HOOFDSTUK XXXIX.

Doch d' hand van 't ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,

Een vreemd tooneel verschijnt voor 't oog.

Don Sebastiaan.

Ik was alleen, maar als 't ware bedwelmd, en daarbij moedeloos. Het

gemoed, dat gehecht is aan afwezige geliefde voorwerpen, geeft daaraan

niet alleen de schoonste vormen, maar ook zulke, waarin zij hen het

liefste ziet. Diana's beeld stond voor mijn geest, zoo als zij was,

toen haar afscheidstraan op mijne wang viel; toen haar geschenk,

dat ik door Mac-Gregor's vrouw ontving, mij haren wensch verried,

de herinnering mijner liefde naar de kloosterlijke eenzaamheid mede

te nemen. Ik zag haar, en hare koele onderwerping, die weinig meer

dan stille zwaarmoedigheid uitdrukte, verstoorde, ja beleedigde

mij. Mijne eigenliefde beschuldigde haar van onverschilligheid. Ik

verweet haren vader, trots, wreedheid, dweepzucht. Ik vergat dat

beiden hun goed en bloed, ja, Diana ook haar hart opofferde aan dat,

wat zij voor hun plicht hielden.

Vernon was een ijverig Katholiek, die den weg des heils voor te eng

hield, dan dat een ketter daarop zou hebben kunnen wandelen. Voor Diana

was haars vaders veiligheid sedert vele jaren de eenige drijfveer van

haar denken, haar hopen, haar handelen. Zij meende nu haren plicht

vervuld te hebben, als zij niet alleen haar wereldlijk eigendom, maar

ook de dierbaarste neigingen van haar hart aan zijn wil opofferde. Het

was niet te verwonderen, dat ik op dit oogenblik niet in staat was,

al die waarlijk eervolle beweegredenen behoorlijk te waardeeren;

maar toch kon mijne misnoegdheid mij tot niets onedels verleiden.

»Zoo, zoo, men versmaadt mij," zeide ik tot mij zelven, toen ik

Vernon's woorden overwoog--»men versmaadt mij. Men acht mij zelfs

onwaardig met haar te spreken. Goed, het zij zoo. Dat zal mij niet

beletten, voor hare veiligheid te zorgen. Hier zal ik de wacht houden,

en zoo lang zij zich onder mijn dak bevindt, zal geen gevaar haar

genaken, als de arm van een vastberaden man in staat is, om haar

te verdedigen."

Ik riep Syddall binnen. Hij kwam, maar vergezeld van den lastigen

Andries, die, sedert ik bezit van het kasteel had genomen, van zijn

eigen gewicht vervuld was, en besloten scheen te hebben, niet te

verzuimen zich bij elke gelegenheid voorop te plaatsen. Maar zoo

als het dikwijls met baatzuchtige oogmerken gaat, het miste zijn

doel. Zijne oplettendheden verveelden en wekten afkeer.

En nu werd ik door zijne, nu ongevraagde, tegenwoordigheid belet,

openhartig met Syddall te spreken. Ik durfde den ongeroepen getuige

niet wegzenden, uit vrees van den argwaan te vermeerderen, dien ik

misschien reeds wakker gemaakt had, toen ik hem zoo plotseling de

boekenkamer deed verlaten.

»Syddall! Ik zal hier slapen," zeide ik. Ik gaf hem bevel om een

ouderwetsche rustbank wat dichter bij het vuur te plaatsen. »Ik heb

nog wat te doen, en zal dus eerst laat ter ruste gaan."

Syddall, die mijn wenk scheen te verstaan, wilde mij een matras en

een bed geven. Ik nam zijn aanbod aan, en zond mijn bediende weg. Ik

beval hem mij den volgenden morgen niet vóór zeven uren te wekken.

Toen ik alleen was, gaf ik mij geheel aan mijne sombere overdenkingen

over, wachtend op het oogenblik, waarop de uitgeputte natuur rust zou

eischen. Ik wendde alle pogingen aan, om mijne gedachten af te trekken

van den zonderlingen toestand, waarin ik mij bevond. Die gevoelens,

die ik, zoolang het voorwerp mijner liefde verwijderd was, dapper

bestreden had, werden thans weder meer geprikkeld. Ik was immers

dicht in de nabijheid van haar, van wie ik weldra voor altijd zou

gescheiden worden. Haar naam stond in elken regel van elk boek; ik

trachtte te lezen. Hare beeltenis trad voor mijne ziel, zoo dikwijls

ik aan iets anders wilde denken.

Nu eens gaf ik mij aan deze gedachten over, dan weder trachtte ik ze

te bestrijden. Soms verloor ik mij in eene wegslepende weemoedigheid,

dan weder wapende ik mij met eene zekere fierheid, des te sterker, nu

zij zich door onverdiende minachting beleedigd gevoelde. Ik wandelde

de bibliotheek op en neer tot ik onder al die aandoeningen in eene

koortsachtige onrust was geraakt. Eindelijk wierp ik mij gekleed op

het bed. Maar te vergeefs trachtte ik in te sluimeren. Vruchteloos

hield ik mij, zonder een enkel lid te verroeren, doodstil. Ik poogde

den verontrustenden gedachtenloop te wijzigen, te verbannen, door

onophoudelijk zekere woorden te herhalen, of mij met een rekenkundig

vraagstuk bezig te houden. Mijn bloed vloeide als vuur door mijne

aderen, en mijn pols sloeg hevig.

Ten slotte stond ik op, opende het venster en keek naar buiten

in den door de maan helder beschenen nacht. De koelte en zachte

stilte daarbuiten verkwikten mij, en deden den storm in mijne ziel

eenigszins bedaren. Toen ik mij weder ter ruste legde, gevoelde

ik mij kalmer. Weldra bekroop mij de sluimer. Maar het pijnlijke

gevoel van mijn toestand bleef mij steeds bij, ook in den diepen

slaap. Verschrikkelijke droomen folterden mij. Een van die ontzettende

droombeelden herinner ik mij thans nog zeer duidelijk. Ik bevond

mij met Diana in de macht van Mac-Gregor's vrouw, en wij zouden van

eene rots in zee gestort worden. Het teeken werd door het schot

van een kanon gegeven, hetwelk Vernon, in kardinaalskleeding,

liet losbranden. Nog op dit oogenblik zou ik het tooneel kunnen

afschilderen--de zwijgende, moedige onderwerping op Diana's gelaat,

de woeste, ijselijke gelaatstrekken der beulen, die met steeds

wisselend grijnzen van het gelaat rondom ons heendrongen. Ik zag

de harde, onbuigzame godsdienstdweeperij op het gelaat des vaders:

ik zag hem de lont opheffen. Het teeken des doods klonk, vele malen

herhaald door de echo der omliggende rotsen, en--ik ontwaakte uit

mijn ingebeelden schrik, om werkelijken angst te ondervinden.

Want zie, ook wakende hoorde ik de geluiden, die mij in den droom

verschrikt hadden. Wel duurde het een paar minuten, eer ik mij

geheel herstellen en genoegzaam onderscheiden kon, dat er hevig aan

de voorpoort werd geklopt. Ontsteld sprong ik op, nam mijn degen

onder den arm en spoedde mij naar buiten, om iedereen den toegang te

beletten. Ik moest echter een grooten omweg nemen, omdat de bibliotheek

niet aan de voorzijde van het kasteel lag, maar op den tuin uitkwam,

waarvan de vensters op het voorplein uitzagen. Daar hoorde ik Syddall's

zwakke en benauwde stem in woordenwisseling met eenige ruwe mannen,

die, krachtens een bevel des rechters Standish en in naam des konings,

eischten binnengelaten te worden, en den ouden bediende met de zwaarste

straf bedreigden, als hij hun gehoorzaamheid weigerde. Plotseling deed

zich, tot mijn grootst verdriet, de stem van Andries hooren, die den

ouden Syddall beval ter zijde te gaan, en zelf de deur openen wilde.

»Komen zij," zeide hij, »in 's konings naam, dan hebben wij niets te

vreezen. Immers hebben wij voor hem goed en bloed opgeofferd. Waarlijk,

wij behoeven ons niet schuil te houden als andere lieden, mijnheer

Syddall! wij zijn noch Papisten, noch Jakobieten."

Vruchteloos snelde ik met verdubbelde schreden de trap af. De

dienstvaardige Andries schoof de grendels weg, terwijl hij

onophoudelijk op zijne en zijns meesters getrouwheid jegens den

koning roemde. Ik zag in, dat de gerechtsdienaren binnen zouden zijn,

eer ik de grendels weder vóór de deur kon schuiven. Ik stelde de

harde tuchtiging, die ik den voorbarigen kerel toedacht, uit, snelde

terug naar de boekenkamer, sloot de deur zoo goed ik kon, en klopte,

terwijl ik driftig bad om binnengelaten te worden, aan die, welke tot

Diana's en haars vaders kamer leidde. Diana opende de deur zelve:

zij was geheel aangekleed, noch onrust, noch vrees bezielde haar,

zij was uiterst kalm.

»Wij zijn zoo vertrouwd met het gevaar," zeide zij, »dat wij er steeds

op voorbereid zijn. Mijn vader is reeds ontwaakt en bevindt zich in

Rashleigh's kamer. Wij spoeden ons naar den tuin, vervolgens door de

achterdeur naar het bosch.--In geval van nood, heb ik mij den sleutel

door Syddall doen geven. Niemand kent de wegen door het bosch beter

dan ik. Houd hen slechts een paar minuten op. En nu, waarde Frans,

nog eenmaal, vaarwel!"

Zij verdween als eene geestverschijning, om zich met haar vader weg

te spoeden. Men klopte heftig op de deur en poogde ze met geweld te

openen, toen ik in de bibliotheek terugkwam.

»Rooversgespuis!" riep ik, opzettelijk het doel van hunne

gewelddadigheid verkeerd uitleggende; »verlaat terstond dit kasteel,

of ik schiet op u, door de deur heen."

»Gekheid!" riep Andries mij toe. »Het is immers mijnheer Jobson met

een gerechtelijk bevel...."

»Ja mijnheer, ik heb bevel het kasteel te doorzoeken, tot het

aanhouden en arresteeren van zekere personen," hoorde ik den ellendigen

rechtsverdraaier zeggen, »zekere personen, genoemd en aangeduid in

mijn bevel van aanhouding, als schuldig aan hoogverraad, krachtens de

verordening uit het dertiende jaar der regeering van koning Willem,

in het derde kapittel."

Robbert Roodhaar · 第 52 / 57 题