Doch d' hand van 't ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,
Een vreemd tooneel verschijnt voor 't oog.
Don Sebastiaan.
Ik was alleen, maar als 't ware bedwelmd, en daarbij moedeloos. Het
gemoed, dat gehecht is aan afwezige geliefde voorwerpen, geeft daaraan
niet alleen de schoonste vormen, maar ook zulke, waarin zij hen het
liefste ziet. Diana's beeld stond voor mijn geest, zoo als zij was,
toen haar afscheidstraan op mijne wang viel; toen haar geschenk,
dat ik door Mac-Gregor's vrouw ontving, mij haren wensch verried,
de herinnering mijner liefde naar de kloosterlijke eenzaamheid mede
te nemen. Ik zag haar, en hare koele onderwerping, die weinig meer
dan stille zwaarmoedigheid uitdrukte, verstoorde, ja beleedigde
mij. Mijne eigenliefde beschuldigde haar van onverschilligheid. Ik
verweet haren vader, trots, wreedheid, dweepzucht. Ik vergat dat
beiden hun goed en bloed, ja, Diana ook haar hart opofferde aan dat,
wat zij voor hun plicht hielden.
Vernon was een ijverig Katholiek, die den weg des heils voor te eng
hield, dan dat een ketter daarop zou hebben kunnen wandelen. Voor Diana
was haars vaders veiligheid sedert vele jaren de eenige drijfveer van
haar denken, haar hopen, haar handelen. Zij meende nu haren plicht
vervuld te hebben, als zij niet alleen haar wereldlijk eigendom, maar
ook de dierbaarste neigingen van haar hart aan zijn wil opofferde. Het
was niet te verwonderen, dat ik op dit oogenblik niet in staat was,
al die waarlijk eervolle beweegredenen behoorlijk te waardeeren;
maar toch kon mijne misnoegdheid mij tot niets onedels verleiden.
»Zoo, zoo, men versmaadt mij," zeide ik tot mij zelven, toen ik
Vernon's woorden overwoog--»men versmaadt mij. Men acht mij zelfs
onwaardig met haar te spreken. Goed, het zij zoo. Dat zal mij niet
beletten, voor hare veiligheid te zorgen. Hier zal ik de wacht houden,
en zoo lang zij zich onder mijn dak bevindt, zal geen gevaar haar
genaken, als de arm van een vastberaden man in staat is, om haar
te verdedigen."
Ik riep Syddall binnen. Hij kwam, maar vergezeld van den lastigen
Andries, die, sedert ik bezit van het kasteel had genomen, van zijn
eigen gewicht vervuld was, en besloten scheen te hebben, niet te
verzuimen zich bij elke gelegenheid voorop te plaatsen. Maar zoo
als het dikwijls met baatzuchtige oogmerken gaat, het miste zijn
doel. Zijne oplettendheden verveelden en wekten afkeer.
En nu werd ik door zijne, nu ongevraagde, tegenwoordigheid belet,
openhartig met Syddall te spreken. Ik durfde den ongeroepen getuige
niet wegzenden, uit vrees van den argwaan te vermeerderen, dien ik
misschien reeds wakker gemaakt had, toen ik hem zoo plotseling de
boekenkamer deed verlaten.
»Syddall! Ik zal hier slapen," zeide ik. Ik gaf hem bevel om een
ouderwetsche rustbank wat dichter bij het vuur te plaatsen. »Ik heb
nog wat te doen, en zal dus eerst laat ter ruste gaan."
Syddall, die mijn wenk scheen te verstaan, wilde mij een matras en
een bed geven. Ik nam zijn aanbod aan, en zond mijn bediende weg. Ik
beval hem mij den volgenden morgen niet vóór zeven uren te wekken.
Toen ik alleen was, gaf ik mij geheel aan mijne sombere overdenkingen
over, wachtend op het oogenblik, waarop de uitgeputte natuur rust zou
eischen. Ik wendde alle pogingen aan, om mijne gedachten af te trekken
van den zonderlingen toestand, waarin ik mij bevond. Die gevoelens,
die ik, zoolang het voorwerp mijner liefde verwijderd was, dapper
bestreden had, werden thans weder meer geprikkeld. Ik was immers
dicht in de nabijheid van haar, van wie ik weldra voor altijd zou
gescheiden worden. Haar naam stond in elken regel van elk boek; ik
trachtte te lezen. Hare beeltenis trad voor mijne ziel, zoo dikwijls
ik aan iets anders wilde denken.
Nu eens gaf ik mij aan deze gedachten over, dan weder trachtte ik ze
te bestrijden. Soms verloor ik mij in eene wegslepende weemoedigheid,
dan weder wapende ik mij met eene zekere fierheid, des te sterker, nu
zij zich door onverdiende minachting beleedigd gevoelde. Ik wandelde
de bibliotheek op en neer tot ik onder al die aandoeningen in eene
koortsachtige onrust was geraakt. Eindelijk wierp ik mij gekleed op
het bed. Maar te vergeefs trachtte ik in te sluimeren. Vruchteloos
hield ik mij, zonder een enkel lid te verroeren, doodstil. Ik poogde
den verontrustenden gedachtenloop te wijzigen, te verbannen, door
onophoudelijk zekere woorden te herhalen, of mij met een rekenkundig
vraagstuk bezig te houden. Mijn bloed vloeide als vuur door mijne
aderen, en mijn pols sloeg hevig.
Ten slotte stond ik op, opende het venster en keek naar buiten
in den door de maan helder beschenen nacht. De koelte en zachte
stilte daarbuiten verkwikten mij, en deden den storm in mijne ziel
eenigszins bedaren. Toen ik mij weder ter ruste legde, gevoelde
ik mij kalmer. Weldra bekroop mij de sluimer. Maar het pijnlijke
gevoel van mijn toestand bleef mij steeds bij, ook in den diepen
slaap. Verschrikkelijke droomen folterden mij. Een van die ontzettende
droombeelden herinner ik mij thans nog zeer duidelijk. Ik bevond
mij met Diana in de macht van Mac-Gregor's vrouw, en wij zouden van
eene rots in zee gestort worden. Het teeken werd door het schot
van een kanon gegeven, hetwelk Vernon, in kardinaalskleeding,
liet losbranden. Nog op dit oogenblik zou ik het tooneel kunnen
afschilderen--de zwijgende, moedige onderwerping op Diana's gelaat,
de woeste, ijselijke gelaatstrekken der beulen, die met steeds
wisselend grijnzen van het gelaat rondom ons heendrongen. Ik zag
de harde, onbuigzame godsdienstdweeperij op het gelaat des vaders:
ik zag hem de lont opheffen. Het teeken des doods klonk, vele malen
herhaald door de echo der omliggende rotsen, en--ik ontwaakte uit
mijn ingebeelden schrik, om werkelijken angst te ondervinden.
Want zie, ook wakende hoorde ik de geluiden, die mij in den droom
verschrikt hadden. Wel duurde het een paar minuten, eer ik mij
geheel herstellen en genoegzaam onderscheiden kon, dat er hevig aan
de voorpoort werd geklopt. Ontsteld sprong ik op, nam mijn degen
onder den arm en spoedde mij naar buiten, om iedereen den toegang te
beletten. Ik moest echter een grooten omweg nemen, omdat de bibliotheek
niet aan de voorzijde van het kasteel lag, maar op den tuin uitkwam,
waarvan de vensters op het voorplein uitzagen. Daar hoorde ik Syddall's
zwakke en benauwde stem in woordenwisseling met eenige ruwe mannen,
die, krachtens een bevel des rechters Standish en in naam des konings,
eischten binnengelaten te worden, en den ouden bediende met de zwaarste
straf bedreigden, als hij hun gehoorzaamheid weigerde. Plotseling deed
zich, tot mijn grootst verdriet, de stem van Andries hooren, die den
ouden Syddall beval ter zijde te gaan, en zelf de deur openen wilde.
»Komen zij," zeide hij, »in 's konings naam, dan hebben wij niets te
vreezen. Immers hebben wij voor hem goed en bloed opgeofferd. Waarlijk,
wij behoeven ons niet schuil te houden als andere lieden, mijnheer
Syddall! wij zijn noch Papisten, noch Jakobieten."
Vruchteloos snelde ik met verdubbelde schreden de trap af. De
dienstvaardige Andries schoof de grendels weg, terwijl hij
onophoudelijk op zijne en zijns meesters getrouwheid jegens den
koning roemde. Ik zag in, dat de gerechtsdienaren binnen zouden zijn,
eer ik de grendels weder vóór de deur kon schuiven. Ik stelde de
harde tuchtiging, die ik den voorbarigen kerel toedacht, uit, snelde
terug naar de boekenkamer, sloot de deur zoo goed ik kon, en klopte,
terwijl ik driftig bad om binnengelaten te worden, aan die, welke tot
Diana's en haars vaders kamer leidde. Diana opende de deur zelve:
zij was geheel aangekleed, noch onrust, noch vrees bezielde haar,
zij was uiterst kalm.
»Wij zijn zoo vertrouwd met het gevaar," zeide zij, »dat wij er steeds
op voorbereid zijn. Mijn vader is reeds ontwaakt en bevindt zich in
Rashleigh's kamer. Wij spoeden ons naar den tuin, vervolgens door de
achterdeur naar het bosch.--In geval van nood, heb ik mij den sleutel
door Syddall doen geven. Niemand kent de wegen door het bosch beter
dan ik. Houd hen slechts een paar minuten op. En nu, waarde Frans,
nog eenmaal, vaarwel!"
Zij verdween als eene geestverschijning, om zich met haar vader weg
te spoeden. Men klopte heftig op de deur en poogde ze met geweld te
openen, toen ik in de bibliotheek terugkwam.
»Rooversgespuis!" riep ik, opzettelijk het doel van hunne
gewelddadigheid verkeerd uitleggende; »verlaat terstond dit kasteel,
of ik schiet op u, door de deur heen."
»Gekheid!" riep Andries mij toe. »Het is immers mijnheer Jobson met
een gerechtelijk bevel...."
»Ja mijnheer, ik heb bevel het kasteel te doorzoeken, tot het
aanhouden en arresteeren van zekere personen," hoorde ik den ellendigen
rechtsverdraaier zeggen, »zekere personen, genoemd en aangeduid in
mijn bevel van aanhouding, als schuldig aan hoogverraad, krachtens de
verordening uit het dertiende jaar der regeering van koning Willem,
in het derde kapittel."