Komt hier, mijn zestal zonen!
Dat ik op u bouwe.
Gij blijft voorzeker met mij
Den edelen graaf getrouwe.....
.... En vijf der zonen spraken:
"Wij zijn met raad en daad
U en den graaf getrouw...."
De zesde pleegt verraad.
De wapenroep van het Noorden.
Het was op den ochtend waarop wij Glasgow zouden verlaten. Daar stoof
Andries plotseling als een bezetene mijne kamer binnen. Met zeer veel
moeite kon ik hem zoo ver brengen, dat hij tot bedaren kwam en mij
zeide wat er voorgevallen was. Daarop verhaalde hij mij dan, dat al
de Hooglanders de wapenen opgevat hadden, en met Robbert Roodhaar aan
hun hoofd tegen Glasgow in aantocht waren, en binnen vierentwintig
uren aankomen zouden.
»Ge moet dronken zijn of krankzinnig!" riep ik; »en in elk geval zie
ik geen reden om zoo opgetogen te wezen als gij nu zijt."
»Natuurlijk, daar heb je 't weer," hernam hij onbeschoft: »dronken
of dol! Een mensch heet bij u altijd dronken of dol, als hij iets
vertelt dat groote lui niet gaarne hooren. Maar ze komen toch,--dat
houd ik vol!"
Ik sprong terstond uit bed en spoedde mij naar mijn vader en Owen,
die evenzeer als ik ontstelden. Weldra vernamen wij dat de ontvangen,
tijding over het geheel maar al te waar was. De opstand, die
Groot-Brittannië in het jaar 1715 teisterde, was juist uitgebarsten,
toen de ongelukkige graaf van Mar ter kwader ure het vaandel der
Stuarts opstak. Het verraad van eenige Jacobietische handlangers, onder
wie ook Rashleigh zich bevond, en de gevangenneming van eenige anderen,
had koning George's raad met de wijd en zijd uitgebreide vertakkingen
van eene reeds lang gesmede samenzwering bekend gemaakt. Ze brak
onverwacht uit, maar in een te afgelegen gedeelte van het rijk, om van
duurzamen invloed te zijn, hoewel het rijk in groote beroering erdoor
geraakte. Deze zoo gewichtige gebeurtenis bevestigde en verklaarde de
wenken, die ik van Mac-Gregor ontvangen had. Thans zag ik duidelijk,
waarom de westelijke clans hun bijzonderen twist bijgelegd hadden. Zij
wisten wel dat zij weldra tot verdediging hunner gemeenschappelijke
zaak vereenigd zouden moeten handelen. Smartelijker was voor mij de
gedachte dat Diana Vernon nu de vrouw was van een man die 't ijverigst
tot het bevorderen der algemeene omwenteling medewerkte, aan alle
ontberingen en gevaren blootgesteld was, die met haars echtgenoots
roekelooze onderneming gepaard gingen.
Wij raadpleegden over de maatregelen, die deze netelige omstandigheden
vereischten, en billijkten mijns vaders besluit, dat wij ons regelrecht
naar Londen zouden begeven. Ik gaf mijn wensch te kennen, om bij een
der vrijkorpsen, die opgericht zouden worden, den Staat te dienen. En
mijn vader, die den oorlog als eene kostwinning wel afkeurde, maar tot
verdediging van zijn vrijheid en zijn geloof zijn bloed zou opgeofferd
hebben, gaf gaarne zijne toestemming.
Wij reisden snel en onder veel gevaren door een gedeelte van Schotland
en het noorden van Engeland, waar de heeren, die tot de Tories
behoorden, manschappen en paarden bijeenbrachten en uitrustten,
terwijl de Whigs zich in de groote steden verzamelden, de burgerij
wapenden en zich op den burgeroorlog voorbereidden. Meermalen werden
wij bijna aangehouden en moesten dikwerf groote omwegen maken, ten
einde het krijgsvolk te ontwijken.
Na onze aankomst te Londen, vereenigden wij ons met de bankiers
en aanzienlijkste kooplieden, die zich bereid hadden verklaard,
om de regeering te ondersteunen en de daling der staatsfondsen te
voorkomen. Immers de saamgezworenen hadden ook vooral de hoop op
dit punt tot een gunstig slagen in hunne onderneming gebouwd, door,
zoo als zij geloofden, een staatsbankroet te kunnen veroorzaken. Mijn
vader werd tot een der medeleden van de financieele commissie benoemd;
daar men algemeen een onbepaald vertrouwen in zijn ijver, bekwaamheid
en welwillendheid stelde. Hij voerde zelf de onderhandelingen met de
ministers en het gelukte hem, door zijn geldmiddelen den prijs der
staatspapieren, die bij het uitbarsten van den opstand aanmerkelijk
gedaald waren, weder tot gezonder stand te brengen.
Ik zelf was intusschen ook niet werkeloos, maar liet mij als officier
aanstellen en wierf op mijns vaders kosten omtrent tweehonderd man,
met wie ik mij bij het korps van den generaal Carpenter voegde.
De opstand had zich nu ook naar Engeland uitgebreid, waar de
ongelukkige graaf van Derwentwater en de generaal Foster met
eenige anderen voor de Stuarts de wapenen opvatten. Mijn arme
oom, wiens vermogen door eigen zorgeloosheid en de verkwisting
zijner zonen nagenoeg weggesmolten was, liet zich overhalen, den
heilloozen standaard te volgen. Maar eer hij dezen stap deed, nam
hij een maatregel van voorzichtigheid, dien men van hem nauwelijks
zou hebben verwacht: hij maakte zijn testament. Volgens dat stuk
moesten zijne vaste goederen aan zijn oudsten zoon komen, en na
diens dood op de jongere en hunne mannelijke erven overgaan. Maar
Rashleigh die, door zich jegens zijne partij trouweloos te gedragen,
den haat zijns vaders op zich geladen had, werd geheel uitgesloten
en onterfd. Het gansche vermogen werd in geval van het afsterven der
andere zonen aan mij, als den naasten erfgenaam toegewezen. Ik was
dan ook steeds de lieveling van mijn oom geweest. Maar de aanblik
der reusachtige jongelingen, zijne zonen, die zich thans wapenden,
gaf hem waarschijnlijk zooveel vertrouwen op de instandhouding van
zijn stam, dat hij die laatste beschikking slechts als eene doode
letter beschouwde, die alleen diende, om zijne verontwaardiging over
Rashleigh's verraad duidelijk te doen uitkomen. Ook vermaakte hij aan
de nicht van zijne overleden echtgenoote, Diana Vernon, thans Diana
Vernon Beauchamp, eenige diamanten, die aan hare tante toebehoord
hadden, en een groot zilveren bekken, waarop de ineengevlochten wapens
der familie Vernon en Osbaldistone gedreven waren.
Maar het was Gods wil, dat de krachtvolle, edele stam sneller
uitstierf, dan de ongelukkige vader vermoeden kon. Bij de eerste
monstering der saamgezworenen geraakte Thorncliff met een edelman uit
Northumberland, die even trotsch en onbuigzaam was als hij, in een
hevigen twist. In weerwil van alle pogingen hunner krijgsmakkers,
om dien bij te leggen, kwam het tot een tweegevecht met den degen,
waarin mijn neef den dood vond. Zijn dood was een groot verlies voor
ridder Hildebrand, daar Thorncliff bij zijn opvliegenden aard een
paar grein gezond menschenverstand meer bezat dan al zijne overige
broeders,--Rashleigh, zoo als van zelf spreekt, alleen uitgezonderd.
Percival sneuvelde insgelijks in zijn beroep; dat wil zeggen, op
zijn manier op het bed van eer. Hij ging met een anderen edelman eene
weddingschap aan, wie van beiden den grootsten beker brandewijn zou
kunnen uitdrinken op den dag, dat Jakobus Stuart door de oproerigen te
Morpeth als koning uitgeroepen werd. De gevolgen van dezen wedstrijd
waren eene hevige koorts, waaraan hij weinige dagen daarna stierf,
onder het gestadig uitroepen van: »water! water!"
Richard brak den hals toen hij met een stram paard, dat hij een tot
de partij der oproerigen overgegaan koopman uit Manchester aanpraten
wilde, over eene heg poogde te springen.
Wilfred, de domkop, trof, zoo als het den dommen soms gaat, nog
het beste lot. Hij sneuvelde in den slag bij Preston, waar hij zeer
dapper vocht, ofschoon hij, naar men verzekert, niet recht wist, wat
eigenlijk de aanleiding tot den strijd was, terwijl hij zich ook niet
herinneren kon, voor welken koning hij de wapens droeg. John streed
insgelijks moedig in dat gevecht, en ontving verscheidene wonden,
maar was niet zoo gelukkig om op het slagveld te sterven. Mijn oude
oom, wien al deze rampen het hart gebroken hadden, werd den volgenden
dag, toen al de aanhangers van zijne partij zich aan den overwinnaar
moesten overgeven, gevangen genomen en met zijn gekwetsten zoon John
naar de gevangenis van Newgate gebracht.
Ik was in zoover blijde, weder van den militairen dienst bevrijd
te zijn, daar ik nu het ongeluk mijner verwanten kon helpen
verzachten. Mijn vader had veel invloed bij de regeering. En het lot
van den ongelukkigen man, die in zulk een kort tijdsbestek op twee na,
al zijne zonen verloren had, verwekte zulk een algemeen medelijden, dat
mijn oom en neef waarschijnlijk niet van hoogverraad zouden aangeklaagd
zijn geworden. Maar een hooger gerecht voorkwam die aanklacht. John
stierf in de gevangenis en bad mij in zijn laatste oogenblikken de
verzorging van zijne valken op het kasteel Osbaldistone en van zijn
geliefkoosden jachthond op mij te willen nemen.
Mijne beklagenswaardige oom was geheel ter neer geslagen. Hij
sprak weinig, maar de deelneming die ik hem bewees, scheen hem te
roeren. Ofschoon ik geen getuige was van de eerste samenkomst met mijn
vader na eene scheiding van zoo vele jaren en onder zulke treurige
omstandigheden, gaf mijns vaders neerslachtigheid mij duidelijk genoeg
te kennen, dat ze zeer smartelijk geweest was. Mijn oom sprak met
veel verbittering over Rashleigh, zijn thans nog eenig overgebleven
zoon. Hij verweet hem den ondergang van zijn geslacht en den dood
zijner broeders. Hij verzekerde dat noch hij, noch zijne zonen tot de
opstandelingen zouden zijn overgegaan, als Rashleigh hen niet verleid
had, en nu had hij zelf de zaak der Stuart's 't eerst verraden. Een
paar maal noemde hij zijne nicht Diana met innige genegenheid. Toen
ik op zekeren dag naast zijn bed zat, zeide hij tot mij: »O, beste
neef, daar nu Thorncliff en allen dood zijn, doet het mij zoo leed,
dat gij haar niet hebben moogt."
De woorden »Thorncliff en allen" roerden mij diep. Het waren de gewone
woorden van den goeden ouden man, wanneer hij 's morgens vroolijk
op de jacht ging en zijn lieveling Thorncliff onderscheidde van al
de overigen, die hij slechts in het algemeen noemde. Maar de luide,
vroolijke stem, waarmede hij placht te zeggen: »Roept Thorncliff--en
allen!" verschilde veel van den somberen, lijdenden toon, waarop hij
nu de troostelooze woorden uitsprak. Zelf onderrichtte hij mij van den
inhoud van zijn laatsten wil, waarvan hij mij een authentiek afschrift
mededeelde, daar hij het oorspronkelijke bij den rechter Inglewood had
gedeponeerd, die door niemand gevreesd en door allen, als een onzijdig
persoon, vertrouwd, de bewaarder was geworden der testamenten van de
helft der heeren van beide partijen, die uitgetrokken waren.
Mijn arme oom bracht zijne laatste uren grootendeels in godvruchtige
overdenkingen en gebeden door, daarin bijgestaan door den kapelaan van
het Sardinische gezantschap, voor wien wij met moeite de vergunning
verkregen den gevangene te bezoeken. Kort na den dood van zijn
zoon bezweek hij onder het lijden, waartegen zijne lichaams- en
zielskrachten niet langer bestand waren, maar waarvoor de geneesheeren
geen naam konden vinden. Inderdaad, hij scheen eerder op te houden
te leven, dan met eenigen strijd te sterven.--Het was als een door de
golven geslingerd schip, dat soms lek wordt en in de diepte verdwijnt,
eer men eenig zichtbaar lek aan het vaartuig heeft kunnen ontwaren.
Dadelijk nadat mijn vader zijn broeder de laatste eer bewezen had,
gaf hij mij tot mijne verwondering zijn verlangen te kennen, dat ik,
overeenkomstig het testament van mijn oom, als hoofd der familie
zou optreden. Dit verraste mij zeer. Ik dacht, dat zoo iets voor hem
nooit iets bekoorlijks had gehad. Maar het is wel mogelijk dat hij
vroeger meer schijnbaar dan werkelijk, onverschillig was geweest,
daar hij begreep dat hij best deed, even als de vos in de fabel,
niet dat te verlangen, wat hij toch niet kon verkrijgen. Daarbij kwam
echter zijn hevige afkeer van Rashleigh, die openlijk dreigde zijns
vaders beschikkingen te willen bestrijden. Dit versterkte hem in het
verlangen, om den uitersten wil zijns broeders te handhaven.--»Met
het meeste recht," zeide mijn vader, »was die laaghartige booswicht
onterfd geworden. Door het testament heeft de overledene eene vroegere
onrechtvaardigheid vergoed en de overgebleven goederen komen nu weer
aan de wettige erfgenamen."
Intusschen was Rashleigh als tegenpartij geenszins gering te achten. De
berichten, welke hij der regeering verraderlijk had medegedeeld, waren
voor het oogenblik, zoo gewichtig geweest, ja, hij had daarbij op zulk
eene sluwe wijze zich zoo groote verdiensten weten toe te dichten, dat
hij zelfs onder de voornaamste ministers vele begunstigers bezat. Reeds
waren wij bezig hem wegens den aan ons gepleegden roof in rechten te
vervolgen. Naar den gang van dat eenvoudige rechtsgeding te oordeelen,
liet het zich aanzien, dat het nieuw begonnen proces over de goederen
veel langer dan onze leeftijd duren kon.
Om deze vertraging te voorkomen, volgde mijn vader den raad van zijn
advokaat, betaalde eenige zware hypotheken af, waarmede de landerijen
van Osbaldistone bezwaard waren en droeg al zijne eigen aanspraken
aan mij over. De gunstige gelegenheid, om een groot gedeelte der
aanmerkelijke winst, door het snelle rijzen der staatspapieren bij het
dempen van den opstand behaald, te beleggen, en zijne onlangs verkregen
ondervinding van de gevaren, waaraan de handel is blootgesteld, bewogen
hem misschien op deze wijze een aanzienlijk gedeelte van zijn vermogen
vast te zetten. Hoe het zij, ik had verwacht, dat hij mij weder naar
zijn kantoor zou brengen, waartoe ik hem mijne bereidwilligheid
had verklaard, want ik wilde zijne wenschen, welke die ook waren,
onvoorwaardelijk volbrengen. Maar zie! in plaats daarvan, beval hij
mij naar Northumberland te vertrekken, en als wettig erfgenaam bezit
van het kasteel Osbaldistone te nemen. Bij den rechter Inglewood
moest ik het oorspronkelijke testament van mijn oom lichten en de
noodige maatregelen nemen, om mij in het bezit der goederen te stellen.
Op iederen anderen tijd zou deze verandering van toestand mij zeer
gewenscht zijn geweest, maar thans kon het kasteel Osbaldistone
slechts smartelijke gewaarwordingen in mij opwekken. En toch, waar
anders dan in dat oord kon ik berichten omtrent Diana's lot hopen te
verkrijgen? Met reden moest ik vreezen, het geheel anders te zullen
vinden dan ik wenschte, maar tot dusver wist ik nog niet, wat er
van haar geworden was. Vruchteloos had ik getracht, door allerlei
bewijzen van vriendelijke deelneming het vertrouwen van eenige verre
bloedverwanten te verwerven, die zich onder de gevangenen in Newgate
bevonden. Maar eene zekere fierheid, die ik niet kon afkeuren, daarbij
een vergeeflijke argwaan tegen Frans Osbaldistone, den aanhanger der
heerschende partij, en den neef van den ellendigen verrader Rashleigh,
sloten ieders hart, ieders mond. Ik ontving niets dan koelen gedwongen
dank, voor den bijstand, dien ik bewijzen kon. De arm der straffende
gerechtigheid verminderde ook van lieverlede het getal dergenen,
wien ik van nut poogde te zijn. Nu werden de overblijvenden
nog afkeeriger van allen, die zij voor aanhangers der regeering
hielden. Toen men weder eenigen in afdeelingen naar de gerechtsplaats
ter dood had weggevoerd, verloren de teruggeblevenen alle deelneming
aan het leven. Zij hadden lust noch moed meer om met menschen te
verkeeren. Nog lang zal ik mij een dezer ongelukkigen herinneren,
die op mijn dringende vraag, of ik hem niet met nog iets genoegen
kon doen, antwoordde: »Mijnheer Osbaldistone, ik geloof gaarne dat
gij het goed meent, en daarom betuig ik u mijn dank. Maar waarlijk,
een mensch laat zich niet mesten als pluimgedierte, als hij ziet,
dat zijne vrienden dag aan dag naar het moordschavot gevoerd worden,
en hij weet dat de beurt spoedig ook aan hem zal komen."
Onder deze omstandigheden verheugde het mij wezenlijk, Londen en
Newgate en de tooneelen, waarvan ik daar getuige was, te kunnen
verlaten, om de vrije lucht in Northumberland in te ademen. Andries
was in mijn dienst gebleven, niet omdat ik dit juist gaarne had, maar
omdat mijn vader dit scheen te wenschen. Zijne plaatselijke kennis der
omstreken van het kasteel Osbaldistone, meende mijn vader, kon mij
nu van nut zijn. Zijn reisgezelschap was mij niet onwelkom, terwijl
ik het vooruitzicht had, om van hem ontslagen te worden, als ik hem
weder tot tuinier aanstelde. Bij mijn vader had hij zich door zijn
bijzonderen slag om zich den schijn te geven, alsof hij met lijf en
ziel aan zijn heer gehecht was, eenige gunst verworven. Hij wist deze
voorgewende gehechtheid daarmede te vereenigen, dat hij mij, zijn heer,
bij elke gelegenheid allerlei streken speelde, terwijl hij volstrekt
niet duldde, dat iemand anders dan hij zelf zijn meester bedroog.
Onze reis liep af zonder dat ons eenig avontuur bejegende. Het land,
hetwelk nog kort te voren in opstand was geweest, vonden wij in rust
en vrede. Hoe meer wij het kasteel Osbaldistone naderden, des te enger
werd het mij om 't hart bij de gedachte, dat ik thans die verlaten
woning alleen zou binnentreden. Om dat zoo gevreesde oogenblik uit
te stellen, besloot ik eerst rechtstreeks naar den rechter Inglewood
te rijden.
De goede man was, gedurende den laatsten tijd, door de lotgevallen
en tegenstrijdige gevoelens, aan zijne voormalige en tegenwoordige
betrekkingen verbonden, niet weinig verontrust geworden. Zeer
natuurlijke herinneringen aan het verledene hadden vrij wat invloed
op de vervulling van zijne rechterlijke plichten gehad. Hij was echter
zoo gelukkig geweest, om zich van zijn griffier Jobson te ontslaan, die
hem den ganschen last der ambtsbezigheden overgelaten had. Jobson zelf
was nu de handlanger van zekeren Standish geworden, die sedert eenigen
tijd als vrederechter fungeerde in de buurt en zulk een blakenden
ijver voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging liet
blijken, dat Jobson zich eer beijveren moest, zijn nieuwen patroon
binnen de perken der wet te houden, dan hem tot handelen aan te sporen.
Inglewood ontving mij zeer vriendelijk en stelde mij terstond mijns
ooms testament ter hand, hetwelk in volkomen orde werd bevonden. In
het eerst was de goede man zichtbaar verlegen, hoe hij in mijne
tegenwoordigheid spreken en handelen zou. Doch toen hij zag, dat ik
weliswaar uit beginsel een aanhanger der tegenwoordige regeering,
maar niettemin tot medelijden gestemd was jegens hen, die zich
door verkeerde begrippen van plicht en getrouwheid tot den opstand
hadden laten verleiden, werd zijn gesprek een vermakelijk mengelmoes
van datgene wat hij gedaan en niet gedaan had, van zijne pogingen,
om sommige landedellieden van rustverstorende samenrottingen af te
houden, en van de toegevendheid, waardoor hij de vlucht van anderen,
die aan den opstand deel hadden genomen, begunstigd had.
Wij waren geheel alleen, en reeds hadden wij eene flesch geledigd,
toen hij mij plotseling uitnoodigde, om een beker te ledigen op het
welzijn der brave, lieve Diana Vernon, het roosje in de woestijn, het
klokje in het Cheviot-gebergte, de bloem, die in een akelig klooster
stond verplant te worden.
»Is Diana Vernon dan niet gehuwd?" vroeg ik vol verbazing. »Ik dacht,
dat zijne Excellentie...."
»Wel ja, waarom niet!" hernam Inglewood, luidkeels lachende--»zijne
Excellentie en zijne Genade--dat alles is allemaal gekheid--ijdele
titels van St. Germain! De graaf Van Beauchamp gezant van Frankrijk--en
de hertog van Orleans--weten misschien niet eens, dat er zulk een man
bestond. Gij zult immers den ouden Frederik Vernon in het kasteel
Osbaldistone wel gezien hebben, toen hij de rol van pater Vaughan
speelde?"
»Rechtvaardige Hemel! Vaughan was dus de vader van Diana?"
»Juist!" antwoordde Inglewood zeer bedaard. »Waartoe die zaak nu nog
langer geheim gehouden? Hij moet thans wel het land uit zijn, want
anders zou mijn plicht mij gebieden, hem gevangen te nemen. Welnu--uw
glas geledigd op de gezondheid van mijne lieve verlorene Diana!"
Ik was, zoo als men licht begrijpen kan, volstrekt niet gestemd,
om in Inglewood's vroolijkheid te deelen. Het schemerde mij voor
de oogen. »Nooit," hernam ik, »heb ik geweten, dat Diana's vader
nog leefde."
»Dat hij nog leeft," antwoordde Inglewood, »heeft men waarlijk niet
aan onze regeering te wijten. Van niemand zou het hoofd zooveel
geld opgeleverd hebben, als het zijne. Onder koning William werd
hij wegens zijne deelneming aan eene samenzwering ten voordeele der
Stuarts ter dood veroordeeld, en daar hij zich in Schotland met eene
verwante van de familie Breadalbane door het huwelijk verbonden had,
was zijn invloed op al de Hooglandsche hoofdelingen zeer groot. Men
zegt, dat hij bij den vrede te Rijswijk door Frankrijk zou hebben
moeten uitgeleverd worden. Maar hij veinsde zich ziek, en in de
Fransche nieuwspapieren werd zijn dood openlijk bekend gemaakt. Toen
hij herwaarts terugkwam, kenden wij den ouden heer zeer goed--ik wil
zeggen, ik kende hem zeer goed. Maar daar mij geen signalement van
hem werd gezonden, en mijn geheugen door vele en zware aanvallen van
jicht geweldig geleden had, zou ik er toch geen eed op hebben durven
doen,--dat vat je wel!"
»Kende men hem dan in het kasteel?" vroeg ik.
»Niemand dan zijne dochter, de oude ridder Hildebrand en Rashleigh;
laatstgenoemde was achter het geheim gekomen, zoo als hij achter alle
dingen kwam. Maar met dat geheim hield hij Diana als bij een koord om
den hals. Wel honderdmaal heb ik gezien, dat zij hem in het gezicht
zou hebben willen slaan, als zij niet voor haar vader gevreesd had,
wiens leven onfeilbaar verloren zou zijn geweest, zoodra men hem
aan de regeering verraden had. Versta mij niet verkeerd, mijnheer
Osbaldistone! de regeering is goed, genadig en rechtvaardig. Weliswaar,
heeft zij de helft der opstandelingen zonder genade doen ophangen,
maar zij zou die arme drommels zeer zeker rustig hebben laten leven,
als zij zich maar stil tehuis hadden gehouden."
Ik ontweek, zoo veel mogelijk, een gesprek over de staatszaken. Toen ik
Inglewood vrij behendig tot zijn eerste onderwerp had teruggebracht,
vernam ik, dat Diana stellig geweigerd had met een mijner neven
te huwen, en inzonderheid haren afkeer van Rashleigh had te kennen
gegeven. Deze was dan ook sedert dien tijd veel lauwer in zijn ijver
voor de zaak van den Pretendent geworden. Eigenlijk had hij als
de jongste der broeders, en als een sluw en doortrapt man, dezen
als een middel beschouwd, om fortuin te maken. De omstandigheid,
dat hij door den vereenigden invloed van Sir Frederik Vernon en van
de Schotsche hoofden gedwongen was geworden, om den buit terug te
geven, dien hij van het kantoor van mijn vader geroofd had, deed
hem waarschijnlijk het besluit nemen, om door afval en verraad
zijn voordeel te doen. Misschien had hij ook, daar hij uitnemend
van de gelegenheid partij wist te trekken om zijn belang te dienen,
ontdekt dat de hulpmiddelen en vermogens der opstandelingen, zoo als
naderhand bleek, geenszins berekend waren voor de groote onderneming,
om eene staatsomwenteling te bewerken. Vernon--of zoo als hij bij
de aanhangers der Stuarts heette, zijne Excellentie de Burggraaf
Beauchamp--had met zijne dochter vrij wat moeite gehad, om de gevolgen
van Rashleigh's verraad te ontgaan. Inglewood's berichten waren hier
gebrekkig: »Men heeft niet vernomen, dat Vernon in handen der regeering
is gevallen"--voegde hij er bij--»het moest hem dus wel gelukt zijn,
naar vreemde landen te ontvluchten. Maar volgens de wreede overeenkomst
met zijn zwager, zou Diana zich in een klooster moeten begeven."
De eigenlijke oorzaak van deze zonderlinge overeenkomst kon Inglewood
niet nauwkeurig opgeven. Hij had gehoord, dat ze vooral was aangegaan,
om den ouden Vernon de renten te verzekeren der overblijfsels
van zijn aanzienlijk vermogen, dat men door eenige rechtsgeleerde
kunstgrepen op de familie Osbaldistone had overgebracht. Kortom het
was een familieverdrag, waarbij men, zooals niet zelden gebeurt,
de gezindheid van degenen, die hoofdzakelijk er mede gemoeid zijn,
niet meer in aanmerking had genomen, dan alsof zij tot het vee op
het land behoord hadden.
Groot is des menschen wankelmoedigheid!--Ik weet niet of het ontvangen
bericht mij vreugde of smart veroorzaakte. Het scheen mij toe, of
mijne droefheid over Diana's verlies eer vermeerderd dan verminderd
was, sedert ik wist dat zij niet door het huwelijk met een ander,
maar door de muren van een klooster voor eeuwig van mij gescheiden
was, alleen om aan de bepalingen van eene ongerijmde overeenkomst te
voldoen. Ik werd droefgeestig en verstrooid. Ik was niet in staat om
het gesprek met mijn gullen gastheer voort te zetten, die eindelijk
zelf begon te geeuwen, en mij voorsloeg om mij, na de ongemakken der
reis, vroeg naar bed te begeven. Ik wenschte hem eindelijk goeden
nacht, en deelde hem mijn voornemen mede, om den volgenden morgen
vroeg naar het kasteel te rijden. Inglewood keurde dit goed.
»Ik zou u aanraden," zeide hij, »te zorgen dat gij daar zijt, eer
uwe aankomst in de omstreken bekend is geworden. Want Rashleigh,
zoo als men mij verzekerd heeft, bevindt zich in Jobson's woning,
natuurlijk om nieuwe schurkenstreken te beramen. Zij behooren bij
elkander; want Rashleigh durft zich onder eerlijke lieden niet meer
vertoonen. Maar als twee schurken samen zijn, dan weten eerlijke lui
dat oppassen de boodschap is."
Hij eindigde niet mij aan te raden, een stevig ontbijt te gebruiken
eer ik vertrok, want de kille morgenlucht op de heide, zeide hij, was
bepaald ongezond voor hem, die zich 's ochtens nuchteren buiten waagde.