kammen....
Toen, na haar vaders dood, en hun verhuizing, was al gauw het
bizondere leventje gedaan geweest, was ze ziek geworden, lang ziekig
gebleven van onwennigheid, moest ze iederen morgen naar een kliniek,
waar ze fleschjes lekkere melk kreeg en waar een dokter en juffrouwen
vriendelijk voor 'r waren. Ze had dagenlang stilletjes gehuild, toen
't gedaan was geweest; maar niemand had daar iets van gemerkt.
Dan, van de school, waar ze alleen bangheid had gekend voor de
meesters, was ze naar "'t naaien" gegaan; zijzelf had erom gebedeld,
maar moeder had 't ook billijk gevonden.... Ant was naar 't naaien
geweest.... Sien was naar 't naaien geweest.... Marietje zou hebben wat
'r zusters hadden gehad, ook al waren ze nou armer; dat dubbeltje in
de week zou d'r nog wel komme; en dan, als 't jaar om was, dan ging
ze naar 't fabriek.
Maar 't kind, met haar naaischool, had heimelijk heel wat anders
voorgehad.... Tegen Mei, dan kwamen de mevrouwen, die een knap
dagmeisje zochten bij de naai-juffrouw, en als je dan maar goed had
opgepast, dan hielp die je.... nou, en hàd ze dan 'n dienstje, dan
zou moeder toch wel....!
't Fabriek.... dat was voor 't kind een begrip van enkel verschrikking:
kwam ze er wel eens langs, dan liep ze gauw dóór bij 't hooren
van 't aanhoudend-snorrende, stommelende, metaal-klonkende
geraas,--vlijmde de angst door haar hoofd, wanneer ze achter de
vettig-doffe, grauw-bestoven ruitjes der nauwe ramen, duister een
vliegwiel zag ijlen in de rondte,--wee-pijnde 'r hart, wanneer, door
een scherf-hoekend gat in 't brosse glas, een felle riem, als inééns
vlàk bij haar, duizel-snel en trillend voorbijsneed! O! 't fabriek,--de
gore, hooge holten, die ze wel eens éven door 'n kierende deur had
ingekeken, terwijl 'n zure stank, door 'n bitteren roet-walm heen,
haar in de keel sloeg,--als ze daar in moest, tusschen de troepen
vuile kerels en ruwe meiden, zooals zij ze, van school komend,
dikwijls naar buiten had zien drommen in 't schaftuur!.... Nee,
nee, niet naar 't fabriek.... een dienstje, een stil dienstje,
bij vriendelijke, bedaarde menschen, waar ze haar kleine keukentje
zou hebben en kalmpjes-aan den dag doorwerken, om alles proper te
houden en ordelijk...., waar ze dan binnen zou worden geroepen, bij
een juffrouw of een mevrouw, die haar zachtzinnig zou toespreken en
vragen, of ze dit nog eens wou doen of dat....
Nu, met haar bengelenden sits-zak en haar pak present-gekregen
kleerengoed, deed zij haar laatsten gang van de naaischool naar
huis, liep zij daar door den warmen Mei-middag in de wisselende
schaduw-en-zon over haar flaphoedje met het verkleurde roode lint, en
haar gelapt jurkje van bruin merinos, liep zij het Turfgrachtje af,
dan de Singelbrug over, en door de wijde nog ongeplaveide straten
der nieuwe arbeiders-wijk, naar de Buitenkant, waar ze woonde, aan
het Dijkje.
De naaischool was toch zoo best geweest, dacht 't kind, al hàdden
de meiden 'r geplaagd; de naai-juffrouw was óók best geweest, en
de helpster had tegen háár nooit gesnauwd; ze had 's winters vaak
't langst bij de kachel mogen zitten, en 's zomers mocht ze altijd
gaan drinken op de plaats, omdat zij niet morste met 't water; en puik
naaien had ze geleerd, en nou had ze zooveel goed kedo gehad.... en
zulk mooi goed.... mooi blauw met witte klaverblaadjes.... zoo
leukies.... en nou was 't leeren voorgoed gedaan...
"Leukies jammer," zei ze dan opeens bij zichzelf, met den wonderlijken
zin dien ze had, om stil op haar eentje woord-grapjes te maken.... Ze
had bijna gehuild, maar dáár moest ze nu weer pret om hebben,
en ze lachte met het plotselinge en geluidlooze, zenuwachtige
mond-sperrinkje, dat altijd haar lachen was, en waarom de jongens op
straat haar scholden voor "Sprot."
Doch gauw stond 'r bleeke gezichtje weer in plooi van ernst. Ze
had ook véél zorg en zwarigheid! Als Marietje van school kwam,
was er altijd gezegd, dan moest ze mee inbrengen.... en met 'n
ouwelijke angstvalligheid hield ze daaraan vast; 't was immers ook
redelijk.... ze at zoogoed 'r boterham als de anderen.. Maar o! o! als
ze maar niet naar 't fabriek hoefde! En voor een dienstje moest ze
eerst kleeren hebben.... ze had nou 't goed.... maar 't màken! Ze
had wel naaien geleerd, en stoppen en mazen, maar daar had ze die
japon niet mee in mekaar.... Daar moest ze zelf voor sparen, want
van thuis kreeg ze 't niet.... En wàt of 'r moeder nou wel willen
zou, dat ze mee-inbracht? Ant gaf twee gulden kostgeld, en Sien gaf
'n daalder.... zij was nog maar 'n kleintje.... als zij nou eens
met 'n gulden hielp.... tjee, tjee, een gulden, dat zou ze maar net
kunnen verdienen met 'r los werk.... Wat kreeg ze nou te doen? van den
behanger gordijnen naaien, en breiwerk dat 'r moeder uit d'r werkhuizen
meebracht.... voor 'n gulden moest ze véél werk hebben, hard naaien
den heelen dag.... hoe zou ze dan nog sparen?.... en sparen, ze moest
sparen, gauw sparen.... anders waren de dienstjes weg....
Zoo, tobbend, was zij buiten de stad gekomen, en sloeg den knerpenden
kolen-weg op, die gesmoord-glanzerig in de zon, tusschen een boordevol
vaartje en lage, week-groene weilanden, naar 'n olie-molen ver in
't land liep.
Een zoele voorjaars-wind woei er ruimer; het water vergleed met
'n zonne-vleug op haar toe, of het vloeiende licht het smalle
gras-randje zóó overstroomen ging.... Ze voelde nu even niets dan
de goede lente-warmte en den zachten wind; en in haar hoofd was de
vrije leegte, gelaten door wat voorbij is, voor het nieuwe komt....
Dan, rechts, met hun bruine steentjes en dof-blauwe pannen, gestoofd
in 't licht, en toch als iets donkers erin, waren daar de huisjes al;
met de zakkerige dak-lijn laag aan de diep-blauwe lucht, stonden ze,
even omneer het dijkje, als afgedrast naar het vochtige weiland.
Daar woonde ze. Beneden de kleine klei-glooiing met 'n paar scheeve
vakken afgeloopen gras, was 't langs het brokkelig klinkerstraatje
telkens 'n smalle groene planken-deur en 'n vierkant raam van kleine
ruitjes in 't verweerd kozijn-hout. Het raam van haar moeder,
hagelblank begordijnd, blonk dadelijk als een vriendelijke vlek
tusschen de andere, groezelige vensters uit. Klaar blauw-wit en
kreukeloos-stijf, groenig bevierkant door 'n enkel oud ruitje, stonden
de prachtige, rankende kant-bloemen achter het glimmend-gepoetste
glas. Even schuin, over twee houtklossen, helde 't àf van de ruiten
en van de bloempotten in 't vensterbankje.
Dat gordijn,--je moest eraan zien, waar "de waschvrouw" woonde--was
de trots van het kind.
Thuis, dat was, in haar denken als ze op straat liep of op de
naaischool zat, nooit het keukentje waar ze huisden, achter, met de
havelooze kleptafel, de donkere kast met etenslucht uit grauw-bekrast
aardewerk, de matten stoelen waar de biezen onderuit plukten; dat was
niet het plaatsje, versperd van de tobben broeiend waschgoed, met de
rauw-vies riekende dweilen over 'n touwtje; 't was niet de vliering
met in 't miezerig licht door 'n besiepeld dak-raampje, de sjofele
kermisbedden van haar zusters, een paar kisten, wat stoffige rommel;
thuis, dat was zelfs niet 't voorkamertje, dat wel aan kant moèst zijn,
omdat 'r moeder er streek, maar waar 't achterin toch bijna altijd
donker was, een enkele kale stoel tegen den kalen muur schooierde,
en waar nooit, uit de diepe bedstee, de vunzige slaaplucht eens frisch
wegtrekken kon....
Thuis, het plezierige thuis, het prettigste van heel de buurt,
dat was, in de gedachten van het kind, het zomer en winter
smettelooze raam, het kunstig geblauwseld en gesteven gordijn voor
de zorgzaam-gereinigde ruitjes, achterlangs de twee geraniums
in hun schoongeschrobde rood-bruine potjes op aarden schotels;
's winters pronkte er een blinkend-blauw vaasje met een bos zijige,
roze-en-witte stroo-bloempjes.
Haar thuis, dat ze liefhad, dat was nog meer het rustige kamer-plekje
vlak àchter het gordijn; naast die blankte, en tusschen het la-kastje
aan den muur en de donkerbruine wasdoek-tafel half voor het raam,
daar stond de oude leunstoel van vader, met de zwart-gladde zitting en
rug van paardehaar, zwart-glimmerende blokjes over doffer geribbel,
in randen van bleek mahoniehout.... 't was de plaats van 'r moeder,
àls die 's zitten kon; meest was 't de hare.
Daar, een uur later, zat ze nu ook, een zware rol
grijs-en-rood-gestreept, stijf, glanzend linnen naast zich in den
stoel, een schoteltje met koperen ringetjes op schoot....
Draadje afknippen... draadje aanhechten... "zessetachtig" telde
ze. 't Waren een soort gordijnen; waarvoor ze moesten dienen, wist
ze eigenlijk niet, maar ze had op iedere streep een ringetje te
zetten; dien avond moest 't nog naar den behanger.... er zouden er
wel tweehonderd aan gaan....
"Haast je maar niet zoo," zei de moeder.... "'k breng 't niet voor
tien uur weg. Als 't af is, hei je toch niks meer te doen."
Het kind zat stil in haar hoekje, een afzonderlijk kamertje in de
kamer, nu haar moeders strijkplank, van het koude potkacheltje naar
de tafel gelegd, het afsloot van den daarachter verschemerenden
bedstee-kant.
Er hing een opwekkend-frissche geur door 't vertrekje, een zoet-fijne
stijfsellucht en een zoele wasem van uitdampend, helder-gewasschen,
in zonne-warmte gebleekt linnengoed.
Links van het kind stond de kanten blankheid, blauwig en blond
doorplooid, van het zonne-raam; en rechts, op de wit-omzwachtelde plank
en voor haar op tafel, was al het vlekkeloos-reine strijkgeraad. Als
weer een versche bout suizelend over een nieuw stuk nattig goed gleed
en, als kokend plotseling, het vocht in een wolkje opjoeg, dan, even,
met een vage vleug, schoot wel kleurig een zonnestraal dwars door
dien damp....