HOOFDSTUK XXXVIII.

De meester is niet meer.

Het oud kasteel van Ivol--uitgestorven,

Hij wist het wel, het gansch gezin,

Tot paard en honden toe,

Hen allen had het graf verworven.

Wordsworth.

Hoe vreeselijk veranderd vond ik het kasteel. Hoe geheel verlaten

was dat tooneel van vroegere genoegens. In sombere gemoedsstemming

zag ik het weder. Op den weg naar het kasteel zag ik dezelfde

voorwerpen, welke ik aan Diana's zijde had aanschouwd op onze

gedenkwaardige terugreis van Inglewoods woning. Haar geest scheen

mij te vergezellen. Toen ik aan de plek kwam, waar ik haar voor de

eerste maal had ontmoet, meende ik bijna het geblaf der honden en de

tonen der jachthorens nog te hooren. Ik staarde geruimen tijd op de

ledige ruimte, als moest ik de schoone jageres, als eene hemelsche

verschijning, nog eens van den heuvel zien afkomen. Maar alles bleef

stil, alles was eenzaam. Toen ik het kasteel bereikte, vond ik de

deuren en vensters gesloten. Gras groeide tusschen de steenen op

de ruime pleinen, waar ik zoo vaak zulk een druk gewoel had gezien,

als de vroolijke jagers 's morgens uitgingen of 's avonds huiswaarts

keerden. Het blijde geblaf der ontkoppelde honden, het gejuich der

jagers, de hoefslag der paarden, het luide lachen van den ouden

ridder aan het hoofd zijner talrijke stamhouders--dit alles was voor

altijd verstomd!

Diep geroerd zag ik in deze akelige eenzaamheid rond. Ik was aangedaan,

zelfs bij de herinnering aan hen, die volstrekt geen aanspraak op

mijne toegenegenheid hadden. Maar de gedachte, dat zoo vele kloeke

jongelingen in den bloei van het leven en in krachtige gezondheid

binnen zulk een korten tijd allen door een geweldigen onverwachten dood

weggerukt waren, stelde mij een beeld der sterfelijkheid voor oogen,

dat mij van schrik deed beven. Voor mij was het een zwakke troost,

dat ik als eigenaar van het kasteel terugkeerde, hetwelk ik bijna

als vluchteling verlaten had. Mijn toestand was voor mij nog zoo

nieuw, dat ik mij in zekeren zin als een onwettigen bezitter, als

een indringenden vreemdeling beschouwde. Nauwelijks kon ik mij van

het denkbeeld ontdoen, dat eenige van de krachtige gestalten mijner

overleden neven aan de poort van het kasteel verschijnen en mij den

toegang betwisten zouden.

Terwijl ik mij in deze treurige overdenkingen verdiepte, was

mijn geleider Andries, met geheel andere gedachten bezield, reeds

begonnen met aan al de deuren te kloppen, begeerende binnengelaten te

worden. Ja, hij gaf dit op een toon te kennen, die duidelijk genoeg

verried, dat hij ten minste zijn nieuw verkregen waardigheid, als

schildknaap des nieuwen burgheers goed besefte. Eindelijk liet Syddall,

mijns ooms oude hofmeester, zich zien. Schuw keek hij door een dicht

getralied venster van de eerste verdieping, terwijl hij luid vroeg,

wat wij begeerden.

»Dag oude vriend! wij komen u aflossen," zeide Andries. »Geef

maar gauw de sleutels over. Ik zal het zilverwerk en tafelgoed

van u overnemen. Gij hebt lang genoeg den boel beheerd, mijnheer

Syddall. Ieder zijn beurt. Nu zult gij toch ook eens aan het

benedeneinde der tafel zitten waar Andries zoo lang gezeten heeft."

Niet zonder moeite bracht ik de voorbarigheid van mijn geleider

binnen betamelijke perken terug. Ik verklaarde den ouden dienaar

op welk recht ik mijn aanspraak grondde, om in het kasteel als in

mijn eigendom binnengelaten te worden. Syddall scheen onthutst en

verlegen. Ja, hij liet vrij duidelijk zijn onwil blijken, om mij

toegang te verleenen, ofschoon hij op deemoedigen en onderdanigen

toon sprak. Ik gebruikte toegevendheid tegenover die opwelling van

natuurlijk gevoel, die den ouden man tot eer strekte. Ik drong echter

ernstig bij hem aan om binnengelaten te worden, en verklaarde, dat

zijne weigering mij noodzaken zou, gerechtelijke hulp in te roepen.

»Hoor eens oude, wij komen juist van den vrederechter

Inglewood!" voegde Andries er bij, om mijn bedreiging nog meer kracht

bij te zetten. »Er wordt weer recht en gerechtigheid in het land

gehandhaafd. Oproermakers en Papisten mogen niet meer doen wat zij

verkiezen. Hun rijk is uit!"

De bedreiging van gerechtelijke dwangmiddelen klonk vreeselijk in de

ooren van den ouden man, die wel wist, dat hij wegens zijn geloof en

zijne gehechtheid aan zijn overleden meester verdacht moest zijn. Met

angst en beven opende hij een zijpoortje, dat met vele grendels en

bouten voorzien was. Hij bad mij ootmoedig, voor zijne getrouwheid

in de uitoefening zijner plichten verschooning te mogen vinden. Ik

stelde hem gerust door hem te verzekeren, dat zijne voorzichtigheid

mij een zeer goeden dunk van hem had ingeboezemd.

»Ik denk er anders over!" zeide Andries. »Syddall is een oude

schurk. Hij zou er zoo doodsbleek niet uitzien, hij zou zoo niet

beven als een schoothondje, als hij niet meer te verantwoorden had,

dan hij ons zeggen wil."

»God vergeve het u, Andries!" hernam Syddall, »dat gij zoo over

een oud vriend en kameraad spreekt! Waar zal ik vuur voor u laten

aanleggen, mijnheer?" vroeg hij, terwijl hij mij nederig door den

gang volgde. »Ik vrees, dat gij 't in het kasteel al te eenzaam,

al te naar zult vinden. Doch gij keert zeker nog heden namiddag naar

den heer Inglewood terug om bij hem te eten."

»Leg wat vuur aan in de bibliotheek," antwoordde ik.

»Wat! In de bibliotheek?" riep de oude man. »Daar is sinds lang niemand

geweest; daar rookt het. De kraaien hebben zich in het voorjaar in den

schoorsteen genesteld, en wij hebben geen jonge lieden in het kasteel,

om hunne nesten er uit te halen."

»Zwijg maar. Onze eigen rook is beter dan eens andermans vuur!" viel

Andries hem in de rede. »Mijnheer verkiest nu in de boekenkamer te

wezen; want hij wil niet, zoo als gij Papisten, in blinde onkunde

zijn tijd doorbrengen."

Zeer ongaarne, naar het mij voorkwam, bracht de oude man ons naar de

boekenkamer, die, geheel tegen de verwachting, welke zijne woorden bij

mij verwekt hadden, zoo als het scheen, eerst onlangs gemakkelijker

en bewoonbaarder was ingericht geworden. Op den haard brandde een

helder vuurtje, in weerwil van al wat Syddall over den rook gezegd

had. Hij nam de tang, om het hout te recht te leggen, of liever,

om zijne verlegenheid te verbergen. Hij zeide, dat het thans goed

brandde, maar nog dien zelfden morgen verschrikkelijk gerookt had.

Ik wenschte alleen te zijn, om mij van de eerste smartelijke

gewaarwordingen te herstellen, die alles wat mij omringde, in mij

opwekte. Ik beval dus Syddall den rentmeester te halen, die op

eenigen afstand van het kasteel woonde. Ongaarne scheen hij zich te

verwijderen. Vervolgens gelastte ik Andries, mij een paar sterke knapen

op te sporen, op wie hij vertrouwen kon; want de bewoners der omstreken

waren meest allen Roomsch-Katholieken, en Rashleigh, wien geene stoute

onderneming ooit afschrikte, hield zich in de nabijheid op. Met vreugde

nam Andries de uitvoering van dezen last op zich, en verzekerde tevens,

dat hij een paar echte Presbyterianen zou brengen, die den Paus, den

duivel en den Pretendent het hoofd durfden bieden.--»En mij zal dat

gezelschap ook zeer aangenaam zijn," voegde hij er bij; »want juist in

den laatsten nacht, dien ik in dit kasteel doorbracht, zag ik dat beeld

daar--hij wees op een levensgroot portret van Diana's grootvader--in

de maneschijn door den tuin wandelen. Ik zeide het u immers, dat een

spook mij verschrikt had; maar gij wildet mij niet gelooven. Altijd

heb ik gemeend, dat er onder papisten hekserij en duivelskunstenarij

bestond, maar dien nacht heb ik het met eigen oogen gezien."

»Ga maar heen; ga maar heen!" viel ik hem in de rede: »haal mij die

knapen, maar zie wel toe, dat zij meer gezond verstand hebben dan gij,

en niet voor hunne eigen schaduw sidderen."

»Hoor eens mijnheer, men heeft mij altijd voor een verstandig mensch

gehouden, zoo goed als de verstandigste van mijne buren. Maar met

spoken heb ik nooit gemeenschap gehad!" antwoordde Andries vrij nijdig

en ging heen.

Op het zelfde oogenblik trad de rentmeester Wardlaid binnen. Ik kende

hem als een braaf en knap mensch, zonder wiens behulp mijn oom niet in

staat zou zijn geweest, zijne kostbare huishouding zoo lang in orde te

houden. Hij onderzocht mijne rechten op het kasteel zeer nauwkeurig,

en erkende toen mijn eigendomsrecht zonder bezwaar. De erfenis zou

voor elk ander persoon van mijn stand armzalig zijn geweest. Het

landgoed was met schulden en hypotheken bezwaard. Mijn vader had ze

echter gedeeltelijk afgelost, wat hem bij de rijzing der fondsen niet

veel opoffering kostte.

De rentmeester, met wien ik vele zaken had te regelen, bleef bij mij

eten. Liefst wilde ik in de boekenkamer mijn maaltijd gebruiken,

ofschoon Syddall mij daartoe de groote zaal aanbeval, die hij

volgens zijne verzekering, in de haast behoorlijk in orde had laten

brengen. Intusschen verscheen Andries met zijne recruten, die hij als

ordelijke, en bovenal als onversaagde en dappere mannen aanprees. Ik

gelastte, dat men hun wat te drinken zou geven, en zond hen toen weg.

Syddall volgde de beide knapen onder een bedenkelijk hoofdschudden. Ik

wilde de reden weten.

»Gij zult mijne woorden niet gelooven," antwoordde hij--»dat kan

ik trouwens niet anders verwachten--maar wat waar is, blijft toch

waar. Die eene knaap, Wingfield is door en door eerlijk, maar zijn

broeder is een echte valschaard. De gansche omtrek weet, dat hij

bij den griffier Jobson voor spion heeft gespeeld, om de heeren,

die in de onlusten gewikkeld waren, ongelukkig te maken. Maar hij

is Presbyteriaan, en dat alleen is heden ten dage eene voldoende

aanbeveling."

Ik was er niet naar gestemd, om veel gewicht te hechten aan deze

en dergelijke uitdrukkingen, waarmede de oude man, terwijl hij

mij een dienst scheen te willen bewijzen, inderdaad, aan zijne

gramstorigheid lucht gaf. Toen hij den wijn op tafel had gezet, ging

hij heen. Eerst tegen het vallen van den avond pakte de rentmeester

zijne papieren samen, om zich naar huis te begeven. Ik bleef alleen,

in die zonderlinge gemoedsgesteldheid, waarin men zelf niet weet,

of men gezelschap of eenzaamheid wenscht. Er bleef mij echter geene

keus. Ik moest alleen blijven in die kamer, die mij meer dan eenige

andere tot zwaarmoedige overdenkingen stemde.

Toen de avond begon te vallen, stak Andries het hoofd door de half

geopende deur, om te vragen of ik licht wilde hebben, of liever,

om het mij als een maatregel van voorzichtigheid tegenover de spoken

aan te bevelen. Knorrig wees ik zijn voorstel van de hand, wierp mij

in een der groote lederen leunstoelen, die aan weerszijden van den

schoorsteen stonden, en staarde droomend op de helder flikkerende

vlammen, die ik gevoed had.

»Zoo als die vlammen opflikkeren, zoo rijzen verlangens in ons op. En

zoo als die vonken dooven, zoo verdwijnen ze weder!" zeide ik tot

mij zelven. Gevoed door kleinigheden, aangeblazen door verbeelding,

onderhouden door hoop, stijgen ze, tot ze verteren wat zij ontvlamd

hebben. O, mensch, met al uwe verwachtingen, al uwe hartstochten en

wenschen, tot een ellendigen aschhoop wordt ge ten slotte van binnen!

Een diepe zucht uit een ander gedeelte der kamer scheen op mijne

overdenkingen te antwoorden. Ik sprong verschrikt op, en--Diana Vernon

stond voor mij, op den arm van een man leunende, die op de boven

vermelde beeltenis zoo zeer geleek, dat ik onwillekeurig naar de lijst

der schilderij zag, alsof ik verwacht had ze ledig te vinden. Was

ik plotseling krankzinnig geworden, of waren de dooden uit hun graf

opgestaan? Bij den tweeden oogopslag bemerkte ik echter, dat ik zeer

goed bij mijn zinnen was, dat levende gedaanten voor mij stonden. Het

was Diana zelve, maar bleeker en magerder dan te voren. Naast haar

stond geen doode, maar pater Vaughan, of eigenlijk sir Frederik Vernon,

in eene kleeding, waarin hij sprekend zijn vader op de schilderij

geleek. Hij brak 't eerst het stilzwijgen af, want Diana keek strak

voor zich neer. Ik zelf kon van verbazing geen woord uiten.

»Als smeekenden staan wij voor u, mijnheer Osbaldistone!" zeide

hij. »Wij zoeken onder uw dak toevlucht en bescherming, tot wij

eene reis kunnen vervolgen, waar gevangenis en dood ons bij elken

stap bedreigen."

»Zou Diana," stamelde ik, »zou freule Vernon en gij, mijnheer, dan

kunnen gelooven, dat ik vergeten heb, welke deelneming gij mij bewezen

hebt, toen ik mij in een aller neteligsten toestand bevond. Meent gij,

dat ik in staat zou zijn, iemand te verraden, en nog wel u beiden!"

»Ik ben overtuigd van uwe goedheid," antwoordde Vernon; »en

toch vertrouw ik u met angst een geheim toe, dat voor u misschien

onaangenaam, ja, hoogst gevaarlijk kan zijn. Ik had het veel liever aan

ieder ander persoon geopenbaard. Maar het noodlot, dat mij in zoo vele

hachelijke omstandigheden heeft gewikkeld, liet mij geene keuze over."

Op dat oogenblik werd de deur geopend, en liet zich de drukke stem

van Andries hooren.--»Ik breng u de kaarsen," zeide hij; »gij kunt

ze aansteken, wanneer ge verkiest."

Ik spoedde mij naar de deur, in de meening hem nog bij tijds te

beletten, te zien, wie zich behalve mij in de kamer bevond. Haastig

duwde ik hem terug, sloot de deur toe en deed er de grendels op. Maar

plotseling herinnerde ik mij, dat zijne beide rekruten nog beneden

waren. Andries' praatzucht kende ik. Ook Syddall's waarschuwing omtrent

een dier knapen viel mij in. Ik volgde hem daarom terstond naar de

dienstbodenkamer, waar zij zich bij elkander bevonden. Andries was,

toen ik de deur opende, vrij luidruchtig aan het praten, maar mijne

plotselinge verschijning bracht hem eensklaps tot zwijgen.

»Wat deert u, domkop?" vroeg ik. »Gij ziet er zoo vervaard uit,

als of gij een spook hadt gezien."

»Nie--niets," antwoordde Andries. »Maar u was zoo--zoo driftig,

mijnheer!"

»Omdat gij mij uit een diepen slaap wektet. Syddall zegt mij, dat

hij geen slaapplaats voor deze menschen heeft, en ik hoor ook, dat

het niet noodig is, hen hier te houden. Voor dit geld mogen zij eens

op mijne gezondheid gaan drinken en overigens dank ik hen voor hun

goeden wil. Gij kunt nu vertrekken, vrienden!"

De beide knapen dankten mij voor mijne goedheid, namen het geld aan

en gingen heen, zonder eenigen argwaan en weltevreden, ten minste

naar het mij toescheen. Ik wachtte tot zij zich verwijderd hadden,

zoodat ik overtuigd was, dat zij dien avond met Andries niet weder in

gesprek konden komen. Snel was ik den tuinman op den voet gevolgd. Geen

twee woorden kon hij dus met hen gesproken hebben, toen ik hem reeds

in de rede viel. Doch hoeveel onheil kunnen soms slechts twee woorden

stichten: hier kostten ze twee menschen het leven!

Toen ik deze maatregelen genomen had--het beste wat mij voor

dat oogenblik inviel, om het geheim van Diana en haren vader te

beveiligen--keerde ik naar hen terug, om hun van hetgeen door mij

gedaan was kennis te geven. Ik voegde er nog bij, dat ik den ouden

Syddall gelast had, zoo dikwijls ik riep, zelf te komen. Ik moest

wel vermoeden, dat zij alleen met zijn medeweten in het kasteel

verborgen waren.

Diana sloeg de oogen op en bedankte mij voor mijne

voorzichtigheid.--»Gij zijt thans met mijn geheim bekend," zeide

zij. »Gij weet nu ook, hoe na en hoe dierbaar mij deze man is, die

hier zoo vaak eene schuilplaats heeft gevonden. Het zal u niet langer

verwonderen, dat Rashleigh, sedert hij meester van zulk een geheim was,

mij als met eene ijzeren roede beheerschte."

Haar vader viel haar in de rede, en voegde er nog bij, dat zij mij

slechts eenige weinige oogenblikken tot last wilden zijn.

Ik verzocht de vluchtelingen zich geheel aan mij toe te vertrouwen,

en overtuigd te zijn, dat ik alles aanwenden zou, wat in mijn vermogen

was, om hun veiligheid te verschaffen. Dit leidde tot eene nadere

mededeeling over den toestand, waarin zich Vernon en zijne dochter

bevonden.

»Ik had steeds verdenking op Rashleigh," zeide hij. »Maar nu vervult

mij zijn gedrag jegens mijne hulpelooze dochter, dat zij mij slechts

na mijn lang aandringen bekende, en ook zijne trouweloosheid jegens uw

vader, met den innigsten haat en de diepste verachting tegen hem. Bij

onze laatste samenkomst, ontveinsde ik hem mijne gezindheid niet. Wat

ik trouwens uit voorzichtigheid wel had behooren te doen. Getergd door

de minachting waarmede ik hem behandelde, voegde hij bij zijne overige

misdaden nog zijn verraad aan de zaak, die hij omhelsd had. Toen hoopte

ik, dat dit geene gevolgen van eenig belang zou hebben. De graaf

van Mar had in Schotland een dapper leger, en lord Derwentwater,

Foster en anderen, brachten op de grenzen krijgsvolk bijeen. Ik

had uitgebreide betrekkingen met de Engelsche edellieden. Daarom

achtte ik het doelmatig, dat ik bij een korps Hooglanders bleef,

onder bevel van Mac-Intosh, dat zich op de grenzen met de Engelschen

vereenigde. Mijne dochter vergezelde mij op dien tocht, in weerwil

van alle gevaren en ongemakken.

»En nimmer zal zij haar dierbaren vader verlaten!" riep Diana uit,

terwijl zij zich liefderijk aan zijn arm klemde.

»Zoodra wij ons," vervolgde Vernon, »met onze Engelsche vrienden

vereenigd hadden, zag ik, dat het met onze zaak zeer slecht

stond. Het getal onzer manschappen verminderde, in plaats van te

vermeerderen. Niemand voegde zich bij ons, dan eenige aanhangers van

ons geloof. De volgelingen der Stuarts, die tot de bisschoppelijke kerk

behoorden, bleven meest allen besluiteloos. Eindelijk werden wij niet

verre van Preston door eene macht, waartegen wij niet bestand waren,

ingesloten. Gedurende een geheelen dag verdedigden wij ons dapper. Den

volgenden dag ontzonk echter onzen bevelhebber de moed, en zij besloten

zich over te geven. Had ik mij aan deze voorwaarden onderworpen,

dan zou ik mij zelf aan het schavot hebben overgeleverd. Ongeveer

dertig edellieden waren van hetzelfde gevoelen. Wij stegen te paard,

en namen mijne dochter, die volstrekt mijn lot wilde deelen, in het

midden van onzen kleinen hoop. Mijne tochtgenooten waren zoo verrast

door den mannelijken moed en door de kinderlijke liefde mijner

dochter, dat allen verklaarden liever hun leven te willen wagen,

dan haar achter te laten. Wij reden samen door eene lange straat

van Preston, naar eene moerassige weide aan de rivier de Ribble,

van welke één onzer de doorwaadbare plaats kende. De vijand had deze

streek niet sterk bezet, zoodat wij slechts eenige ruiters ontmoetten,

die wij op de vlucht dreven. Wij vervolgden toen onzen weg naar

Liverpool, waar wij scheidden, ten einde deze hier, gene daar, eene

schuilplaats te zoeken. Mijne gelukster bracht mij naar Wallis, waar

ik vele geloofsgenooten en staatkundige vrienden had. Ik kon echter

geen voldoende veilige gelegenheid vinden om ter zee te ontkomen, en

zag mij dus genoodzaakt, weder noordwaarts te trekken. Een beproefd

vriend had met mij afgesproken, om mij op deze plaats te ontmoeten,

en mij naar eene Schotsche haven te geleiden, waar een schip gereed

lag, dat mij voor altijd uit mijn geboorteland zou voeren. Voor het

oogenblik zochten wij een toevlucht in dit thans onbewoonde kasteel,

waar de oude Syddall, die reeds vroeger onze vertrouweling was geweest,

ons eene schuilplaats verleende. Ik koos eene kleeding, waarvan ik

mij reeds te voren met goed gevolg bediend had, om den bijgeloovigen

landlieden en den dienstboden ontzag in te boezemen. Zoo verwachtten

wij van dag tot dag, door Syddall het bericht van aankomst van onzen

nieuwen leidsman, toen uwe plotselinge verschijning in dit vertrek

ons noodzaakte, uwe deelneming in ons lot af te smeeken."

Zoo eindigde Vernon zijn verhaal, dat mij als een droom voorkwam. Ik

kon bijna niet gelooven, dat Diana vóór mij stond.... Ach! hoe was

zij bleek en ter nedergeslagen! De moed, waarmede zij alle gevaren

getrotseerd had, was thans tot eene kalme, onwrikbare vastberadenheid

geworden. Haar vader kon zich niet onthouden, daarover nog een enkel

woord te zeggen, ofschoon de indruk, dien zijne loftuitingen op mijn

gemoed maakten, hem niet verborgen konden zijn. Het moest zelfs zijne

ongerustheid wekken, dat ik haar zoo vol liefde aanzag.

»Zij heeft," zeide hij, »beproevingen ondergaan, die de geschiedenis

van eene martelares tot eer zouden strekken. Zij heeft gevaren en

dood in allerlei gedaanten met vasten moed onder de oogen gezien. Zij

heeft ontberingen geleden, waarvoor de sterkste mannen terugdeinzen;

zij heeft den dag in duisternis, den nacht met waken doorgebracht en

nooit eenige klacht laten hooren, nooit eenigen zweem van zwakheid

of ontmoediging verraden. Met één woord, mijnheer Osbaldistone! Zij

verdient, dat ik haar voor altijd wijde aan mijn God," ging hij

zich kruisende voort,--»als het dierbaarste en kostbaarste kleinood,

dat mij is overgebleven."

Na deze woorden, welker droevige beteekenis ik maar al te goed begreep,

volgde een diep stilzwijgen. Ook thans scheen Diana's vader zich er

op toe te leggen, om mij alle hoop te benemen, juist zoo als hij bij

onze vluchtige ontmoeting in Schotland had gedaan.

»Laat ons mijnheer Osbaldistone niet langer storen," zeide hij tot

zijne dochter: »hij is toch nu met den ongelukkigen toestand zijner

gasten, die hem om zijne bescherming smeeken, genoegzaam bekend."

Ik verzocht hen dringend te blijven, en bood aan, liever zelf de

boekenkamer te verlaten. Vernon antwoordde, dat ik daardoor slechts

den argwaan van mijn bediende zou opwekken, en dat hunne schuilplaats

door Syddall's zorgvuldigheid van al de noodige geriefelijkheden

voorzien was.

»Ja, als wij het noodig hadden geacht, zouden wij u hebben kunnen

ontwijken en verborgen blijven," zeide hij, »maar het zou heel

onbillijk zijn geweest, indien wij niet met de daad getoond hadden,

alle vertrouwen in uwe rechtschapenheid te stellen."

»Uw vertrouwen is niet misplaatst," hernam ik, »hoewel gij mij niet

kent; doch freule Vernon zal gaarne getuigen, dat...."

»Ik behoef haar getuigenis niet," zeide hij op zeer minzamen toon,

doch zichtbaar met de bedoeling om te verhinderen, dat ik mij zelf

tot zijne dochter zou wenden. »Ik weet, dat ik slechts goeds van

den heer Frans Osbaldistone mag verwachten. Vergun ons, dat wij ons

verwijderen. Wij moeten rust zoeken, zoo vaak wij kunnen, daar wij

volstrekt niet weten, wanneer wij tot voortzetting onzer gevaarlijke

reis zullen geroepen worden."

Dit zeggende legde hij den arm zijner dochter in den zijnen, en met

eene diepe buiging verdwenen beiden achter het behangsel.

Robbert Roodhaar · 第 51 / 57 题