»Ik sta op," riep ik, om zoo veel mogelijk tijd te winnen. »Pleegt
toch geen geweld! Eerst moet ik uw bevel van arrest zien. Vind ik
het wettig, dan zal ik mij niet verzetten."
»God zegene den grooten koning George!" zeide Andries. »Ik heb het
u immers gezegd, dat gij hier geene Jakobieten vinden zoudt."
Ik draalde zoo lang mogelijk, tot ik mij eindelijk genoodzaakt zag om
de deur te openen, die men anders zeer zeker zou opengeloopen hebben.
Jobson trad binnen, vergezeld van eenige handlangers, onder wie ik
denzelfden knaap opmerkte, dien Syddall bij mij verdacht had gemaakt,
en die waarschijnlijk de verklikker was geweest. Jobson toonde mij zijn
bevel van aanhouding, dat niet alleen Frederik Vernon, een overtuigden
verrader, maar ook Diana Vernon en Frans Osbaldistone, wegens het
niet aangeven van een hun bekenden verrader, betrof. Tegenstand zou
razernij geweest zijn, en nadat ik nog een paar minuten uitstel had
verzocht, gaf ik mij gevangen.
Nu begaf Jobson zich tot mijn verdriet naar Diana's kamer, en ik
hoorde dat hij vervolgens, zonder zich te bedenken of te zoeken, naar
de kamer ging, waarin zich haar vader bevond, of ten minste zich ter
ruste had begeven.--
»Het wild is ontsnapt!" zeide hij, »maar het nest is nog warm. Onze
speurhonden zullen het wel spoedig bij den nek krijgen."
Een angstkreet in den tuin overtuigde mij, dat hij gelijk had. Weinige
oogenblikken daarna trad Rashleigh met Diana en Vernon, als gevangenen,
in de kamer.--
»De vos," zeide hij, »kent zijn hol nog, maar hij heeft vergeten,
dat een schrander jager het dicht kan maken. Ik had de tuindeur
niet vergeten, edele lord Beauchamp, zoo als gij u toch gaarne hoort
noemen."
»Rashleigh," antwoordde Vernon, »gij zijt een ellendige verrader!"
»Dezen naam, mijnheer de ridder of mylord, verdiende ik vroeger,
toen ik onder de leiding van een bekwamen leermeester, de fakkel van
den burgeroorlog in een vreedzaam land trachtte te ontsteken. Maar
ik heb mijn best gedaan," vervolgde hij, met een blik ten hemel,
»om mijne dwalingen te herstellen."
Ik kon mij niet langer bedwingen. Wel had ik mij voorgenomen zwijgend
toeschouwer te blijven. Maar ik gevoelde, dat ik spreken moest,
al was er de dood mee gemoeid.
»Waarachtig!" riep ik, »ik geloof niet dat de hel een akeliger
duivelsgestalte heeft, dan die van laagheid en gemeenheid onder het
masker van huichelarij."
»Aha, mijnheer en neef!" zeide Rashleigh, en nam eene kaars van de
tafel, om mij van het hoofd tot de voeten te bezien. »Van harte
welkom op het kasteel Osbaldistone! Dat ge boos zijt, kan ik u
licht vergeven. Het is zeker hard, zeer hard, eene geliefde en een
landgoed in éénen nacht te verliezen; want wij zullen van dit kasteel
en zijn toebehooren bezit nemen in naam van den wettigen erfgenaam,
Rashleigh Osbaldistone."
Ik zag dat Rashleigh, terwijl hij op zulk een trotschen toon sprak,
spijt en schaamte gevoelde, maar onderdrukte. Ja, nog veel merkbaarder
werd die gemoedsstemming, toen Diana kalm tot hem sprak: »Rashleigh,
ik heb medelijden met u. Zeker, groot is het ongeluk, waarin gij
mij wildet storten. Het kwaad dat gij doet is veel. En toch kan ik
u niet zoo sterk haten als verachten. Wat gij thans gedaan hebt,
is het werk van eenige weinige oogenblikken. Maar gij zult er uw
gansche leven aan denken. Hoe? dat laat ik over aan uw geweten. Het
zal niet altijd sluimeren, het zal u martelen, lafaard!"
Een paar maal ging Rashleigh met groote schreden de kamer op en
neer. Toen hij bij de tafel kwam, waarop de wijn nog stond, schonk
hij met eene bevende hand een vol glas in. Hij zag dat wij zijn
beven bemerkten. Hij kon dit met eene krachtige poging onderdrukken
en bracht, terwijl hij ons met een vast en driest oog aanstaarde,
het glas aan zijn mond, zonder een enkel dropje te storten.
»Het is mijns vaders oude Bourgonje!" zeide hij, Jobson aanziende. »Het
doet me pleizier dat ik er nog wat van vind. Ik verzoek u, geschikter
lieden te benoemen, om in mijn naam voor het kasteel en mijn eigendom
zorg te dragen. Dezen ouden sukkel en dien Schotschen gek kunt gij de
deur wijzen. Intusschen zullen wij de gevangenen in verzekerde bewaring
brengen. Ik heb de oude familiekoets doen inspannen," vervolgde hij,
»ofschoon ik wel weet, dat onze waarde freule Vernon het ook te voet
of te paard in de nachtlucht zou kunnen doen, als maar de reis meer
naar haren zin was."
Andries wrong de handen. »Ik zeide immers maar," stamelde hij, »dat
mijnheer zeker met een spook in de boekenkamer gesproken had--en die
ellendeling daar gaat een oud vriend verraden, die zoo vele jaren
elken Zondag uit één boek met hem tot God gebeden heeft!"
Men liet hem zijn klaaglied niet eindigen, maar wierp hem met Syddall
het huis uit. Dit wegjagen bleef echter niet zonder gewichtige
gevolgen. Besloten, om zich naar een oud bekende in het dorp te
begeven, bij wien hij een nachtverblijf hoopte te vinden, had hij
juist de groote laan achter zich, en was op een stuk weiland gekomen,
toen hij plotseling eene kudde Schotsch vee ontmoette, die zich daar
voor dien nacht gelegerd had. De tuinier verwonderde zich daarover
niet; de gewoonte der Schotsche veehandelaars, om op deze wijze een
goedkoop nachtverblijf op de eerste de beste grasvlakte te zoeken,
was hem genoeg bekend. Maar hij werd niet weinig onthutst, toen een
Hooglander opsprong, hem beschuldigde, dat hij het vee gestoord had,
en hem niet verder wilde laten gaan, voordat hij met zijn baas zou
gesproken hebben. De Hooglander bracht den doodelijk ontstelden
man in een boschje, waar hij nog drie of vier van zijne landslieden
vond.--»Ik zag al heel spoedig," zeide Andries, »dat er voor eene
kudde veel te veel mannen waren, en aan hunne vragen merkte ik wel,
dat zij geheel iets anders op het oog hadden, dan zij voorwendden."
Zij vroegen hem naar al, wat er op het kasteel voorgevallen was,
en schenen zeer bekommerd, toen zij zijn getrouw verhaal aangehoord
hadden. »Waarlijk," bekende Andries, »ik verzweeg niets aan mannen,
die met dolk en pistool gewapend waren." Daarop spraken zij zacht met
elkander en dreven eindelijk hun vee naar het einde der groote laan,
zoo wat tien minuten van het huis. Vervolgens sleepten zij eenige
gevelde boomen bijeen, die in de nabijheid in het rond lagen, en
maakten daarvan eene versperring op den weg.
De dag begon aan te breken. Een flauw schijnsel in het Oosten
vermengde zich met het meer en meer verbleekende maanlicht. Men
kon alle voorwerpen reeds tamelijk goed onderscheiden. Het ratelend
geluid van eene koets, die door vier paarden getrokken en door zes
man te paard begeleid werd, deed zich in de groote laan hooren. De
Hooglanders luisterden opmerkzaam. In de koets zat Jobson met
zijne ongelukkige gevangenen. Het geleide bestond uit Rashleigh en
eenige andere ruiters. Nauwelijks waren wij de laan ten einde, of
het rijtuig werd opgehouden door het vee, waar tusschen wij reden,
en door de boomstammen. Twee ruiters stegen af, om de boomen uit den
weg te ruimen, die zij wellicht dachten, dat uit slordigheid waren
blijven liggen, terwijl de anderen met hunne sabels het vee wegjoegen.
»Wat is dat? Wie waagt het daar ons vee kwaad te doen," riep eene
ruwe stem. »Schiet hem neer, Angus!"
»Verraad!" riep Rashleigh. »Men wil hen bevrijden!" en schoot zijn
pistool af op den man die gesproken had.
»Met de sabel er op in!" riep de bevelhebber der Hooglanders, en het
gevecht begon terstond. De gerechtsdienaars, geheel verbluft door
den plotselingen aanval, en over het algemeen niet al te dapper,
verdedigden zich slechts zwak, hoewel zij de overmacht aan hun kant
hadden. Eenigen van hen wilden naar het kasteel terugrijden, maar
toen zij ook daarin door verscheidene geweerschoten, die er van alle
kanten vielen, verhinderd werden, meenden zij geheel omsingeld te
zijn en vluchtten langs verschillende wegen. Intusschen was Rashleigh
afgestegen en vocht te voet woedend tegen den aanvoerder der bende. Uit
het portier der koets aanschouwde ik het gevecht. Eindelijk viel
Rashleigh.
»Ik vraag u, wilt gij om vergeving smeeken in naam van God, van
Jakobus en van de oude vriendschap?" riep eene stem, welke ik maar
al te goed kende.
»Neen, nooit!" antwoordde Rashleigh op vasten toon.
»Zoo sterf dan, verrader!" riep Mac-Gregor en stiet den gevallene
het zwaard in de borst.
Een oogenblik later stond hij aan het portier der koets. Hij hielp
Diana er uit en reikte haren vader en mij, bij het uitstijgen, de hand,
en rukte er toen Jobson uit, dien hij onder den wagen wierp.
»Mijnheer Osbaldistone," zeide hij zacht, »gij hebt niets te
vreezen. Ik moet waken over hen, die in gevaar zijn. Uwe vrienden
zullen weldra in veiligheid wezen. Vaarwel! Denk aan Mac-Gregor!"
Hij floot. Dadelijk schaarden zich zijne makkers rondom hem. Zij namen
Diana en Vernon in hun midden en verdwenen met hen in het bosch. De
koetsier had zijne paarden in den steek gelaten, toen het schieten
begon; maar de paarden, door de boomen belemmerd, bleven bedaard
staan, tot geluk van Jobson, die bij de minste beweging overreden
zou zijn geworden. Mijne eerste gedachte was, hem bij te staan. Want
hij was door den schrik dermate bedwelmd, dat hij buiten staat was,
zich zelven te helpen. Maar eerst riep ik hem toe, wel op te merken,
en zoo noodig te getuigen, dat ik noch eenig deel aan de bevrijding
der gevangenen gehad, noch zelf eenige poging aangewend had om te
ontvluchten. Toen gaf ik hem te kennen, dat hij zich naar het kasteel
kon begeven en eenige van zijne aldaar achtergebleven handlangers kon
roepen, ten einde de gekwetsten bij te staan. Maar Jobson was door
den schrik zoo verlamd, dat hij zich niet kon verroeren. Nu besloot
ik zelf te gaan, maar struikelde dadelijk over iets, dat ik eerst
voor een lijk hield. Het was Andries, frisch en gezond: hij had deze
houding verkozen, om de sabelhouwen en geweerschoten te ontgaan, die
elk oogenblik in allerlei richtingen vielen. Het verheugde mij zeer,
hem te vinden, zoodat ik niet eens vroeg hoe hij daar gekomen was,
maar hem terstond beval mij hulp te verleenen.
De eerste die hulp behoefde was Rashleigh. Hij steunde zwaar, toen
ik hem naderde, en sloot de oogen, alsof hij zich voorgenomen had,
nooit weder te spreken. Wij droegen hem in de koets, en bewezen een
anderen gekwetste, die nog op den grond lag, gelijken bijstand. Met
moeite overreedde ik Jobson in de koets plaats te nemen, ten einde
Rashleigh te ondersteunen, en nu begaven wij ons terug naar het
kasteel. Eenige der vluchtelingen waren langs zijwegen daar al
aangekomen. Zij hadden de bezetting schrik aangejaagd door het
bericht, dat Rashleigh, Jobson en al die hen begeleid hadden, door
een hoop woeste Hooglanders in stukken gehouwen waren. Een dof gegons
als van een verontruste bijenkorf verkondigde ons de gejaagdheid in
het kasteel, toen wij ons in de nabijheid daarvan bevonden. Jobson,
die zich thans vrij wel hersteld had, kondigde zich met luider stem
aan. Hij was des te ongeduldiger, om uit de koets verlost te worden,
daar een van zijne handlangers zoo even naast hem aan de gevolgen
gestorven was, ten gevolge zijner wonden.
Rashleigh leefde nog, maar was ook doodelijk gekwetst. Men bracht
hem in het kasteel, waar men hem in een leunstoel plaatste, terwijl
sommigen het bloed, dat rijkelijk uit de wonde vloeide, poogden te
stelpen en anderen bevalen, een heelmeester te halen.
»Plaagt mij niet meer," riep de gewonde: »voor mij is geen hulp
meer. Ik sterf."
Hij richtte zich in den stoel op, hoewel het doodzweet reeds zijn
voorhoofd bedekte, en zeide met eene vastheid van stem, die hem zeer
veel inspanning scheen te kosten: »Neef Frans, kom bij mij!"
Ik naderde hem.--»Ik wilde u alleen maar zeggen," vervolgde hij,
»dat zelfs de doodsangst mijne gezindheid jegens u niet verandert. Ik
haat u!" riep hij met hevigheid. En wraakzucht deed het vuur in het
reeds brekend oog nog eenmaal ontvlammen. »Ik haat u met zulk een
onverzoenlijken haat, dat dood noch graf dien ooit kunnen uitwisschen."
»Ik heb u daartoe geen reden gegeven," hernam ik. »Om uwent wil zou
ik u toewenschen, dat gij in kalmer stemming den dood tegemoet gingt."
»Het is wel waar!--gij hebt mij wel reden,--gegronde reden
gegeven--u te haten," hernam Rashleigh hijgend. »Gij hebt mij
overal--gedwarsboomd,--in de liefde--op den weg mijner eerzucht--in
mijn eigenbelang--bij elke schrede--die ik doen wilde,--overal.--Ik
werd geboren--om het sieraad--van mijn geslacht te worden,--Wat
ben ik?--zijne--schande.--Dat--is uwe schuld!--Mijne erfenis--is de
uwe--welnu--neem haar,--neem haar!--De vloek--van een stervende--blijve
er--aan verbonden--vloek!"
En met dit woord viel hij achterover in zijn stoel. Zijn oog brak,
maar op de ontzielde trekken zag men nog duidelijk het grijnzen
van den haat. Ik wendde mij van het afzichtelijke beeld af. Van
Rashleigh's dood heb ik niets meer te zeggen, dan dat mijn erfrecht
thans onbetwist was. Jobson moest zelf bekennen, dat de aanklacht
wegens het niet aangeven van een hoogverrader, alleen op Rashleigh's
verlangen was gedaan, ten einde mij uit het kasteel te verwijderen. Ook
dezen Jobson haalde de straf spoedig in. Hij werd van zijn ambt ontzet,
en hij verviel in armoede en sleepte een ellendig bestaan voort.
Zoodra ik mijne zaken in orde had gebracht, keerde ik terug naar
Londen. Ik verliet gaarne eene plaats, die zooveel pijnlijke
herinneringen in mij opwekte. Lang was ik in angstige onzekerheid
omtrent Diana's lot, tot een Fransche koopman mij een brief van haar
bracht, waardoor ik omtrent haar en haars vaders veiligheid gerust
werd gesteld.
Ik had reden uit den inhoud van dien brief de zekerheid te krijgen, dat
de plotselinge verschijning van Mac-Gregor en diens bende, volstrekt
niet toevallig was geweest. De Schotsche edellieden, die aan den
opstand deel hadden genomen, waren vooral er op bedacht, om Vernon's
vlucht te bevorderen. Als een oud, vertrouwd aanhanger der Stuarts,
zou hij zeer licht een groot gedeelte van den Schotschen adel met zich
in het verderf kunnen sleepen. Robbert, op wiens sluwheid en moed men
rekenen kon, werd gekozen, om Vernon's bevrijding te bewerken. Het
kasteel Osbaldistone werd als de plaats der bijeenkomst bestemd. De
onderneming gelukte volkomen. Vernon en zijne dochter vonden op eenigen
afstand van het kasteel paarden gereed, en kwamen, onder Robbert's
geleide, veilig in eene der westelijke havens, waar zij zich naar
Frankrijk inscheepten. Ook verhaalde de koopman mij, dat Vernon
door tering was aangetast, het gevolg van lijden en rampspoed, ja,
dat hij nauwelijks nog eenige weinige maanden zou kunnen leven. Zijne
dochter woonde in een klooster, waar zij volgens haars vaders wensch
later de gelofte zou afleggen.
Toen ik deze berichten ontving, ontdekte ik mijn vader onbewimpeld den
toestand van mijn gemoed. Hij was wel onthutst bij het denkbeeld,
dat ik met eene Roomsch-Katholieke vrouw wilde huwen, maar hij
wenschte mij, voor mijn volgend leven, gelijk hij zich uitdrukte,
op een vasten voet ingericht te zien. En hij stelde het zeer op
prijs, dat ik met mijne ijverige deelneming aan zijne handelszaken,
hem mijne neiging als het ware, opgeofferd had. Na een kort beraad,
en na verscheidene vragen, die ik tot zijne tevredenheid beantwoordde,
zeide hij: »Nu, zou ik waarlijk nooit gedroomd hebben, dat mijn zoon
eigenaar van het kasteel Osbaldistone zou worden, maar nog minder, dat
hij zijne bruid uit een Fransch klooster halen zou. Welaan! ik geef
mijne toestemming. Eene zoo brave dochter, moet ook eene brave vrouw
zijn. Gij hebt, mij ten gevalle, in het kantoor gearbeid, Frans. Het is
billijk, dat ik u vrij laat in de keuze eener vrouw. God geve u geluk!"
Waarde Tresham, hoe voorspoedig het met mijn aanzoek afliep,
en hoe spoedig ik het jawoord kreeg, dat is niet noodig u te
vertellen. Dat weet gij. Gij weet ook, dat ik lang en gelukkig met
Diana geleefd,--gij weet hoe ik haar beweend heb, toen ik haar door
den dood moest verliezen. Maar gij moet weten, hoe ten volle zij die
tranen verdiende, hoe edel zij was en hoe trouw!
Mijne romantische avonturen zijn geëindigd. De latere gebeurtenissen
van mijn leven zijn u, mijn vriend, wel bekend. U, die met zooveel
deelneming de genoegens en de stormen, welke elkander in mijn
leven afwisselden, met mij gedeeld heeft. Vaak begaf ik mij naar
Schotland. Nooit heb ik den koenen Hooglander weder gezien, die op
mijne vroegere lotgevallen zulk een grooten invloed uitgeoefend had;
wel vernam ik van tijd tot tijd, dat hij zich voortdurend in zijn
gebied aan de bergachtige oevers van Loch-Lomond handhaafde, ja,
dat hij zelfs zooveel toegevendheid van den kant der regeering
genoot, dat hij de rol van beschermer van het graafschap Lennox
spelen kon. In die hoedanigheid hief hij eene soort van schatting,
welke hij even geregeld ontving, als andere grondeigenaars hunne
huurpenningen. Een bestaan zoo als hij leidde, zou men denken, moest
een gewelddadig einde genomen hebben, maar neen! op hoogen ouderdom is
hij een vreedzamen dood gestorven, in het jaar 1773. Nog steeds leeft
hij in de nagedachtenis zijner landgenooten voort als Robbert Hood
van Schotland, de schrik der rijken, maar de vriend der armen. Hij
was een man, die edele, achtenswaardige hoedanigheden van verstand
en hart bezat. Een minder dubbelzinnig bedrijf dan dat, waartoe het
noodlot hem veroordeeld had, ja, een eereambt in de wereld had door
hem vervuld kunnen worden. Hij bezat er gemoed en verstand voor.
Mijn ouden Andries hebt gij als tuinier in het kasteel Osbaldistone
nog gekend. Die placht te zeggen: »Je kunt soms menschen in de wereld
hebben, die eigenlijk veel te veel slechts doen, om ze te zegenen,
en die toch veel te braaf zijn, om ze te vloeken." Robbert Roodhaar
was zulk een mensch.